Evenementenlijst Sint Antoniusparochie

okt 2018

datum/tijd evenement

maandag - 15 okt

Hele dag Gedenkdag H. Teresa van Avila, kerklerares & mystica

Teresa (ook Theresia) van Avila ocd., Spanje; mystica & kerklerares; † 1582.

Afbeelding van Teresa van Avila

< 1800. Schilderij. België, Brussel, karmelklooster
Sint Petrus en Sint Paulus waren mijn eigen beschermers.

http://www.heiligen.net/afb/10/15/10-15-1582-teresa_1.jpg

Feest 15 oktober.

Teresa van Avila werd op 28 maart 1515 geboren als dochter van een Spaans edelman. Zij groeide uit tot  een knap en ijdel meisje. Zonder veel enthousiasme trad ze toe tot de orde der karmelietessen.

Na ongeveer 20 jaar kreeg ze visioenen waarin ze het lijden van Jezus Christus zo intens meebeleefde dat ze besloot ogenblikkelijk haar leven te veranderen en zich geheel in dienst van God te stellen. Ze oefende zich in stil-zijn en bidden. Ze kon zo verzonken zijn in Gods aanwezigheid dat ze in extase raakte en visioenen zag. Toch werd ze niet levensvreemd. Zelf schrijft ze: “De liefde tot God bestaat niet uit tranen en dierbare gevoelens, maar dat men God dient in gerechtigheid en deemoed.”

Teresa had een actieve natuur en zij gebruikte haar verhouding tot God als een bron voor goede werken. Zij hervormde de orde der karmelietessen ondanks enorme tegenstand en stichtte meer dan 30 nieuwe kloosters die ze met haar groot organisatietalent leidde.

Ze schreef verschillende boeken die voor de theologie zo belangrijk zijn dat zij in 1970 werd benoemd tot kerkleraar. Haar boek ‘Het kasteel der ziel’ leert de lezer bidden op eenvoudige en tegelijk diepzinnige manier. Elke nieuwe ontwikkeling in het gebedsleven wordt voorgesteld als een kamer in een kasteel: overbodig te zeggen dat men tenslotte uitkomt in de schatkamer, waar God woont en daar de bidder met liefde opwacht en ontvangt.

Enkele beroemde uitspraken van haar zijn: “Als je danst, dans dan; als je bidt, bid dan.” Zo was ze eens uitgenodigd bij de rijke weldoener Miguel de Marabès. Bij het eten werd er patrijs opgediend, toen ook al een uiterst verfijnde en luxueuze spijs. Eén van de dienstmeisjes had al de hele tijd moeder Teresa in de gaten gehouden. Nu kon ze zich niet langer bedwingen en zei met iets van afkeuring in haar stem: “Gôh, dat een kloostervrouw als u mee-eet van zo’n rijke schotel!” Waarop Teresa antwoordde: “Luister, mijn kind: als men u patrijs voorzet, eet dan patrijs; en als het de tijd van vasten is, houd je dan aan de vasten.”

Eens was ze onderweg met de Heilige Johannes van het Kruis († 1591; feest 14 december), een uiterst sobere monnik, die een scherp oog had voor de tekortkomingen van de mensen. En daar ook veel onder leed. Bij het eten werden hun overheerlijke druiven voorgezet. Vader Johannes riep uit: “Als je denkt aan het komende oordeel Gods, zou je er geen één meer door je keel kunnen krijgen.” Waarop Teresa antwoordde: “Dat mag zo zijn, vader Johannes, maar als je denkt aan Gods goedheid, zou je er altijd wel van willen blijven eten!”

Teresa was een uitgesproken aardige vrouw, vrolijk, vriendelijk, open en betrouwbaar. Een verhaal vertelt hoe zij eens per kar op weg was naar een nieuwe kloosterstichting. Het weer was slecht en het pad dat langs een riviertje liep, was een modderpoel geworden. Moeizaam kwam de kar vooruit. Tenslotte bleef ze steken en kantelde. Teresa kwam met bagage en al in het water en de modder terecht. Zij zou toen een stem uit de hemel hebben gehoord: “Zo doet God met al zijn vrienden” (om hun geloof en hart op de proef te stellen?). Teresa had haar antwoord onmiddellijk klaar: “Daarom hebt u er ook zo weinig!”

Andere markante uitspraken van haar: “De mogelijkheid om te bidden onderscheidt een mens van een dier.” Of: “Slechts door genade is het mogelijk om met God te spreken.” Toen een edelman haar eens vol bewondering zei dat hij in haar een groot heilige zag, moet ze geantwoord hebben: ‘Maar u houdt uw mond erover. Want u weet net hoe dat gaat als ze je een groot heilige vinden. Ze gaan wel met je botten slepen, maar ze hebben geen enkele boodschap aan wat je ze voorhoudt.’

Teresa stierf in de nacht van 4 op 15 oktober van het jaar 1582, precies de nacht dat de kalenderhervorming van paus Gregorius XIII († 1585) werd doorgevoerd en er tien dagen werden overgeslagen.

Verering & Cultuur
Zij is onder meer geportretteerd door Rubens, Velasquez en Murillo, meestal als karmelietes in bruin habijt met witte mantel en zwarte sluier. Ze heeft soms een duif boven haar hoofd (symbool van de Heilige Geest); soms een gesel in de hand (om boete te doen) of ook een brandend hart (symbool van liefde).

Haar voorspraak wordt gevraagd bij geestelijke nood, voor een vruchtbaar gebedsleven, bij hartziekten en hoofdpijn.

Zij wordt ‘De Grote Teresia’ genoemd om haar te onderscheiden van ‘De Kleine Theresia” (= Theresia van het Kindje Jezus van Lisieux: † 1897; feest 1 oktober).



dinsdag - 16 okt

Hele dag Gedenkdag H. Gerardus Majella, kloosterling

Gerardus Majella cssr, Caposele bij Napels, Italië; kloosterling; † 1755.

Afbeelding van Gerardus Majella

> 1900(?). Gips
Frankrijk, Bretagne, Hénon, Église St-Pierre.

http://www.heiligen.net/afb/10/16/10-16-1755-gerardus-majella_1.jpg

Feest 16 oktober.

Hij werd op 23 april 1726 te Muro Lucano bij Napels geboren als zoon van een eenvoudige kleermaker. Hij verlangde ernaar om in het klooster te gaan, maar daar had hij naar de mening van degenen die hem moesten beoordelen te weinig capaciteiten voor.

Toch bleef hij hopen en vragen, terwijl hij bij zijn vader het vak van kleermaker uitoefende. Na lang aandringen mocht hij in 1749 alsnog lekenbroeder worden bij de redemptoristen.

Naast de gewone kloostergeloften legde hij ook de gelofte af dat hij in elke omstandigheid zou kiezen voor het volmaaktste.

Hij leidde een leven van gebed en onderdanige gehoorzaamheid. Hij kreeg achtereenvolgens de functie van portier, kleermaker en tuinman.

Het was de heilige Alphonsus Maria de’ Liguori (†1787; feest 1 augustus), die in deze ijverige, bescheiden kloosterling een heilige ontdekte. Ook bij de mensen buiten het klooster was hij zeer geliefd; als hij ergens verscheen werd er geroepen: “Daar is de heilige!”.

Hij stond niet alleen bekend om zijn apostolisch en charitatief werk, maar vooral om een aantal bovennatuurlijke verschijnselen, zoals bilocatie, gedachtelezen, helderziendheid, voorspellingen, broodvermenigvuldiging en wonderbaarlijke genezingen.

Ook zou hij tijdens een storm even buiten Napels de zee op zijn gerend om een schip in moeilijkheden te redden: hij trok het aan twee vingers naar de wal.

Verering & Cultuur
Hij werd heilig verklaard in 1904. Hij is een echte volksheilige en geniet een grote verering. Nog altijd trekt zijn graf talrijke pelgrims.

In Nederland heeft hij een bedevaartsoord bij de paters redemptoristen te Wittem, Zuid-Limburg. Daarnaast zijn er bedevaarten in Barger Oosterveld, Hulten, Overdinkel en Weebosch.
Hij is patroon van kleermakers; van communiecantjes; van moeders en zwangere vrouwen. Zij voorspraak wordt ingeroepen voor een voorspoedige bevalling en bij hopeloze zaken.
Hij wordt afgebeeld mediterend met een kruis in de hand; brood uitdelend aan kinderen; met een schip (vanwege het wonder).



dinsdag - 16 okt

Sneek 08:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


dinsdag - 16 okt

Sneek 16:00 Rozenkransgebed

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


dinsdag - 16 okt

Sneek 17:30 Inspiratiedag Armoede - 16 okt

C:\Users\Kees\AppData\Local\Microsoft\Windows\INetCache\Content.MSO\7FCB327B.tmp Loodsboot Sneek, Sneek

Vooraankondiging:  Uitnodiging inspiratiebijeenkomst.

Meer dan genoeg.

Laudato Si’ en het basisinkomen.

C:\Users\Kees\AppData\Local\Microsoft\Windows\INetCache\Content.MSO\7FCB327B.tmp De door de paus Franciscus geschreven encycliek Laudato Si’, over de zorg voor het gemeenschappelijke huis is wereldwijd door gelovigen en niet-gelovigen zeer positief ontvangen. Hierin roept hij op tot actie en dialoog. Dit is wat wij op deze avond ook gaan doen. We gaan Laudato Si’ naast het concept van het basisinkomen leggen en vanuit de dialoog onderzoeken of het basisinkomen past in de visie van Laudato Si’ en of het een antwoord kan zijn op de groeiende ongelijkheid in de wereld. Een spannende vraag en u bent van harte uitgenodigd om een bijdrage te leveren!

Organisatie: De arme kant van Fryslân en Solidair Friesland

Waar: De Loodsboot aan de van Harinxmakade te Sneek

Wanneer: Dinsdag 16 oktober vanaf 17.30 uur (voor een broodje wordt gezorgd)

Er zijn geen kosten aan deze avond verbonden.



woensdag - 17 okt

Hele dag Gedenkdag H. Ignatius van Antiochië, martelaar

Ignatius van Antiochië (ook Godsdrager of Theoforos), Syrië; bisschop & martelaar; † ca 107.

Afbeelding Ignatius

Ignatius afgebeeld als jonge kerkvader.
5e eeuw, mozaïek. Turkije, Istanbul, Aya Sofia.

http://www.heiligen.net/afb/10/17/10-17-0107-ignatius_2.jpg

Feest 17 oktober

Na de apostel Petrus († ca 67; feest 29 juni) en diens opvolger Evodius († 1e eeuw; feest 6 mei) was hij de derde bisschop van Antiochië in Syrië. Aldus Eusebius († 337) in zijn Kerkgeschiedenis (III,22). Hiëronymus († 420; feest 30 september) weet in zijn boek over Beroemde Mannen (nr.16) te vertellen dat hij rond het jaar 110 werd veroordeeld ‘om de naam’. In die tijd was het op sommige plaatsen in het Romeinse Rijk al voldoende veroordeeld te worden op basis van het feit dat men als ‘christen’ werd aangebracht. Het lijkt erop dat dat in Antiochië korte tijd het geval is geweest. Immers als Ignatius straks in Rome de marteldood sterft, is die vervolging in zijn thuisstad alweer achter de rug. Antiochië was na de stad waar de eerste christenen een goed heenkomen hadden gezocht, toen in Jeruzalem vervolgingen uit waren gebroken (Handelingen 11,19). Het was ook in Antiochië dat Jezus’ volgelingen voor het eerst ‘christenen’ werden genoemd.

Over Ignatius is verder niet veel bekend. We weten niet waar hij geboren is, noch hoe oud hij was, toen hij de marteldood stierf. Volgens de overlevering was hij nog een leerling geweest van de apostel Johannes. Jacobus de Voragine († 1298; feest 13 juli) vertelt in zijn gouden legendeboek dat Ignatius als geloofsleerling een brief zou hebben geschreven aan de heilige Maagd Maria. Hij zou daarin hebben gevraagd of alle wonderen die Johannes over Jezus vertelde echt waar waren. In een antwoordbrief zou Maria hem op het hart hebben gedrukt dat hij geloof kon hechten aan alles wat Johannes over Jezus zei.

Ignatius werd dus het slachtoffer van de christenvervolgingen ten tijde van keizer Trajanus (98-117). Hij werd ter dood veroordeeld en naar Rome overgebracht. Die tocht liep via Tarsis in Cilicië dwars door Klein-Azië (= nagenoeg het huidige Turkije). Hij kwam langs Fildelfia, Sardes en Smyrna. In elk van die steden zocht hij contact met de plaatselijke christengemeente. In Smyrna ontving hij delegaties van christenbroeders uit naburige steden als Efese, Magnesia en Tralles. Na hun bezoek schrijft hij aan die gemeenschappen een brief om hun geloof te versterken. Hadden die afgevaardigden daarom gevraagd? Vanuit Smyrna schrijft hij ook alvast naar Rome. Hij vertelt dat hij vastgebonden zit aan tien Romeinse soldaten. Hij vergelijkt ze met luipaarden en zegt dat ze al maar woester en onbehouwener worden naarmate hij zich vriendelijker jegens hen gedraagt. Hij drukt de geloofsgenoten daar op het hart niets in het werk te stellen om zijn marteldood te verhinderen. Hij ziet zijn aanstaande dood als een waardig offer voor God. Zo zal hij pas een echte leerling, volgeling van Christus zijn. Als hij tussen de tanden van de leeuwen vermalen wordt, zal hij lijken op het tarwe waarvan het eucharistisch brood is gemaakt. Eenmaal doorgereisd naar Troas, de Noord-Macedonische stad die we ook uit de brieven van Paulus kennen, schrijft hij brieven naar Filadelfia en Smyrna en met name een aparte brief naar de bisschop daar, Polycarpus († 155 of 167(?); feest 23 februari). Aan Polycarpus vertrouwt hij de benoeming toe van een waardig opvolger voor hem in Antiochië. Uit Eusebius’ Kerkgeschiedenis weten we dat hij werd opgevolgd door een zekere Heros. Over hem is – voor zover ik weet – verder niets bekend.

In zijn brieven legt Ignatius de nadruk op de eenheid. De onderlinge eenheid van de christenen is een verwijzing, nee maakt deel uit van de veel grotere eenheid die God tussen zichzelf en ons mensen tot stand heeft gebracht door de menswording van Jezus Christus. Zo heeft God ons allen opgenomen in de eenheid die er binnen Hem bestaat. Er kan dus geen plaats zijn voor scheurmakers en ketterijen.

In elk van zijn brieven stelt hij zich voor als Ignatius, alias ‘god-drager’. Medechristenen noemt hij ook zo, soms ook ‘tempeldragers’ of ‘christusdragers’.

Eenmaal in Rome zou hij door keizer Trajanus aan een aantal folteringen onderworpen zijn geweest. Aldus het Gouden Legendeboek. De soldaten die de folteringen op hem uitvoerden, hoorden hem steeds de naam van Christus verzuchten. Ze vroegen waarom hij dat deed. ‘Omdat,’ zo antwoordde Ignatius, ‘die naam mij in het hart gegrift staat.’ Hij werd uiteindelijk in het circus voor de leeuwen gegooid. Hij hitste ze op om hem te doden, Dat deden de dieren, maar ze lieten hem verder ongemoeid. Tot verbazing van de toeschouwers op de volle tribunes. Toen de beulen zijn lijk ophaalden, wilden ze weten wat er waar was van het feit dat Christus’ naam geschreven zou staan in het hart van deze opmerkelijke man. Ze haalden zijn hart tevoorschijn en inderdaad stond er met gouden letters in gegrift de naam van Christus.

Verering & Cultuur
Hij was een van de eerste heiligen van wie het gebeente werd bewaard in een schrijn. Zijn relieken bevinden zich in de San-Clemente te Rome.
Naar het schijnt werd zijn feestdag al in de 4e eeuw gevierd op 17 oktober.

Patronaten
Zijn voorspraak wordt ingeroepen tegen hoofduitslag en keelpijn.



woensdag - 17 okt

Sneek 09:15 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, kapel, Sneek


donderdag - 18 okt

Hele dag Feestdag H. Lukas, evangelist

Lukas (ook Lucas) Evangelist (ook van Achaia), Boeothië, Griekenland; † 1e eeuw.

Afbeelding H. Lukas

Lukas schrijft zijn evangelie onder het toeziend oog van de Madonna.
1484, Rode, paneelschildering. Duitsland, Lübeck, Museum für Kunst und Kultur.

http://www.heiligen.net/afb/10/18/10-18-0100-lukas_8.jpg

Feest 18 oktober

Persoonsgegevens
Lukas is de naam die van oudsher wordt gegeven aan de schrijver van het derde evangelie. Blijkens de eerste zin is het opgedragen aan een zekere Theófilus. Omdat het boek van de Handelingen der Apostelen is opgedragen aan diezelfde Theófilus, wordt Lukas ook beschouwd als de schrijver van dat bijbelboek.

Over Lukas zelf is weinig bekend. Volgens de overlevering was hij afkomstig uit de Syrische stad Antiochië, waarschijnlijk van heidense afkomst. Dat baseert men niet alleen op het feit dat zijn evangelie bestemd was voor Jezus’ leerlingen die van niet-joodse afkomst waren, maar ook op het feit dat Paulus hem uitdrukkelijk niet noemt als een leerling uit de besnedenen. Men neemt aan dat hij de Lukas was die in het gezelschap van Paulus meereisde. De grote apostel noemt hem in zijn brieven drie keer. Hij houdt Paulus gezelschap tijdens diens eerste gevangenschap: “U groet Epafras, mijn medegevangene in Christus, alsmede Markus, Aristarchus, Demas en Lukas, allen medewerkers van mij” (Filemon 24). In zijn brief aan de christengemeente te Kolosse noemt Paulus hem weer, nu alleen met Demas: “U groet mijn vriend Lukas, de arts, en Demas” (Kolossenzen 04,14). Zou hij ook Paulus’ lijfarts geweest zijn? Ook als de grote apostel in Rome gevangen zit, is Lukas in zijn buurt te vinden: “Demas heeft mij in de steek gelaten. [-] Alleen Lukas is bij me” (2 Timotheus 04,10.11).

Dat Lukas een trouwe metgezel was, wordt nog eens versterkt door het feit dat sommige stukken in de Handelingen, waarin Paulus een hoofdrol vertolkt, in de wij-vorm geschreven zijn. Alsof Lukas er zelf bij was.

Latere tradities veronderstellen, dat hij behoorde tot de (twee-en)zeventig leerlingen die Jezus voor zich uit zond naar alle plaatsen waarheen Hij zelf dacht te gaan (Lukas 10,01). Gezien zijn Griekse naam, menen anderen dat hij een van de Grieken was die zich tot Filippus wendden met de vraag om Jezus te spreken te krijgen (Johannes 12,20-22). Weer anderen nemen aan dat hij naast Kleopas de tweede Emmausganger was, die op de avond van de eerste dag van de week ontgoocheld naar huis terugwandelde en onderweg gezelschap kreeg van de verrezen Heer zelf, zonder dat ze het in de gaten hadden. Ze herkenden Hem pas bij het breken van het brood, en dát, terwijl hun hart onderweg brandde bij de uitleg van de schriften die Hij hun had gegeven (Lukas 24,13-35). Deze veronderstelling wordt gevoed door de omstandigheid dat Lukas de enige evangelist is, die dit verhaal vertelt; bovendien noemt hij wel de naam van de ene leerling, Kleofas, maar niet die van de andere. Zou hij dat dus zelf geweest kunnen zijn? Daar staat tegenover dat Lukas uitdrukkelijk aan het begin van zijn evangelie zegt dat hij naspeuringen moest verrichten om de gebeurtenissen rond Jezus te achterhalen. Daaruit kan men de conclusie trekken, dat hij ze niet persoonlijk heeft meegemaakt.

Historisch gesproken echter is er over de evangelist verder niets met zekerheid bekend. Na Paulus’ marteldood in Rome zou hij het evangelie hebben verkondigd in Italië, Dalmatië (= het huidige Joego-Slavië) en Macedonië. Op zijn oude dag trok hij nog naar Noord-Afrika, waar hij in Lybië en Zuid-Egypte christengemeenten visiteerde. Uiteindelijk keerde hij terug naar Boeothië, een Griekse landstreek ten noord-westen van Athene. Daar zou hij tenslotte zijn beide boeken, het Evangelie en de Handelingen, hebben geschreven op bestelling van Theofilus, de gouverneur van de Griekse landstreek Achaia.

Karakteristieke teksten bij Lukas
Hij is de evangelist, die schrijft over de engel die aan Maria Jezus’ geboorte komt aankondigen (01,26-38). Hij heeft ons het ‘Magnificat’ overgeleverd, Maria’s dankhymne: ‘Mijn ziel prijst hoog de Heer’, waarin zij zingt: “Arme en kleine mensen maakt Hij groot!” (01,46-56). Bij hem lezen we over de geboorte van Johannes de Doper bij Maria’s bejaarde nicht Elisabeth (01,05-25.57-80). Het is Lukas die ons vertelt over de volkstelling en dat Maria vlak voor Jezus’ geboorte op reis moest; dat er voor haar geen plaats was in de herberg, en dat het kind dus in een kribbe werd geboren; herders uit de omgeving komen het aanbidden (02,01-21). Via hem weten we over de 12-jarige Jezus die ongemerkt in de tempel achterblijft om met de schriftgeleerden de debatteren; zij staan versteld van zijn wijsheid. Zijn ouders vonden Hem pas na drie dagen terug. Op de bezorgde vraag van zijn moeder waarom Hij hun dat had aangedaan, antwoordde Hij: “Wist u dan niet dat ik in het huis van mijn vader moest zijn?” (Lukas 02,41-52).

Lukas’ evangelie toont ons een biddende Jezus, die heel veel hart heeft voor armen en verschoppelingen. Hij kent Jezus’ verhalen over de Barmhartige Samaritaan (10,25-37), de Verloren Zoon (15,11-32), de arme Lazarus en de rijke vrek (16,19-31) en de farizeeër en de tollenaar die beiden opgaan naar de tempel om te bidden (18,09-14)). Hij vertelt over Jezus’ opmerkelijke bezoek bij Marta en Maria (10,38-42), de tollenaar Zacheus (19,01-10), de genezing van het kromgegroeide vrouwtje (13,10-17), de nieuwsberichten over de ingestorte toren en de moord van Pilatus’ soldaten op offeraars in de tempel (13,01-05). Hij heeft opgetekend hoe Jezus, stervend aan het kruis, om vergeving bad voor zijn geweldenaars (23,34), en hoe hij de goede moordenaar de toegang tot het paradijs toezegde (23,43). Aan hem hebben we het prachtige verhaal van de Emmausgangers te danken (24,13-35). In zijn Handelingen heeft hij ons het verhaal nagelaten van Jezus’ hemelvaart (06,01-11) en van de nederdaling van de Heilige Geest op zijn leerlingen met Pinksteren (02,01-12).

Zijn geneeskundige achtergrond horen we uit de bijzonderheid dat Jezus aan het hoofdeinde van het bed van Petrus’ zieke schoonmoeder gaat staan (04,39): dat is veel nabijer dan aan het voeteneinde. Lukas merkt met nadruk op dat Jezus bij al de zieken die naar Hem toe werden gebracht, één voor één de handen oplegde (04,40). We horen hoe de Barmhartige Samaritaan wijn en olie op de wonden van het slachtoffer giet (10,34). Wanneer Jezus preekt in zijn vaderstad, gebruikt Hij het spreekwoord: “Geneesheer, genees uzelf” (04,23). Wordt Jezus aangevallen op zijn omgang met zondaars en verkeerde mensen, dan antwoordt Hij: “Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken” (05,31).

Lukas’ dood
Hij zou op 84-jarige leeftijd gestorven zijn in een onbekende plaats in Boeothië. Over de omstandigheden waaronder hij gestorven is, doen verschillende lezingen de ronde. Zo zou hij één van de weinige christenen zijn uit de begintijd die niet door een marteldood aan zijn eind is gekomen. Maar in de oosterse kerk weet men te vertellen, dat hij wel degelijk door toedoen van afgodenvereerders de marteldood gestorven is. Zij zouden hem aan een olijfboom hebben opgehangen in de stad Thebe, Boeothië.

Verering & Cultuur
In het jaar 357 bracht keizer Constantius († 361), de zoon van de heilige keizer Constanijn († 337; feest 21 mei), zijn relieken over naar Constantinopel. In de 5e eeuw kwamen er naar Orthosias bij Arca. Tijdens de veroveringstochten van de westerse christenen in het oosten werd zijn stoffelijk overschot in Constantinopel buitgemaakt en overgebracht naar de Santa-Giustinakerk in de Italiaanse stad Padua. Ook Rome (het Vaticaan, de Sint-Pieter en de kerk van Sint Martinus) en Venetië (1464, San Giobbe) beroemen zich erop relieken van Lukas binnen de muren te hebben.

Lukas als schilder
Sinds de zesde eeuw heeft de overtuiging postgevat, dat Lukas ook schilder was. Zo zou hij portreticonen hebben vervaardigd van de apostelen Petrus en Paulus. Bovendien staan er drie iconen van de Moeder Gods op zijn naam. Dat verklaart meteen waarom Lukas zo veel weet van de omstandigheden waaronder Jezus geboren is en opgroeide: hij heeft het uit Maria’s eigen mond gehoord, terwijl zij voor hem poseerde. Dat tafereel is dan ook vooral in de middeleeuwse kunst vaak afgebeeld. Daarnaast wordt hij vaak schrijvend afgebeeld, meestal vergezeld van zijn evangelistensymbool: het rund of de os.

Een van zijn vermeende Mariaportretten wordt vereerd in de Santa-Maria-Maggiore te Rome. Daarnaast wordt hij ook beschouwd als de maker van het in feite 12de-eeuwse beeld van de Zwarte Madonna (La Moreneta, La Morena de la Serra) in de benedictijnenabdij van Montserrat (bij Barcelona).

Lukas’ patronaten
De Belgische plaats Antwerpen-Ekeren heeft een Sint-Lucasziekenhuis; Brussel-Anderlecht een Sint-Lucaskerk.
Hij is patroon van de Duitse stad Reutlingen.
In Italië is hij beschermheilige van de steden Bologna en Padua.
In Nederland zijn er Sint-Lukaskerken in Amsterdam-Osdorp, Arnhem, Eindhoven, Elden, Hem, ‘s Hertogenbosch, Tilburg en Venhuizen. Amsterdam heeft ook een Sint-Lukasziekenhuis. Voorschoten heeft een Sint-Lukasschool. Een groot katholieke scholen in de Randstad is ondergebracht in de Sint-Lucasstichting.
Hij is patroon van dokters, chirurgen, apothekers en alle beroepen die met artsenij te maken hebben; zeer vaak zijn en werden R.K. doktersgilden naar hem genoemd. Hij is ook patroon van alle beroepen die met boeken te maken hebben, zoals schrijvers, notarissen, boekhandelaren, drukkers, boekbinders, papierbewerkers; op grond van de traditie dat hij Maria heeft geschilderd werd hij natuurlijk ook patroon van kunstschilders, beeldhouwers en alle andere beeldende kunstenaars, zoals glasschilders, glasblazers, graveurs, borduurders, en in het bijzonder boekverluchters. Het 16e/17e eeuwse schildersgilde van de stad Delft was dan ook naar hem genoemd. Ook is hij patroonheilige van het vee vanwege zijn evangelistensymbool, het rund; zo kon hij ook patroon worden van slagers.
Hij is ook patroon van bierbrouwers en van vrijgezellen



donderdag - 18 okt

Sneek 08:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


donderdag - 18 okt

Sneek 14:00 KBO-Sneek - klaverjassen voor leden

Bonifatiushuis, Sneek

Coördinator is mevrouw L. Reinsma (0515 420458). De kaartmiddagen worden gehouden in het Bonifatiushuis op donderdag. De aanvang is om 14:00 uur.



donderdag - 18 okt

Sneek 16:00 Rozenkransgebed

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


vrijdag - 19 okt

Hele dag Gedenkdag H. Joël, profeet

Joël Profeet; Jeruzalem, Israël; † 5e eeuw vóór Christus.

Afbeelding profeet Joël

ca 1900(?), paneelschildering (onderdeel van kruisweg).
Nederland, ‘s Heerenberg, St-Pancratius.

http://www.heiligen.net/afb/10/19/10-19-00--0500-joel_1.jpg

Feest 19 oktober.

Hij is de tweede van de twaalf Kleine Profeten. Dezen worden zo genoemd, omdat zij slechts korte geschriften hebben nagelaten.
Joël was afkomstig uit de stam Ruben. Men neemt aan dat hij leefde na de Babylonische Ballingschap, toen de Tweede Tempel alweer herbouwd was.
Zijn boek valt in twee grote delen uiteen: het eerste voorspelt onheil, omdat de mensen Gods woorden niet in praktijk brengen. En wie zo leven, zullen uiteindelijk naar de bliksem gaan. Aldus de gedachtegang van de profeet.
In het tweede gedeelte wordt juist een lieflijke, paradijselijke toekomst in het vooruitzicht gesteld voor al degenen die in de barre tijden Gods woord zijn trouw gebleven.
Hij zegt in hoofdstuk 3:

‘Daarna zal het gebeuren:
Ik zal mijn Geest uitstorten over alle mensen,
uw zonen en uw dochters zullen zich als profeten gedragen;
uw grijsaards zullen droomgezichten zien
en uw jonge mannen krijgen visioenen.
Zelfs over de slaven en de slavinnen
stort Ik mijn geest uit in die dagen.’

Aldus roept de profeet namens God.
Vijfhonderd jaar later zeiden Jezus’ volgelingen (= christenen), dat deze profetie in vervulling ging op het Pinksterfeest, toen de Heilige Geest in de gedaante van vurige tongen op ieder van hen neerdaalde. En inderdaad waren er onder hen zonen en dochters, slaven en slavinnen. Daarop begonnen zij met vurige tongen over Jezus te spreken. Zij waren zo enthousiast dat elke vreemdeling hen verstond in zijn eigen taal. En er waren op dat moment heel veel vreemdelingen onder hun gehoor…

Het boekje van Joël eindigt met een hemels visioen:
‘Voor zijn volk is de Heer een toevlucht,
voor de zonen van Israël een vesting.
“Dan zul je erkennen,
dat ik, JHWH, uw God ben.
Ik die woon op de Sion [= berg waarop tempel van Jeruzalem stond]
mijn heilige berg;
dan zal Jeruzalem heilige grond zijn,
geen vreemde overheersers trekken er meer door.”
En het zal gebeuren op die dag,
dat de bergen van druivennat druipen,
dat de heuvelen stromen van melk,
dat al de waterlopen van Juda
een overvloed aan water hebben,
want uit de tempel van JHWH
zal een bron ontspringen,
die het dal van de acacia’s bevloeit.’


vrijdag - 19 okt

Hele dag Gedenkdag HH Jean de Brébeuf en Isaac Jogues, martelaren van Canada

Jean de Brébeuf sj, Québec † 1649, en Isaac Jogues, martelaren van Canada; † 1646.

Afbeelding van martelaren van Canada

Marteldood Canadese Martelaren.
1652, Sallaert, schilderij. België, Drongen, Oude Abdij.

http://www.heiligen.net/afb/10/19/10-19-1649-jean-debrebeuf_4.jpg

Feest 19 oktober (met andere Canadese martelaren).

Jean de Brébeuf

Pater Jean was geboren in de buurt van Bayeux in het Franse Normandië op 25 maart 1593. Op 24-jarige leeftijd trad hij in de orde der jezuïeten. Tijdens zijn studies gaf hij les aan de jongens op het college te Rouen. Op 19 februari 1622 ontving hij de priesterwijding.

Hij behoorde tot de eerste lichting Franse jezuïeten die overstak naar La Nouvelle France (= Nieuw-Frankrijk: nagenoeg het huidige Noord-Amerikaanse continent), om te gaan missioneren onder de inlandse bevolking. De overtocht, die plaats had in 1625, duurde twee maanden. Vanuit de standplaats Québec zou hij 800 mijl over water moeten afleggen om de mensen te bereiken voor wie hij bestemd was: de Huronen-indianen. In afwachting van de handelsdelegatie leerde hij het smakeloze voedsel van de indianen verdragen, op de grond slapen en allerlei ontberingen doorstaan zonder te klagen, want zielensterkte was de allerbelangrijkste deugd bij de indianen.

Bij de eerste kennismaking maakte hij diepe indruk op ze: met zijn grote gestalte torende hij hoog boven de kleine indianen uit; vandaar dat ze hem aanvankelijk niet in hun kano’s wilden meenemen uit angst dat ze zouden omslaan. Toen ze tenslotte toch toegaven, was dat vanwege de vette prijs die ervoor betaald werd, en onder voorwaarde dat hij doodstil zou blijven zitten, zolang ze op het water waren. De tocht duurde 30 dagen. Als ze vanwege de watervallen niet konden varen, moest alles, inclusief de kano’s gedragen worden. Pater de Brébeuf deed hun versteld staan, zulke zware lasten als hij kon dragen.

Aangekomen in ‘zijn’ dorp, deed hij de eerste twee jaar niets anders dan de taal en de gewoonten leren van de Huronen. Vanuit zijn christelijke achtergrond was er veel wat hem met afschuw vervulde: hun bijgeloof, hun arrogantie en minachting voor niet-Huronen, hun wraakzucht en wreedheid, hun gebrek aan seksuele moraal. In 1628 kon hij een begin maken met het eigenlijke missiewerk. Maar behalve enkele stervenden kon hij niemand dopen.

Toen kwam het bericht dat de Engelse oorlogsvloot de toegang tot Québec had afgesloten en dat de Fransen er dreigden te verhongeren. Pater de Brébeuf rustte een aantal kano’s uit met graan, en zette koers naar Québec. Het eten was welkom, maar twee dagen na aankomst gaven de Fransen zich over. Pater Jean kon niet meer naar zijn missie terug, en kreeg opdracht naar Frankrijk over te steken. Hij werd weer collegepater nu in de stad Eu. Dat was in 1629.

Maar drie jaar later sloten Engeland en Frankrijk een verdrag waarbij Canada weer aan de Fransen toeviel. De missie kon hervat worden, en Pater Jean behoorde weer tot de eerste lichting die de overtocht waagde. Na veel ontberingen keerde hij in de late zomer van 1634 op zijn oude standplaats terug. Het vroegere dorp was verhuisd, en de bevolking leed aan allerhande ziektes. De mensen waren blij hem en de anderen die bij hem waren, terug te zien. Maar toch wist hij niemand tot Christus te brengen, behalve de stervenden. Dat waren er velen. Toen niet lang daarna de regen ook nog uitbleef, en de tovenaars machteloos bleken, gaven zij de blanken de schuld voor alle ellende die de afgelopen jaren over hen heen was gekomen. Weliswaar begon er op de laatste dag van een negendaagse gebedsperiode die door de paters was uitgeroepen, inderdaad regen te vallen, maar dat nam het wantrouwen niet weg.
Terwijl de missionarissen in de omliggende dorpen nieuwe huizen openden, besloten de Huronen op hun stammenvergadering dat alle blanke zwartrokken dood moesten. Alleen dan zou de rust van vroeger kunnen worden hersteld.
De missionarissen verzamelden zich in een kleine, versterkte Franse nederzetting midden in het huronengebied, Sainte-Marie-parmi-les-Hurons.

Deze is geheel hersteld en een prachtig openluchtmuseum geworden. Bezoekers krijgen er een indrukwekkend beeld van de omstandigheden waaronder de missie toen plaatsvond.

Vandaar trok hij de dorpen rond om Christus te preken aan de kinderen, en waar nodig sacramenten toe te dienen. Intussen roerden zich ook de aartsvijanden van de Huronen, de Irokezen. Het gerucht werd verspreid dat de zwartrokken de Huronen in handen van de Irokezen wilden spelen. De eerste berichten van martelingen kwamen binnen. Het is 1644.
Pater de Brébeuf weigert in te gaan op de goede raad van anderen om zich in veiligheid te brengen, bv. in de stad Québec. Ook de anderen blijven. Als zij in 1649 tijdens een rondrit vertoeven op de hulppost Saint-Louis wordt de nederzetting overvallen door de Irokezen. Alle mensen die in hun ogen zonder waarde zijn, worden zonder meer afgemaakt: vrouwen, kinderen en bejaarden. De zwartrokken worden gevangen genomen en gemarteld. De gruwelijkste martelingen worden voorbehouden aan de dappersten onder wie Pater Jean de Brébeuf: ze moeten naakt door de sneeuw en de vrieskou lopen; hun worden roodgloeiende ijzeren bladen op de schouders gelegd; kinderen mogen hun vingertopjes afkluiven; en nog andere folteringen, de één al gruwelijker dan de ander. Pater Jean geeft geen kik; hij probeert zoveel nog in zijn krachten ligt de anderen te bemoedigen door hun Paulus’ woorden in herinnering te brengen: dat het lijden van dit moment niet opweegt tegen de hemelse heerlijkheid die ons straks te wachten staat.

Hoe vreemd het ook klinkt, toch zat er een vorm van eerbetoon achter die wreedheden. Hoe meer een martelaar bleek te kunnen verduren, hoe krachtiger zijn zielensterkte; en die zielsterkte zou men straks zelf in zich opnemen, wanneer de folteraars het bloed van hun slachtoffers zouden drinken en het hart zouden eten.
Pater Jean de Brébeuf stierf op 16 maart 1649 ‘s morgen om vier uur; hij was op dat moment 56 jaar oud.

Tezamen met de andere zeven Canadese jezuïetenmartelaren werd hij op 21 juni 1925 door paus Pius XI zalig en op 29 juni 1930 heilig verklaard. Hem werd bij zijn zaligverklaring de eretitel gegeven van ‘Apostel der Huronen’.

___________________________________________________________________________

Isaac Jogues

Isaac werd op 10 januari 1607 in de Franse stad Orléans geboren. Op zijn zeventiende trad hij in bij de jezuïeten te Rouen. In het vroege voorjaar van 1636 ontving hij de priesterwijding, en op 8 april vertrok hij uit Frankrijk op weg naar de missie in Nieuw-Frankrijk (= nagenoeg het hele Noord-Amerikaanse continent). Op 2 juli meerde zijn schip af in de haven van Québec. Hij was bestemd voor de Huronenmissie. Spoedig reisde hij door naar Trois-Rivières, waar Huronen hun bont kwamen verhandelen. Hij sloot zich bij hen aan op hun terugtocht, achthonderd kilometer landinwaarts, in kano’s over water, en soms ook over land, waarbij de vaartuigen met bagage en al boven de hoofden moesten worden getild en enkele kilometers verder gedragen. Omdat de inlanders zijn naam onmogelijk konden uitspreken, noemden ze hem in zijn zwarte toog ‘Ondessonk’ (= ‘roofvogel’).

Pater Jogues werd ontvangen door pater Jean de Brébeuf († 1649; feest 19 oktober). Van hem leerde hij de indiaanse taal en gebruiken. Na enige tijd werd hij overgeplaatst naar Teanaustayé en van daar naar de belangrijke statie van Ste-Marie. Met Pasen 1642 smaakte hij het genoegen een groep van honderdtwintig volwassen Huronen te dopen, onder wie de grootste vechtersbaas van de stam.

René Goupil
In juni van hetzelfde jaar vergezelde hij de bonthandelaren naar Trois-Rivières om bij de jezuïeten van Québec medebroeders te vragen voor het vele en vaak moeizame bekeringswerk. Zij hadden niemand, behalve René Goupil († 1642; feest 19 oktober) een geassocieerd lid van de orde, een zogeheten ‘donné’, een leek die geheel volgens de regel van de Orde leefde, maar geen jezuïet was. Als jongeman had hij zich destijds in Parijs aangemeld om jezuïet te worden, maar om gezondheidsredenen was hij weer weggestuurd. Hij had medicijnen gestudeerd en zou van groot nut kunnen zijn bij het bestrijden van de besmettelijke ziektes die herhaaldelijk de inlanders teisterden.

Op de terugweg naar de Ste-Marie werd de expeditie overvallen door de Mohawk-Indianen. Een van de Fransen van het gezelschap werd gedood. Toen pater Jogues en René Goupil te hulp schoten, werden hun de nagels van de vingers gebeten en de vingertoppen afgekloven. Vervolgens werden ze meegenomen naar Ossernenon (= het huisdige Auriesville, New York), de thuisbasis van de Mohawks. Onderweg vroeg René Goupil aan pater Jogues hem alsnog in de jezuïetenorde op te nemen. Hij kende de gelofteformule nog uit het hoofd van de tijd dat hij zich daarop had voorbereid in Parijs. En zo legde hij in de kajak zijn geloften af in de verminkte handen van pater Jogues.

Bij aankomst in Ossernenon werden ze tot op het blote lijf uitgekleed en moesten ze spitsroede lopen tussen de Mohawks die met stokken stonden opgesteld, en hen probeerden te slaan waar ze maar konden. Daarna werden ze op een schavot opgesteld en mocht iedereen met stenen en stukken hout naar hen gooien. Na afloop moest pater Jogues de foltering ondergaan van een vrouw die hem de linkerduim afsneed met een botte schelp. Daarna werden ze overgebracht naar de gemeenschapstent en naakt op de grond uitgestrekt, zodat de kinderen gloeiend houtskool op hun blote lijf konden laten vallen. Uiteindelijk werden ze als slaven toegewezen aan het stamhoofd en moesten ze vrouwenwerk opknappen, zoals werken op het land, water halen en hout sprokkelen. Dit alles tot vermaak van de dorpsgenoten.

Op een goed moment was een van de kinderen in de grote tent ziek. Spontaan maakte René Goupil een kruistekentje over het kind. Twee strijders zagen het. Zij waren door een oude tovenaar gewaarschuwd dat dat teken juist dood en verderf zaaide. Frater René besefte dat hij in gevaar was, en vluchtte het bos in, naar de plek waarvan hij wist dat pater Jogues er regelmatig ging bidden. Hij bekende wat hij gedaan had, waarop zij samen de rozenkrans begonnen te bidden. Op hetzelfde moment kwamen de twee strijders eraan. De één dwong René op zijn knieën, waarop de ander hem met één houw het hoofd afsloeg: het was 29 september 1642.

Zo werd hij de eerste martelaar van de Noord-Amerikaanse staat New York.

Pater Jogues boog zich over hem heen, klaar om de genadeklap te ontvangen, maar wonderlijk genoeg bleef die uit. Hij werd gemaand naar het dorp terug te keren.

Terug in Europa
Er kwam geen verandering in zijn situatie tot september 1643. Toen werd pater Jogues meegenomen op een handelsmissie naar het Hollandse Fort Oranje (= het huidige Albany). De Hollanders hadden al eerder geprobeerd hem los te krijgen tegen een flinke vergoeding, maar dat hadden de Indianen steeds geweigerd. Nu kwam een Hollandse kapitein hem te hulp. Hij verborg de Franse priester in zijn schip en betaalde aan de Mohawks een schadevergoeding. Zes weken hield de pater zich verborgen in het ruim van het schip. Tenslotte zagen de Hollanders kans hem over te brengen naar de grote havenstad Nieuw-Amsterdam (= het huidige New York).

Op 5 november werd hij in staat gesteld een schip te nemen naar Europa. Via Cornwall, Engeland, bereikte hij tenslotte op kerstavond Bretagne. Het eerste wat hij deed was een kerk zoeken om er de mis bij te wonen. Vervolgens meldde hij zich bij zijn medebroeders in Rennes. Die waren er trots op een martelaar in hun midden te hebben. Via de koningin van Frankrijk moest de paus eraan te pas komen om hem toestemming te geven met verminkte handen de mis op te dragen. Hij kon immers niet zoals destijds voorgeschreven de hostie vasthouden tussen duim en wijsvinger. De paus liet in een brief weten: ‘Het zou beschamend zijn, als een martelaar van Christus werd verboden zijn heilig bloed te drinken.’

Mohawks
Zijn hart was bij de missie. Na een kort bezoek aan zijn moeder in Orléans nam pater Jogues in juni weer de boot naar Nieuw-Frankrijk en in juli nam hij te Trois-Rivières alweer deel aan de vredesbesprekingen tussen de Fransen en de Irokezen. Er kwam weliswaar een vredesverdrag, maar dat moest ook door de Mohawks ondertekend worden. Met twee Mohawks en vier Algonquin-Indianen werd Pater Jogues aangewezen om de Mohawks op te zoeken. Hij kende immers de situatie en zou diplomatieke onschendbaarheid genieten. Onderweg deden ze Fort Oranje aan waar pater Jogues de losprijs kon vergoeden die de Holanders destijds voor hem aan de Mohawks hadden betaald. Tenslotte arriveerde hij bij de hoofdman, nu niet als zwartrok, maar gekleed als Fransman. De vredesvoorwaarden werden geaccepteerd. Op 3 juli was hij terug in Québec.

Jean de la Lande
In de veronderstelling dat de Mohawks milder gestemd waren, nu ze zich bij de vrede hadden aangesloten, vroeg hij aan zijn oversten toestemming om onder hen missie te gaan bedrijven. Dat mocht. In september was hij met enkele Huronen en Jean de la Lande onderweg naar het gebied van de Mohawks. De la Lande was een ‘donné’, afkomstig uit Dieppe. In 1642 was hij vanuit Frankrijk overgestoken en bleek een kundig en handig bosbouwer; intelligent en dapper. Hij had zich uit eigen beweging aangemeld om pater Jogues te vergezellen. Deze had hem in alle ernst en openheid gewezen op de grote risico’s die aan deze missie verbonden waren. Het had hem niet afgeschrikt; integendeel. Hij nam de verminkte handen van pater Jogues in de zijne en zwoer plechtig hem overal te vergezellen, zelfs als dat zou leiden tot marteldood.

Op 27 september 1646 vertrok het gezelschap uit Trois-Rivières. Maar al spoedig kwam het bericht dat de Mohawks weer op het oorlogspad waren. Er was namelijk weer een besmettelijke ziekte uitgebroken, en de Mohawks dachten dat die veroorzaakt werd door het relatiegeschenk dat de vredesdelegeatie van pater Jogues destijds had meegebracht: een kist met dekens, boeken en snuisterijen. Dit bericht bracht de Huronen zo in paniek dat zij terugkeerden naar Trois-Rivières, zodat de hele missie nog slechts bestond uit de beide missionarissen en één indiaan. Op wraak beluste Mohawks die in de omgeving rondtrokken, stuitten al gauw op het driemanschap, en tot hun niet geringe blijdschap bleek een van hen de gehate ‘Ondessonk’ zelf te zijn. In triomf werden de drie meegenomen naar het dorp, waar ze weer spitsroede moesten lopen tussen Indianen die hen van alle kanten probeerden af te ranselen met stokken en knuppels en met messen happen vlees uit hun lijf sneden. De volgende dag werd Ondessonk door een strijder uitgenodigd op een feestmaal bij het dorpshoofd. Pater Jogues rook onraad, maar kon niet weigeren. Bij het binnengaan van de gemeenschapstent werd hij neergestoken door een indiaan. Zijn hoofd werd afgehakt en zijn lijk triomfantelijk door het dorp gesleept. Dat alles gebeurde op 18 oktober.

Jean de la Lande werd op het hart gedrukt zijn wigwam niet te verlaten. Zo lang hij daar zat zou niemand hem iets doen. Maar De la Lande vroeg zich intussen af wat er met het lijk van Pater Isaac Jogues gebeurde. Dat moest dus ergens in het dorp liggen. Hij besloot van het nachtelijk duister gebruik te maken en op zoek te gaan naar pater Jogues. Maar hij had zijn hoofd nog niet buiten zijn wigwam gestoken of het werd afgehakt door twee strijders die apart voor dat doel de wacht hadden gehouden. Dat was in de vroege morgen van 19 oktober.

Zij werden tezamen met de zes andere Canadese jezuïetenmartelaren op 21 juni 1925 door paus Pius XI zalig en op 29 juni 1930 heilig verklaard.



vrijdag - 19 okt

Sneek 19:00 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


zaterdag - 20 okt

Hele dag Gedenkdag H. Sindulfus van Reims, kluizenaar

Sindulfus (ook Sandou, Sindulf, Syndulphe of Syndulphus) van Aussonce (ook van Reims), Frankrijk; kluizenaar; † ca 660.

Afbeelding van Sindulfus

ca 1900. Gips. Frankrijk, Hautvillers, abdijkerk.

http://www.heiligen.net/afb/10/20/10-20-0660-sindulfus_1.jpg

Feest 20 oktober.

Hij was afkomstig uit Zuid-Frankrijk (Gascogne of Aquitanië) en vestigde zich als kluizenaar te Aussonce, even ten oosten van Reims in de Franse Ardennen. Zo wijdde hij zich geheel en al toe aan de dienst van God. Maar op een goed moment verliet hij zijn cel en begon aan de mensen in de omgeving het evangelie te verkondigen, in woord en daad. Hij hielp de armen, troostte de bedroefden en genas de zieken. Zo leefde hij tot aan zijn dood.

Verering & Cultuur
Hij werd begraven op de plek van zijn cel. Boven zijn graf verrees een kerk, waar vele bedevaartgangers naartoe trokken om zijn voorspraak te vragen in hun noden en gebeden. Herhaaldelijk gebeurde het dat hun gebeden werden verhoord wat soms gepaard ging met opzienbarende wonderen. Vandaar dat bisschop Hincmar van Reims († 882; feest 21 december) zijn relieken liet opgraven en plaatste ze in een passende schrijn op het altaar, zodat ze door iedereen konden worden vereerd.

Dat stond in die tijd gelijk met een officiële, kerkelijke heiligverklaring. Een gedeelte van de kostbare relieken schonk hij aan het beroemde nabijgelegen klooster Hautvillers. Ook tijdens deze overbrenging zouden er vele wonderen gebeurd zijn: toen de stoet met de heilige voorwerpen was langsgetrokken, bleek dat een blinde vrouw weer kon zien, een stomme begon te spreken en iemand die vanaf zijn geboorte verlamd was geweest, kon lopen.



zaterdag - 20 okt

Sneek 19:00 Woord- en Communieviering

Bonifatiushuis, kapel, Sneek


zaterdag - 20 okt

Heeg 19:30 - 20:30 Eucharistieviering, Pastoor P. v.d. Weide

Sint Josephkerk, Heeg

voor Jitte en Tietsje Flapper – Jellesma;
voor Jelle en Marie Jellesma-  Jongstra.



zondag - 21 okt

Hele dag Gedenkdag H. Wulfilak van Trier, kluizenaar

Wulfilak (ook Valfroy, Vulfilaicus, Vulflagius, Vulfolaic, Vulphy, Walfroy, Wulflagius, Wulflaicus, Wulflaik, Wulphy of Wulpy) van Trier (ook van Carignan of van Yvois); kluizenaar; † ca 594.

Afbeelding Wulfilak van Trier

< 1900. Devotieprentje. Frankrijk, Parijs.

http://www.heiligen.net/afb/10/21/10-21-0594-wulfilak_1.jpg

Feest 21 oktober (Metz & Trier).

Hij was afkomstig uit Lombardije. We kennen zijn verhaal uit zijn eigen mond. Hij vertelde het aan de heilige bisschop-geschiedschrijver Gregorius van Tours († 594; feest 17 november); deze tekende het op zijn Geschiedenis van de Franken VIII,15-16:

‘Toen ik verder trok, kwam ik in de stad Carignan [tot 1662 Yvois; sindsdien Carignan op last van Lodewijk XIV; zuidoostelijk van de Franse stad Sedan]; daar werd ik hartelijk verwelkomd door de diaken Wulfilak, die mij meenam naar zijn klooster. Dat ligt op een heuvel zo’n acht mijl buiten de stad. Wulfilak had er een ruime kerk gebouwd die algemeen bekend is vanwege haar relieken van Sint Martinus en andere heiligen. Ik maakte van de gelegenheid gebruik door hem te vragen naar zijn bekering: hoe hij, als geboren Longobard, ertoe gekomen was in dienst van de Kerk te treden. Eerst wilde hij er eigenlijk niet over beginnen; hij schuwde in alle oprechtheid elke vorm van bekendheid. Ik probeerde bij hoog en bij laag vol te houden dat hij juist wel op al mijn vragen in moest gaan en ik zwoer hem dat ik het aan geen levende ziel ooit zou doorvertellen. Het duurde nog een hele tijd voor hij overstag ging, maar uiteindelijk gaf hij gehoor aan mijn bidden en smeken.

“Toen ik nog een kleine jongen was, begon hij, hoorde ik vertellen over een zekere Sint Martinus [ook Sint Maarten: † 397; feest 11 november]. Ik wist toen zelfs niet eens of hij een beroemde martelaar was dan wel gewoon een bekende man van de kerk, wat voor goeds hij allemaal had gedaan tijdens zijn leven en welke plek bijzonder was geheiligd doordat zijn lichaam daar ter ruste was gelegd. Toch begon ik nachtwaken te houden in zijn naam, en elke cent die ik in handen kreeg, gaf ik weer weg als een aalmoes. Toen ik wat ouder werd heb ik erg mijn best gedaan om letters te leren schrijven. Eerst tekende ik ze zorgvuldig over en gaandeweg begon ik te ontdekken wat ze betekenden, als ze in een bepaalde volgorde stonden. Ik werd een leerling van abt Aredius [ook: Yrieux: † 591; feest 25 augustus], en hij moedigde mij aan met hem mee te gaan naar de kerk van Sint Martinus.

Toen het moment was aangebroken om weer vandaar weg te gaan, veegde hij bij wijze van een heilige relikwie wat stof bij elkaar van het gewijde graf. Hij stopte het in een klein doosje en hing dat aan mijn nek. Bij aankomst in zijn klooster bij Limoges borg hij het weg in zijn kapel. Die stof begon zich vanzelf te vermeerderen, zodat het tenslotte niet alleen het hele doosje tot de rand vulde, maar ook zijn uitweg begon te zoeken door alle spleetjes en kieren heen. Dat wonder vervulde mij met grote vreugde met als gevolg dat ik al mijn hoop voor de toekomst stelde op de wondermacht van Sint Martinus.

Vervolgens verhuisde ik naar de omgeving van Trier en op de heuvel waar we ons nu bevinden bouwde ik met mijn eigen handen het onderkomen dat je nu voor je ziet. Ik trof hier nog een beeld van Diana aan dat de bijgelovige bevolking van hier als een afgod vereerde. Ik richtte daartegenover een zuil op waarop ik aldoor met blote voeten bleef staan, hoeveel pijn het me ook ging doen. Toen de winter kwam, begon het zo vreselijk te vriezen dat de nagels van mijn tenen vielen, en dat niet één keer, maar bij herhaling; regen bevroor en hing in pegels van mijn baard zoals was van branden kaarsen druipt. Deze streek staat bekend om zijn koude winters.”

Ik was benieuwd wat hij at en dronk en hoe hij erin geslaagd was die afgodsbeelden op zijn heuvel te vernietigen. “Het enige wat ik had aan eten en drinken was een stuk brood, wat groenten en een beetje water,” antwoordde hij. “De mensen uit de omliggende boerderijen begonnen naar mij toe te stromen en ik vertelde ze telkens maar weer dat Diana niets voorstelde, dat haar beeld geen enkele macht bezat en dat de rituelen die zij rond haar uitvoerden niks uithaalden. Ik probeerde ze duidelijk te maken dat de liederen die zij daarbij in hun bezopen uitspattingen zongen, hun eigenlijk onwaardig waren. In plaats daarvan konden ze beter eer betuigen aan de almachtige God, die hemel en aarde gemaakt had. En ik bad dag en nacht dat de Heer zich zou verwaardigen het beeld naar beneden te laten kletteren en deze mensen te bevrijden van hun valse afgodsdiensten. Gods genade bracht inderdaad verandering te weeg in deze boerenharten, zodat ze stilaan begonnen te luisteren naar wat ik ze te zeggen had: ze keerden hun afgodsbeelden de rug toe en gingen de Heer volgen. Toen heb ik een aantal van hen bij elkaar geroepen en met hun hulp was ik in staat het afgodsbeeld omver te gooien.

Dat was overigens niet zo eenvoudig als het klinkt. Tevoren had ik al de kleinere afgodjes omver kunnen gooien: die gingen nog gemakkelijk. Maar voor Diana’s beeld kwam er een hele menigte samen; ze bonden er touwen omheen en begonnen eraan te trekken om het naar beneden te krijgen, maar ze kregen het met zijn allen niet voor elkaar. Ik was intussen naar de kerk gerend, had me voorover op de grond gegooid en huilde en bad God om hulp: dat Hij met zijn goddelijke macht zou vernietigen wat mensen op hun eigen houtje niet voor elkaar kregen. Na mijn gebed beëindigd te hebben, ben ik weer naar buiten gegaan, wendde mij tot de werklieden en greep het touw vast. Meteen bij de eerste ruk die we toen gaven, kletterde het beeld tegen de grond. Ik heb het verder met ijzeren hamers verbrijzeld en uiteindelijk tot stof geslagen.

Toen ik naar huis ging om iets te eten, zat mijn hele lichaam van top tot teen onder de kwaadaardige zweren; er was geen plekje meer op mijn hele lichaam te vinden waar ze niet zaten. Ik ging de kerk in en kleedde mij voor het altaar uit tot op het blote lijf. Ik had daar al die tijd een flesje met olie bewaard, dat ik destijds nog uit de St-Martinuskerk had meegebracht. Met eigen handen smeerde ik mijn hele lichaam in met die olie. Toen ben ik gaan slapen. Het was middernacht toen ik weer wakker werd. Toen ik opstond om de vaste gebeden te zeggen, ontdekte ik dat mijn hele lichaam weer gezond was, alsof er nooit ergens ook maar een zweer had gezeten. Toen werd het me duidelijk dat die gezwellen waren veroorzaakt door de haat van de duivel. Hij is zo jaloers dat hij alles in het werk stelt om degenen die God zoeken kwaad te doen.

Naderhand kwamen er een paar bisschoppen. Je zou verwachten dat zij mij eigenlijk met wijsheid en tact hadden moeten aanmoedigen en bevestigen in het goede werk dat ik daar begonnen was. Maar nee, ze kwamen zeggen: ‘Het is niet goed waar jij hier mee bezig bent! Zo’n duister figuur als jij is niet te vergelijken met Simeon de Pilaarheilige van Antiochië [Simeon de Styliet: † 460; feest 5 januari]. Het klimaat hier is niet geschikt om jezelf op deze manier geweld te blijven aandoen. Kom dus van die zuil af en leef samen met de broeders die je rond je verzameld hebt.’ Ik wist dat ik een ernstige zonde deed, wanneer ik niet aan bisschoppen gehoorzaamde; dus kwam ik naar beneden, trok mij terug met die broeders rondom mij en at voortaan met hen gemeenschappelijk. Op een dag wist een van die bisschoppen mij over te halen naar een wat verder weg gelegen hofstede te gaan. In de tussentijd stuurde hij werklui met breekijzers, hamers en bijlen die de zuil waarop ik al die tijd had doorgebracht in gruzelementen moesten slaan. Toen ik de volgende dag terugkwam, trof ik alleen nog maar brokstukken aan. Ik heb bitter gehuild, maar nooit heb ik het gewaagd die in stukken geslagen zuil weer op te bouwen, want dan zou ik ongehoorzaam zijn geweest aan een bisschoppelijk bevel. Met als gevolg dat ik mij er tevreden mee heb gesteld tussen mijn broeders te leven tot op deze dag.”

Vervolgens vroeg Gregorius aan Wulfilak nog een aantal wonderen te vertellen die er op het graf van Sint Martinus waren gebeurd.
Op 7 juli 979 werden zijn relieken overgebracht naar Yvoix.

Hij is noch identiek met de in Rue en in Montreuil-sur-Mer vereerde Sint Wulphy, noch met de in Welferdingen, Duitsland, vereerde Sint Walfridus.



zondag - 21 okt

Roodhuis 09:30 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk – Roodhuis, Roodhuis

met pastoor van der Weide



zondag - 21 okt

Blauwhuis 09:30 - 10:30 Gezinsviering Wereld Missie Dag met crèche

Sint Vituskerk, Blauwhuis

Met pastoor van der Weide en het Gelegenheidskoor.
Tijdens de viering is er in de pastorie een crèche voor de allerkleinsten, verzorgd door de werkgroep Kind en Kerk.



zondag - 21 okt

Sneek 10:00 PKN Viering

Antonius Ziekenhuis, kerkzaal, Sneek

Voorganger: M. van Blanken



zondag - 21 okt

Sneek 11:00 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

m.m.v. het Caeciliakoor



zondag - 21 okt

Heeg 15:30 - 17:00 Najaarsconcert

Sint Josephkerk, Heeg

Op zondag 21 oktober geven ondergetekende en zijn neef Jan Hooghiemstra een najaarsconcert in onze St. Josephkerk. Uitgevoerd worden o.a. liederen uit de Winterreisse van Franz Schubert op Friese tekst en nog andere liederen in de herfstsfeer. U bent van harte welkom!

We beginnen om 15.30 uur. De entree is gratis. 

Na afloop collecte voor de onkosten . 



maandag - 22 okt

Hele dag Gedenkdag H. Mello, 1e bisschop van Rouen

Mello (ook Mallon, Malouen, Melanius, Mellon, Mellonus) van Rouen, Frankrijk; 1e bisschop; † ca 314.

Afbeelding van Mello van Rouen
Gravure.

http://www.heiligen.net/afb/10/22/10-22-0314-mello_1.jpg

Feest 22 oktober.

Mello staat te boek als de eerste bisschop van Rouen.

Newman neemt hem op in zijn kalender van heiligen van Engelse bodem. Volgens zijn levensbeschrijving was hij afkomstig uit ‘Cardiola’. Een plaats van deze naam is onbekend. Wordt hier bedoeld de plaats Carlisle? Of is het Cardiff in Wales, dat in de eigen Keltische taal Caerdydd heet? Of is hier sprake van het Schotse Cardes?

Hij zou vanuit zijn geboortestreek met een militaire missie naar Rome zijn gestuurd. Daar bracht hij, zoals het hoorde voor een soldaat, offers in de tempel van oorlogsgod Mars. Tijdens zijn rondgang door de stad trof hij paus Stefanus († 257; feest 2 augustus), die juist les gaf aan een handjevol christenen. Hij bleef staan luisteren en de paus nodigde hem uit te vertellen wie hij was en waar hij vandaan kwam. Mello bleek geïnteresseerd in Christus, werd geloofsleerling en liet zich uiteindelijk dopen. Daarbij werden hem met name Jezus’ woorden in herinnering gebracht: “Als je niet alles wegdoet wat je bezit om mijnentwil, kun je mijn leerling niet zijn.” Bij terugkomst in zijn herberg, bracht Mello onmiddellijk deze woorden in praktijk en verkocht alles wat hij bezat, zelfs zijn wapenrusting; de opbrengst verdeelde hij onder de armen. Mello bleek zo’n veelbelovende leerling van Christus, dat de paus hem tenslotte priester wijdde.

Toen hij eens de mis opdroeg, verscheen hem een engel aan de rechterkant van het altaar; deze reikte hem een herdersstaf over met de woorden: “Pak deze staf aan, want je zult straks Gods volk leiding moeten geven in de stad Rouen in Noord-Gallië.” Mello antwoordde: “Waarheen de goede God mij ook zendt, ik ben bereid er naar toe te gaan.” De paus bevestigde hem in zijn zending en gaf hem zijn zegen mee.

Op zijn reis naar Rouen kwam hij door de stad Autun. Daar kwam hem een groep mensen tegemoet die een man meedroegen aan wie een ongeluk was overkomen: zijn voet was finaal doormidden gespleten. Hij heette Lupillus. Zij vroegen Mello of hij iets van geneeskunst afwist. Deze antwoordde hun dat hij de man zou genezen, als zij eerst rustig naar hem wilden luisteren. Waarop zij zeiden: “Zeg maar wat u van ons wilt, en we zullen het doen. We zullen in uw God geloven en Hem aanbidden.” Daarop raakte hij het slachtoffer aan met de staf die hij van de engel gekregen had, met de woorden: “In de naam van Onze Heer Jezus Christus: word gezond!” Onmiddellijk kon de man op eigen benen staan en was er van de verwonding niets meer te zien. Hij ging terug de stad in en vertelde overal wat hem was overkomen.
Nu woonde er in die stad een vrouw, Veronica geheten, die zoveel had gehuild om de dood van haar man, dat ze er blind van was geworden. Toen zij hoorde wat er met Lupillus gebeurd was, stuurde zij haar beide zoons naar de man Gods met het verzoek dat hij haar het gezicht zou teruggeven. Op beide knieën gezeten bad Mello: “Heer Jezus Christus, u hebt de ogen geopend van de blindgeborene. Open nu ook de ogen van deze vrouw, zodat ze kan zien dat er geen andere God is dan u.” Hij raakte haar ogen aan en onmiddellijk kon zij zien. Hierna doopt hij Veronica met haar beide zonen, alsmede Lupillus. Deze zou later nog omwille van Christus de marteldood ondergaan.

In een andere stad wist hij een man met verkrampte ledematen te genezen; hij heette Quirinus. Hij leed al veertig jaar aan zijn ziekte en was aangewezen op een plankje met wieltjes om zich voort te bewegen. Bij het zien van Mello riep hij: “Als u wilt, kunt u mij genezen; dat zie ik zo!” Waarop de heilige man antwoordde: “Dat kan alleen maar, als je je valse goden wegdoet.” Waarop de stakker schreeuwde: “Ik geloof in de god die u verkondigt!” Daarop nam Mello hem bij de hand en zei: “Quirinus, ga recht op staan en wees gezond in de naam van de Heer.” Hij stond op en rende onmiddellijk naar zijn vader met het wielplankje onder de arm, en vertelde aan ieder die het horen wilde, hoe hij weer gezond was geworden.
Daarop bekeerden ook zijn bejaarde ouders zich tot Christus. In diezelfde stad gaf onze man Gods ook nog de spraak terug aan een doofstomme, waarop zich vele mensen lieten dopen. Met als gevolg dat zich drommen mensen rond Mello verzamelden, als hij hun over Christus wilde vertellen. Zo komt het dat er een jongen was, Praecordius, die op het dak van een huis klom om het allemaal beter te kunnen zien. Maar de preek duurde lang en hij viel in slaap, waardoor hij van het dak afgleed. Zo te zien had hij verscheidene ledematen gebroken, maar de wond aan zijn hoofd was zo erg dat hij ter plaatse stierf. Ook hier werd Mello te hulp geroepen. Hij raakte de dode jongen aan met de staf die hij van de engel had gekregen, met de woorden: “Praecordius, sta op in de naam van Onze Heer Jezus Christus.” Waarop de jongen de ogen opende, zijn redder boven zich zag en onmiddellijk vroeg om het doopsel. Deze Praecordius zou later priester worden en de eerste kerk voor Christus bouwen in die streek.

Mello gaf nog vele malen blijk van zijn heiligheid. Hij tuchtigde zijn lichaam met vasten en gebed; elke dag en elke nacht maakte hij driehonderd keer een kniebuiging uit eerbied voor Christus. Onafgebroken luisterde hij naar de noden van de mensen. Hij hield zo weinig tijd over dat hij soms rechtop in zijn stoel in slaap viel. Zijn dagelijks voedsel bestond uit verse kruiden en zijn drank was gewoon water. Door zijn eigen mensen werd hij ‘de vader van armen en weeskinderen’ genoemd, of ook ‘de rechter van weduwen’. Wat hij verkondigde aan zijn mensen, bracht hijzelf in praktijk.

Hij was op de lange duur zo beroemd dat van overal doofstommen, lammen, blinden en lijders aan allerhande kwalen en ongemakken naar hem toe kwamen om door hem te worden genezen. Toen hij tenslotte oud en moe was geworden, verscheen hem weer de engel van het begin. Deze zei: “Mello, je hebt de goede strijd voor Christus gestreden, je hebt zijn naam verkondigd aan de heidenen, je hebt in hun midden de Kerk van Christus opgebouwd en tegelijkertijd je ziel en lichaam in alle zuiverheid bewaard. Maak je klaar om de beloning van het eeuwig leven in ontvangst te nemen. Daarop riep de heilige bisschop zijn dienaren bijeen en droeg hun op ook in de toekomst het geloof in Christus zuiver te behoeden en te bewaren. Daarop stierf hij, omringd door de mensen van zijn stad. Dat was op de 22e oktober.

Zijn levensbeschrijving stamt pas uit de 9e eeuw. De schrijver was niet zozeer geïnteresseerd in de historische feiten en omstandigheden, als wel in de heiligheid van Mello. Vandaar dat hij een reeks anekdotes vertelt die sterk lijken op de verhalen van Jezus uit het Evangelie. Een heilige is immers iemand die bij uitstek aan Jezus doet denken.

Zijn gedachtenis leeft voort in de naam van de parochie van St. Mallon in het voormalige bisdom van St-Malo. (Deze Malo is niet dezelfde als Mallon!). Hij is ook terug te vinden in de naam van de voormalige abdij Coat-Malouen, wat Bretons is voor ‘Bos van Mallon’ en wat in het Latijn telkens wordt genoemd ‘Silva Mellonis’.



maandag - 22 okt

Sneek 09:15 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, kapel, Sneek


dinsdag - 23 okt

Hele dag Gedenkdag H. Johannes van Capestrano, kruisvaarder

Johannes van Capestrano (ook van Capistrano),Ilok (bij Vukovar ten noordwesten van Belgrado); † 1456.

Afbeelding van Johannes van Capestrano
< 1829. Houtsculptuur door Johann Sigmund Hitzelberger
Duitsland, Füssen, Franziscanerkirche St-Stephan.

http://www.heiligen.net/afb/10/23/10-23-1456-johannes-capestrano_1.jpg

Feest 23 oktober.

Hij werd op 24 juni 1386 geboren te Capestrano, een plaatsje in de Italiaanse Abruzzen. Hij studeerde rechten achtereenvolgens aan de universiteiten van Perugia en Rome. In 1412 werd hij door koning Ladislas van Napels tot rechter benoemd in de stad Perugia. Bij een inval van de soldatenbendes van Malatesta werd hij gevangen genomen en opgesloten. In de kerker zou hij visioenen ontvangen hebben, met als gevolg dat hij brak met zijn verleden en intrad bij de Franciscaanse tak der observanten. Het huwelijk dat hij vlak voordien gesloten had, maar door zijn gevangenschap nog niet door geslachtsgemeenschap had kunnen consumeren, liet hij ontbinden.

Van der Linden heeft in het Book of Saints van de benedictijnen van Ramsgate gelezen dat hij op jonge leeftijd weduwnaar geworden zou zijn. Dat blijkt dus onjuist.

Vanaf 1417 begint zijn apostolische werkzaamheid, die hem rusteloos door heel Europa zal voeren. Net als zijn vriend Bernardinus van Siena († 1444; feest 20 mei) is hij rondreizend predikant. Tot aan 1451 beweegt hij zich uitsluitend binnen de grenzen van Italië, met uitzonering van een visitatiereis naar Palestina en een preekmissie naar de Nederlanden. Naast godsdienstige onderwerpen als Christus, genade en gebed, gaan ze ook over vrede en gerechtigheid; in dat verband preekt hij regelmatig tegen de woekerrente die in die tijd heel gebruikelijk was en wel op kon lopen tot vijftig à zestig procent. Elke dag houdt hij wel ergens een preek die dan vaak meer dan een uur duurde. Daarna wachten hem rijen biechtelingen die hem uren achtereen in de biechtstoel gekluisterd houden. Waar hij maar kan, richt hij gebedsbroederschappen op en sticht hij gasthuizen voor zieken, zwervers en daklozen. Intussen heeft hij met veel inzet geijverd voor de heiligverklaring van zijn vriend Bernardinus, welke inderdaad in 1450 zijn beslag krijgt.

Vanaf 1451 tot 1454 trekt hij op verzoek van keizer Frederik III († 1493) Europa in. Zo vinden we hem in Oostenrijk en Bohemen, waar hij strijdgesprekken houdt met de Hussieten, en er velen, vooral van adel, weet terug te brengen te de moederkerk.
Vervolgens zien we hem optreden in Beieren, Thüringen, Saksen, Sleeswijk en Polen. In het voorbijgaan verricht hij honderden wonderbaarlijke genezingen. Van minstens tweeduizend zijn er notariële getuigenverslagen vastgelegd. Tussen de bedrijven door werkt hij ijverige mee aan de hervorming van zijn kloosterorde, en wordt hij herhaaldelijk door de paus ingeschakeld als zijn persoonlijk gezant en treedt hij op als bemiddelaar en vredestichter aan Italiaanse en Europese hoven.
Vanaf 1454 komt er een hoofdthema bij in zijn predikaties: een kruistocht tegen de Turken. Hij schijnt nauw betrokken geweest te zijn bij de overwinning op de Turken op 22 juli 1456, waardoor Belagrado op het nippertje van de ondergang werd gered: ‘Met Johannes in de voorste rijen maakte het leger van de Hongaarse veldheer János Hunyadi op 22 juli 1456 een einde aan het beleg van Belgrado door sultan Mehmed II,’aldus Van der Linden. Enige maanden later wordt hij aangetast door de pest en sterft niet ver van Belgrado, in het plaatsje Ilok aan de Donau.

Verering & Cultuur

Hij werd in de plaatselijke kerk bijgezet. Bij onlusten in 1526 wordt zijn graf geschonden; sindsdien is zijn lijk spoorloos verdwenen.
Bij zijn leven werd hij al beschouwd als een groot heilige. Hij wordt genoemd ‘de Redder van Belgrado’ en ‘Apostel van Europa’.

In 1690 werd hij door paus Alexander VIII († 1691) heilig verklaard. Hij geldt als patroon van het verenigde Europa. Daarnaast wordt hij op basis van de verschillende episodes in zijn leven vereerd als beschermheilige van juristen, legeraalmoezeniers.
Hij wordt afgebeeld als minderbroeder (franciscaan); vaak met een rood kruis op de borst of kruisvaan in de hand (oproep tot een nieuwe kruistocht); aan zijn voeten soms overwonnen Turken.



dinsdag - 23 okt

Sneek 08:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


dinsdag - 23 okt

Sneek 16:00 Rozenkransgebed

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


woensdag - 24 okt

Hele dag Gedenkdag H. Antonio-Maria Claret y Clara, stichter

AntonioMaria Claret y Clará, Santiago, Cuba; stichter & aartsbisschop; † 1870.

Afbeelding Antonio-Maria Claret y Clara
ca 1910, glasschilderkunst. Spanje, Barcelona, Sta Maria del Mar.

http://www.heiligen.net/afb/10/24/10-24-1870-antonio_2.jpg

Feest 24 oktober.
Hij werd op 23 december 1807 geboren in de Catalaanse plaats Sallent. Terwijl hij in zijn levensonderhoud voorzag als wever, studeerde hij voor priester.

In 1835 werd hij gewijd en werkte vooral als volksmissionaris. Hij omringde zich met priesters die zijn ideaal deelden en stichtte in 1849 de naar hem genoemde missiecongregatie claretijnen: officieel staan ze te boek als de ‘Congregatie van de Missiezonen van het Onbevlekt Hart van Maria’.

Zes jaar later kwam daar een vrouwelijke tak bij: de claretinnen, ofwel het ‘Apostolische vormingsinstituut van de Onbevlekte Ontvangenis’: de leden daarvan legden zich toe op onderwijs en opvoeding van meisjes.

In 1850 werd hij benoemd tot aartsbisschop van Santiago de Cuba. Daar onderscheidde hij zich doordat hij vooral optrad als beschermer van de negerslaven. Zeven jaar later keerde hij terug naar Spanje, omdat hij benoemd was tot persoonlijk biechtvader van koningin Isabella II († 1904). Het jaar daarop kwam daar de functie bij van president van het Escoriaal, het koninklijk paleis ten noorden van Madrid. In die hoedanigheid richtte hij een vereniging op van katholieke kunstenaars en schrijvers.
Gedurende al die tijd bleef hij actief als predikant en schrijver van devote lectuur. Van hem wordt verteld dat hij de gave van profetie bezat en kon wonderen verrichten.

In 1868 moest hij uitwijken naar Frankrijk. Op 24 oktober 1870 overleed hij op weg naar het Eerste Vaticaans Concilie in Rome – in de Zuid-Franse abdij van Fontfroide bij Narbonne.

Verering & Cultuur
Zijn relieken bevinden zich in Vic bij Barcelona, werd zalig verklaard in 1934, en heilig in 1950.
Hij is patroon van spinners en wevers.



woensdag - 24 okt

Sneek 09:15 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, kapel, Sneek


donderdag - 25 okt

Hele dag Gedenkdag HH Chrysanthus van Rome en Daria, martelaren

Chrysanthus van Rome, Münstereifel?, Duitsland; martelaar met Daria, Diodorus, priester & diens diaken Marianus; † ca 283/284.

Afbeelding Chrysanthus en Daria
Chrysanthus en Daria dragen het beeld van de Madonna.
1960(?), houtsculptuur. Duitsland, Münstereifel, St-Chrysanthus+Daria.

http://www.heiligen.net/afb/10/25/10-25-0284-chrysanthus_5.jpg

Feest 25 oktober.

Chrysanthus was vanuit Alexandrië in Egypte naar Rome gekomen op zoek naar de ware wijsheid. Hij was enig kind van rijke ouders. Zijn vader, Polemon, stelde hem dus in staat te studeren. Hij bezocht de knapste Romeinse leermeesters van zijn tijd, maar niemand kon zijn honger naar wijsheid stillen. Tot het moment dat hij een afschrift in handen kreeg van de Evangelies en van de Handelingen der Apostelen. Dit boeide hem. Maar wie kon hem er meer van vertellen? Hij kwam in contact met een priester van de christengemeente, Carpoforus geheten – ‘vruchtdrager’, een veelbetekenende naam. Deze onderrichtte hem in de leer van Christus, en smaakte het genoegen hem te mogen dopen.

Maar dat was in het geheel niet naar de zin van Chrysanthus’ vader. Die stelde alles in het werk om zijn zoon weer op het normale pad te krijgen. Tenslotte ging hij zover, dat hij Chrysanthus opsloot in een kamer met mooie meisjes, omdat hij had begrepen dat veel christenen hun aanhankelijkheid aan Christus betuigden door af te zien van geslachtsgemeenschap. Dat had in de oversekste Romeinse cultuur inderdaad het karakte van een profetische daad. Maar in dit gezelschap – zo redeneerde vader bij zichzelf – zou hij zijn fratsen wel gauw kwijt raken. Echter integendeel.

Daarop speelde Polemon – ook al zo’n veelbetekenende naam: ‘strijd’ – zijn laatste troef uit. Hij dwong zijn zoon te trouwen met een heidens meisje, Daria. Chrysanthus wist haar te overtuigen van de waarde van het christelijke geloof. Daarop besloten beiden net te doen alsof ze getrouwd waren, maar in feite samen te leven als broer en zus. Na de dood van zijn vader begonnen ze openlijk voor hun geloof uit te komen. Onder de keizers Carus (280-282) en Numerianus (283) braken er christenvervolgingen uit. De beide echtelieden werden gruwelijk gemarteld, maar bleven trouw aan Christus. Claudius, de beul zelf, was daarvan zo onder de indruk dat hij met zijn hele huishouding het christelijk geloof aannam, met als gevolg, dat hij onmiddellijk daarop werd verdronken; zijn zoons werden onthoofd en zijn vrouw stierf in de galeien met een gebed op haar lippen.

Intussen waren er veel meer omstanders onder de indruk gekomen van Daria’s standvastigheid. Ze riepen dat het een godin moest zijn. Tenslotte werden Chrysanthus en Daria in een diepe put gestopt en onder zware steenbrokken bedolven. Daar vlakbij was een grot, waar de christenen elkaar troffen om de nagedachtenis van de beide martelaren te eren. Toen de ambtenaren van de heidense overheid dit ontdekten, lieten ze een zware steen voor de ingang rollen.

Zo kwamen al de christenen daarbinnen om het leven. Van minstens twee van hen zijn de namen overgeleverd: de priester Diodorus en diens diaken Marianus.

Op de plaats waar Chrysanthus en Daria de dood vonden is later een kerk verrezen om hun nagedachtenis te eren.



donderdag - 25 okt

Sneek 08:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


donderdag - 25 okt

Sneek 16:00 Rozenkransgebed

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


donderdag - 25 okt

Sneek 20:00 Bij Jezus in Therapie

Pastorie Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


vrijdag - 26 okt

Hele dag Gedenkdag H. Alour van Quimper, 3e bisschop Bretagne

Alour (ook Albin, Allor, Allore, Alor, Alorius, Alors of Talor ) van Quimper, Bretagne, Frankrijk; 3e bisschop; † eind 5e of begin 6e eeuw.

Afbeelding Alour van Quimper
ca 1700(?). Steensculptuur.  Frankrijk, Bretagne, Tréméoc, Église Saint-Alour.

http://www.heiligen.net/afb/10/26/10-26-0500-alour_1.jpg

Feest 26 oktober.

Hij is na Corentin en Conogan de derde bisschop van Quimper en zou in functie geweest zijn van 456 tot 462. In oude boeken staat over hem te lezen: ‘Deze prelaat bewees een grote dienst aan zijn vaderland. Daarom moet zijn naam zorgvuldig bewaard worden in onze annalen. Tenminste als het waar is wat men zegt: dat hij het was die in 440 de vredesonderhandelingen tussen de Bretonners en de Romeinse generaal Aetius met succes afsloot.
In 465 nam hij deel aan het Concilie van Vannes.’

Verder weet men niet zoveel over hem. Hij zou de parochie van Tréméoc hebben gesticht. En hij komt nog voor in de legende van Sint Enéour († ca 453; feest 4 mei).

Legende.

De legende weet te vertellen dat Sint Enéour het stukje grond waarop hij woonde, had gekregen van Sint Alour. Deze had hem beloofd dat hij net zoveel land zou krijgen als zijn mank veulen in één nacht kon rondrijden.

Volgens een oude bisschoppenlijst werd hij opgevolgd door Sint Renan (of Ronan).

Verering & Cultuur
In Bretagne zijn verschillende plaatsjes naar hem genoemd: in Finistère: Saint-Alor (gem. Quimper) en Saint-Alour (Plobannalec, gem. Guilvinec); er is nog een Saint-Alor in Plésidy (gem. Bourbriac, Côtes-du-Nord).

Hij is patroon van Tréméoc (Finistère) en van Ploubazlanec (Côtes-du-Nord); ook van de parochiekerk te Ergue-Armel (gem. Quimper, Finistère).

Daar is hij vooral patroon van de paarden. Op de laatste zondag van oktober wordt er een boetprocessie (‘pardon’) gehouden. Op de vooravond van het feest worden de paarden door de priesters gezegend. Volgens de brochure geniet hij in de kapel Le Drennec te Clohars-Fouesnant bijzondere verering.

Hij wordt vaak verward met Sint Alar, soms beschouwd als een Bretonse kluizenaar, dan weer als de Bretonse variant van bisschop Eligius van Noyon († 660; feest 1 december), eveneens patroon van de paarden. Zo staat er in de brochure van de kapel Le Drennec te Clohars Fouesnant te lezen dat Sint Alor, 3e bisschop van Quimper er vanouds werd vereerd, maar op een van de vaandels staat Sint Alar afgebeeld!



vrijdag - 26 okt

Sneek 19:00 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


zaterdag - 27 okt

Hele dag Gedenkdag H. Frumentius van Ethiopië, geloofsverkondiger

Frumentius (ook Abba Salama) van Ethiopië (ook van Abessynië of van Tyrus); geloofsverkondiger & bisschop, met Aedesius (ook Edesius of Edessius); † ca 380.

Afbeelding van Frumentius
ca 1890 Italië, Rome, Sint Paulus buiten de Muren

http://www.heiligen.net/afb/10/27/10-27-0380-frumentius_1.jpg

Feest 27 oktober
Frumentius en Aedesius waren broers; zij kwamen uit de Fenicische havenstad Tyrus. Een broer van hun vader, Meropius, was filosoof. Toen deze een studiereis maakte naar India en Perzië om er via gesprekken met collega’s zijn kennis te vergroten, vroeg hij de beide jongemannen mee als reisgenoten.
Op de terugweg ergens in de Rode Zee liep hun schip een haven binnen om schoon water in te nemen. Maar terwijl de opvarenden op de wal een beentje strekten, kwamen er wilden tevoorschijn die allen zonder uitzondering vermoordden. Alleen de twee broers bleven ongedeerd. Zij werden naar het koninklijk paleis van Aksum overgebracht en door de koning als slaven verkocht.

Zij ontvingen van hun meester een goede behandeling. Door hun ijver en de kwaliteit van het werk dat zij afleverden, vestigden zij de aandacht van de koning op zich. Deze benoemde uiteindelijk Aedesius tot zijn persoonlijke hofschenker en Frumentius tot schatmeester en privé-secretaris. Toen hun weldoener stierf, was zijn zoon Abreha nog minderjarig. Dat betekende dat het land in feite werd bestuurd door Frumentius. Hij voerde een wijs beleid dat vrede bracht in het land.

Intussen was het zijn grootste zorg de mensen te winnen voor de leer van Christus.
Toen kroonprins Abreha volwassen geworden was en de regering zelf in handen nam, traden de beide broers terug. Met grote tegenzin voldeed de nieuwe koning aan hun verzoek. Aedesius ging terug naar zijn vaderstad Tyrus, waar hij spoedig priester werd gewijd. Maar Frumentius begaf zich naar bisschop Athanasius de Grote († 373; feest 2 mei) in de Egyptische havenstad Alexandrië. Hem verzocht hij om medewerkers om het Ethiopische volk te evangeliseren. Bovendien adviseerde hij hem een bisschop aan te stellen om er de kerk vaste voet te geven. Prompt werd hijzelf tot de eerste bisschop van Ethiopië gewijd.

Zo keerde Frumentius terug naar Ethiopië, waar hij met grote vreugde werd ontvangen. Hij wist vele mensen tot Christus te brengen. Ook koning Abreha zelf alsmede zijn broer en medekoning ontvingen het doopsel en stelden hem aan tot hun persoonlijke geestelijk leidsman.

In die tijd werd de westerse christenheid verscheurd door de ketterij van Arianisme.
Misschien had Frumentius daar al over horen spreken door zijn oom de filosoof Meropius. Maar naar alle waarschijnlijkheid had bisschop Athanasius dit onderwerp ter sprake gebracht: hij was een verwoed bestrijder van deze dwaalleer. De heilige bisschop zal zijn wijdeling wel op het hart gedrukt hebben zich daar nooit mee af te geven. Maar de Arianen hadden machtige begunstigers, onder wie keizer Constantius zelf (337-361). Deze schreef een brief aan de beide koningen van Ethiopië dat ze Frumentius moesten vervangen door een Ariaanse bisschop en dat ze hem, Frumentius, maar het beste aan de keizer zelf konden uitleveren. Vol verachting verscheurden de vorsten dit verzoek en hielden vast aan Frumentius en zijn leer. Deze stierf uiteindelijk na een arbeidzaam leven. Tezamen met Aedesius wordt hij vereerd als de ‘Apostel van Ethiopië’. Frumentius wordt ook liefkozend genoemd ‘Abba Salama’ (= ‘Vadertje Vrede’).

Al deze gegevens danken wij aan een tijdgenoot, de kerkhistoricus Rufinus van Aquileia († 410).



zaterdag - 27 okt

Sneek 10:00 Eucharistieviering

Ielânen, woonzorgcentrum Sneek Ielânen, woonzorgcentrum, Sneek


zaterdag - 27 okt

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Eucharistieviering

Sint Vituskerk, Blauwhuis

Met pastoor van der Weide en het Ceacilliakoor.

 



zondag - 28 okt

Hele dag Feest HH Simon en Judas, apostelen

Simon de IJveraar (ook Chananaeus, de Zeloot), en Judas Thaddeus, Perzië; apostel & martelaar; † ca 70.

Afbeelding van Simon de IJveraar en Judas Thaddeus

< 1500. Boekversiering
In Butler: ‘Lives of the Saints’, Engeland, Londen.

http://www.heiligen.net/afb/10/28/10-28-0070-judas_4.jpg

Feest 28 oktober

Simon draagt in de evangeliën de bijnaam ‘Zeloot’ of ‘IJveraar’. Hij behoorde dus tot de politieke groepering onder de Joden die de Romeinen desnoods met geweld het Land uit wilde hebben. Hij was één van de door Jezus zelf uitgekozen twaalf apostelen (Markus 03,13-19). Na het verhaal van de nederdaling van de Heilige Geest over de apostelen met Pinksteren (Handelingen 02,01-12) komt zijn naam in de het Nieuwe Testament niet meer voor.
 
Naar het schijnt was Judas afkomstig uit Nazareth. Volgens Lukas was hij een broer van Jacobus de Mindere (Lukas 06,16). De overlevering beweert, dat deze Jacobus een ‘broeder des Heren’ was; in dat geval moet ook Judas tot de familie van Jezus behoord hebben. Het is Mattheus, die aan Judas de bijnaam Thaddeüs (= ‘dappere’) toevoegt (Mattheus 10,03), terwijl Johannes hem uitdrukkelijk onderscheidt van Jezus’ verrader, Judas Iskariot (Johannes 14,22-23). Indien hij inderdaad familie is van Jezus, dan is waarschijnlijk de brief van Judas, die in het Nieuwe Testament is opgenomen, van zijn hand.

Legende

Volgens de legende zou Simon na Jezus’ hemelvaart eerst naar Egypte zijn gegaan om daar het evangelie te verkondigen. Daarna reisde hij samen met Judas Taddeus (niet de verrader!) naar Perzië. Daar doopten zij meer dan 60.000 mensen, de kinderen niet meegeteld. Onder de dopelingen was ook een koning.
Helaas werden ze tegengewerkt door de beide tovenaars Zaroes en Arphaut. Zij waren destijds nog door Matteüs uit Ethiopië verdreven. Eens kwamen de tovenaars in een stad, genaamd Suanir. Daar woonden 70 afgodspriesters. De tovenaars zetten de priesters op tegen de beide apostelen met de bedoeling dat zij gedwongen zouden worden een offer te brengen aan de heidense goden. Deden ze dat niet, dan zouden ze de doodstraf verdienen.
Gezien het feit dat de apostelen het hele land doorkruisten, kwamen ze ook in deze stad. Meteen werden ze aangevallen door de priesters en de bevolking van de hele stad. Ze grepen hen vast en brachten hen naar de zonnetempel. Daar begonnen de duivels door de monden van de heidenen tegen hen te schreeuwen:
“Wat is er tussen ons en jullie, apostelen van de levende God? Zie, sinds jullie hier zijn binnengekomen, worden wij door het vuur verteerd.”
Een engel van de Heer verscheen aan de apostelen met de woorden:
“Kies één van de twee: of al deze aanwezigen gaan dood, of jullie worden gemarteld.”
De apostelen antwoordden:
“Wij bidden God om erbarmen dat Hij ons naar de martelpalm mag leiden, als Hij dan maar ieder wil bekeren.”
Er werd om stilte gevraagd. Daarin namen de apostelen het woord:
“Let op. Dan zult u zelf toegeven dat deze beelden vol met boze geesten zitten. Wij bevelen hen tevoorschijn te komen en wel zo dat meteen ieders eigen beeld breekt.”
Direct kwamen twee zwarte, naakte Moren schreeuwend uit de beelden tevoorschijn en braken ze in stukken. Ieder was behoorlijk van zijn stuk gebracht. Toen de priesters dat zagen, vielen ze op de apostelen aan en doodden hen; daarbij zou Simon doormidden gezaagd zijn.
Op hetzelfde moment echter kwam er een bliksemstraal uit een volkomen heldere hemel die de tempel in drie stukken brak en de tovenaars verkoolde. De koning liet de lichamen van de apostelen naar de hoofdstad brengen en bouwde ter ere van hen een prachtige kerk.

Verering & Cultuur
Simons relieken bevinden zich in Rome en Keulen.
De relieken die aan Judas worden toegeschreven zijn in de Sint-Pieter te Rome.
Samen zijn Simon en Judas beschermheiligen van de Duitse stad Goslar.

Simon is patroon van de Duitse landstreek Thüringen, alsmede van de steden Keulen, Magdeburg; van houthakkers en houtzagers; van schilders, ververs, wevers, leerlooiers en leerbewerkers.
In de kunst wordt hij afgebeeld met een zaag, zijn martelwerktuig. Soms is hij gekruisigd omdat een andere legende weet te vertellen dat hij de kruisdood gestorven is, toen hij 102 jaar oud was.

Judas wordt aangeroepen bij hopeloze zaken (vanwege het bijgeloof dat hij een naamgenoot is van Judas Iskariot die Jezus heeft verraden), vandaar ook bij wanhopige verlangens. Vooral in (Zuid-)Duitsland geniet hij grote verering.
Judas wordt afgebeeld met bijl, knots of zwaard (martelwerktuigen); met een kruis (volgens sommigen werd hij net als Simon gekruisigd); soms met een beeltenis van Jezus op de borst of op een doek. Dat gaat terug op de zogeheten Abgarlegende.

Abgarlegende
Abgar, zoon van Arscham, regeerde in de Perzische hoofdstad Edessa, toen Jezus in Palestina optrad. Hij regeerde van 08 – 45 na Chr.  De kerkhistoricus Eusebius († ca 337) maakt melding van hem.

Toen Jezus optrad in Palestina, kwam dat koning Abgar ter ore, die in de Syrische stad Edessa (thans Urfa in Zuid-Oost-Turkije) resideerde en ernstig ziek was. Hij hoorde van Jezus’ genezingen en van de tegenwerking van zijn joodse tijdgenoten. Hij stuurde hem via een boodschapper een brief, waarin hij Hem uitnodigde naar hem toe te komen om hem, Abgar, te genezen en zijn evangelie te preken in Edessa; daar zou Jezus zeker meer gehoor en ingang vinden. In zijn antwoordbrief prees Jezus de vorst zalig, omdat hij niet zag en toch geloofde. Maar hij vervolgde dat Hij gekomen was voor Israël en dat Hij daar moest lijden en sterven om zo zijn heerlijkheid binnen te gaan.
Toen Abgar begreep dat hij Jezus niet persoonlijk te zien zou krijgen, stuurde hij een portretschilder met de bedoeling dat deze een gelijkend portret van Jezus zou maken. Maar de glans op het gelaat van Jezus was zo sterk dat het de schilder volkomen verblindde. Hij kreeg geen penseelstreek op het doek. Met medelijden bewogen nam Jezus het linnen waarop zijn portret had moeten komen in zijn handen en drukte het tegen zijn gezicht. De afdruk ervan bleef op het doek achter. Volgens de overlevering was het de apostel Judas Thaddeus die de doek naar koning Abgar in Edessa bracht. Op het moment dat de zieke koning de afbeelding tegen zijn gezicht drukte, was hij genezen.

Overigens is dit verhaal een van de belangrijkste argumenten waarom men van de christelijke mysteries afbeeldingen mag maken. Jezus was er zelf mee begonnen!



zondag - 28 okt

Heeg 09:30 - 10:30 Woord- en Communieviering, Pastor L. Foekema

Sint Josephkerk, Heeg

voor Rein van der Weij;
voor overleden familie Fokke Flapper;
voor overleden familie Zijlstra – de Jong.



zondag - 28 okt

Sneek 10:00 PKN Viering

Antonius Ziekenhuis, kerkzaal, Sneek

Voorganger: G. Piersma



zondag - 28 okt

Sneek 11:00 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

m.m.v. de Vrouwenschola



zondag - 28 okt

Heeg 19:30 - 20:30 Vesper viering in de Hagha kerk o.l.v. Pastor Foekema

Heeg, Heeg


maandag - 29 okt

Hele dag Gedenkdag H. Ermelindis van Meldert, kluizenares

Ermelindis van Meldert (ook van Brabant of van Tienen) , Vlaams Brabant, België; kluizenares; † ca 594;

Afbeelding van Ermelindis

< 1800. Ingekleurde gravure.

http://www.heiligen.net/afb/10/29/10-29-0594-ermelindis_1.jpg

Feest 29 oktober.

Ermelindis was de dochter van een adellijk geslacht. Zij zou zelfs familie geweest zijn van Pepijn van Landen († 639; feest 21 februari)). Haar vader heette Ermenoldus en haar moeder Ermesenda. Zoals dat soms gaat in het leven van mensen die later heilig zullen worden, vatte zij al heel vroeg in haar jeugd de liefde op voor het godsvruchtige leven. Zij leerde de psalmen uit haar hoofd en zoals oude levensberichten vermelden zij herkauwde ze talloze malen, gelijk het vee doet met háár voedsel.

Haar ouders hadden voor haar een adellijk huwelijk gepland, dat in de voortplanting van het geslacht zou voorzien. Echter, zij gaf er de voorkeur aan om maagd te blijven. Tenslotte liet haar vader zich overtuigen, en schonk haar in de buurt van haar geboortedorp, Lovenjoel bij Leuven, een stuk grond. Maar dat was te dicht bij de mensen. Zij wilde God dienen in de eenzaamheid, zoals ze had gelezen bij de woestijnvaders. Zij vond dat alles te Bevekom.
Elke nacht stond zij op om in het plaatselijke kapelletje te gaan bidden. Maar twee adellijke jongemannen raakten smoorverliefd op haar. Zij smeedden een plan om haar te overmeesteren. Dat het meisje zelf graag als maagd wilde leven in de dienst van de Heer, achtten ze van minder belang. Ze probeerden de koster om te kopen, maar deze reageerde terughoudend op hun voorstellen, want Ermelindis onderhield een hartelijke relatie met hem. Hij wees hun dus een plaats aan ergens halverwege haar kluizenaarswoninkje en de kapel, waar zij het gemakkelijkst kon worden geschaakt.
Juist in de afgesproken nacht ging de heilige vrouw niet naar de kapel; ze sliep uit. In haar slaap werd ze door een engel gewaarschuwd: ‘Vlucht, vlucht van hier…, als je tenminste je maagdelijke staat wilt bewaren die je zo rein hebt geofferd aan God onze Heer.’ Onmiddellijk zocht ze een goed heenkomen en vond het te Meldert bij Hoegaarden (Brabant). Daar zette zij haar godgewijde leven van eenzaamheid voort. Zij onderhield een strenge vasten, en werd dikwijls door geestelijken opgezocht om raad. Ze stierf op 47-jarige leeftijd.
Niemand heeft haar afsterven opgemerkt. Het verhaal vertelt dan ook, dat zij door engelen is afgelegd en begraven… en in de hemel opgenomen.

Verering & Cultuur
Jaren later passeerde op de plaats waar zij begraven lag een reiziger. In het duister van de avond zag hij een licht zweven en vroeg zich af wat dat kon betekenen. Bij het aanbreken van de morgen vervaagde het licht, maar nu steeg er een heerlijk zoete geur op van die plaats. Hij bracht vlug de zaken in orde waarvoor hij gekomen was, en keerde ‘s avonds naar dezelfde plek terug in de hoop, dat de bijzondere tekenen zich zouden herhalen. Dat was inderdaad het geval. Nu ging hij spoorslags naar huis, verkocht alles wat hij bezat en liet een kapelletje bouwen op die plaats. Hij ging er zelf bij wonen. Zijn verdere leven bracht hij daar in afzondering en gebed door. Het graf van Ermelindis werd een gezocht bedevaartsoord, en volgens de verhalen gebeurden er talrijke wonderen en genezingen.

Tot op de dag van vandaag trekken er pelgrims naar de plaatsen waar zij heeft geleefd.



maandag - 29 okt

Sneek 09:15 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, kapel, Sneek


dinsdag - 30 okt

Hele dag Gedenkdag H. Marcellus van Tanger, martelaar

Marcellus van Tanger (ook de Centurio of van León, Spanje), Noord-Afrika; martelaar met zijn zoons 12 zoons: Claudius, Lupercus & Victorius van León; Facundus & Primitivus van Sahagun († ca 300; feest 27 november); Hemiterius (ook Emeterius, Emiterius of Hemeterius) & Cheledonius (ook Celedonius of Chelidonius) van Calahorra (” 300; feest 3 maart); Servandus & Germanus van Cadiz († ca 300; feest 23 oktober); Faustus, Januarius & Marcialis (ook Martialis) van Cordova († ca 304; feest 13 oktober); † 298.

Afbeelding van Marcellus

Marteldood Sint Marcellus.
vóór 1667, schilderij. Spanje, Valencia, Museo Belles Artes.

http://www.heiligen.net/afb/10/30/10-30-0298-marcellus_1.jpg

Feest 30 oktober.

Marcellus was afkomstig uit de Spaanse stad León en diende als honderdman in het Romeinse leger. Tijdens de feestelijkheden ter gelegenheid van de verjaardag van keizer Maximinianus (284-305) weigerde hij deel te nemen aan de offerrituelen: hij was christen, alleen aan Christus bracht hij offers. Hij wierp zijn wapens weg en rukte de soldateninsignes van zijn kleding. Dat was heiligschennis en voor een soldaat hoogverraad. Op last van de toenmalige stadsprefect Agricolaus werd hij berecht, gefolterd en uiteindelijk met het zwaard onthoofd.

De klerk Cassianus († 298; feest 3 december), die de gang van zaken moest vastleggen in Acta (= verslagen), was diep onder de indruk van Marcellus’ standvastigheid, en de rust en blijdschap die hij uitstraalde. Tegelijk ergerde hij zich aan de oneerlijkheid waarmee de rechter te werk ging. Toen Marcellus onterecht ter dood werd veroordeeld, smeet hij zijn lei en griffel neer en riep uit dat ook hij christen was. Hij werd gearresteerd en op zijn beurt aan verhoren en folteringen onderworpen. Enkele weken na Marcellus stierf hij de marteldood.

Verering & Cultuur
Volgens de overlevering had Marcellus twaalf zonen, die allen de marteldood stierven: Claudius, Lupercus & Victorius van León; Facundus & Primitivus van Sahagun († ca 300; feest 27 november); Hemiterius (ook Emeterius of Emiterius) & Cheledonius (ook Celedonius) van Calahorra († ca 300; feest 3 maart); Servandus & Germanus van Cadiz († ca 300; feest 23 oktober); Faustus, Januarius & Marcialis van Cordova († ca 304; feest 13 oktober).

Na de verovering van Tanger werden Marcellus’ relieken overgebracht naar León.

Hij wordt vereerd als hoofdpatroon van León.
Claudius en zijn beide broers zijn de patroonheiligen van de benedictijner abdij St-Claudius in Galicië, Noord-West-Spanje.



dinsdag - 30 okt

Sneek 08:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


dinsdag - 30 okt

Sneek 16:00 Rozenkransgebed

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


woensdag - 31 okt

Hele dag Gedenkdag H. Alfonsus Rodrigues, lekenbroeder

Alfonsus (ook Alonso) Rodríguez sj, Palma de Mallorca, Spanje; lekenbroeder; † 1617.

Afbeelding van Alphonsus

ca 1880, sculptuur. België, Drongen, Oude Abdij, Gotische Kapel.

http://www.heiligen.net/afb/10/31/10-31-1617-alfonsus_2.jpg

Feest 31 oktober.

Hij werd geboren in de Spaanse stad Segovia in 1532 of 33. Als jongen maakte hij kennis met de jezuïetenpater Petrus Faber († 1546; feest 2 augustus); die kwam bij zijn ouders logeren, toen hij in de stad een volksmissie preekte. Dat moet gebeurd zijn kort nadat de jezuïetenorde officieel door de paus was goedgekeurd ( 27 september 1540). Hij bereidde de jonge Alfonsus voor op zijn Eerste Heilige Communie.
Tegen zijn twaalfde stuurde vader hem naar het zojuist opgerichte jezuïetencollege in Alcalà. Maar na één jaar moest de jongen alweer naar huis terugkeren, omdat vader plotseling was overleden. Hij moest de stoffenhandel overnemen.
In 1557 trouwde hij met Maria Suarez. In vier jaar tijd kreeg het echtpaar kreeg twee zoons en een dochter, Gaspar, Alonso en Maria. Eerst ging zijn bedrijf failliet en vervolgens kwamen kort na elkaar zijn dochtertje, zijn vrouw, zijn twee jongens en zijn moeder te overlijden. Toen had hij alleen nog zijn geloof om zich aan vast te klampen. Hij was achtendertig jaar en net als Sint Paulus destijds stelde hij de vraag: ‘Heer wat wilt Gij dat ik doe?’

Hij wendde zich tot de jezuïeten met de vraag of hij priester mocht worden. Maar gelet op het feit dat hij maar één jaar middelbare-schoolopleiding had en vervolgens de studie van filosofie en theologie nog zou moeten doorlopen, werd hij te oud bevonden. Bovendien vroeg men zich af of hij wel sterk genoeg zou zijn voor het soms harde leven van een jezuïet. Alfonsus liet zich er niet door uit het veld slaan. Hij begon zelf te studeren. Toen zijn geestelijk leidsman werd overgeplaatst naar Valencia, verhuisde hij mee. Na twee jaar verzocht hij nogmaals bij de jezuïeten te mogen intreden, als priester of lekenbroeder, dat maakte niet uit. Ook in Valencia werd hij afgewezen, maar het was pater provinciaal zelf die het advies van zijn medebroeders in de wind sloeg en Alfonsus aannam als kandidaat-lekenbroeder. Dat gebeurde op 31 januari 1571. Na een half jaar werd hij gezonden naar het pas gestichte college Montesion in Palma de Mallorca. Hij arriveerde er op 10 augustus van hetzelfde jaar. Aanvankelijk verrichtte hij bescheiden en dienstbaar allerhande werkzaamheden. Vanaf 1579 zou hij bijna veertig jaar lang onafgebroken de functie van broederportier vervullen.

Hij was een man van gebed, grote eenvoud en diepe vroomheid. Wanneer je hem ook tegenkwam, hij had altijd een rozenkrans bij de hand. Als er iemand belde aan de poort, stelde hij zich voor dat God zelf aan de deur stond en dat hij de gast in die geest wilde ontvangen. Velen kwamen hem opzoeken om goede raad van hem te ontvangen. Een van hen was de priesterstudent Pedro Claver († 1654; feest 9 september). Als voormalig handelsman en als medebroeder van missionarissen die uitgezonden waren naar de uiteinden van de aarde, wist hij te vertellen dat er in de Nieuwe Wereld vreselijke dingen gebeurden. Vanuit Afrika werden door Spanjaarden, Portugezen, Hollanders en Engelsen negers naar Zuid-Amerika overgebracht, om daar voor goudgeld op de markt verkocht te worden. Ze werden in de goud- en zilvermijnen te werk gesteld en stierven als ratten. “Het goud en zilver waar onze kerken en paleizen mee zijn versierd, kost duizenden mensenlevens, en er schijnt niemand te zijn die zich om die arme mensen bekommert”, zo besloot broeder Alfonso. Van dat ogenblik af, stond het voor Pedro vast dat hij daar naartoe wilde. Pedro zou uitgroeien tot de Apostel van de negerslaven.

Reeds bij zijn leven werd broeder Alfonsus beschouwd als een ware heilige. Toen de oude dag hem vergeetachtig maakte bestond zijn gebed alleen nog maar in het prevelen van de namen van Jezus en Maria. Hij stierf omringd door zijn medebroeders. Het was paus Leo XII die hem in 1825 († 1829) zalig verklaarde.

Op 15 januari 18888 werd hij tezamen met zijn vertrouweling Pedro Claver door paus Leo XIII († 1903) heilig verklaard.

Afgebeeld
Op afbeeldingen ziet men hem altijd in gebed, vaak met een rozenkrans.



woensdag - 31 okt

Sneek 09:15 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, Sneek


woensdag - 31 okt

20:00 Bronnen inleiding over water


nov 2018

datum/tijd evenement

donderdag - 01 nov

Hele dag Hoogfeest van Allerheiligen

ALLERHEILIGEN

De geloofsgemeenschap viert op 1 november het feest van Allerheiligen (en de dag erna, 2 november, Allerzielen).

Afbeelding Allerheiligen

Allerheiligen

1 Betekenis

Met “alle heiligen” worden al die overledenen bedoeld die op aarde de goede strijd gestreden hebben, en dus – naar de vaste overtuiging van de geloofsgemeenschap – bij God in de hemel zijn opgenomen. Het betreft hier juist die heiligen die door het jaar geen eigen feestdag hebben bv. omdat hun heiligheid alleen bij God bekend was en niet bij de mensen.

2 Uitleg

Van oudsher geloven christenen dat het leven van een mens bij zijn dood niet ophoudt of wordt weggenomen, maar dat het verandert. De gestorvene komt voor God te staan om geoordeeld te worden. Wie goed heeft geleefd wordt beloond, wie slecht heeft geleefd wordt gestraft.
De beloning bestaat in de zogeheten ‘zalige aanschouwing Gods’. De straf wordt vaak aangeduid – ook al door Jezus in zijn verhalen – met een “eeuwig vuur”, door ons vaak “de hel” genoemd.
De woorden “hemel” en “aanschouwing Gods” enerzijds en anderzijds “hel” en “vuur” zijn beelden. Het is symbooltaal om de dingen van God enigszins voor onze mensenogen op te roepen. Zoals gezegd maakte Jezus daar ook gebruik van, als hij over beloning en straf sprak, bijvoorbeeld in zijn gelijkenissen.
We zouden diezelfde mysteries ook anders kunnen uitleggen. Een christen leeft goed, wanneer wij hij naar Jezus’ voorbeeld God navolgt en zijn leven oriënteert op de Heilige Geest. In de praktijk betekent dit dat een gelovige de naastenliefde beoefent. De goeden zijn zij die de ander beminnen zoals zij zichzelf door God bemind weten. Hun beloning bestaat erin dat zij nu inderdaad op hun beurt bemind worden zoals zij anderen hebben bemind.
Gestraft wordt diegene die het aanbod van Gods liefde willens en wetens heeft afgeslagen en er uitdrukkelijk voor heeft gekozen daar juist niet van te leven.

De goeden in het hiernamaals worden in de geloofsgemeenschap aangeduid met het woord “heiligen”. De dag dat die schare die niemand tellen kan, wordt gevierd, heet dan ook Allerheiligen.
We merken op dat de betekenis van het woord “heilige” sinds Paulus is verschoven. Als hij sprak over “heiligen”, had hij het niet over overleden geloofsgenoten, maar over mensen die nog in leven waren en de boodschap van het Evangelie hadden aangenomen. Zij hadden het heil van Jezus herkend en aanvaard, en werden dienovereenkomstig dus “heilig” genoemd.
Vandaag de dag noemen wij alleen iemand “heilig” die overleden is en die na een langdurig onderzoek uitdrukkelijk door de Paus heilig is verklaard.

3 De plaats van de doden in het leven van de Kerk

Gelovig gesproken zijn er dus drie plaatsen waar de Kerk te vinden is: in de hemel, in het vagevuur en op de aarde. Om aan te duiden dat het in feite over één grote geloofsgemeenschap gaat, spreken de gelovigen van de zegevierende kerk, de lijdende kerk en de strijdende kerk.
Sinds Jezus’ opstanding uit de doden heeft er voor de geloofsgemeenschap altijd een intieme band bestaan met de overledenen: immers zij leven voor God.

De band met de heiligen in de hemel
Gelovigen kunnen de voorspraak inroepen van heiligen, en vragen of zij hun gebed kracht willen bijzetten; of zoals dat vertrouwelijk heet: een goed woordje voor ons doen bij Onze Lieve Heer. Ontelbaar zijn de verhalen waarin gelovigen vertellen hoe hun gebed werd verhoord door tussenkomst van een of andere heilige. Wil een overledene in aanmerking komen voor een officiële heiligverklaring, dan moet er ook sprake zijn van dergelijke gebedsverhoringen of zelfs wonderen die kunnen worden toegeschreven aan de bemiddeling van een vereerde heilige. Er is dus geen sprake van dat heiligen worden aanbeden: dat komt alleen aan God toe.

4 Geschiedenis van de feestdag

Allerheiligen en Allerzielen staan aan het begin van de maand november. Op de eerste plaats omdat dan ook de natuur afsterft. In vele streken ziet men de hele maand november als een tijd waarin de dood centraal staat. Men zag het als een soort “liturgische herfst” die samenviel met de oogsttijd. Juist die oogsttijd herinnert aan de gelijkenissen van Jezus, waarin Gods oproep aan het einde der tijden herhaaldelijk wordt vergeleken met een oogst. En is ieders persoonlijke dood niet een soort van oproep aan het einde der tijden?
Toch hebben beide feestdagen niet altijd in deze tijd van het kerkelijk jaar gestaan.

Allerheiligen
In de oosterse kerk kende men in de eerste eeuwen het gebruik om op één bepaalde dag alle martelaren te vieren. Hun aantal was zo hoog geworden dat men ze niet meer elk persoonlijk kon vieren. Er is zo’n feest bekend uit de kerk van Edessa in het jaar 519: het viel op 13 mei. In de oostsyrische kerk viel het op de vrijdag na Pasen. Johannes Chrysostomus besloot de liturgische paaskring met het feest van Allerheiligen op de eerste zondag na Pinksteren (daar staat nu bij ons het feest van de H. Drie-eenheid).
In het westen kan men alle drie de data terugvinden voor dit feest. De belangrijkste dag schijnt lange tijd toch 13 mei geweest te zijn. Dat kwam mede door het toeval dat op die dag te Rome de kerkwijding plaats had gevonden van het Pantheon. Dit gebouw was een overblijfsel uit de heidense Romeinse tijd; het was gebouwd ter ere van alle goden. De christenen maakten er na de val van het Romeinse Rijk een kerk van ter ere van alle heilige martelaren; zij waren immers juist het slachtoffer geworden van die Romeinse goden. Welnu, de inwijding van het Pantheon had plaats gevonden op 13 mei.
Het zijn de Ierse monniken geweest die de dag der overledenen vierden op 1 november. Geen wonder, want zij leefden zeer intens naar het ritme van de natuur. Op aandringen van koning Lodewijk de Vrome heeft paus Gregorius IV in 844 het feest van Allerheiligen verplaatst van 13 mei naar 1 november.

5 Gebruiken

Van oudsher is Allerheiligen gevierd als een zondag.
Bij de kerkelijke viering van Allerheiligen wordt het thema van het einde der tijden behandeld. Er worden missen opgedragen aan alle heiligen en kerkhoven bezocht. Het leven van de heiligen die in de hemel verblijven wordt herdacht en als voorbeeld gesteld voor een goed christelijk leven.

Op de avond vóór en de middag en avond ván Allerheiligen worden voorbereidingen getroffen voor het feest van Allerzielen op 2 november. In alle rooms-katholieke streken worden de kerkhoven schoongemaakt en met bloemen versierd.

In Engeland heeft Halloween zich sinds de Reformatie in zestiende eeuw als wereldlijk feest verder ontwikkeld en nadat het door (Ierse) kolonisten naar Amerika was overgebracht, heeft het zich de laatste decennia van daaruit weer over Europa verspreid.

Met de kerkelijke feesten heeft het huidige Halloween niets meer te maken.

In de Protestantse kerk wordt Allerheiligen niet gevierd, omdat ze heiligenverering afwijst. Dit gebeurde dus na de Reformatie, de periode waarin mensen als Luther en Calvijn en grote groepen rond hen zich afscheiden van de traditionele katholieke kerk (de Beeldenstorm!).

Wereldlijke feestelijkheden en gebruiken rond 1 november

1 november is tot in de twintigste eeuw ook een belangrijke kalenderdag geweest in het dagelijks leven, vooral van boeren en kooplieden. In de agrarische wereld was 1 november het begin van het winterseizoen en van de werkzaamheden binnenshuis (november is slachtmaand), de datum waarop de kachel en de winterkleren weer van zolder werden gehaald.

Verder was 1 november de dag waarop lonen werden uitbetaald, nieuwe pachttermijnen ingingen en knechten en meiden in dienst traden. Ook de najaarsmarkten werden vaak op 1 november gehouden. Behalve voor het doen winterinkopen was een bezoek aan de najaarsmarkt ook een gelegenheid om uit te gaan. In Winschoten wordt nog altijd Allerheiligenmarkt (Aldrillenmarkt) gehouden.



donderdag - 01 nov

Sneek 08:45 Hoogfeest Allerheiligen Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

m.m.v. het Vrijwilligerskoor



vrijdag - 02 nov

Hele dag Feestdag van Allerzielen

ALLERZIELEN

De geloofsgemeenschap viert op 1 november het feest van Allerheiligen en de dag erna, 2 november, Allerzielen.

Afbeelding Allerzielen

ca 1425 Altaarschildering door Meester van Palanter. Duitsland, Aken, Suermondt-Ludwig-Museum
Redding van de zielen uit het vagevuur.

http://www.heiligen.net/afb/11/02/11-02-0000-allerheiligen_4.jpg

1 Betekenis

Met “alle zielen” worden die overledenen bedoeld die niet rechtstreeks naar de hemel zijn gegaan, maar naar een fase die daaraan voorafgaat: het vagevuur.

2 Uitleg

In de loop van de geschiedenis is in het denken van de geloofsgemeenschap dat eenvoudige onderscheid tussen hemel en hel wat verfijnd. In de praktijk van het leven bleken er talloze mensen te sterven die enerzijds de hel niet verdienden, maar anderzijds nog niet zuiver genoeg op God gericht stonden om zijn licht in volle glorie te kunnen ontvangen. Immers wie de Liefde zelf wil ontmoeten, moet daar ook op voorbereid zijn. En soms was dat onvoldoende gebeurd tijdens het leven van de gelovige.
Men stelde zich dat uitzuiveringsproces in het hiernamaals voor als een vuur en men gaf het de naam Vagevuur’, een vuur dat vaagt of reinigt.

3 De plaats van de doden in het leven van de Kerk

Gelovig gesproken zijn er dus drie plaatsen waar de Kerk te vinden is: in de hemel, in het vagevuur en op de aarde. Om aan te duiden dat het in feite over één grote geloofsgemeenschap gaat, spreken de gelovigen van de zegevierende kerk, de lijdende kerk en de strijdende kerk.
Sinds Jezus’ opstanding uit de doden heeft er voor de geloofsgemeenschap altijd een intieme band bestaan met de overledenen: immers zij leven voor God.

Op grond van diezelfde geloofsovertuiging neemt de gelovige aan dat er ook een band mogelijk is met de zielen in het vagevuur. Nu zijn het vooral de gelovigen van de strijdende kerk die bidden dat het uitzuiveringsproces verhaast wordt en dat de zielen van de overledenen zo snel mogelijk verlost mogen worden.
Voor vele gelovigen heeft het als troost gefungeerd dat ze na de dood van een dierbaar persoon, van wie ze voelden dat de band van liefde doorging ook al was de dood ertussen gekomen, nog iets konden doen: nl. bidden voor diens welzijn en verlossing. En juist omdat het gebed uit liefde voortkwam, mocht men geloven dat het God naar zijn hart zou spreken, zodat Hij zou geven wat men vol vertrouwen vroeg.

4 Geschiedenis van Allerzielen

Allerheiligen en Allerzielen staan aan het begin van de maand november. Op de eerste plaats omdat dan ook de natuur afsterft. In vele streken ziet men de hele maand november als een tijd waarin de dood centraal staat. Men zag het als een soort “liturgische herfst” die samenviel met de oogsttijd. Juist die oogsttijd herinnert aan de gelijkenissen van Jezus, waarin Gods oproep aan het einde der tijden herhaaldelijk wordt vergeleken met een oogst. En is ieders persoonlijke dood niet een soort van oproep aan het einde der tijden?
Toch hebben beide feestdagen niet altijd in deze tijd van het kerkelijk jaar gestaan.

De gedachtenis van Allerzielen schijnt voor het eerst in het oosten gevierd te zijn, en wel op de zaterdag voorafgaand aan de vasten. In het westen vonden we er de sporen van in de abdij van Fulda: daar werden elke maand de overledenen herdacht in een eigen liturgisch kader. Het kreeg zijn verspreiding onder invloed van de kloosterhervormingen van Cluny. Vooral abt Odilo van Cluny († 1049) schijnt zich hiervoor sterk gemaakt te hebben. Volgens sommigen was deze verbreiding veeleer te danken aan de Luikse bisschop Notger († 1008). Hoe dan ook, alle nieuwe kloosterordes, die in de loop van de Middeleeuwen ontstonden, zoals de cisterciënzers, premonstratenzers en kartuizers namen het feest op in hun liturgische kalender.

5 Gebruiken

In de dagen die voorafgaan aan Allerheiligen en Allerzielen worden de graven en kerkhoven in orde gebracht. Dit gebeurt nog steeds in het zuiden van ons land; maar bijvoorbeeld ook in België en in de Duits sprekende landen.

Het is verstandig hier onderscheid te maken tussen “vroeger” – laten we zeggen tot aan het Twwede Vaticaans Concilie (1962-1966) en “tegenwoordig”. Juist omdat de gelovigen enerzijds de overledenen graag gedenken. Anderzijds spreekt de voorstelling van het Vagevuur op dit moment niet zo tot de verbeelding.

5.1 “Vroeger”
In de eerste helft van deze eeuw gingen de gelovigen ‘s morgen vroeg naar de kerk. De liturgische kleuren waren zwart en paars. De priester droeg drie missen op, waarvan één in ieder geval ter intentie van de zielen in het vagevuur. Dit gebruik is ingesteld door paus Benedictus XV in het jaar 1915, midden in de Eerste Wereldoorlog en ook omwille van al die doden die vielen in die Eerste Wereldoorlog.
Terwijl de priester zijn drie missen opdroeg, hadden de gelovigen ruimschoots de gelegenheid te bidden voor de zielen in het vagevuur. Zij waren zelfs in staat de verlossing van zo’n ziel te bewerkstelligen. Op de dag van Allerzielen – of in de week onder het Octaaf – moesten zij daartoe de kerk bezoeken, zeven Onze Vaders, zeven Wees Gegroeten en zeven Eer aan de vaders bidden. Dat volstond voor de verlossing van een ziel uit het vagevuur. In later tijd veronderstelde men zelfs dat men even zovele zielen kon helpen als men dit ritueel herhaalde.
Dit gebruik heet “portiunkelen”, omdat het voor het eerst is gepraktiseerd in Portiuncula, een devotiekapelletje ter ere van Sint Franciscus dat gelegen is vlak bij Assisi.
Na de kerk gaat men op het kerkhof langs bij de dierbare overledenen. Daar mijmert men enkele ogenblikken. Verder staat de hele dag in het teken van ernst en bezinning.

5.2.2 “Tegenwoordig”
Tegenwoordig heeft men andere gebruiken in de kerk ontwikkeld.
De liturgische kleur is paars, soms grijs. De paaskaars brandt. Er is een eucharistieviering. Bij de gedachtenis van de overledenen brengt men alle overleden parochianen van het afgelopen jaar één voor één, naam voor naam in herinnering. Hier en daar steken de gelovigen telkens wanneer er een naam genoemd wordt, een kaarsje aan.

In België bestaat het gebruik van een soort jaarkalender; gaandeweg het jaar worden de doden op de dag van hun overlijden ingeschreven. Op Allerzielen plaatst men dat boek in het centrum van de liturgie niet als een boek van doden, maar van levenden.



vrijdag - 02 nov

Sneek 09:30 Feestdag Allerzielen Eucharistieviering

Begraafplaats, kapel, Sneek

Na afloop koffie en gelegenheid elkaar te ontmoeten in de woning van de kosteres.



vrijdag - 02 nov

Sneek 19:00 Allerzielen Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

m.m.v. het Rouw- en Trouwkoor



zaterdag - 03 nov

Hele dag Feest H. Hubertus van Luik, bisschop

Hubertus van Luik (ook van Maastricht)osb, België; bisschop; † 727.

Afbeelding Sint Hubertus

1929. Glasschilderkunst. België, Turnhout, St-Pieterskerk
Boven: Christus verschijnt aan Hubertus
Onder: Hubertus verkondigt het evangelie.

http://www.heiligen.net/afb/11/03/11-03-0727-hubertus_1.jpg

Feest 3 november.

Hij moet ergens in de 7e eeuw geboren zijn. Hij diende aan het hof van Pepijn van Herstal. Maar na de dood van zijn vrouw stelde hij zijn leven in dienst van God.
Later volgde hij Lambertus († 705; feest 17 september) op als bisschop van Maastricht. Hij was het die de bisschopszetel overbracht naar Luik, België.
Dit is wat met enige zekerheid historisch over hem vaststaat. De legende weet echter veel meer over hem te vertellen.

Legende

Hubertus was de oudste zoon van Bertrandus en Hugberne, het hertogelijk paar van Aquitanië. Hij werd in 654 op achttienjarige leeftijd ridder geslagen door zijn neef, koning Dederik. Het was een boom van een vent: liefst tien voet lang [= 2.90m!]. Hij had een rode baard. Na de dood van Baudalus werd Hubertus graaf van Parijs. Maar ten gevolge van de kuiperijen (intriges) van Ebroinus bij de Franse koning werd Hubertus verbannen.

Over Ebroïnus
Toen koning Clotarius III in 673 stierf, waren er twee zoons die streden om de troon: enerzijds Childerik II († 675), o.a. gesteund door Léger, en aan de andere kant Thierry (of Diederik; † 690/91) die gesteund werd door Ebroïn, hofmeier van zowel Neustrië als Bourgondië. Hij was zeer op macht belust en stelde alles in het werk om uiteindelijk zelf alle macht in handen te krijgen. In eerste instantie viel de strijd uit ten gunste van Childerik; deze wilde Léger voortdurend bij zich in de buurt hebben als persoonlijk raadsman. Thierry werd opgeborgen in de abdij van St-Denis bij Parijs, terwijl Ebroïn verbannen werd naar het strenge klooster Luxeuil in Bourgondië.

In 675 werd de koning zelf slachtoffer van een aanslag. Thierry bevrijdde zich uit St-Denis en maakte zich meester van de troon. Ook Ebroïn wist zich te bevrijden, en was woedend dat niemand van het landsbestuur er aan gedacht scheen te hebben om hem een hoge functie te geven. Hij bracht een leger op de been, veroverde Neustrië en nam Thierry gevangen, die overigens niet al te veel weerstand bood. Nu trok Ebroïn alle macht aan zich. Uit haat tegenover kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders zat hij ze zoveel mogelijk dwars: hij liet er verbannen (zoals bv. Lambertus van Maastricht: † 705; feest 17 september); een aantal liet hij er ombrengen (zoals bv. Léger van Autun: † 678; feest 2 oktober; Ferriolus van Grenoble: † ca 680; feest 16 januari; Ragnebertus van Bugey: † 680; feest 13 juni). Hij werd op zijn beurt om het leven gebracht in 683.

Hij nam zijn intrek bij zijn neef Pepijn in Metz. Na de dood van de verrader Ebroinus werden Pepijn en Hubertus in hun rechten hersteld. Maar gaandeweg verslechterde de band met Pepijn vanwege allerlei duistere zaken in diens privé-leven. Zo kwam Hubertus naar Maastricht en werd daar letterlijk volgeling van Lambertus, want hij volgde hem overal waar hij ging.

Een andere legende weet over zijn bekering nog het volgende te vertellen. Het was Goede Vrijdag. Terwijl alle mensen naar de kerk togen, ging Hubertus met zijn vrienden uit jagen. Op een goed moment verwijderde hij zich een stukje van de overigen, omdat zijn honden achter een hert aanzaten. Hij was dus alleen toen plotseling uit de bosjes een hert op hem toetrad met een kruis in het gewei. Hubertus sprong van zijn paard en viel op zijn knieën. Hij hoorde hoe een stem tot hem zei: “Hubertus, waarom verdoe je je tijd met dit soort bezigheden? Van nu af zul je niet meer dieren vangen, maar mensen.” Hubertus antwoordde: “Heer, wat moet ik doen?” Waarop de Heer zei: “Ga naar mijn dienaar Lambertus, de bisschop van Maastricht. Deze zal u mijn wil kenbaar maken.” Toen verdween de verschijning en Hubertus ging dus naar Maastricht.

Hubertus was getrouwd met Floribine, een dochter van Dagobert, graaf van Leuven. Zij kregen een zoon: Floribertus († 746; feest 25 april). Zijn vrouw overleed en dat gaf Hubertus het verlangen in om zijn leven verder als kluizenaar in een bos of een abdij door te brengen. Hij ging naar Parijs en schonk het graafschap aan Karel Martel. Daarna vertrok hij naar Aquitanië, waar hij zijn vader stervende aantrof. Deze overleed drie dagen later. De titel van hertog en zijn erfgoed schonk Hubertus aan zijn broer Eudo. Zijn zoon Floribertus stuurde hij in de leer bij Lambertus.
Vervolgens trok Hubertus naar Rome en kwam daar aan op 16 september 674. Dat was de dag voordat Lambertus vermoord zou worden. De nacht daarop ging Hubertus voor de zoveelste maal bidden in de Sint-Pieterskerk. In diezelfde nacht verscheen een engel aan paus Sergius met de kromstaf en de ring van Lambertus; hij zei: “Sergius, afgelopen ochtend is Lambertus, de bisschop van Tongeren, vermoord. Zijn ziel is al in de hemel. Tijdens de metten zult u op het graf van Sint Petrus een man aantreffen, die door God is uitgekozen om Lambertus op te volgen. Het is Hubertus, de zoon van Bertrandus van Aquitanië. Hij moet tot bisschop worden gewijd.” Aldus geschiedde.

De dag die de legende noemt, is juist; het jaartal niet. Lambertus werd vermoord in 705.

Diezelfde ochtend nog ontving Hubertus van de paus de lagere en hogere wijdingen. Daarbij gebeurde nog een wonder. Vanuit de hemel werd zijn benoeming nog eens bekrachtigd getuige het feit dat een engel hem een pallium (of stola) en een zilveren sleutel aanreikte, welke o.a. de kracht bezat om hondsdolheid te genezen. Toen volgde Hubertus’ bisschopswijding, waarna hij zijn eerste mis opdroeg in de Sint-Pieterskerk te Rome. Tenslotte ging hij terug naar Maastricht. Dertien jaar resideerde hij in deze stad. Daarna bracht hij het lichaam van Lambertus over naar Luik. Daar zetelde hij nog eens dertig jaar.

Verering & Cultuur
Hij is patroon van de jagers. Allerlei gebruiken zijn aan zijn feestdag verbonden. In het zuiden van ons land wordt er Hubertusbrood gebakken.

In het Noordbrabantse Sint Hubert staat de Kerk van de Heiligen Hubertus en Barbara. Het is een rijksmonument.
Het gebouw is ten dele nog een 15e-eeuwse gotische kerk, waaraan in 1924 een nieuw transept en koor toegevoegd zijn. De toren en het middenschip stammen uit 1459.


zaterdag - 03 nov

Sneek 19:00 Woord- en Communieviering

Bonifatiushuis, kapel, Sneek


zaterdag - 03 nov

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Woord- en Communieviering allerzielen/allerheiligen

Sint Vituskerk, Blauwhuis

Met pastor Foekema en het Ceacilliakoor.



zaterdag - 03 nov

Sneek 20:00 Concert Sneker Cantorij

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


zondag - 04 nov

Hele dag Feestdag H. Carolus Borromeus, aartsbisschop&kerkleraar

Carolus Borromeus (ook Carlo Borromeo), Milaan, Italië; aartsbisschop & kerkleraar; † 1584.

Afbeelding Carolus
ca 1900, glasschilderkunst. Frankrijk, Honfleur, Ste-Cathérine.
Carolus Borromeus gaat voor in een boeteprocessie om verlossing van de pest af te smeken.

http://www.heiligen.net/afb/11/04/11-04-1584-carolus_8.jpg

Feest 4 november.
Hij werd op 2 oktober 1538 geboren in het Italiaanse plaatsje Arona, gelegen aan het Lago Maggiore. Reeds op 23-jarige leeftijd was hij kardinaal en aartsbisschop van Milaan. Hij is een van de kopstukken van de katholieke Contra-Reformatie. Zo verscheen van zijn hand in 1566 de eerste Romeinse catechismus. Zijn geschriften over de kerkhervormingen in zijn bisdom Milaan werden het voorbeeld voor al die andere plaatsen waar bij geestelijkheid, kloosters en gewoon kerkvolk de hervormingen moesten worden doorgevoerd, die op het Concilie van Trente in gang waren gezet.

Toen in 1576 een pestepidemie uitbrak in zijn bisdom, was hij een toonbeeld van zorg en toewijding. Onafgebroken was hij als een echte herder bij zijn mensen te vinden. Geen wonder, dat zijn populariteit bij de mensen almaar groter werd.
Hij schreef de kloosterregel voor de zusters ursulinen, die enige jaren tevoren door de heilige Angela de’Merici († 1540; feest 27 januari) waren gesticht; de regel werd in 1582 officieel door de paus goedgekeurd.
Dankzij hem kwam de lijkwade van Christus van het Franse Chambéry naar de Italiaanse stad Turijn.

Verering & Cultuur
Na zijn dood werd hij bijgezet in de crypte van de dom in Milaan. In 1610 volgde zijn heiligverklaring.

Hij is patroon van het bisdom Lugano; van de universiteit van Salzburg; van prelaten, zielzorgers en seminaristen; van de Borromaeusvereniging en van de nonnencongregatie van St-Borromaeus.
Zijn voorspraak wordt ingeroepen tegen de pest.
Hij wordt afgebeeld als kardinaal (rode mantel en platte ronde kardinaalshoed); vaak is hij in gebed of reikt hij de communie uit aan pestlijders.



zondag - 04 nov

Sneek 10:00 Eucharistieviering

Antonius Ziekenhuis, kerkzaal, Sneek

Voorganger: pastoor Huisman



zondag - 04 nov

Sneek 11:00 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

m.m.v. Intermezzo



maandag - 05 nov

Hele dag Gedenkdag H. Odrada van Alem, Maagd

Odrada van Alem, Kempen, België; maagd; † 8e eeuw.

Afbeelding H. Odrada

Odrada houdt een wild paard aan.
Tableau voor de kerk van St. Oddrada in Alem. Alem, Gelderland, Nederland.

http://www.heiligen.net/afb/11/05/11-05-0800-odrada_3.jpg

Feest 5 november.

Zij werd als adellijk meisje geboren te Scheps aan de Nete, vlakbij Balen, België. Zij wilde haar leven geheel aan God toewijden. Toen na de dood van haar moeder een stiefmoeder in huis kwam, ontstonden tussen haar en Odrada steeds meer wrijvingen.

Zo wil het verhaal dat zij eens het feest van de kerkwijding wilde bijwonen te Millegem. Haar vader en stiefmoeder gingen ook, zodat er voor haar geen rijdier was. “Probeer maar één van de wilde paarden uit het bos te pakken te krijgen en te temmen”, was het hatelijke commentaar van haar stiefmoeder. Zij maakte daarop een kruis van wilgentakken (volgens sommige versies van het verhaal waren het lindetakken). Met dat teken voor zich uit geheven stapte ze op de aanstormende dieren toe. Ze kwamen tot stilstand. Een schimmel maakte zich los uit de groep, naderde Odrada voorzichtig en knielde voor haar neer. Ze besteeg het dier en kwam nog op tijd voor de kerkwijding te Millegem. Daar stak ze de wilgentakken in de grond, waarop ter plekke een bron ontsprong. De takken groeiden uit tot een opvallende boom.

Dit alles verbeterde de verhouding tussen haar en haar stiefmoeder niet. Zij verkommerde, kwijnde weg en stierf op jeugdige leeftijd: † 8e eeuw.
Aan haar vader had ze vlak voor haar dood gevraagd haar lichaam op te baren in een holle boomstam, deze op een kar te leggen, met een span ossen ervoor, en het aan de dieren over te laten, waar zij heen zouden gaan. Op de plek waar zij halt zouden houden, wenste zij begraven te worden. Pas in het Brabantse plaatsje Alem aan de Maas stonden ze stil. Haar vader liet er voor haar een basiliek bouwen.



maandag - 05 nov

Sneek 09:15 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, kapel, Sneek


dinsdag - 06 nov

Hele dag Gedenkdag H. Mélaine van Rennes, Bisschop

Mélaine (ook Belaine, Malani, Mélan, Melen, Mélen of Melanius) van Rennes, Bretagne, Frankrijk; bisschop; † ca 530.

Afbeelding van Melaine van Rennes

<1900. Steensculptuur
Frankrijk, Bretagne, Vitré, Église Notre Dame de l’Assomption.

http://www.heiligen.net/afb/11/06/11-06-0530-melaine_1.jpg

Feest 6 november.

Hij zou afkomstig zijn uit het plaatsje Platz (= het huidige Brains-sur-Villaine) bij Redon.

Maar in Plélauff, niet ver van Gouarec, veel noordelijker in Bretagne, houdt men vol dat daar de geboortegrond ligt van de heilige. Ooit wees men er op de ruVnes van een kasteel waar hij het levenslicht zou hebben aanschouwd. Het bos eromheen heet dan ook ‘St-Mélainebos’. Bovendien is hij patroon van een parochie te Morlaix. Zoveel is zeker dat Sint Mélaine in die streek bijzondere verering geniet. Maar uit het vervolg zal blijken dat hij zelf het liefste verbleef aan de Villaine.

Als mogelijke geboortejaren worden gegeven 442 en 456. Natuurlijk was hij volgens zijn levensbeschrijvers van adellijke afkomst. Daarmee wordt waarschijnlijk meer gezegd over zijn ziel dan over zijn familie. In ieder geval is er een plaatselijke traditie die weet te vertellen dat hij een herderszoon was die ervan droomde om te leren lezen en schrijven. Hij vertrouwde dus zijn kudde aan een ander toe en verdween op zijn klompen naar de kloosterschool van Rennes, enige tientallen kilometers verderop (!), waar hij op de achterste bank aanschoof. Maar helemaal op zijn gemak zat hij niet. Op een dag begon hij midden onder een les met zijn vingers te knippen om de aandacht van de meester te trekken: “Ik moet naar huis. Mijn moeder roept me.” De meester wist even niet hoe hij moest reageren… Daarop zei de jongen dat de meester zijn rechterhand in de zijne moest leggen en met de linkervoet op zijn linkervoet moest gaan staan: “Luistert u zelf maar.” En inderdaad, nu hoorde de meester duidelijk een vrouwenstem uit de verte over de weidem schallen: “M’laine! M’laine!!” Ze wachtte hem op met een bos bremtakken in de hand… Zelfs als bisschop zou Mélaine zich deze aframmeling blijven heugen. Reden, waarom – aldus de plaatselijke overlevering – hij verbood dat er ooit nog in de omgeving van Brain bremstruiken zouden groeien:

Op het moment dat hij tot opvolger van bisschop Amandus († 508; feest 14 november) van Rennes werd benoemd was hij een voorbeeldig monnik. Hij was een even toegewijde herder, trok rond om de laatste sporen van het heidendom uit te roeien en het licht van het evangelie te verspreiden. Volgens de levensbeschrijving die vlak na zijn dood zou zijn opgetekend, maar in feite stamt uit de 9e eeuw (wellicht op basis van oudere documenten?), deed hij tijdens zijn leven al tal van wonderen, alsof in zijn persoon de tijden van Jezus en het evangelie herleefden: blinden gaf hij het gezicht, kreupelen weer kracht in de voeten, stommen het vermogen te spreken, vermoeiden nieuwe energie, zieken gezondheid en zelfs doden weer het leven.

Zo verbleef de heilige eens in de streek rond Vannes, toen een eerbiedwaardige grijsaard zijn hulp inriep: “Mijn zoon is net gestorven!” De bisschop wendde zich tot de aanwezige menigte die nieuwsgierig toekeek: “Mensen van deze streek, wat haalt het uit als ik voor jullie ogen tekenen verricht in naam van Jezus Christus, jullie hechten er toch geen geloof aan.” Dat zei hij – aldus zijn biograaf – omdat de mensen van daar nog altijd hardnekkig vasthielden aan de heidense praktijken van hun godsdienst. Maar de aanwezigen riepen terug: “Gaat u er maar van uit, heilige man: als u deze jongen ten leven wekt, zullen we alleen nog maar geloven in de God die u verkondigt!” Daarop keerde Sint Mélaine zich in tot gebed en maakte vervolgens een groot kruisteken over de borst van de dode. Onmiddellijk stond de jongen op, levend en wel. Na dit voorval was er praktisch niemand meer te vinden in die streek die zich niet liet dopen en het katholieke geloof omarmde.

In die tijd heerste er een zekere koning Eusebius over het gebied van Vannes. Bij een strooptocht in de aangrenzende omgeving van Comblessac (Ille-et-Villaine) hield hij verschrikkelijk huis onder de bevolking: hij liet hen de ogen uitsteken en de handen afhakken. Diezelfde avond werd hij getroffen door een geheimzinnige zwaarmoedigheid die gepaard ging met afschuwelijke pijnen. Drie dagen later bleek zijn dochter Aspasia (ook Pompeia geheten) te lijden aan soortgelijke verschijnselen. In zijn nood liet de vorst bisschop Mélaine halen die te Platz verbleef. Deze gaf hem een enorme penitentie en verloste hem en zijn dochter van hun kwaal door tot driemaal toe olie op hun voorhoofd te wrijven en hun de handen op te leggen. Uit dankbaarheid schonk Eusebius het gebied van Comblessac aan de bisschop om er een klooster te vestigen. De plaatselijke Sint-Mélainebrug herinnert er nog steeds aan de heilige bisschop. Eusebius zou later als heilige worden vereerd († 490; feest 29 oktober).

Ook de Frankische koning Clovis († 511) had een bijzondere genegenheid voor hem. Deze was immers kort geleden (496) overgegaan tot het christelijk geloof, en wenste ernst te maken met de verbreiding ervan in zijn rijk. Mélaine maakte deel uit van het door Clovis bijeengeroepen Concilie van Orléans in 511. Blijkbaar is zijn aanwezigheid daar zo prominent dat de wetten die er worden uitgevaardigd, op zijn conto worden geschreven. Zo merkt Toulson op dat hij het was die de regel doorvoerde dat priesters niet langer met een draagbaar altaar van hut naar hut, of dorp naar dorp mochten trekken om er de mis op te dragen, waarbij dan vrouwen de kelk voor de mis klaarmaakten. In feite was dat een canon van het Concilie.

Hij was bevriend met Sint Aubin, bisschop van Angers († 550; feest 1 maart). Telkens als hij behoefte had aan rust of aan de stilte van de eenzaamheid, trok hij zich terug op zijn geliefd landgoed te Platz. Daar zou hij ook gestorven zijn.
Als we af mogen gaan op een lijst van heilige bisschoppen van Rennes (feest 2 september), werd hij opgevolgd door Sint Didier.

Verering & Cultuur
Zijn lichaam werd per boot over de Villaine tegen de stroom op naar Rennes terug vervoerd. Op zijn graf te Rennes werd een prachtige kerk gebouwd van bijzondere hoogte, aldus schreef een halve eeuw later de geschiedschrijver Gregorius van Tours († 594; feest 17 novemer). Maar de kerk ging in vlammen op. Toen men het puin dat op het grafmonument neergestort was, had weggeruimd, bleek dat het graf volkomen onbeschadigd was gebleven.

We vinden Sint Mélaine terug in een aantal Bretonse plaatsnamen. Bovendien wordt hij in verband gebracht met de ontstaansgeschiedenis van het Lac de Murin vlakbij Brain. Het zou zijn gevormd op het moment dat Noormannen de stad Rennes hadden geplunderd en hun rijke buit per boot over de Villaine naar zee afvoerden. Toen ze langs Platz kwamen, begon de rivier te zwellen en buiten haar oevers te treden en de boten werden op de oevers gesmeten en overspoeld. Sindsdien – zo zegt men – beginnen de klokken van de St-Mélainekerk te luiden, wanneer er een ramp dreigt voor de omgeving.

In Ille-et-Villaine is hij naast de kerk van Brain ook patroon van de kerken te Andouille, Les Brulais, Chatillon-sur-Seiche, Cintre, Comblessac, Combourtille, Domalain, Moigne, Montaus, Mouaze, Parc et Thorigne, alsmede van een parochiekerk te Rennes. Eveneens zijn er kerken aan hem gewijd in Morlaix en Moelan (Finistère) en te Plumelin (Morbihan). Hij is zelfs patroon van Mullion in het Britse Cornwall.
In Plélauff wordt hij aangeroepen tegen de koorts. Te Brain heeft hij macht over de boze geesten en wordt zijn voorspraak ingeroepen om een voorspoedige oogst of om regen te verkrijgen.

Hij wordt afgebeeld als bisschop (tabberd, staf, mijter); soms een duivel uitdrijvend; of opgebaard in een bootje dat tegen de stroom opvaart.



dinsdag - 06 nov

Sneek 08:45 Alle heilige geloofsverkonders Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


dinsdag - 06 nov

09:30 Koffieochtend

Aansluitend aan eucharistieviering



woensdag - 07 nov

Hele dag Hoogfeest H. Willibrord, 1e geloofsverkondiger van Nederland

Willibrord (ook Wilbert; als bisschop Clemens-Willibrordus) van Utrecht
(ook van Echternach), Echternach, Luxemburg; bisschop & eerste geloofsverkondiger Nederland; † 739.

Afbeelding Sint Willibrord

ca 1850. Schilderij door J.A. Canta
Nederland, Uden, Museum Religieuze Kunst.

http://www.heiligen.net/afb/11/07/11-07-0739-willibrord_6.jpg

Feest 7 november.

Hieronder wordt een korte schets gegeven van Willibrords leven. De vele legendes die over hem verteld worden, zijn er – schuin gedrukt – tussendoor geplaatst, liefst op het moment dat ze geacht worden te spelen in het leven Willibrord.

Hij werd in 658 in het Engelse koninkrijk Northumbrië geboren.

Legende 1
[De hierna volgende legenden zijn ontleend aan: E.Lagerwey:’ Helden Gods, Legenden van Nederlandse heiligen’ Assen 1940, die op zijn beurt veel verhalen betrekt van: Petrus Ribadineira & Heribertus Rosweydus, priesters der Societeyt Jesu: ‘Generale Legende der Heylighen met het Leven Iesu Christi ende Marie, vergadert wt de H.Schrifture, Oude Vaders, ende Registers der H.Kercke’ T’Antwerpen by Hieronymus Verdussen inde Camerstraet inden rooden Leeuw, M.DC.XXXX.]

Vanaf het allereerste moment van Willibrordus’ bestaan was het duidelijk, dat God bijzondere plannen met hem had. Zijn moeder, een vrome christelijke vrouw, had in haar slaap een merkwaardig droomgezicht. Zij meende aan de hemel een nieuwe maan te zien rijzen, die geleidelijk al maar voller werd. Op het moment dat het een compleet volle maan was, viel deze uit de hemel zomaar in haar mond. Inwendig werd zij er helemaal door verlicht, en een prachtig schijnsel scheen uit haar buik te komen. De volgende dag ging zij met haar droom onmiddellijk naar de vrome, oude priester van het kerkje bij haar in de buurt. Deze vroeg, of zij vannacht gemeenschap had gehad met haar man. Met enige schroom bevestigde zij dat. Daarop antwoordde de oude wijze priester: ‘De maan die u hebt gezien in uw droom, stelt het kind voor dat u vannacht hebt ontvangen. Het zal het licht der waarheid laten stralen in de duisternis van het heidendom. De hele wereld zal profiteren van het licht dat hij zal komen brengen in naam van God onze Heer.’ Nadat haar dagen vervuld waren, schonk zij inderdaad het leven aan een zoon, juist zoals de oude priester negen maanden tevoren had voorspeld.

Volgens de overlevering heette Willibrords moeder Menna. Vaders naam staat vast: Wilgils († 690; feest 30 januari).

Legende 2
Het kind werd gedoopt en ontving de naam Willibrord. Toen het de moederborst niet meer nodig had, werd het toevertrouwd aan vrome mannen om in de Heilige Schriften onderwezen te worden. Het moest immers een groot licht worden. Daar ontving het kind de kruinschering en wijdde zich met hart en ziel toe aan het monniksleven. Hij nam toe in wijsheid en deugd totdat hij de leeftijd van twintig jaar bereikt had.

Willibrord werd reeds op 4-jarige leeftijd door zijn vader als oblaat aan het naburige klooster Ripon toevertrouwd. Meestal gebeurde dat pas, als het kind zeven jaar was. Vader trad bij die gelegenheid zelf in als monnik. Reden, waarom men wen veronderstelt dat moeder intussen gestorven was.
Op dat moment was Wilfrid († 710; feest 24 april) daar abt.

Legende 3
Intussen had zijn vader, Wilgils geheten, zich uit de beslommeringen van alledag teruggetrokken, en was naar een klooster gegaan. Hier bracht hij enige tijd zijn leven in gestrengheid door, zodat zijn liefde tot God almaar toenam. Het gevolg was, dat hij zich nog verder in de eenzaamheid wenste terug te trekken. Hij vond een onbewoond eilandje aan de kust waar hij zich toelegde op allerlei deugden, zoals bidden en vasten; daartoe behoorde ook, dat hij er een kapelletje bouwde ter ere van de heilige Andreas. Vandaar dat zijn heiligheid in de wijde omgeving steeds bekender werd. Mensen trokken naar hem toe om raad en onderricht. Zelfs edelen en tenslotte ook de koning zelve kwamen bij hem aankloppen. Zij waren zo dankbaar dat zij hem grote stukken land schonken. Daarop bouwde hij een klooster en verzamelde monniken om zich heen, die zijn voorbeeld van vroomheid en godsvrucht wilden navolgen. Na geruime tijd is hij tenslotte zalig in de Heer overleden.

Toen Willibrord twintig jaar geworden was, verhuisde hij naar klooster Rathmelsigi in Ierland om daar onder abt Egbert († 729; feest 24 april) zijn opleiding te voltooien. Deze abt wist velen van zijn onderdanen enthousiast te maken voor de overzeese missies.

Legende 4
Op zijn twintigste jaar verlangde Willibrord ernaar om zich te scharen bij de leerlingen van abt Egbert in Ierland. Deze Egbert had zelf al eens een poging gewaagd om naar het vasteland over te steken omdat hij zo vurig verlangde het evangelie te preken onder de ongelovigen die daar woonden. Maar door allerlei tekens had God hem duidelijk gemaakt, dat Hij met Egbert andere plannen had en hem het liefste in Ierland zag blijven. Met brandend hart wist Vader Egbert nu zijn ideaal over te brengen op zijn leerlingen. Zo onderging ook Willibrord Egberts lessen gedurende twaalf jaar.

Legende 5
Toen Willibrord drieëndertig jaar was geworden, nam hij het besluit om op die akkers te gaan werken waarvan hij al die tijd gehoord had dat ze wit stonden van de oogst, maar dat er bijna geen arbeiders voor waren. Sommigen zeggen dat hij met elf broeders de oversteek naar het vasteland waagde; anderen vermelden, dat het er twaalf waren. Zekerheid over hun namen bestaat er niet. Maar tot het gezelschap zouden hebben kunnen behoren: Suïtbert († 713; feest 1 maart); Adelbert(† 741; feest 25 juni); Willibald († 787; feest 7 juli) en Wunnibald († 761; feest 18 december); de gebroeders Ewald, die naar hun verschillende haarkleur ‘de Witte’ en ‘de Zwarte’ worden genoemd († 7e eeuw; feest 3 oktober); Werenfried († 760; feest 14 augustus); Engelmund († ca 739; feest 21 juni); Wiro, Plechelmus en Otger († 710; feest 8 mei); en Marcellinus, ook wel Marchelm genaamd († 762; feest 14 juli); Wigbertus († 738; feest 13 augustus).
Door de gunstige wind die God liet waaien, zouden ze geland zijn in de buurt van Katwijk. Ze voeren verder de Rijn op en kwamen in Utrecht, toen nog Wiltenburg geheten. Daar trof hij Redbad (of Radboud) de koning der Friezen. Deze wilde niets van Willibrord en zijn gevolg weten. Daarop begaf Willibrord zich naar de Frankische koning Pepijn. Deze stuurde hem door naar Rome met de bedoeling dat hij door de Paus tot bisschop zou worden gewijd.

Zo landde Willibrord in een boot met twaalf gezellen in 690 op de kust van West-Friesland, het tegenwoordige Holland. Volgens de overlevering was dat aan de monding van Oude Rijn bij Katwijk.
Geschiedkundigen menen tegenwoordig dat het nog een stuk zuidelijker was: op de Grevelingen.
Vanaf dat moment begon er een rusteloos leven in dienst van de verbreiding van het evangelie. Uitvalsplaatsen waren Utrecht, Antwerpen en Echternach. In Antwerpen kreeg Willibrord reeds na enkele jaren van de Frank Rohingus een kerkje aangeboden. In 695 ging hij naar Rome, waar hij door paus Sergius I († 701; feest 9 september) tot bisschop werd gewijd, waarbij hij de naam Clemens aannam.

Legende 6
Vier dagen voordat Willibrord in Rome arriveerde, kwam een engel paus Sergius in een droom waarschuwen. Hij moest de vriend Gods die onderweg was naar Rome met alle mogelijke eerbewijzen ontvangen. Want deze zou in de toekomst een groot licht zijn voor vele zielen die nu nog in duisternis verkeerden. Wat de heilige man hem, Sergius, ook zou vragen: dat moest hij hem geven. De paus was hierdoor zeer verheugd en ontving Willibrord met blijdschap en talloze eerbewijzen. Hij wijdde hem in de kerk van de heilige Clemens op de vooravond van diens feest: 22 november, tot aartsbisschop.

Met behulp van Sint Irmina van Oehren († ca 708; feest 3 januari) stichtte hij in 698 de abdij van Echternach en vele andere kerken en kloosters. Pippijn II van Herstal († 714) gaf hem de mogelijkheid om in Utrecht het St-Maartensklooster en de St-Salvatorkerk te bouwen.
Willibrord voelde zich verantwoordelijk voor het behoud van de goede kloosterlijke geest in zijn stichtingen. Hij visiteerde zijn kloosters herhaaldelijk.

Legende 7.1
Eens kwam hij het klooster visiteren. Na de vriendelijke begroeting, een opwekkend woord en een gezamenlijk gebed met de broeders maakte hij de ronde door het klooster om te zien of de goede geest er nog heerste en om na te gaan of de broeders ergens gebrek aan hadden, zoals een goede huisvader nu eenmaal behoort te doen. Op het eind van zijn rondgang kwam hij in de wijnkelder. Daar bevond hij, dat er slechts één vat lag waarin nog maar een bodempje wijn zat. Met een zegenbede stak hij zijn staf in het spongat en verliet de ruimte weer. Maar in de nacht daarna begon de wijn in dat vat te vermeerderen zodat hij zelfs over de rand heenliep. Toen de keldermeester besefte wat er gebeurd was, snelde hij, zo vroeg als het was, naar de heilige man, viel voor hem op zijn knieën en vertelde van het grote wonder beneden in de kelder. Willibrord dankte God – zoals hij zo vaak deed – en gebood de keldermeester er verder tot aan zijn dood met niemand over te spreken.

Dit voorval wordt in de iconografie zeer vaak afgebeeld.

Legende 7.2
Een andere keer was het al eens gebeurd, dat alle zusters van het nonnenklooster in Trier – dat niet ver van Echternach ligt – getroffen waren door een ziekte die een snelle dood tot gevolg had. Er waren er al heel wat gestorven. Anderen waren al sinds tijden niet meer uit hun bed geweest. De rest was als de dood, omdat ze dachten dat hun ook hetzelfde lot te wachten stond. Toen zij hoorden dat Willibrord in zijn klooster te Trier verbleef, riepen ze ten einde raad zijn hulp in; en of hij onmiddellijk langs wilde komen. Naar het voorbeeld van Petrus ging hij er meteen naar toe. Hij heeft voor de zieken de Mis opgedragen; en vervolgens met wijwater het hele klooster van binnen en buiten besprenkeld. En tenslotte heeft hij alle zieken eigenhandig te drinken gegeven. Vanaf dat moment was de ziekte tot staan gebracht. Nooit is er meer iemand aan die ziekte overleden.

Hier zou de oorsprong liggen van de springprocessie; de danspas zou het ziektebeeld zijn.
Toen Pippijn in 714 stierf, moest Willibrordus tijdelijk naar Echternach uitwijken, gedwongen door de opstandige Fries Radboud. Redbad verwoestte de pas gebouwde kerkjes en vernietigde het werk dat tot dan toe met veel moeite tot stand was gebracht. Hij begon het evangelie te verkondigen in het Frankische land. In deze periode moeten we waarschijnlijk de verhalen plaatsen die vertellen over Willibrordus’ werkzaamheden in het Zeeuwse en het Brabantse.

Legende 8
Zo wordt daar in talloze plaatsen verteld, dat hij er een bron heeft doen ontspringen of er de kerk heeft gesticht. Daarnaast komt Willibrordus voor in de gemeentewapens van o.a. Bakel en Milheeze, Berghem, Deurne, Mill en Sint-Hubertus, Papenhove, Riethoven, Stramproij en Teteringen.
Meerdere wonderverhalen spelen in deze streken.

Legende 8.1
Eens verbleef hij op het eiland Walcheren. Daar werd nog vanuit de oudheid een afgod vereerd. Uit brandende liefde en ijver voor God gooide hij het afgodsbeeld aan diggelen. Maar de koster die het heiligdommetje van die afgod beheerde, was woedend. In blinde woede greep hij naar zijn zwaard om daarmee het hoofd van de heilige doormidden te klieven. Maar God beschermde zijn dienaar: geen haar werd hem gekrenkt; geen schrammetje liep hij op. Toch wilden zijn gezellen niets liever dan de man terugpakken en op zijn beurt de dood injagen. Maar de bisschop wist hen met zachte dwang zover te krijgen dat zij hem lieten gaan. Hij vergaf hem zijn zonde en zond hem heen. Het schijnt dat de man drie dagen later desondanks op ellendige manier aan zijn eind is gekomen.

Legende 8.2
De heilige man wandelde eens langs de zee. Zijn gezellen vergingen van de dorst, maar er was nergens zoet water te bekennen. Daarop riep hij één van hen en gaf hem de opdracht in de zonnetent een putje te graven. Daarna viel hij erbij op zijn knieën neer en smeekte de Heer, die ooit in de woestijn door toedoen van Mozes water uit de rots had doen vloeien, dat hij uit ontferming met zijn gezellen nu ook hier in het zand een zoetwaterfontein zou doen ontspringen. Het gebeurde meteen. Er borrelde een bron met zoet water op. Ieder dankte God, die door toedoen van zijn dienaar zulke grote dingen deed. Zij dronken van het water en namen ervan mee zoveel als zij voor onderweg nodig hadden.

Willibrord zou op het eiland Walcheren verschillende kerkjes hebben gesticht. Hij bracht ze onder in het bezit van Utrecht of van de abdij te Echternach. Drie eeuwen later probeerde graaf Robrecht de Fries van Vlaanderen († 1093) die bezittingen aan zich te trekken. De eilanders zouden hem hebben verjaagd;   en de toenmalige abt van Echternach, Thiofrid († 1110) zou de zaak met de paus in orde hebben gebracht.

Legende 8.3
Het schijnt dat de fles of kruik in het gemeentewapen van Vlissingen ook op Willibrord teruggaat. Volgens sommigen zouden de ruwe Zeeuwen ooit zulk een dorst gehad hebben naar de zoete miswijn die Willibrord altijd bij zich had, dat zij er stiekem drie flessen van hadden leeggedronken. Willibrord zou hun daarop in zijn boosheid hebben uitgemaakt voor ‘Flessingers’.

Anderen menen echter, dat die fles een heel andere oorzaak heeft. Het zou hier gaan om een afbeelding van de kruik die Willibrord daar achtergelaten zou hebben, toen ze eenmaal leeg was en bijgevolg geen nut meer had. Deze kruik zou met grote eerbied bewaard zijn door de Vlissingers, om zo een heilig aandenken te hebben aan de heilige Willibrord.

Nog een andere legende weet te vertellen, dat hier Willibrord door boze vissers een zilveren drinkfles werd ontstolen.

Legende 8.4
Toen hij eens na een lange reis in het huis van een vriend onderdak kreeg om even op adem te komen, vernam hij dat die arme vriend net helemaal geen wijn in huis had. Nu gaf hij opdracht aan één van zijn gezellen uit de bagage de vier kruikjes te pakken waar de wijn in zat voor onderweg. Hij zegende de wijn in naam van degene die destijds op de bruiloft te Kana water in wijn had weten te veranderen. Na die zegen dronk het hele gezelschap van het beetje wijn: zowel Willibrord met zijn reisgenoten, als de vriend met al zijn huisgenoten: wel veertig man…! Ze dronken tot zij verzadigd waren en hielden zelfs nog over.

Legende 9
Toch trok Willibrord op een goed moment weer naar Redbad, de koning der Friezen. Dat volk was nog altijd de heidense godsdienst toegedaan, en dat stak Willibrord. Weliswaar ontving Redbad hem met groot eerbetoon, maar hij ging niet in op zijn woord. Daarop reisde de bisschop door naar Denemarken. Daar ontmoette hij de koning der Denen: Hunger. Ook deze was verhard in zijn heidense godsdienst. En hoewel Willibrord hier alweer met talloze eerbewijzen werd ontvangen, kreeg hij geen voet aan de grond. Slechts dertig jonge mannen wist hij voor zijn idealen te winnen; en die nam hij mee op zijn reis terug naar huis.

Zijn missie naar Denemarken en Helgoland liep op een mislukking uit.

Legende 10
Op de terugreis landde hij door een storm op een eiland ergens langs de grens tussen Denemarken en Friesland. Dat eiland heette Fositis, naar de afgod Fotis die er vereerd werd. Deze plaats was zo heilig in de ogen van de bewoners daar, dat niemand met een vinger de beesten durfde aanraken die er graasden, of uit de bron durfde drinken die er opborrelde, tenzij in gebogen houding. In afwachting van beter weer vernam hij van de merkwaardige gewoontes op het eiland; en hoe de koning daar op zijn heidense manier overtreders van de heilige geboden de wreedste doodstraffen aandeed.
Dat liet Willibrord niet op zich zitten. Hij begon daar in die bron drie mensen te dopen in naam van de Heilige Drievuldigheid en gaf bevel alle dieren die daar rondliepen te slachten voor een feestmaaltijd bij deze gelegenheid. De heidenen waren ontzet, en verwachtten dat het hele gezelschap door hun goden zou worden gestraft met hondsdolheid of iets ergers. Maar er gebeurde niets. Toen gingen zij het aan Redbad vertellen. Deze stikte zowat van woede en liet Willibrord voor zich verschijnen. Hij brieste hem toe: ‘Waarom heb je dat gedaan?’ Waarop de heilige man antwoordde: ‘Wat u daar vereert is geen god, maar een duivel die u in zijn strikken gevangen houdt. Weet dat er maar één God is in de hemel en op aarde. Hij heeft alles geschapen. Wie dat gelooft, zal het eeuwige leven verkrijgen. Ik ben een dienaar van die God en kom u in zijn naam waarschuwen, dat u de boze duivel moet wegdoen en voortaan moet geloven in onze Heer Jezus Christus, en dat u zich moet laten dopen. Dan zult u van alle boosheid en zonden gezuiverd zijn, en God in rechtvaardigheid en heiligheid dienen. Dan zult u de eeuwige vreugde en glorie bezitten. Maar doet u dit niet, dan zult u moeten branden in het eeuwige vuur.’ De koning was ontzettend kwaad, maar had toch ook wel bewondering voor de onverschrokken houding van Willibrord. Omdat hij hem toch het liefste uit de weg ruimde, wierp hij – zoals dat gebruikelijk was wanneer op dat eiland iemand de heilige wetten overtreden had – het lot om te zien wie uit het gezelschap de doodstraf diende te ondergaan. Drie keer herhaalde hij de procedure in de hoop dat het lot Willibrord zou treffen, maar het trof één van de gezellen, die dan ook de marteldood onderging.

Intussen zag hij door toedoen van de Friese vorst Redbad, die hij niet tot het Christendom had weten te bekeren, zijn levenswerk vernietigd worden: kerken en kloostertjes werden geplunderd, priesters gedood. Nu trok hij zich terug in de zuidelijke streken van ons land. Pas toen hier Redbad verslagen was door de Frankische vorst Karel Martel († 714), begon hij in de Friese gebieden aan de wederopbouw van het christendom. Hij was toen al op gevorderde leeftijd.

Legende 11
De situatie in het land der Friezen keerde zich pas  ten gunste van het Evangelie toen Karel Martel aan Redbad en de Friezen een beslissende nederlaag toebracht. Nu trok Willibrord met een aantal gezellen het land der Friezen in en verkondigde het Evangelie.

Hier zullen we dus waarschijnlijk de legendes moeten plaatsen die gesitueerd worden in noordelijke plaatsen

Legende 11.1
Op een keer stootten ze op twaalf arme bedelaars die langs de weg zaten om voorbijgangers om een aalmoes te vragen. Willibrord zag hen vriendelijk aan en gaf één van zijn gezellen een wenk dat hij een goede kruik wijn uit de bagage tevoorschijn moest halen. Toen zij alle twaalf voldoende gedronken hadden, en nog een laatste dronk hadden genoten tot heil en zegen van iedereen en nu werkelijk niet meer konden en zo hun weg vervolgden, toen bleek bij het wegbergen van de kruik, dat zij nog altijd even vol zat als tevoren en wel met de beste wijn die je je denken kon.

Legende 11.2
Een andere keer was de heilige bisschop aangekomen in een plaats die Swestra werd genoemd naar het watertje dat er liep. Om de weg af te snijden ging hij dwars door een rijk begroeid korenveld van een aanzienlijk man. De bewaker van het korenveld werd woedend toen hij zag wat Willibrord deed. Tierend en scheldend vervloekte hij de man Gods. Dat wilden diens gezellen niet op zich laten zitten. Maar de heilige weerhield hen met zachte woorden. Dat had echter geen enkel effect op de woedende wachter. Dus keerde Willibrord op zijn schreden terug en verliet het korenveld langs dezelfde weg als waarlangs hij erin was gegaan. Maar de bewaker bleef hen achtervolgen met zijn gescheld en gekanker. Wel drie dagen lang. Toen viel hij plotseling dood neer. Er zijn er velen die zeggen dit zelf te hebben meegemaakt.

Legende 11.3
Op één van zijn tochten door het Friese land liet hij zijn paarden wat uitrusten en grazen op het land van een rijk man. Maar niet had die rijke man het gezien, of de geest van hoogmoed werd in hem wakker. Hij begon dus hardhandig die paarden de wei uit te jagen. De heilige sprak hem vriendelijk toe: ‘Geliefde broeder, doe dat niet. Wij zijn niet gekomen om uw land schade te berokkenen. We hebben alleen maar wat rust nodig. Wij zijn arbeiders in dienst van God. Ook u zult daar profijt van hebben als u ons tenminste wilt helpen. Denk aan wat onze Heer heeft gezegd: “Wie u opneemt neemt mij op, en wie mij opneemt, neemt Hem op die mij gezonden heeft.” Loop liever een eindje met ons mee op. En keer dan in vrede naar uw huis terug.’ Maar de rijke man wilde de vriendelijke woorden niet aannemen. Integendeel, hij bleef verbitterd: ‘U nodigt mij uit om met u op de vrede te drinken? Ik denk er niet aan!’ De heilige man die juist een hap brood had genomen, haalde die uit zijn mond en zei: ‘Als u dan niet drinken wilt, dan zal u geschieden naar uw woord: u zult niet meer drinken.’ Daarop reisde het gezelschap verder.
De rijke man keerde als overwinnaar naar huis terug. Daar liet hij door zijn bedienden iets te drinken brengen, maar hij kon het niet naar binnen krijgen. Ten einde raad liet hij dokters roepen en smeekte hun dat ze hem zouden verlossen van die brandende dorst, van die droogte van binnen. Maar niemand die het kon. Tenslotte kreeg hij spijt omdat hij Willibrord had beledigd. Steeds meer begon hij ernaar te verlangen dat die nog eens langs kwam. Inderdaad kwam de bisschop een jaar later langs diezelfde weg. Nauwelijks had de zieke dit gehoord of hij snelde hem tegemoet, beleed zijn schuld en smeekte om verlossing van zijn verschrikkelijke kwaal. Vol barmhartigheid vergaf Willibrord zijn zonden, en liet hem uit zijn eigen nap drinken.

Legende 11.4
Het schijnt, dat van alle bronnen en putten die door Willibrord op vele plaatsen geslagen zouden zijn, die van Heiloo de meeste kans loopt echt van Willibrord afkomstig te zijn. (Van vele andere is dat historisch gezien uiterst onzeker of gewoon onmogelijk).

Legende 11.5
Te Oegstgeest wordt een ander wonderverhaal bewaard. Toen Sint Willibrord op reeds hoogbejaarde leeftijd dat dorp bezocht, vroegen de gelovigen of hij hun kerkje zou komen inzegenen, zodra het klaar was. De bisschop ging hier graag op in, en stelde een dag vast, waarop zij alles voor de inwijding klaar moesten hebben.
Maar die dag zou pas vele maanden later vallen. En Willibrord was oud en zwak. Zou de bisschop nog wel bij machte zijn te komen tegen die tijd? Maar hij bezwoer hun: ‘Hetzij levend of dood: ik zal er zijn. Reken daar maar op.’ Maar waar de Oegstgeesters al bang voor waren geweest, gebeurde prompt: Willibrord stierf voordat de datum van de kerkwijding was aangebroken. Omdat hij echter zo stellig was geweest in zijn belofte, maakten ze toch alles voor de inwijding klaar. Op de vastgestelde dag, verdwenen de wolken en het was prachtig weer; tegelijk viel er een zachte regen, zodat alles wat door de bisschop met wijwater behoorde te worden gezegend als door een hemelse dauw werd besprenkeld. Ook hoorde men engelengezang aan de hemel. Men vond daarenboven op de vloer van de kerk – als door een onzichtbare hand geschreven – de juiste letters geschreven staan. De muren aan de binnenkant dropen van een olieachtig vocht. Geen twijfel aan, dat Willibrord woord had gehouden en zelf op wonderbare wijze in de wijding van de kerk had voorzien.

De laatste jaren van zijn leven bracht Willibrord vooral door in zijn geliefde klooster te Echternach. Daar stierf hij te Echternach, 80 jaar oud, volkomen uitgeput en opgebrand in de dienst van het evangelie.

Legende 12
Tenslotte stierf hij op hoge leeftijd in het klooster te Echternach. Volgens zeggen was hij tijdens zijn actief leven een krachtige gestalte geweest, flink van lichaamsbouw, deftig van uiterlijk en in zijn manieren, blij van hart, wijs van gemoed, vrolijk in zijn woorden, bedachtzaam van aard, ijverig in zijn dienst aan God en geliefd bij God en alle mensen.
Na zijn dood werd zijn ziel door de engelen naar de eeuwige glorie gedragen waar men zich verheugt in de zalige aanschouwing van Christus.

Legende 13
Tijdens de begrafenis zou er nog iets wonderlijks zijn gebeurd. Onder plechtig vertoon en het zingen van liederen, hymnen en psalmen werd zijn lichaam naar de laatste rustplaats gedragen. Daar zou het in een tombe te rusten worden gelegd, die uit steen was uitgehouwen. Bij de processie verspreidde zich zo’n zoete geur als niemand daarvoor ooit geroken had. Daaruit maakte men op, dat de engelen zelf gekomen waren om de begrafenisplechtigheid op te luisteren. Maar toen men het lichaam in de tombe wilde leggen, ontdekte men dat de tombe wel één voet tekort was. Dat bracht grote consternatie te weeg.
Allen keerden zich in voor een innig gebed. Door de verdienste van de heilige bisschop bevonden zij na hun gebed, dat diezelfde tombe die zoëven nog één voet te kort was geweest, nu één voet langer was geworden dan het lichaam van de heilige bisschop. Vandaar dat tot lang na deze plechtigheid God dank werd gebracht en feest werd gevierd.

Verering & Cultuur
Hij is patroon van het Groothertogdom Luxemburg en van de plaats Echternach. In de Willibrordusbasiliek is zijn even uitgebeeld op een dertien ramen in de linker- en rechter zijbeuk.

Patronaten
Hij is patroon van de Nederlandse kerkprovincie (sinds 1939), van het bisdom Haarlem en het aartsbisdom Utrecht; van de Nederlandse plaatsen Deurne, Oss, Sint-Willebrord en Vlaardingen.
Er zijn (of waren) Willibrorduskerken te Almelo, Alphen (N-B), Ammerzoden, Ammerzoden, Amsterdam, Arnhem, Bakel, Beekbergen, Beilen, Berghem, Bergschenhoek, Berkel-Enschot, Bodegraven, Boskamp, Boven-Leeuwen, Boxtel (kapel), Casteren, Coevorden, Demen†Dieden, Deurne (kapel), Diessen, Domburg, Drempt, Eersel, Esch, Geijsteren, Goënga, Guttecoven (& Nicolaas), Hedel, ‘s Heerenhoek, Heeswijk, Heiloo (& Maria), Helenaveen, Hengelo (Gld), Hengelo (Ov), Herveld, Hilversum, Holwerd, Hooge-Zwaluwe, Hulst, Julianadorp, Klein-Zundert, Kloosterburen, Lemmer, Lierop (kapel), Liessel, Middelbeers, Midsland, Milheeze, Mill, Neerkant, Obbicht, Oegstgeest (sinds 780), Olburgen, Oldemarkt, Oss, Ossenisse, Oud-Vossemeer (Tholen), Oude-Pekela, Ravenstein, Rhoon, Riethoven, Rotterdam, Ruurlo, Sappemeer, St-Willebrord, Steenderen, Stramproy, Swifterband, Ter Apel, Terneuzen, Teteringen, Tilburg, Veenendaal, Vierakker, Vilsteren, Vlaardingen, Vleuten, Vlierden, Vroomshoop, Waalre, Wassenaar, West-Vlieland, Wijhe, Wintelre, Zeelst en Zierikzee.
Onder anderen hebben (of hadden) Delft, Den Haag en Noordwijk een Willibrordusschool. Daarnaast is (of was) er een Willibrordustehuis in Den Haag, Heiloo, Katwijk/Rijn, Middelburg en Wassenaar.
Zijn beeltenis komt voor in de gemeentewapens van Bakel†Milheeze, Berghem, Deurne, Mill†St-Hubertus, Papenhove, Riethoven, Stramproij en Teteringen.
Bovendien is hij patroon van de bakkers (Nijmegen), van bier- en wijnhandelaren, caféhouders en herbergiers (vanwege de bronnen en de vele wijnwonderen); van toneelspelers en dansers (vanwege de springprocessie te Echternach); en van de arbeiders. Daarnaast is hij patroon van de Sint-Willibrordvereniging.
Zijn voorspraak wordt ingeroepen bij epilepsie en aanverwante ziekten.
Hiermee schijnt de beroemde springprocessie samen te hangen, die elk jaar op zijn feest te Echternach door duizenden pelgrims wordt meegemaakt.
In de 13e eeuw werd de omgeving van Trier waar ook Echternach onder valt, door een epidemie van Sint-Vitusdans getroffen. Men begon pelgrimages naar Willibrordus’ graf te organiseren en riep zijn hulp in. De ziekte week. Sindsdien houdt men de herinnering aan dit wonder in ere met de ‘springprocessie’: drie stappen voorwaarts. twee achterwaarts, wiegend op de voorvoet.

Afgebeeld
Hij wordt afgebeeld als bisschop (tabberd, staf en mijter) vaak met een kerkmodel van de Utrechtse (Sint-Maartens)dom bij zich; daarnaast is er ook vaak een wijnvat te zien, waar hij soms zijn staf insteekt (onder invloed van legende 7.1).



woensdag - 07 nov

Sneek 00:00 Leerhuis

Pastorie Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


woensdag - 07 nov

Sneek 09:15 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, kapel, Sneek


donderdag - 08 nov

Hele dag Gedenkdag H. Willehad van Bremen, Bisschop

Willehad van Bremen, Duitsland; bisschop; † 789.

Afbeelding Willehad

Willehad en Karel de Grote stichten bisdom Bremen.
ca 1550, steenreliëf borstwering koorbalkon. Duitsland, Breemen, St-Petridom.

http://www.heiligen.net/afb/11/08/11-08-0789-willehad-bremen_2.jpg

Feest 8 november

We bezitten van hem een levensbeschrijving van de hand van een latere opvolger op de zetel van Bremen, Sint Ansgar († 865; feest 3 februari).

Willehad moet rond 745 geboren zijn in de Britse provincie Northumbrië.  Nadat hij nog in Brittannië de priesterwijding ontvangen had, sprak hij het verlangen uit om aan de overkant van de zee het evangelie te verkondigen. Hoewel Ansgar er niets over zegt, kan het zijn dat hier de spiritualiteit van het vreemdelingschap een rol heeft gespeeld.

Zo arriveerde hij rond 765 in Dokkum, de plek waar ruim honderd jaar eerder de grote Bonifatius met meer dan vijftig gezellen de marteldood had gevonden. Ansgar weet te vertellen dat Willehad er bleef om te preken en ‘een grote menigte heidenen kon dopen die hij door zijn prediking tot Christus had weten te brengen.’

Nu trok Willehad naar het oosten om ook daar aan de mensen duidelijk te maken dat het zinloos was aan goden van stenen en hout offers te brengen, of er zelfs ook maar bang voor te zijn. Maar de ouderen uit die streek waren verontwaardigd over zoveel oneerbiedigheid jegens hun goden. Zij riepen een volksvergadering bijeen, zoals gebruikelijk in de Saksische gebieden, en bepleitten de doodstraf. Anderen voerden aan dat de man welbeschouwd geen enkele misdaad had begaan. Uiteindelijk kwam men overeen dat het lot werd geworpen. Op die manier moesten de goden maar uitmaken of hij de dood verdiende. Zoniet, dan zou men hem vrij zijn hang laten gaan; ja, dan mocht hij overal zijn eigen godsdienst preken. ‘Zo werd door de leiding van Gods voorzienigheid verhinderd dat op hem het doodslot viel,’ aldus Sint Ansgar.

Nu trok hij naar Drente om ook daar de godsdienst van Christus te preken. Zijn medewerkers gingen er zelfs toe over de heidense tempeltjes in de omgeving neer te halen. Ook dat riep natuurlijk verontwaardiging op. Nu vormde zich een bende die het op het leven van Willehad en zijn gezellen had gemunt. Een van de aanvallers kwam met getrokken zwaard op de geloofsverkondiger af. Maar deze had juist een kistje met relieken aan zijn hals hangen. Het zwaard trof de met metaal bewerkte draagband. Het schampte af. De riem was flink beschadigd, maar Willehad zelf bleef ongedeerd. De vijanden waren diep onder de indruk. Die man moest wel bescherming genieten van een sterke godheid. Dit incident droeg uiteindelijk niet weinig bij tot het succes van zijn prediking.
Vanaf 780 was hij te vinden onder de Saksen in de gebieden langs de Weser.
Maar hij was er amper twee jaar, of de Saksische hoofdman Widukind kwam in opstand tegen koning Karel, de latere keizer Karel de Grote († 714; feest 28 januari). De opstandelingen hielden met name huis tegen de nieuwe godsdienst. Pas gestichte kerkjes werden verwoest; gelovigen gedood. Hier horen we dat vijf van Willehads medewerkers het slachtoffer werden. 

Atreban (ook Atrebatan of Attroban) van Bremen, Duitsland; martelaar met Benjamin van Saksen, Emming (ook Emigof Emmig), Folkard (ook Fulcard, Fulkhard of Volkhard), Gerwald (ook Geriwald, Gerwal of Grisold); † 782.
Feest 27 januari & 30 november.
Atreban was een medewerker van de heilige bisschop Willehad van Bremen († 789; feest 8 november). Hij werd met vier gezellen aan de benedenloop van de Weser gedood tijdens een opstand van de Saksen onder leiding van Widukind († ca 807; feest 7 januari) tegen Karel de Grote († 814; feest 28 januari). Sindsdien staan ze te boek als martelaren. Willehad zelf ontkwam.

Deze martelaren zijn van elders niet bekend. Alleen Ansgar vertelt er ons over. Ten gevolge van deze ontwikkelingen moest Willehad zijn werk hier opgeven en trok zich na een pelgrimstocht naar Rome terug in de benedictijnenabdij van Echternach.

Maar drie jaar later nam hoofdman Widukind († 807; feest 7 januari) de godsdienst van de christenen aan en liet zich dopen. Nu kon Willehad naar dat gebied terugkeren. In 787 werd hij te Worms tot eerste bisschop van Bremen gewijd. Twee jaar later al kon hij daar de nieuwe kerk inzegenen. Het gebouw was nog van hout. Amper een eeuw later zou zij vervangen worden door een bouwwerk van steen. In datzelfde jaar stierf Willehad.

Verering & Cultuur
Hij draagt de eretitel van ‘Apostel der Saksen’. Op de zetel van Bremen werd hij opgevolgd door Sint Willerik († 837; feest 4 mei). In 860 droeg zijn latere opvolger Sint Ansgar zijn relieken over naar de nieuwe Sint-Petruskerk. Daar zijn ze tijdens de onlusten van de Reformatie verloren gegaan.
Hij is patroon van stad en bisdom Bremen.
Hij wordt afgebeeld als bisschop (staf, mijter, tabberd) met een kerkmodel.



donderdag - 08 nov

Sneek 08:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


vrijdag - 09 nov

Hele dag Feestdag: Kerkwijding St. Jan van Lateranen

Wijding van de aartsbasiliek van de Allerheiligste Verlosser, Rome, Italië; 324.

Afbeelding St. Jan van Lateranen

Feest 9 november.

De basiliek van de Allerheiligste Verlosser in Rome is beter bekend als de Sint Jan van Lateranen. Volgens een inscriptie op de voorgevel is zij ‘De Moeder en het Hoofd van alle Kerken in de Stad en van de hele Wereld’. Zij gaat terug op een geschenk van keizer Constantijn en zijn familie († 337; feest 21 mei).
In de 2e eeuw vóór Christus behoorde het terrein waar de huidige kerk op staat, toe aan de senatorenfamilie van de Plautii. Een vooraanstaand lid van deze familie, Plautus Lateranus, was in 65 door Nero (54-68) terechtgesteld vanwege diens vermeende aandeel in de samenzwering van Gaius Calpurnius Piso tegen de keizer. Het paleis werd geconfisqueerd en tot keizerlijk domein verklaard. De latere keizer Marcus Aurelius (161-180) werd er geboren. Septimius Severus (193-211) gaf het weer terug aan de nabestaanden van de Plautii.
Toen in de 4e eeuw een verre afstammelinge, Fausta, huwde met keizer Constantijn, behoorde het tot haar bruidschat. Zo kwam het terrein in het bezit van Constantijn. Hij schonk het aan de toenmalige paus Silvester († 335; feest 31 december) met de bedoeling dat er de eerste christelijke basiliek zou verrijzen. Met de bouw ervan werd begonnen in 323; het jaar daarop kon het worden ingewijd. Zij was toegewijd aan Jezus zelf: de Allerheiligste Verlosser. In de 12e eeuw kwamen daar Johannes de Doper en Johannes de Evangelist bij. Sindsdien staat de kerk bekend onder de naam Sint-Jan-van-Lateranen. Tot aan de verbanning van de pausen naar Avignon in 1305 diende zij als moederkerk van de christenen.

De eerste kerk had de vorm van een basiliek.
Het moet een imposant gebouw geweest zijn. Het was in ieder geval zo mooi en rijk versierd dat het de bijnaam kreeg ‘Gouden Basiliek’ (basilica aurea). In de loop der eeuwen is het herhaaldelijk verwoest, geplunderd en weer opgebouwd. Het huidige gebouw gaat terug op 11e en 12e eeuw, met restanten uit vroeger tijden.



vrijdag - 09 nov

Sneek 19:00 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


zondag - 11 nov

Blauwhuis 09:30 - 10:30 Woord- en Communieviering Sint Maarten

Pastorie Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastor Foekema en het Ceacilliakoor.



zondag - 11 nov

Sneek 10:30 - 11:30 TV-uitzending

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

Patroonsfeest Sint Martinus

PAS OP: de viering begint om 10.30u en wordt live uitgezonden via de KRO op NPO2.
Hieraan voorafgaande wordt om 10:15 uur o.l.v. Leo Fijen het Geloofsgesprek uitgezonden.



woensdag - 14 nov

Sneek 14:15 KBO-Sneek e.o.: kienen voor leden

Bonifatiushuis, Sneek

Coördinator is Tineke de Jager. (tel. 0515 423253). De bingomiddagen zijn in het Bonifatiushuis op woensdagmiddag en beginnen om 14:15 uur. 


Powered by Events Manager

Wij willen onze website graag verbeteren

Daarvoor verzoeken wij u ons toe te staan gebruik te maken van cookies. Deze cookies betreffen geanonimiseerde gegevens voor Google-Analytics. Indien u deze cookies afwijst kunt u toch onze gehele website bekijken zonder dat enige data aan een derde partij wordt verzonden.