Skip to content

Evenementenlijst Sint Antoniusparochie

dec 2023

datum/tijd evenement

06 dec - woensdag

Hele dag Feestdag H. Nicolaas van Myra, bisschop & weldoener

Geen,

Nicolaas (ook Nikolaj, Nikolaus) van Myra (ook van Bari, Lipnenskij, van Lipno, Sarajskij of De Wonderdoener), Klein-Azië / Bari, Italië; bisschop; † ca 350.

Afbeelding van H. Nicolaas
ca 1500.  Duitsland, Stuttgart, Württ. Landesmuseum
Nicolaas schenkt goudklompen aan drie jonge vrouwen.

http://www.heiligen.net/afb/12/06/12-06-0350-nicolaas_5.jpg

Feest 6 december.

Geschiedenis
Nicolaas moet geboren zijn rond 280 in de Griekse stad Patras. Volgens de overlevering was hij bisschop van Myra in de eerste helft van de 4e eeuw.

Historisch gesproken is er over hem nagenoeg niets bekend. Des te meer weten de legendes over hem te vertellen.

Kindheidsverhalen
Nicolaas was afkomstig uit de stad Patara in Lycië (Klein-Azië). Zijn ouders waren rijk en vroom. Ze hebben hun kind dan ook met gebeden van God afgesmeekt. Zijn vader heette Epiphanes, zijn moeder Johanna. Toen zijn ouders hem kregen, waren ze in de bloei van hun leven. Maar vanaf dat moment zagen zij verder af van elk lichamelijk contact.Reeds op de dag van zijn geboorte ging de kleine Nicolaas – toen hij in bad werd gedaan – uit eigen beweging rechtop in het badje staan. Als baby dronk hij elke dag op de vaste tijden de moedermelk. Maar niet op woensdag en vrijdag. Dan dronk hij alleen ’s avonds. Deze gewoonte om te vasten heeft hij zijn hele verdere leven volgehouden. Zie ook de afbeeldingen 1, 23 en 24.

In zijn jeugd deed hij niet mee aan de nutteloze spelletjes van zijn vriendjes. In plaats daarvan ging hij vaak naar de kerk. Hij probeerde alle stukken uit de Heilige Schrift die hij er hoorde, te onthouden.

Nicolaas-Legende: Drie Meisjes
Bij de dood van zijn ouders werd hij schatrijk. Nu zocht hij een manier om zijn rijkdommen goed te besteden. Niet om bij de mensen gezien te worden, maar om God te eren. Eén van zijn buren, die van goede huize kwam, was straatarm geworden. Hij zag nog maar één mogelijkheid om zichzelf en zijn drie dochters in leven te houden: namelijk zijn dochters als prostitué te laten werken. Toen Nicolaas dat vernam, was hij vol afschuw over zo’n wandaad. Hij wikkelde een klomp goud in een doek en gooide die ’s nachts door het raam bij die buurman naar binnen.

Vervolgens nam hij ijlings de benen. Niemand had hem gezien. Toen de man de volgende morgen opstond, vond hij de klomp goud. Hij dankte God en begin onmiddellijk alles in orde te maken voor het huwelijk van zijn oudste dochter.

Enige tijd later schonk onze dienaar Gods op diezelfde manier weer een klomp goud. Toen de buurman die vond, jubelde hij het uit. Nu nam hij zich voor verder wakker te blijven. Zo wilde hij erachter komen wie hem op deze manier uit de armoede hielp. Welnu, een paar dagen later zeilde er weer een klomp naar binnen. Deze was wel twee keer zo groot als de vorige en maakte dus nog al wat leven, toen hij op de grond terecht kwam. Dat hoorde die buurman. Hij zette prompt de achtervolging in. Maar Nicolaas was er vliegensvlug vandoor gegaan. De buurman smeekte de wegrennende gestalte vóór hem te blijven staan. Hij wou zo graag zijn gezicht even zien. Hij liep zo hard dat hij uiteindelijk de jongeman toch inhaalde… en herkende. Hij wierp zich voor hem neer en maakte zelfs aanstalten om zijn voeten te gaan kussen. Maar Nicolaas weerde zijn dankbetuigingen af. Hij eiste alleen maar dat hij tot aan zijn dood het geheim zou bewaren van de vriendendienst die hij hem bewezen had.

Nicolaas stilt storm
Hij heeft zich later geheel aan God gegeven. Zo reisde hij naar Palestina om de heilige plaatsen te bezoeken. En vereerde ze. Tijdens die bedevaartstocht vertrok hij per schip bij heldere hemel en kalme zee. Maar hij voorspelde de zeelui, dat er noodweer zou komen. En het kwam. Al heel gauw. Allen zagen zich plotseling in levensgevaar. Maar hij begon te bidden. En het hield wonderwel op.

Nicolaas wordt bisschop
Op de terugweg naar huis werden deze bewijzen van zijn bijzondere heiligheid overal bekend. Hij kwam nu – en dat was een ingeving van God – in Myra aan, de hoofdstad van Lycië (in het zuidwesten van het huidige Turkije): juist in de tijd, dat de bisschop van die stad gestorven was, en de bisschoppen uit de omgeving bijeen waren om te overleggen, wie hier opvolger moest worden. Er zat een bisschop tussen die veel gezag had. Als die iets van mening was, meenden zijn collega’s dat ook. Deze bisschop had alle anderen opgedragen om te vasten en te bidden. ’s Nachts echter hoorde hij een stem, die hem zei, dat hij de volgende ochtend bij de kerk moest gaan staan, en de eerste de beste tot bisschop moest wijden, die Nicolaas bleek te heten. Meteen bracht hij deze opdracht aan de andere bisschoppen over. Zo begaf hij zich naar de kerk en vatten er post bij de deur.

Het wonder wilde, dat Nicolaas – door God gezonden – al voor dag en dauw naar de kerk ging. Toen hij naar binnen stapte, kwam de bisschop op hem af, want die dacht: “Ik zal eens even vragen naar zijn naam.” Argeloos als een duif boog hij het hoofd en zei: “Nicolaas, dienaar van Uwe heiligheid.” Toen hebben ze hem daar bij de deur vastgegrepen en met algemene stemmen meteen maar als bisschop geïnstalleerd. Ze bekleedden hem met schitterende sieraden en troonden hem op de bisschopszetel.

Ondanks alle eerbetuigingen bewaarde hij altijd zijn oude nederigheid en zijn serieuze levenswandel. Hij bracht de nacht steeds in gebed door. Hij geselde zijn lichaam en je zag hem nooit in gezelschap van vrouwen. Hij ontving je eenvoudig, stond je doeltreffend te woord, gaf je ijverige goede raad en strenge berispingen.
Er is een kroniek die zegt, dat Sint Nicolaas ook deelnam aan het beroemde Concilie van Nicea, in 325.

Nicolaas-legende: Spiridon van Kos
‘Waarom 6 december op het eiland Kos niet als feest van Sint Nicolaas wordt gevierd, maar beschouwd wordt als een gewone doordeweekse dag’

Omstreeks het jaar 320 zal het geweest zijn, dat er op het eiland Kos – één van de Griekse eilandjes voor de Turkse kust (maar dat gebied behoorde toen allemaal tot het Romeinse Rijk) – dat er op dat eiland Kos dus een goede bisschop leefde, Spiridon. Hij as een heel hartelijke man, maar niet zo intelligent als je eigenlijk van een bisschop wel zou mogen verwachten. Hij sprak ook niet welsprekend Grieks zoals bijvoorbeeld andere collega-bisschoppen. Spiridon was dan ook maar een eenvoudige schaapherder geweest. Gestudeerd had hij niet. Hoe was hij dan bisschop geworden? Toen het bericht kwam, dat op het eiland Kos een bisschop gekozen moest worden, waren alle herders bij elkaar gaan zitten, en spraken af, dat de aardigste van hen er de aangewezen man voor zou zijn. Er werd gestemd, en Spiridon was gekozen. Een groot cadeau hadden die eenvoudige herders aan hun nieuwe bisschop niet kunnen geven. Op het vasteland had één van hen op de markt een gitzwarte ezel gekocht, een zeldzame kleur voor zo’n beest. Zijn secretaris reed op een gewone grijze ezel. Die secretaris had hij eigenlijk niet nodig. Hij kwam alleen goed van pas als gezelschap.

Tegenover Kos lag indertijd op het vasteland een vrij onbetekenend plaatsje, Myra. Maar de inwoners van die stad streefden ernaar om steeds groter en belangrijker te worden. Myra moest een stad worden op het voorste plan van de landelijke politiek. Een stad waar je rekening mee hield. Toen ze een bisschop hadden moeten kiezen, hadden ze dan ook een man genomen waarmee je voor de dag kon komen: Nicolaas. Híj had wel gestudeerd, en was bijzonder scherpzinnig. Zijn Grieks was elegant en verzorgd. Allemaal dingen dus die je ook van een béétje bisschop indertijd mocht verwachten. De hele bevolking had destijds bijgedragen aan het bijzonder zeldzame cadeau voor de bisschop: een volkomen wit paard. In tegenstelling tot Spiridon had de bisschop niet één, maar twee secretarissen; de bevolking zamelde goud in om voor beiden een kostbare volbloed Arabische hengst te kunnen aanschaffen. Dat toonde! Nicolaas keek natuurlijk met minachting neer op zijn collega van Kos, of – zoals hij hem noemde – ‘die boer van de overkant’.

Nu gebeurde het, dat er destijds in de kerk een geweldige strijd aan de gang was. Toen ook al. De geloofsgemeenschap was ernstig verdeeld over de vraag hoe je nu precies over de persoon van Jezus Christus moest spreken. Moest je van Hem zeggen, dat Hij God was? Hoe zat dat dan, want Hij was immers een mens geweest? Of moest je zeggen dat Hij mens was geweest? Maar wat bedoelden dan de heilige bijbelboeken die steeds maar zeiden dat Hij Gods Zoon was, ja God zelf? Om de waarheid te vinden riep de keizer van het Romeinse Rijk, keizer Constantijn, alle leiders van de kerk in vergadering bijeen. (De keizer sprak niet gewoon van een vergadering, hij zei deftig ‘concilie’; en hij keek daar zeer ernstig bij). Alle bisschoppen werden uitgenodigd om zich te verzamelen in het plaatsje Nicea. Iedere bisschop zou daar zijn zegje mogen doen over de persoon van Christus. Daar zou ook uiteindelijk bepaald worden wat de waarheid was.

Met name voor Spiridon beloofde het een lange reis te worden. Niet alleen moest hij eerst overvaren naar het vasteland, waarna de tocht naar Nicea per ezel minstens veertien dagreizen in beslag zou nemen. Daar kwam nog bij, dat hij nog nooit zo’n lange reis had ondernomen; sterker nog, hij was nog nooit van zijn eiland af geweest. Hij en zijn secretaris besloten dan ook ruim op tijd te vertrekken. Ze verheugden zich vooral op de reis. Ze zouden nieuwe werelden ontdekken; mensen tegenkomen, aan wie ze misschien over Jezus zouden kunnen vertellen, zodat ook zij in Hem zouden gaan geloven en dus gelukkiger zouden worden. Of misschien kenden ze Jezus al, dan zouden ze samen daarvan kunnen genieten.

Terwijl Spiridon in alle rust aan de lange reis begon, zat Nicolaas nog aan zijn bisschoppelijk bureau. Hij had nog veel dingen te doen. Er moesten stukken ondertekend worden, bouwplannen voor nieuwe kerkjes in de omgeving beoordeeld, gewijzigd en goedgekeurd worden; straks zouden weer de armen voor de deur staan voor hun dagelijkse portie voedsel; hij moest zijn gebeden nog doen, waarmee hij toch al achter was; ach er was teveel om op te noemen. Toen hij na een drukke dag met zijn beide secretarissen bij het vuur nog een kroes wijn dronk voor het slapen gaan, mijmerde hij wat voor zich uit over het concilie (net als de keizer sprak Nicolaas natuurlijk niet gewoon over bisschoppenvergadering). Hoe het daar toe zou gaan. Welke bisschoppen er allemaal waren, en hij liet alle beroemde mannen van die dagen aan zijn geestesoog voorbijgaan: die zou hij straks allemaal een hand geven, met ‘je’ en ‘jij’ kunnen aanspreken…

Maar plotseling betrok zijn gezicht: “En dan te bedenken, dat die boer van de overkant daar ook naar toe gaat. Stel je voor: een lompe schaapherder die nauwelijks lezen heeft geleerd. En die zou dan iets moeten zeggen over Jezus, waar zelfs de knapste geleerden, die hun leven lang in de boeken hebben getuurd, het nog niet over eens zijn. Wat een toestanden toch in onze kerk, dat zo’n domme man evenveel recht van spreken heeft als de knapste kop… Je zou toch een manier moeten bedenken om hem tegen te houden!” De secretarissen zwegen; ze waren het met hun bisschop eens. Er moest nog veel verbeterd worden in de Kerk van Jezus. Maar daar zou dat concilie mooi toe kunnen bijdragen.

Intussen vorderde Spiridon gestaag op zijn weg naar het verre Nicea. Hij maakte geen haast; had alle tijd om met de mensen te praten. Die vonden het een vriendelijke man. Ze waren zelfs een beetje jaloers op de schaapherders van Kos, dat zij zo’n aardige bisschop hadden. Déze vroeg naar je kinderen, hoe het land erbij lag, hoe de laatste oogst was geweest en hoe de verwachtingen waren voor de komende; hij schoof bij aan de eenvoudigste tafels, nam genoegen met het armzaligste onderdak als in de middag de zon op zijn heetst was en een enkele keer zelfs had de bisschop even moeten meehelpen om een losgebroken bok te vangen waarbij ook de secretaris van de bisschop zich niet onbetuigd had gelaten. Intussen trok zijn zwarte ezeltje veel bekijks; en telkens weer vertelde hij met dankbare stem dat het een cadeau was geweest van zijn mensen. Zo naderde Spiridon geleidelijk aan Nicea.

Nicolaas had tot op het laatste moment gewacht met zijn vertrek. Eigenlijk kon hij niet gemist worden, maar dat concilie was tenslotte toch belangrijker. Dus vooruit dan maar. In grote haast joeg hij achter zijn secretarissen aan, dat ze voort moesten maken met het pakken van zijn reistassen en het reisvaardig maken van de paarden. Met grote snelheid legden ze elke dag zo’n groot mogelijk traject af om nog juist op tijd in Nicea te zijn. Tijd om te stoppen was er niet. Hoogstens voor een plas. Ook onderweg kon Nicolaas zijn verontwaardiging niet de baas, dat ze nu straks die boer van de overkant zouden tegenkomen, en dat het godgeklaagd was, en dat er toch een middel moest zijn om die man duidelijk te maken dat zijn plaats niet was temidden van bestudeerde mensen, maar tussen de naar stront stinkende beesten.

Nu stond er op één dagreis afstand van Nicea een herberg. Spiridon was daar in alle rust lang voor de middag gearriveerd. Terwijl zijn secretaris de dieren verzorgde, had de bisschop een gesprekje aangeknoopt met de herbergier. Ze hadden er de tijd voor genomen. Spiridon had gevraagd of hij en zijn secretaris mee mochten eten temidden van het gezin. Dat was een hele eer. De bisschop had met de kinderen gespeeld en had vervolgens zijn middagdutje gedaan.

De avond was al gevallen. De herbergier moest zijn aandacht aan de gasten geven. Spiridon zat met zijn secretaris nog even bij het vuur, toen de deur breed openzwaaide en Nicolaas met wapperende tabberd binnen stormde: of er voor hem en zijn beide secretarissen een bed in orde kon worden gemaakt, of de paarden verzorgd konden worden in de stal, of er maar even een maaltijd kon worden opgediend; vlug vlug graag, want ik ben Nicolaas, bisschop van Myra. De waard knipte en boog en snelde van hot naar her om aan al die wensen te voldoen. Nicolaas nam met zijn secretarissen plaats aan een tafeltje en toen pas viel zijn blik op zijn collega en diens secretaris daar bij het vuur. Spiridon knikte vriendelijk. Maar de glimlach van Nicolaas kwam niet verder dan een bittere grimas, en tussen zijn tanden door siste hij naar zijn beide helpers: “Daar zit-ie, die boer – en weer boog hij hoffelijk in diens richting met opeengeklemde lippen; “nou zien jullie het zelf! En zo’n man zou de waarheid over de persoon van Jezus Christus aan het licht moeten brengen. Wat een schande. Wat een verspilde tijd om naar zulke lieden te moeten luisteren! En wat een kostbare geldverspilling. Zou er nu werkelijk geen mogelijkheid zijn zo iemand het zwijgen op te leggen?” Op dat moment mompelde zijn linker secretaris met onderdrukte stem: “Ik geloof, monseigneur, dat mij juist een heel probaat middel te binnen schiet om dat gedaan te krijgen” en daarbij streek hij lichtjes, maar veelbetekenend, met zijn duim over het lemmet van het mes waarmee hij juist een homp brood had afgesneden. “Hoe bedoel je?” vroeg Nicolaas. “Nou precies wat u zegt – zei de secretaris aldoor nog strijkend – een middel om hem het zwijgen op te leggen…” Nicolaas’ ogen volgden de bewegingen van de duim en keek geschrokken op; bijna luid zei hij: “Bejje helemaal idioot. Ik weet niet precies waaraan je denkt. Maar vergeet niet dat we in Gods Kerk zitten, en daar doe je dit soort dingen niet!” Een priemende wijsvinger wees naar duim en mes. Zoetsappig onderdanig en quasi verontwaardigd zei nu de secretaris: “Maar monseigneur, waar ziet u me nou voor aan? Oké, dan zullen we er verder niet meer over praten.” Zwijgend trokken ze een tijdje vlees van een geslacht half lam.

Intussen was Spiridon opgestaan; hij ging naar bed. Dan was hij goed uitgerust voor de dag van morgen. Vriendelijk zei hij iedereen goede nacht. Ook Nicolaas. Deze gromde wat vanuit zijn mond met vlees gevuld. Er viel weer een stilte aan het tafeltje. Toen vroeg Nicolaas aan de man aan zijn linkerhand: “Hoe zit dat dan: dat plan van jou om hem het zwijgen op te leggen?” “Nou kijk, monseigneur, en nu keek de man met onschuldige ogen naar de zoldering (die bestond uit balken en stro) ik denk dat het beter voor u is, wanneer u dat niet weet.” “Hoe bedoel je? Je hebt dus toch iets kwaads tegen hem in de zin…” “Integendeel, monseigneur, integendeel. Ik beloof u – weer die ogen naar boven – er zal hem geen haar worden gekrenkt…” “Maar wat denk je dan te doen, als je hem het spreken wilt beletten?” “Laat u dat nu maar ons over. U kunt alvast in alle rust gaan slapen.” “Maar je belooft dat er niets zal gebeuren wat God verboden heeft?” “Wat dacht u dan, monseigneur; we zijn bedienaren van Gods kerk dat heeft u zelf heel juist opgemerkt: dacht u dat wij dat vergeten waren? Hoe komt u erbij. Maar ja, als u ons niet vertrouwt…!” “Nou, als er inderdaad niets gebeurt wat verkeerd is… vooruit dan maar!”

Op dat moment kregen de beide secretarissen ineens enorme haast. “Dan wordt het tijd om naar bed te gaan, monseigneur. We willen morgen vroeg vertrekken, want met onze snelheid kunnen we dan voor de middaghitte in Nicea zijn. Welterusten dus. U wordt morgen door ons gewekt.” Nicolaas werd bijna de gelagkamer uitgedúwd door zijn helpers; hij had nauwelijks nog de gelegenheid ieder in de ruimte iets toe te grommen bij wijze van goede nacht. Ook de secretarissen gingen naar bed. En tenslotte verkeerde de hele herberg in diepe rust.

Zo komt het dat niemand zag hoe midden in de nacht een donkere schaduw door de gangen van de slaapafdeling van de herberg sloop, de trap afdaalde, zich naar buiten begaf en in het donker verdween. En nog minder heeft iemand gezien, hoe een schaduw na enige tijd de herberg binnensloop, de trap opging en verdween achter een deur van één der slaapvertrekken.

De volgende morgen werd Nicolaas heel vroeg gewekt. Alles was al in gereedheid gebracht toen hij beneden kwam. Even een hap en een snap bij wijze van ontbijt, en daar gingen de drie mannen, de middelste op zijn witte paard, de buitenste twee op hun volbloed Arabische hengsten. Toen Spiridon opstond, kon hij nog juist zien hoe Nicolaas met zijn twee secondanten over de glooiingen van de heuvels achter de horizon verdween.

Spiridon maakte geen haast. Hij sprak met zijn helper af dat deze de dieren in de stal in gereedheid zou brengen, terwijl hij zou afrekenen en het ontbijt zou bestellen. Aan zijn tafeltje gezeten wou hij juist met zijn mes het ei aftoppen, toen zijn secretaris tierend en scheldend binnenkwam: “Die schurk, die hufter, dat ellendig stuk kouwe kak van de overkant – werkelijk ziedend was hij – dat stuk ongeluk, dat…” “Hé hé hé, over wie gaat dit allemaal, over wie heb je het?” wees de bisschop hem terecht. “Over wie? Over wie? Over dat mooie heerschap dat zich – god betere het – bisschop noemt; dat te trots is om ons aan te kijken, dat… dat… dat een onwaardig stuk vreten is, een schoft, een vreselijke… “Ja zo is het wel genoeg!!” donderde Spiridon met zijn vuist op tafel. En weer met rustige stem: “Vertel me nu eindelijk eens wat er aan de hand is.” Maar de secretaris zeeg neer op een stoel en wist niet anders meer te fluisteren met verstikte stem: “Gaat u dan zélf kijken: in de stal.”

Dat deed Spiridon. Onmiddellijk veerde zijn helper op en draafde achter hem aan. En inderdaad, de aanblik van wat daar te zien viel was verschrikkelijk. Echt afschuwelijk. Daar lagen de beide rijdieren naast elkaar in het hooi, met afgesneden koppen en poten. Overal bloed. Dit was zelfs voor Spiridon te veel. Hij pinkte iets weg uit een ooghoek. Niet eens vanwege die rijdieren. Eigenlijk omdat een bisschop, die toch de eerste was om het voorbeeld van Jezus’ naastenliefde te volgen, zich zo verlaagde. Intussen rende zijn helper om hem heen: “Nou ziet u het zelf. Ziet u wel?” Hij bleef maar draven en rennen door die stal. Plotseling stond hij stil tegenover de bisschop en riep: “Een wonder. Nu moet u een wonder doen!” “Ja ja zuchtte Spiridon, alweer een wonder! Je denkt toch zeker niet dat ik een poosje aan de gang kan blijven?” “Maar dit vráágt toch om een wonder. Stel u voor: dan zou u straks niet over de lieve Jezus kunnen vertellen, zoals u dat bij ons altijd zo fijn doet…” Je zag Spiridon aarzelen, en tenslotte knikte hij: “Goed. Je hebt gelijk. Haal mijn tabberd, mijn mijter, mijn staf en mijn ring.” In een oogwenk was de secretaris terug. Vervolgens moest er nog het een en ander aan de beesten worden gefatsoeneerd; anders zouden ze straks ten leven gewekt worden met scheve poten en neergeknakte koppen, en dat was oneerbiedig tegenover God die alles mooi geschapen had. De bisschop had zich in vol ornaat gehesen: mijter op het hoofd, de staf in de linkerhand op de grond gesteund. Toen hief hij zijn rechterhand met twee vingers omhooggestoken ten teken van de zegen…; op dat moment aarzelde hij en zei: “Nee; ik vind dit eigenlijk zo verschrikkelijk, dat nu ook maar bekend moet worden wat hier is gebeurd. Weet je wat je doet: leg de kop van zwarte ezel tegen de grijze romp en andersom.”

Toen dat gebeurd was, maakte de bisschop een plechtig kruisteken over de beide ezels. Waarop deze moeizaam opstonden alsof ze zojuist uit hun slaap waren gewekt, keken even bevreemd naar elkaar, zagen toen hun meesters staan en begonnen verheugd te balken. Dit gebeuren ging natuurlijk als een lopend vuurtje door de herberg en vandaar door het nabijgelegen dorpje. Ieder juichte en riep dat Spiridon een wonder had gedaan, en dat hij dus Jezus Christus aan zijn kant had. Het verhaal bereikte zelfs eerder Nicea dan zijzelf. Overal stonden mensen langs de weg. Ze herkenden aan de ezels onmiddellijk dat zij het waren; ze applaudisseerden; de kinderen renden een stuk met de ezeltjes mee; de bisschop moest ze allemaal de handen opleggen. En de mensen herinnerden zich dat er van Jezus net zo werd verteld! Ook heel Nicea was op de been. Ieder wou de wonderbisschop graag zien en aanraken; zelfs de collega-bisschoppen uit verre streken die Spiridon helemaal niet kende. Hij werd met hoogachting behandeld, kreeg de mooiste hotelkamer en bovendien een ereplaatsje op het concilie, vlak in de buurt van de keizer. Nicolaas zat wat meer naar achter.

Toen tijdens één van de vergaderdagen Spiridon de bisschoppen had toegesproken, had Nicolaas knarsetandend geluisterd. Het enthousiaste applaus van de vergaderde bisschoppen ergerde hem. Na zíjn toespraak had het applaus eerder beleefd, nee beschaafd geklonken! Toen Spiridon ging zitten, kon Nicolaas zich niet langer bedwingen, boog zich ver voorover en gaf zijn collega van de overkant een klap op de rechter wang die luid door de zaal weerklonk…

Welnu, deze en nog vele andere gebeurtenissen herinneren de mensen van Kos zich nog tot op de dag van vandaag. Vandaar, dat ze 6 december niet vieren als het feest van Nicolaas, maar beschouwen als een gewone doordeweekse dag.

Nicolaas-legende: Koren
Eens werd de hele provincie waar het bisdom van Sint Nicolaas onder hoorde, door een geweldige hongersnood geteisterd. Niemand had ook nog maar iets te eten.
Nu verneemt onze man Gods dat er schepen in de haven liggen, boordevol graan. Hij gaat er meteen heen en vraagt de sjouwersknechten de uitgehongerde bevolking te hulp te komen. Al lieten ze maar per schip zo’n honderd baal graan op de kade staan.
Maar zij zeiden: “Vader, dat durven we niet. Want toen we uitvoeren uit Alexandrië, is onze lading precies afgewogen en die moeten we in dezelfde hoeveelheid afleveren bij de graanschuren van de staat.”
De heilige man antwoordde hun: “Doe toch maar wat ik je zeg. En ik beloof je in naam van God zelf dat de douanebeambten van de staat geen greintje minder zullen aantreffen in de lading.” Toen deden die mannen het dus maar.
Op de plaats van bestemming aangekomen, leverden zij alle graan af in de graanschuren en het was inderdaad precies de hoeveelheid die in Alexandrië was afgewogen. Ze realiseerden zich dat dit een wonder was, begonnen het overal rond te bazuinen en verheerlijkten God in de persoon van zijn dienaar.
Het graan dat ze bij hem hadden achtergelaten, was intussen door Nicolaas uitgedeeld. Ieder kreeg naar behoefte; het wonder was van dien aard dat de hoeveelheid voldoende was om de hele landstreek voor twee jaar te voeden. En dat niet alleen. Het leverde zelf ook weer rijke oogsten op.

Nicolaas redt zeelui
Op een dag bevonden zich zeelui op zee in groot gevaar. Onder tranen baden ze zo: “Nicolaas, dienaar van God, als het waar is wat ze van u zeggen, laat ons daar dan nu eens iets van zien.”
Onmiddellijk verscheen hun iemand die eruit zag als een heilige. Die zei tot hen: “Jullie hebben me geroepen. Nou, hier ben ik.”
Hij ging meteen aan de slag en hielp met de zeilen, de tuigage en met alles wat er op zo’n schip komt kijken. Op slag was het noodweer voorbij.
Aldus gered begaven die zeelui zich naar de kerk, waar Nicolaas thuishoorde. Ze herkenden hem onmiddellijk, hoewel ze hem nog nooit hadden gezien.
Maar hij zei hun, dat ze God maar moesten bedanken. Het was immers geen verdienste van hem, maar van Gods barmhartigheid en niet te vergeten van hun eigen geloof.

Nicolaas verdrijft duivels en boze geesten
In vroeger tijden had men in deze streken afgoden aanbeden. Zelfs tot in de dagen van Nicolaas deden de boeren nog aan heidense gewoonten en rituelen, die ze van oudsher hadden bewaard. Die deden ze onder een boom, toegewijd aan Diana. Om een eind te maken aan deze afgoderij liet de heilige die boom omhakken. De duivel was woedend. Hij mengde een olie van tegennatuurlijk karakter. Ze bezat namelijk de eigenschap, dat ze in water of op kale steen vanzelf vlam vatte. Toen nam hij de gedaante aan van een kloosterzuster, ging scheep en voer langszij een schip met bedevaartgangers, die naar Sint Nicolaas koersten. Hij zei hun: “Ik vind het jammer, dat ik niet met jullie mee kan naar die heilige man. Maar zouden jullie dan wel zo vriendelijk willen zijn – als aandenken van mij – de muren van zijn kerk en zijn huis met deze olie te overgieten.”
Dat schip was nog niet weg, of de bedevaartgangers zeiden tegen elkaar: “Zie ginds komt een andere boot alweer op ons aan.”
Daar zat Sint Nicolaas op. Die zei hun: “Wat heeft die vrouw jullie gezegd? Wat heeft die vrouw jullie gegeven?”
De bedevaartgangers vertelden wat er gebeurd was. Hij zei: “Die vrouw is niet een kloosterzuster, maar de schaamteloze Diana zelf. Wil je een bewijs? Dan moet je die olie van haar maar eens in zee gooien.”
Ze gooiden ze in zee, en op het moment dat de olie in aanraking kwam met de golven, vatte ze onmiddellijk vlam. Dat was een duidelijk bewijs van het tegennatuurlijk karakter ervan.
Ook die tweede boot verdween weer.
Maar toen die bedevaartgangers de kerk van Nicolaas binnenkwamen, herkenden ze in hem de man van de boot.

Nicolaas redt drie ter dood veroordeelden en drie gevangenen.
Een of ander land was in opstand gekomen tegen het Romeinse Rijk. De keizer zond er drie hoogwaardigheidsbekleders naartoe: Nepotianus, Ursus en Apilion. Deze werden onderweg erg opgehouden door tegenwind. Ze zochten de luwte in een van de havens die binnen het bisdom van Nicolaas gelegen was. De heilige nodigde ze uit om met hem ergens te gaan eten. Hij wilde zijn volk namelijk sparen voor die houwdegens.
Tijdens de afwezigheid van de heilige had de consul zich laten omkopen voor een flinke som geld. En nu had hij drie onschuldige soldaten ter dood laten veroordeeld.
Meteen toen de heilige hiervan hoorde, vroeg hij zijn gasten of zij hem wilden vergezellen. Zo kwam hij met hen aangesneld op de plaats waar de terechtstelling stond te gebeuren. Hij trof er drie soldaten al geblinddoekt en op hun knieën aan. Reeds hield de beul het zwaard geheven boven hun hoofd. Nicolaas stortte zich in allerijl en onvervaard op de beul, wrong hem het zwaard uit de handen, maakte de drie onschuldigen los en nam ze gezond en wel met zich mee. Toen stoof hij naar het pretorium van de consul en brak er de deur open, want die zat dicht. De consul verscheen en begon hem overijverig te verwelkomen. Maar de heilige duwde hem van zich af met de woorden: “Weet wat jij bent? Je bent…, je bent een vijand van God. Een verkrachter van de wet: dat ben je! Hoe durf je ons nog onder ogen te komen, terwijl je zo’n afschuwelijke misdaad op je geweten hebt.” Hij bedolf hem onder verwijten. Maar de hoogwaardigheidsbekleders deden een goed woordje voor hem. En toen hij eenmaal berouw toonde, ging hij ermee akkoord hem vergiffenis te schenken. Daarna moesten de keizerlijke gezanten weer verder. Ze ontvingen zijn zegen, vervolgden hun weg en onderwierpen de opstandelingen zonder bloedvergieten. Zo kwamen ze tenslotte weer terug bij de keizer, die hun een fantastische ontvangst bereidde.

Een paar mannen aan het hof waren jaloers op de al gunsten die de drie generaals ten deel vielen. Zij kochten de keizerlijke prefect om. Toen deze het geld eenmaal had, beschuldigde hij de drie hoogwaardigheidsbekleders voor het oog van zijn heer van majesteitsschennis. De keizer ontstak natuurlijk in woede. Hij liet ze in de gevangenis werpen en gaf bevel ze nog diezelfde nacht zonder enige vorm van proces nog diezelfde nacht ter dood te brengen. Hun bewaker bracht hen op de hoogte van het lot dat hun wachtte. Toen scheurden die drie hoogwaardigheidsbekleders hun mantel, en klaagden bitter.
Maar bij een van hen, Nepotianus, kwam plotseling de gelukzalige Nicolaas in gedachten, en hoe deze destijds drie onschuldige mannen op het nippertje van de dood had gered. Daar waren ze nota bene zelf bij geweest. Hij spoorde zijn collega’s aan de hulp van Sint Nicolaas in te roepen.
En ja hoor, op hun gebed verscheen de heilige Nicolaas diezelfde nacht nog aan keizer Constantijn zelf. Hij zei: “Waarom heb jij die hoogwaardigheidsbekleders ten onrechte in hechtenis genomen? Onmiddellijk je bed uit. En laat ze vrij! En gauw! Anders zal ik God bidden, dat Hij voor een oorlog tegen je zorgt, die je dan verliest; dan zul je aan de wilde beesten te vreten worden gegeven.”
En de keizer antwoordde: “Ik zou wel eens willen weten wie jij bent. Dat komt me zomaar midden in de nacht mijn paleis binnen en durft zo’n toon tegen me aan te slaan.”
Waarop Nicolaas reageerde: “Ik ben Nicolaas, bisschop van de stad Myra.”
En op dezelfde manier verscheen de heilige ook aan de prefect. Hem joeg hij de schrik op het lijf door te zeggen: “Bij jíj gek, dat je je toestemming hebt gegeven om drie onschuldige mannen ter dood te brengen? Aan het werk. Je zorgt maar dat ze loskomen. Anders zal je lijk – nog warm en wel – worden opgevreten en je huis met de grond gelijk worden gemaakt!”
En de prefect: “Wie denk jij wel dat je bent, dat je me zulke dreigementen naar het hoofd durft te slingeren?”
“Als je het weten wilt: ik ben Nicolaas, bisschop van de stad Myra.”
De keizer en de prefect waren nu klaarwakker. Ze gaven elk gehoor aan hun droom en renden wat ze rennen konden om de drie gevangen de tijding te brengen.
“Zijn jullie tovenaars” vroeg de keizer, “dat je ons met dergelijke visioenen de stuipen op het lijf jaagt?”
Ze antwoordden dat ze geen tovenaars waren. En ook onschuldig aan het misdrijf waarvan ze werden beschuldigd.
Toen zei de keizer: “Kennen jullie iemand die Nicolaas heet?”
Bij het horen van die naam hieven ze hun handen ten hemel. Ze baden God, dat ze door de verdiensten van Sint Nicolaas gered mochten worden uit het gevaar waar ze nu midden in zaten. De keizer werd vervolgens op de hoogte gesteld van leven en wonderen van de heilige. Daarop sprak hij: Dan mag je God wel gaan bedanken: Hij heeft jullie bij deze gered op het gebed van die Nicolaas. Ga Nicolaas mijn gedrag uitleggen en neem van mij een aantal geschenken voor hem mee. En vraag hem, dat hij mij niet meer bedriegt, maar dat hij God bidt voor mij en mijn Rijk.”
Een paar dagen later gingen de hoogwaardigheidsbekleders op weg naar de dienaar van God. Ze vertelden hem tot in de kleinste bijzonderheden wat er allemaal gebeurd was. Hij hief zijn handen ten hemel, loofde God en zond de drie hoogwaardigheidsbekleders naar huis terug. Maar niet, nadat hij ze eerst nog even de waarheden van het geloof terdege had bijgebracht.

Nicolaas-legende: Nicolaas en Cassianus
Toen Sint Nicolaas was overleden, voer zijn ziel naar de hemel op; in zo’n smetteloos wit gewaad waarmee je in de oosterse kerken heiligen ziet afgebeeld. Onderweg op zijn vlucht omhoog voegde zich de ziel van een martelaar bij hem, te oordelen naar de dieprode kleur van het gewaad waarin hij gekleed was. Natuurlijk raakten ze aan de praat: “Ik ben Nicolaas van Myra, ik was een bisschop en heb veel voor kinderen en armen gedaan.”
“Aangenaam
, sprak de ander, ik ben Cassianus van Imola – dat is een stadje bij Napels. Ik was schoolmeester. Maar mijn leerlingen hebben mij gedood, toen het uitkwam dat ik christen was.”
Nu was Nicolaas’ nieuwsgierigheid gewekt. Hij die zoveel van kinderen hield…: “Maar hoe is dat dan gegaan?”
En Cassianus vertelde zijn verhaal. Hij was als schoolmeester ontzettend gesteld op goede manieren; zag er zelf steeds tot in de puntjes verzorgd uit. Eiste dat ook van zijn leerlingen, en was bijzonder streng op de verzorging van hun werk. Hij liet het dan nog wel eens overmaken, of als dat zo uitkwam paste hij het forsere middel van de lijfstraffen toe. En dat werd hem niet altijd in dank afgenomen. In ieder geval toen de ouders van zijn leerlingen tijdens de christenvervolgingen ontdekten dat hij christen was, stookten ze hun kinderen op hun schoolmeester met hun fijn gepunte ganzenveren te doden… waaraan ze maar al te graag gehoor hadden gegeven. Cassianus was dan ook niet weinig trots op het prachtige gewaad waarin zijn ziel gekleed ging. “En u, monseigneur? Vertelt u eens…”
Enfin, zo gezellig pratend vlogen hun zielen op naar de hemel… Totdat ze van diep beneden hulpgeroep hoorden:
“Nicolaas van Myra, help mij!! Nicolaas van Myra, help mij!!”
Ergens in Rusland zagen ze een boer die met zijn kar was vastgereden in de modder. De as was gebroken, de wagen omgeslagen, de boer met zijn armzalige vruchten die hij op de markt had willen verkopen, waren in de troep en de stront terechtgekomen, en nu riep de man in zijn nood tot Sint Nicolaas. Met een hoofdknikje en een zucht van verlichting zei Cassianus: “Het is voor jou.”
“Ik ga maar even kijken”
zei Nicolaas, ga jij maar vast door, ik zie je straks wel.”
Terwijl Cassianus zijn reis voortzette, vloog Nicolaas weer naar beneden, sjorde de kar weer rechtop, kroop eronder om de as te herstellen en het wiel er aan te zetten – daarbij had hij even geen oog voor zijn prachtige witte gewaad! – wreef met zijn mouwen de boerenkolen op die de arme man naar de markt aan het brengen was, zodat ze mooier glansden dan ooit en plotseling van de eerste soort bleken te zijn. Vervolgens zei hij tegen de arme boer: “Maak er een goede prijs, zodat je iets extra’s mee kunt nemen voor je kinderen en je vrouw. Ga in vrede.”
Na hem de zegen gegeven te hebben vloog hij weer op naar de hemel. Toen hij tenslotte bij de hemelpoort aankwam, stond daar tot zijn verwondering nog Cassianus. “Ben je nog niet naar binnen?”
Cassianus probeerde te verbergen wat een walgelijk stank er van zijn collega afkwam en met een zijden zakdoek deed hij of hij zijn neus moest afvegen: “Nee ik moest hier wachten.”
Op datzelfde moment zwaaide de hemelpoort open en kwam er onder trompetgeschal en luide muziek een stoet van engelen, heiligen, martelaren, belijders en maagden naar buiten. Ze droegen een lege draagstoel in hun midden. Nicolaas werd uitgenodigd daarop plaats te nemen. Cassianus mocht achteraan aansluiten. Dat werd de heilige martelaar toch te erg: “Waarom moet ik achteraan meelopen en krijgt Nicolaas nota bene een draagstoel, terwijl hij niet eens martelaar is? Ik heb mijn kleed in alle zuiverheid en ongerept tot hiertoe bewaard. En moet je dan eens kijken hoe hij eruit ziet!”
Hij kreeg ten antwoord: “Zie je die modder en stront op zijn gewaad?”
Hij antwoordde met een kort knikje. “Dat zíjn juist de tekenen van zijn heiligheid…”

Nicolaas en de bedrogen Joodse geldschieter
Een man had geld geleend van een jood. Hij zwoer hem – bij het altaar van Sint Nicolaas, dat hij het hem zo spoedig mogelijk zou teruggeven. Welnu, hij gaf het geld maar steeds niet terug. En de jood ging bij hem verhaal halen. Maar de man beweerde, dat hij het hem allang teruggegeven had.
Zijn tegenstander dwong hem te zweren, dat hij het geld inderdaad had teruggegeven.
Nu had die man in feite al het verschuldigde geld in een holle stok verstopt. Alvorens te zweren, vroeg hij de jood of deze zijn stok even voor hem wilde vasthouden. Toen zwoer hij, dat hij hem zijn geld had teruggegeven. Hij nam de stok uit handen de jood weer aan. Deze had natuurlijk geen enkel idee van de gemene streek die hem geleverd werd.
Maar let nu op wat er verder gebeurde.

Onderweg naar huis viel die bedrieger in slaap en werd overreden door een kar, waarbij de stok die vol goud zat, in stukken brak. Dat ging men de jood zeggen. Die kwam er vlug naartoe. Alle omstanders gaven hem de raad zich van het geld meester te maken. Maar hij zei, dat hij dat niet zou doen, als niet meteen de dode – door de verdienste van Sint Nicolaas – tot het leven zou worden teruggebracht. En hij voegde er aan toe, dat hij zich in dat geval zou laten dopen en zich tot het christengeloof zou bekeren.
Toen kwam natuurlijk de dode onmiddellijk weer tot leven. En de jood ontving het doopsel.

Nicolaas’ beeld en de rijke jood
Er was eens een andere jood die in de gaten had gekregen, hoeveel macht Sint Nicolaas bezat om wonderen te doen. Hij zette een beeld van de heilige in zijn huis. Als hij voor langere tijd weg moest, zei hij tegen het beeld: “Nicolaas, ik laat het aan jou over mijn goederen te bewaken. En als je er niet op past, zoals ik dat van je wil hebben, zal ik wraak op je nemen door je bont en blauw te slaan.”

Toen de jood op een dag weg was, kwamen er dieven, die alles meenamen. Alleen het beeld lieten ze staan. De jood besefte dat hij volkomen uitgekleed was. Hij wendde zich tot het beeld met de woorden: “Vertel me nu eens, heerschap Nicolaas, had ik je niet in huis gehaald om mijn goederen te bewaken? Waarom heb je dat dan niet gedaan? Je zult voor die dieven moeten boeten. Ik ga je bont en blauw slaan. Dat zal mijn woede een beetje koelen.” En hij begon het beeld er verschrikkelijk van langs te geven.
De heilige verscheen nu aan de dieven, juist op het moment, dat ze de buit van de jood zaten te verdelen. Hij zei hun: “Moet je eens kijken hoe ik geslagen ben omwille van jullie. Ik ben over mijn hele lichaam bont en blauw. Ga dus teruggeven wat je weggenomen hebt. Anders zal de toorn van God op jullie hoofd neerkomen: je zult gewoon opgehangen worden.”
En de dieven zeiden: “En wie ben jij dan wel, dat je ons dit allemaal zegt?”
En hij zei: “Ik ben Nicolaas, dienaar Gods. En degene die mij zo heeft toegetakeld is de jood die jullie bestolen hebben.”
Geschrokken liepen zij vlug naar die jood en vertelden hem van hun visioen. En op hun beurt hoorden zij van hem wat hij met het beeld had gedaan. Ze gaven hem al zijn goederen terug. Zo kwamen ze weer op het goede pad. De jood van zijn kant bekeerde zich tot het christengeloof.

Nicolaas-legende: De Drie Studenten
In de middeleeuwen was Europa overdekt met dichtbegroeide bossen en wouden. Waar nu koeien grazen en graan staat te wuiven, of ook wel dorpjes en steden zijn gebouwd: daar moet vroeger bos geweest zijn. Voor reizigers was het vaak niet veilig. Met name ’s nachts niet. Want zelfs al was het volle maan, dan wist het licht ervan toch maar nauwelijks door te dringen door de takken, naalden en bladeren. Daarom trof je hier en daar herbergen aan, een boerderij of houtvesterswoning die als onderdak konden dienen voor de nacht. Ze lagen haast altijd op één dagmars van elkaar.

Zo gebeurde het eens, dat er drie studenten door zo’n bos onderweg waren. Het was najaar. Het weer was somber en donker, de dagen kort en de weg door het bos soms nauwelijks te zien: zo donker was het zelfs overdag. Op hun tocht de afgelopen dagen hadden ze gezien hoe de mensen zich opmaakten voor een lange koude winter. De oogstfeesten waren voorbij. Beesten werden geslacht en ingepekeld zodat het vlees niet zou bederven, want wat in het vat zit verzuurt niet. Hooivoorraden opgeslagen en droog toegedekt onder een afdak. In de kelders werd de fruitoogst in weckflessen ingemaakt. Aardappels op de zolder uitgelegd. In de bossen werd hout gesprokkeld om straks voldoende vuur in de haard te hebben.

Het was al haast volkomen donker toen de drie studenten bij een herberg aankwamen. In feite was het een boerderij waar strozakken op de hooizolders waren geschud en opgemaakt en voorzien van smoezelige lakens. Reizigers keken indertijd niet zo nauw. Bovendien: wassen was ingewikkeld en tijdrovend. Dat deed ja pas als je echt kon zíén dat de lakens en slopen vuil waren. Die konden wel een maand of zes mee dus, voor je ze verschoonde.

Doe boer en boerin ontvingen de drie vriendelijk. Ze wezen hun hun slaapplaats aan, en nodigden ze uit voor een lekkere vleesmaaltijd. Het vlees is juist ingepekeld en nog vers. De drie lieten het zich goed smaken, en omdat ze er ook een sterk bier bij dronken, bemerkten ze niet, hoe de boer en boerin elkaar blikken van verstandhouding toewierpen. Daar zat geld. Wie zulke lange reizen maakte en het er zo goed van kon nemen: die moest iets in de buidel hebben. Bovendien, wie anders konden zich vandaag de dag een studie permitteren dan de rijkeluiskinderen? En daar hadden ze er nu ineens drie van onder hun dak. Hier viel, als ze het handig aanpakten, behoorlijke winst uit te slaan.

De drie studenten deden – zoals te doen gebruikelijk in die tijd – hun avondgebeden, en bevalen zich vooral aan in de zorgen van de heilige Nicolaas, bisschop van Myra; die was immers zowel patroon van de reizigers als van de studenten. Ze vroegen hem of hij hun wilde behoeden op hun weg, waar zo vaak rovers en ander gespuis de buurt onveilig maakten. Met een gerust hart gingen ze slapen, want Sint-Nikolaas zou waken over hen. Daar vertrouwden ze vast op.

Toen alles in diepe rust was, stonden de boer en zijn vrouw op, slopen naar de slaapzolder, schoven het gordijn weg waarachter de drie sliepen, en hakten hun de hoofden af. Eerst werden de rinkelende goudstukken verzameld. Die werden naar een goed verborgen plekje gebracht: onder in het pekelvat: daar zou nooit iemand zoiets zoeken. Maar wat te doen met de drie jongemannen? Natuurlijk, die konden nog eens van pas komen als het vlees van de beesten opraakte. Mooie reserve voor krappe dagen. Omdat boer en boerin natuurlijk ervaren slagers waren, lagen de drie binnen enkele uren tussen de andere hompen vlees in het vat. Dat was dat.

Natuurlijk, ergens ver weg waren er vaders en moeders die na verloop van tijd hun kinderen misten. Er waren leermeesters die hun leerlingen maar steeds niet zagen komen opdagen. Maar ja, dat gebeurde wel vaker. Ze spijbelden. Of ze waren verongelukt. Of door een wild beest opgevreten. Of overvallen. In ieder geval leverden de naspeuringen niets op.

Op de boerderij ging in de tijd erna alles zijn gewone gang. Er was vlees genoeg. De winter was mild geweest. Het voorjaar brak aan. De vleesoverschotten bedierven niet en konden wachten tot de volgende winter. Gasten kwamen en gingen, en niemand merkte iets vreemds op.

Tot jaren later een bisschop door dat bos kwam. Hij reed op een prachtige schimmel. Het was najaar en somber weer: “Hopelijk vinden we voor de avond een goed onderkomen”, sprak de bisschop tegen zijn knecht die een zwarte huidskleur had. De knecht droeg een grote zak over zijn schouder, en was moe. Hij verlangde eerlijk gezegd niets liever dan dat ze zouden stoppen voor vandaag. Daar doemde een boerderij in het schemerdonker op.

Buigend en knippend als messen verwelkomden de boer en zijn vrouw de hoge gast. Ze maakten voor hem de beste slaapplaats in orde. En ze nodigden hem uit voor een heerlijke maaltijd: “We hebben juist vers vlees in het pekelvat. Dat zal u na zo’n vermoeiende dag best smaken, eerwaarde.” Dat leek de bisschop wel wat.

Terwijl hij zich aan tafel zette, ging de boerin het beste vlees uit het vat halen. Maar toen zij de deksel in het achterhuis oplichtte, bereikte de geur van het vlees de neus van bisschop Nikolaas in het voorhuis. En omdat hij een fijnproever was, vroeg hij aan de waard: “Wat is dat voor vlees dat u daar in de kuip hebt?” “Heerlijk vers varkensvlees, monseigneur.” “Gek, zei Nikolaas tegen zijn zwarte knecht, maar zo luid dat de boer hem goed kon verstaan: “wat ik ruik is iets heel anders dan varkensvlees. Vind jij niet, Pieterman?” De boer die nattigheid begon te voelen, kwam vlug naderbij en bezwoer Nikolaas, dat het toch echt varkensvlees was; misschien dat de bisschop het vlees van vorig jaar rook dat ook nog in hetzelfde vat werd bewaard. “Nee nee, het is niet van vorig jaar; en het is geen varkensvlees. Zeg eens, Pieterman, jij komt uit een land waar ze expert zijn in dit soort vlees: ruik jij ook wat ik ruik?” Maar voor de negerknecht Pieterman antwoord kon geven, schoot de boer angstig toe om nogmaals met omslachtige omhaal van woorden te zeggen en te zweren dat er niets anders in zat dan varkensvlees. “Zullen we het eens aan uw vrouw vragen?” vroeg de bisschop. En de boer was niet goed genoeg of hij moest de boerin erbij halen en ook aan haar vroeg bisschop Nikolaas wat er nu precies in dat pekelvat zat. Zij reageerde zo mogelijk nog zenuwachtiger dan haar man: “Echt monseigneur, u maakt ons een beetje bang. En dat, terwijl wij eerlijke mensen zijn, die met hard werken aan de kost moeten komen. Dacht u dat wij u een mindere soort vlees zouden voorzetten?” “Nee, dat dacht ik zeker niet. Niet een mindere, maar een hogere soort, want wat ik ruik is mensenvlees!” Nu werden de beide echtelieden doodsbleek. Nikolaas gebood: “Wijs mij dat vat maar eens aan.” Trillend en bibberend gingen ze hem voor. “Haal die deksel er maar eens af…! Wilt u nog steeds volhouden dat het hier alleen maar om varkensvlees gaat? En hoe komt het dan, dat uit dit pekelvat al zeven jaar lang gebeden naar mij opstijgen: gebeden van drie jongemannen die hier in uw boerderij voor het laatst zijn gezien en sindsdien worden vermist? Weet u wel wie u voor u heeft? Ik ben Sint-Nikolaas, bisschop van Myra. En om te tonen dat ik gekomen ben om de mensen te redden die in hun nood bidden tot mij – en nu richtte hij zich tot het vat, hief zijn hand in een zegenend gebaar omhoog en sprak: “Zoals ooit een engel vanuit de hemel neerdaalde om drie jongemannen uit de vuuroven te redden, zo ben ik neergedaald om jullie drieën uit dit pekelvat tot het leven terug te brengen. Daarom zeg ik jullie: sta op!” Tot ontsteltenis van de boer en de boerin kwam er borrelend beweging in het vat, en vervolgens kwamen de drie studenten levend en wel uit het vat omhoog.” Onmiddellijk wezen ze de boer en boerin als hun moordenaars aan. En om hun woorden kracht bij te zetten, doken ze nogmaals onder en brachten handen vol goudstukken tevoorschijn.

De boer en zijn vrouw vielen nu op hun knieën en smeekten om genade, hun handen geheven tot de heilige bisschop. Zij beloofden hun leven te beteren en nooit meer te zondigen. Ze beloofden elk jaar vlees te geven aan de studenten van de meest naburige stad. Ze gaven hooi en winterpeen voor het paard van Sinterklaas, en namen zich voor elk jaar het feest van Sinterklaas te vieren. Maar de Sint zei: “Ik zal jullie vergiffenis schenken en in leven laten. Op één voorwaarde…!” De twee van de boerderij jammerden: “Zeg het, zeg het maar. En we beloven u dat we het allemaal zullen doen. Wat het ook is.” “Heel eenvoudig” zei de Sint “zoals ik jullie laat leven en een nieuwe kans geef, zo wil ik dat je dat ook doet met de mensen die je in je verdere leven nog zult ontmoeten.”

Toen vroeg hij nog aan de studenten of ze het met deze regeling eens konden zijn. “Ja” zeiden ze. “Als dat zo is, zei Sint-Nikolaas, en nu wendde hij zich tot de boer en boerin “dan zou ik nu eindelijk wel eens willen proeven hoe lekker jullie varkensvlees is; en zouden we het op prijs stellen, als u met ons vijven meeat.”

Verering & Cultuur
Na zijn dood werd Nicolaas in een sarkofaag (= stenen doodkist) begraven in zijn kerk te Myra. Volgens de bevolking was hun bisschop een heilige geweest: Nicolaas was dus in de hemel. Zo werd zijn graf al gauw een bedevaartsoord: mensen kwamen er naartoe om te bidden. Dan vroegen ze aan Sint Nicolaas of hij in de hemel bij God een goed woordje voor hen wilde doen. Als de bidders inderdaad kregen waarom ze vroegen, zeiden ze natuurlijk dat het te danken was aan Sint Nicolaas.

Ook kwam er een geurige vloeistof van onder zijn sarcofaag vandaan. Als je er van dronk – zeiden de mensen – werd je genezen van al je ziekten en kwalen. Van heinde en ver stroomden de pelgrims toe met flesjes en kruikjes om ervan mee naar huis te nemen. Dan konden ze er thuis ook de zieken mee genezen.

Reeds vanaf de 6e eeuw is zijn verering bijzonder populair. In 1071 werd Turkije veroverd door de Islam. Christenen mochten niet langer in het openbaar hun godsdienst belijden. Ook verering van Sint Nicolaas in Myra werd verboden. In 1087 deden vissers uit het Zuid-Italiaanse plaatsje Bari een inval in de stad Myra. Ze roofden de sarcofaag met het stoffelijk overschot van Sint Nicolaas en brachten het over naar hun vaderstad. Op 8 mei 1087 voer de boot met de kostbare schat plechtig de haven van Bari binnen. Vanaf dat moment werd deze stad bedevaartsoord. Er verrees een nieuwe kerk ter ere van hem. Van daaruit verspreidde zich Sint Nicolaas’ verering over de hele wereld verspreid: in het westen als kindervriend, in het oosten als wonderdoener. In de 13de eeuw werd zijn feestdag vastgesteld op 6 december.

Vanaf dat moment verspreidde zich de Nicolaasverering over heel Europa. Hij werd patroon (= beschermheilige) van Griekenland en Rusland; van zeelui, handelaars en vele handelssteden. In vele grote Europese havensteden verrezen er Sint-Nicolaaskerken:
-in België- bv. te Antwerpen, Brussel, Gent en het naar hem genoemde Sint-Niklaas;
-in Duitsland- bv. te Berlijn, Hamburg en Frankfurt;
-in Frankrijk- bv. te Parijs en het beroemde Sint-Nicolaasbedevaartsoord Saint-Nicolas-de-Port (daar wordt een vingerkootje van de heilige bewaard dat afkomstig zou zijn uit Nicolaas’ sarkofaag te Bari;
-in Engeland- bv. te Londen en in talloze andere plaatsen;

-in Nederland-
bv. te Amsterdam (stadspatroon!), Deventer, Edam, Groningen en Utrecht; tussen 1100 en 1500 werden en er verspreid over Noord-Nederland minstens 900 (negenhonderd) Nicolaaskerken gebouwd; in Friesland werd zelfs een dorp naar hem genoemd plaatsje Sint-Nicolaasga. Hieronder zie je dat een aantal plaatsen in Nederland zelfs een afbeelding van Sint Nicolaas in het gemeentewapen hebben.

Ook zijn relieken raakten verspreid over Europa. Zo zijn er ook in de kathedraal van Fribourg (Zwitserland). De kerk van St-Nicolas-de-Port bij Nancy, een belangrijk bedevaartsoord, heeft een vingerkootje van hem (volgens de legende meegebracht door een ridder vanuit Bari). Op 9 mei wordt in Bari uitbundig feest gevierd. Op de 3de zondag van oktober wordt Nicolaas al binnengehaald in zijn residentie te Sint-Niklaas in Vlaanderen. In Hasselt viert men een St-Niklaasstoet op een zaterdag van eind oktober of begin november. In Neder-over-Heembeek wordt hij pas in het weekend voor 6 december binnengehaald. In Nederland heeft bijna elke stad een Sinterklaasintocht, in Deventer traditioneel pas op 5 december.

Veel oude haven- en handelssteden in Europa hebben een kerk die aan hem is toegewijd.

Hij is patroon Griekenland en Rusland.

In België van de plaatsen Antwerpen, Enghien, van stad en bisdom Luik, Saint-Nicolas (gem. Luik) en Sint-Niklaas; daarnaast is er een Nicolaaskerk te Brussel (de bekende schipperskerk), Eupen en Gent.
In Denemarken is er Nicolaaskerk te Aabenraa.
In Duitsland van de plaatsen Anklam, Berlijn, Greifswald, Grossaitingen, Hamburg, Kalkar, Lübeck, Stendal en Überlingen. Daarnaast zijn er nog Sint-Nikolaikerken te Frankfurt-am-Main, Hamburg (toren), Kiel, Lüneburg, Möln, Passau, Siegen, Soest (kapel), Überlingen, Wismar en Worms (berg).
In Engeland van de plaatsen North-Moreton (Berks.), St-Nicholas (Glam.), St-Nicholas (Pemb.), St-Nicholas-at-Wade (Kent) en Winchester (Hants.).
In Frankrijk van de landstreek Lotharingen, en van de plaatsen Amiens, Parijs en Saint-Nicolas-de-Port. Daarnaast bevinden zich Sint-Nicolaaskerken te Autun (Saône-et-Loire) en Avesnes-sur-Helpe (Nord).
In Griekenland van Kerkyra (Corfu); een van de Meteorakloosters heet Hagios Nikolaos Anapafsas.
In Italië van het eiland Sicilië, en van de plaatsen Bari, Merano, Napels en Venetië.
In Joego-Slavië van Ljubljana.

In Nederland van de plaatsen Amsterdam, Kampen en Sintnicolaasga (gem. Skarsterlân). Bovendien bevinden (of bevonden) er zich Sint-Nicolaaskerken te Amsterdam (de middeleeuwse Oude Kerk en de Nicolaaskerk van Tepe tegenover het Centraal Station uit 1887), Appingedam, Arnhem, Baarn, Blesdijke, Blija, Britswerd, Broekhuizen, Colmschate, Creil-Rutten, Deersum, Den-Helder, Denekamp, Deventer (Bergkerk), Edam, Eemnes, Firdgum, Gauw, Groningen (A-kerk), Guttecoven (tezamen met Willibrord), Haps, Haren (bij Groningen), Harkema, Helvoirt, Hendrik-Ido-Ambacht, Herbaijum, Heythuysen, Hijum, Holwierde, Hoorn-Terschelling, Huins, Idsegahuizum, IJsselstein-Utrecht, Jutfaas, Klein-Linden (kapel), Kornjum, Kuinre, Lettele, ook het middeleeuwse kerkje van Lidlum was toegewijd aan Nicolaas[342p:178], Lierderholthuis, Loënga, Lutjebroek, Maastricht, Meijel, Middelburg (middeleeuwse abdijkerk), Midlum, Monnikendam (tezamen met Antonius van Padua), Muiden, Nieuwegein-Jutphaas, Nieuwveen, Nijeholtwolde, Nijemirdum, Nijhuizum, Nijland, Nijmegen (kapel), Nijtrijne, Odijk, Offingawier, Oldenzijl, Oldetrijne, Oosterwierum, Oostrum, Peperga, Piaam, Poppingawier, Purmerend (tezamen met Catharina), Rotsterhaule, Rotterdam (tezamen met het Heilig Hart), Schalkhaar, Schalsum, Schoonebeek, Smallebrugge, Snikzwaag, Sonnega, Swichum (tezamen met Catharina), Tienhoven (Zuid-Holland), Utrecht (een middeleeuwse en een recente tezamen met Monica), Valkenburg (tezamen met Barbara), Valkenswaard, Venlo, Vollenhove, Waalwijk (ziekenhuis), Wieuwerd, Wijnjeterp en Zoetermeer.

In Oostenrijk van de plaats Feldkirch. Daarnaast is er een Nicolaaskerk bij Golling in de buurt van Salzburg.
In Rusland van de plaats Moskou.
In Spanje is er een Nicolaaskerk te Burgos.
In Zweden van de plaats Stralsund,
In Zwitserland van de plaats Fribourg.

Met Martinus is hij waarschijnlijk de meest vereerde heilige in West-Europa. In Oost-Europa heeft hij zelfs de titel gekregen van ‘Mede-Verlosser met Christus’!

Andere Patronaten
Hij is patroon van de liefde; daarnaast is hij beschermheilige van ongetrouwde en trouwlustige meisjes; van kinderen en in het bijzonder van schoolkinderen, koorknapen, studenten, onderwijzers, leraren, advocaten, notarissen, juristen, rechters, rechtsgeleerden en geestelijken; van reders, zeelui, schippers, matrozen, veerlieden, reizigers en pelgrims; van vissers en vishandelaars; van handelslui en de christelijke middenstand, van kruideniers kooplieden, marskramers, leurders en lommerdhouders; van kruideniers, specerijenhandelaren, parfumeurs en apothekers; van molenaars, korenhandelaren (vanwege de legende met het koren); van bakkers (niet alleen vanwege de verhoogde activiteit van deze beroepsgroep rond zijn feest, maar wellicht ook, omdat men de gouden bollen op zijn afbeeldingen – de bruidsschat voor de drie meisjes – voor broden aanzag); van slagers; van jeneverstokers, bierbrouwers, kuipers en herbergiers; ; van lakenscheerders, linnenhandelaren, band- en lintwevers, kantwerkhandelaren en knopenmakers; van bankiers; van boeren; van kaarsenmakers; van brandweerlieden (wellicht vanwege de legende met Diana?); van stoelenmakers; van soldaten (vanwege de legende met de generaals?); steengroevearbeiders, steenhouwers; van gevangenen;

Hij wordt aangeroepen tegen echtelijke onvruchtbaarheid, voor bevrijding uit de gevangenis, voor het terugkrijgen van verloren zaken, tegen foutieve oordelen, tegen gevaren van stormen en van het water, patroon van de zee.

Iconografie
Hij wordt afgebeeld als bisschop (tabberd, mijter, staf) vaak met drie goudklompen op een boek, of met drie mannetjes in een tonnetje aan zijn voeten.

Muziek
Uit de middeleeuwen is een manuscript bekend ‘de wonderen van Sint Nicolaas’. Het betreft legendes uit het leven van Sint Nicolaas op muziek gezet om tot klinken te brengen in de liturgie. CD ‘l’empreinte digitale ED13153’

Sinterklaasgebruiken

Hoe werd het Sinterklaasfeest gevierd door onze middeleeuwse voorouders?

Om daar goed antwoord op te geven, moeten we de geschiedenis in twee delen verdelen:

1 De tijd vóór de Reformatie, toen praktisch ieder hetzelfde katholieke geloof had en dat op dezelfde manier beleefde;
2 Na de Reformatie; zeg maar vanaf het jaar 1572.

1 Vóór de Reformatie (tot 1572)

6 december
De feestdag, 6 december, was een vrije dag. Die begon met een mis in de kerk. Soms met processie (plechtige optocht). Dan gingen de gelovigen de kerk uit en trokken ze biddend en zingend rond door de stad. Meestal werd het beeld van de heilige op een draagstel geplaatst en door vier mannen meegedragen. Dat was een hele eer. Soms werd het leven van de heilige in de processie uitgebeeld of nagespeeld. Daarna hadden de mensen vrij. Er waren straatartiesten, kraampjes met spelletjes en lekkernijen. Kortom: ons woord kermis komt daar vandaan: het sloeg niet alleen op de ‘kerk-mis’, maar ook op de feestelijkheden erna buiten de kerk.
Er zijn geleerden die menen dat daar de oorsprong gezocht moet worden van de intocht van Sinterklaas in de stad.

5 decembermarkt
De dag vóór Sinterklaas, 5 december dus, was er vaak een extra drukke marktdag. Omdat Sinterklaas zo laat in het jaar viel, hield men op zijn feest de laatste marktdag voor de winter. Er waren dus extra veel voorraden aangevoerd: niet alleen warme kleding, maar ook voedsel en snoep, zoals speculaas, taaitaai, marsepein en suikerbeesten. Met het oog op de komende kou moest het voedsel immers extra vet en suikerrijk zijn. De ouders vertelden aan hun kinderen dat Sinterklaas al die voorraden had aangevoerd op zijn schip. In vele Sinterklaasverhalen kwam immers een schip voor, en hij was patroon van de zee- en handelslui.

Spanje
Als kinderen vroegen waar Sinterklaas dat allemaal vandaan had, antwoordden de volwassenen: ‘Uit Spanje’. Spanje was indertijd een steenrijk land. Denk maar aan de Spaanse Zilvervloot, die Piet Hein straks zal veroveren. Rijke Spanjaarden hadden vaak een zwarte, moorse knecht in dienst: Sinterklaas dus ook. We zagen al dat Sinterklaas soms werd afgebeeld met gouden bollen die voor sinaasappelen werden aangezien. Trouwens, hij kwam toch uit… Myra…? Bari…? Die klanken verbasterden tot Madrid: Sint had immers iets met Spanje!

Cadeautjes
De mensen kochten op de markt van 5 december voor elkaar een cadeautje om dat ’s avonds in elkaars schoen te doen; daar kon je dan de volgende dag, die vrij was, plezier van hebben! Van die cadeautjes werd gezegd dat Sinterklaas ze eigenlijk in de schoenen deponeerde. Wie stout was geweest kreeg geen cadeautje.

Bisschopsgeld
In de scholen werd op 5 december de braafste leerling van het jaar uitgekozen om een dag lang Sinterklaas te zijn. Op 6 december kreeg hij een lange jurk aan, een mijter op en een staf in de hand. Bovendien kreeg hij een aantal priesters om zich heen. Zij gingen de straat op om voorbijgangers om ‘bisschopsgeld’ te vragen

2. Na de Reformatie (vanaf 1572) (met extra aandacht voor Delft)

Versobering
De Reformatie was een beweging van gelovigen die protesteerden tegen de manier waarop de Katholieke Kerk van die tijd het geloof preekte. Zij worden dan ook Protestanten genoemd. Maarten Luther († 1546) en Johannes Calvijn († 1564) zijn het meest bekend, maar er waren er veel meer. Zij wilden versobering: God, de Bijbel en het geloof. Dat was voldoende. En alles wat er in de loop der eeuwen omheen was gegroeid: daar wilden zij vanaf. Dus geen beelden in de kerk (beeldenstorm!), geen kaarsjes, geen heiligen, geen processies, geen zegeningen met wijwater, geen aangeklede paus, kardinalen en bisschoppen…

Sinterklaas officieel verboden
Dus ook geen Sinterklaasfeest. Vanaf 1573 was in Delft de overheid officieel Calvinistisch. De pastoors van de Oude en de Nieuwe Kerk werden verjaagd en er kwamen protestantse predikanten. Ook de wetten van de stad werden dus Calvinistisch. Dat betekende dat het traditionele Sinterklaasfeest werd afgeschaft. Zij vonden het een heidens feest. het leidde alleen maar tot bijgeloof (‘waangeloof’ of ‘superstitie’), en ‘afgoderij’.

De Sinterklaasmarkt werd verboden. Ook mocht er geen snoep of gebak meer verkocht worden in de vorm van poppen: allemaal bijgeloof en afgodendienst. In de Tien Geboden staat immers dat de gelovigen geen gesneden beelden mogen maken: dus ook niet om op te eten!

“Het bestuur van de stad Delft heeft gemerkt dat op 5 december, de zogenaamde sinterklaasavond, de markt bezet is met veel kramen. Daar worden verschillende goederen verkocht, waarvan men de kleine kinderen wijsmaakt dat Nicolaas die aan hen geeft. Deze zaak is niet alleen in strijd met de goede orde en het gezag, maar het leidt de mensen ook af van de ware godsdienst. Zo krijgen we hier ongeloof en afgoderij. Daarom hebben de schout en de schepenen, samen met de burgemeesters, besloten dat voortaan niemand, inwoner van Delft of afkomstig van buiten, op Nicolaasavond met marktkramen, goederen of artikelen op de markt of elders mag gaan staan. Bovendien wordt verboden om voortaan brood, koek, suikerwerk of andere etenswaren te verkopen of uit te stallen, in de vorm van een afbeelding. Koeken met afbeeldingen worden meteen in beslag genomen. Bekend gemaakt bij het luiden van de grote klok op het Stadhuis op 28 november 1600.”

Op 25 november 1607 werd dezelfde verordening nog eens uitgevaardigd. Blijkbaar had die vorige niet erg geholpen…!? In 1618 kwam het stadsbestuur van Tiel met een officieel verbod om thuis de schoen te zetten! Ene Walrich Sieuwerts schreef in de 17e eeuw: “Het is zot en zinloos om de schoenen van de kinderen met allerlei snoeperij en ‘slikkerdemik’ te vullen. Wat is dit anders dan afgodendienst?”

Jan Steen
In 1626 maakt Jan Steen een schilderij getiteld ‘Sinterklaasavond’. Een gezin van vader en moeder, oma en zeven kinderen. Allemaal blij met een cadeautje in de hand. Behalve de oudste zoon; die huilt…
Dus nog steeds Sinterklaasfeest. En dat terwijl het Calvinisme in Holland dan al meer dan vijftig jaar de dienst uitmaakt.

Een strooiende Sint te paard
Uit eigentijdse afbeeldingen blijkt dat men in de 17e eeuw het gebruik kende van een Sint Nicolaas te paard. In ieder geval in Duitsland en Noord-Frankrijk. Hij strooit lekkers en de roe! Tegelijk ziet men hem op de hoge daken met zijn paard, waarbij hij cadeautjes door de schoorsteen gooit. Zo zijn er afbeeldingen uit de 18e eeuw. Halverwege de 19e eeuw zien we ook Pieterman op de afbeeldingen verschijnen.

Sint in Delft
In Delft moeten we wachten tot omstreeks 1900, willen we een Sinterklaas zien verschijnen. Dan is het de behanger en stoffeerder Fritz Dücker van de Boterbrug die aan het stadsbestuur officieel om toestemming vraagt om als Sinterklaas verkleed zijn bestellingen rond te brengen. Waarschijnlijk had hij dat idee dus afgekeken van elders. Het gaat dus nog niet om een intocht zoals wij die nu kennen, maar om een winkelier die bestellingen thuisbezorgt en dat rond 5 december doet, verkleed als Sinterklaas. In het voorbijgaan legde hij ook even een bezoekje af bij de burgemeester en bij de deken van de katholieke kerk. Die speelden het spel graag mee. Dat heeft hij zo’n twintig jaar gedaan.

Intussen bleek dat allerlei winkeliers het idee hadden overgenomen en dat de sinterklazen elkaar danig voor de voeten liepen. Zo kwam het dat de winkeliersvereniging van de Delftse binnenstad een gezamenlijke Sinterklaas organiseerden, die officieel zijn intocht hield in de stad. Precies zoals wij dat nu nog steeds kennen.



06 dec - woensdag

Sneek 09:15 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek


06 dec - woensdag

Sneek 13:30 - 14:30 Leerhuis

Pastorie Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

Bronnen van Bezieling:


Leerhuis Sint Antonius van Padua parochie


Elke eerste woensdagmiddag van de maand is er in de Pastorie in Sneek van 13.30 – 14.30 uur leerhuis rond de Schrift. Pastoor Peter van der Weide verzorgt deze bijeenkomsten. Aan de hand van de lezingen van afgelopen zondag of van de komende zondag gaan we met elkaar in gesprek.
Hoe leest u een Bijbelverhaal? Wat staat er nu precies? En al sprekend met elkaar ontstaat er zo Geloofscommunicatie.
De eerstvolgende datum is 6 december 13.30 – 14.30u.
U bent meer dan welkom.

Plaats Sneek, Pastorie
Inleider Pastoor P. van der Weide



07 dec - donderdag

Hele dag Feestdag H. Ambrosius, bisschop & kerkleraar

Geen,

Ambrosius (ook Ambreuil, Ambroise, Ambrun of Embrun) van Milaan, Italië; bisschop & kerkleraar; † 397.

Afbeelding H. Ambrosius
Augustinus luistert naar de prediking van Sint Ambrosius.
ca 1880, glasschilderkunst. Frankrijk, Dozulé, Ste-Trinité.

http://www.heiligen.net/afb/12/07/12-07-0397-ambrosius_9.jpg

Feest 7 december (bisschopswijding).

Geschiedenis.

Ambrosius moet rond 339 geboren zijn. Hij had nog een tien jaar oudere zus Marcellina († 398; feest 17 juli) en een broer die daar vlak onder kwam: Satyrus († 378; feest 17 september). Ook zij worden eveneens als heiligen vereerd. Zij waren de drie kinderen van de Romeinse prefect voor Gallië, Ambrosius, die in de keizerlijke residentie Trier zetelde. Daar zijn dan ook alle drie de kinderen geboren. Na de dood van vader verhuisde moeder met de kinderen naar Rome zodat ze de best mogelijke opleiding zouden kunnen krijgen. Moeder en dochter waakten over het welzijn van de twee jongens. Toen moeder overleed, nam Marcellina haar taak met grote vanzelfsprekendheid van haar over.

Legende
In de tijd, dat de dienaar Gods, Ambrosius, nog maar een kind was, openbaarde zich de hand van de Heer.

Op een dag – aldus de legende – werd hij als baby in zijn wiegje buiten in de tuin van zijn vaders ambtswoning gezet. Het kind sliep met de mond open. Plotseling kwam er een zwerm bijen aangevlogen en ging over zijn hele gezicht zitten. De bijen vlogen zelfs zijn mond in en uit. Op dat moment was het kind toevertrouwd aan de zorgen van het kindermeisje. Zijn vader maakte juist een wandelingetje in de tuin samen met zijn vrouw of met zijn dochter. Het kindermeisje kwam in paniek aangehold. Toen vader in allerijl kwam kijken, verbood hij haar de bijen weg te jagen. Hij was namelijk bang dat ze het kind dan wel eens kwaad zouden kunnen doen. Tegelijk was hij als liefhebbende vader nieuwsgierig hoe dit wonder zou aflopen. Na een poosje vlogen de bijen weer weg. Ze gingen zo hoog de lucht in, dat ze met het blote oog niet meer te zien waren. De vader was verbluft en sprak: “Als dit kind in leven blijft, zal er iets heel groots uit hem groeien.”

Zo moest vervuld worden wat geschreven staat: “Wijze woorden zijn als honingraat.” Het was namelijk de zwerm bijen die ervoor gezorgd heeft, dat wij nu zulke mooie geschriften van hem bezitten, waarin zo prachtig de hemelse vreugde wordt bezongen en die de geest van de mensen weten te verheffen van het aardse naar het hemelse.

Overigens komen we in de Griekse mythologie ditzelfde gegeven tegen bij Pindarus. Als jongen was deze Pindarus eens onderweg naar Thepsiae. Het was hoogzomer, en op het heetst van de dag werd hij door vermoeidheid en slaap overvallen. Daarom ging hij gewoon even in de berm langs de weg liggen. Maar in zijn slaap kwamen er bijen aangevlogen; ze bleven enige tijd zitten en toen ze weer wegvlogen, lieten ze honingzoete was op zijn lippen achter. Zo komt het dat van dat ogenblik af Pindarus liederen begon te maken.

Het onderling respect van de drie kinderen was bijzonder groot. Kerstmis 353 kreeg Marcellina in de St-Pieterskerk door paus Liberius († 366) de maagdensluier opgelegd. Ze sloot zich niet aan bij een leefgroep, maar samen met een andere gewijde maagd leidde zij een religieus leven in haar eigen huis. Intussen zag ze toe op de carrière van haar broers. Satyrus werd prefect van de provincie Liguria; Ambrosius werd uiteindelijk door keizer Valentinianus I (368-377) tot gouverneur van Noord-Italië benoemd, met als standplaats Milaan. Marcellina bleef in Rome achter en bad voor het geestelijk welzijn van haar getalenteerde broers.
In die tijd was ook de christenheid van Milaan ernstig verscheurd door de ariaanse kwestie.
Ambrosius was zo delicaat in zijn optreden dat hij het respect van beide partijen won. Toen dan ook de ariaans georiënteerde bisschop van Milaan overleed, riepen zowel de geestelijken als de leken die voor de nieuwe benoeming in de kerk verzameld waren, om Ambrosius als nieuwe bisschop. Hij protesteerde heftig. Hij was zelfs nog niet eens gedoopt.

Dat was in die tijd gewoonte geworden vooral onder hooggeplaatste christenen. Immers als men zich liet dopen, moest men daar ook in de praktijk van alledag consequenties aan verbinden. Hooggeplaatste politici moesten soms besluiten tot militair optreden of zelfs een doodstraf bevestigen. Dat kon niet als christen. Vandaar dat men geloofsleerling bleef tot vlak voor het stervensuur. In de tussentijd – zo redeneerde men – had je dan nog je handen vrij…

Er is ook een meer legendarische lezing van dit voorval. Toen in 374 de bisschop van Milaan gestorven was, liep de hele christenbevolking te hoop in de kerk. Ambrosius was er als hooggeplaatste politiefunctionaris bij aanwezig om toe te zien op de ordehandhaving. Op dat moment zou een kind geroepen hebben: “Ambrosius bisschop!” Onmiddellijk werd die roep door het aanwezige volk overgenomen. Dat zegt iets over zijn populariteit. Temeer daar Ambrosius tot op dat moment zelfs nog geen gedoopt christen was. Wel was hij al jarenlang doopleerling, maar met de doop zelf had hij geen haast gemaakt.

Hoe dan ook, er was voor Ambrosius geen ontkomen aan: in die tijd gold nog de stelregen ‘de stem van het volk is de stem van God’ (vox populi vox Dei). Op 30 november 374 werd hij gedoopt en op 7 december daaraan volgend ontving hij de bisschopswijding.
Ambrosius kon bijzonder goed preken, en deed zijn naam (‘vol van zoet geurige amber’) alle eer aan, want de gelovigen luisterden graag naar de woorden die als honing uit zijn mond vloeiden. Later hebben bewonderaars daar een legende omheen verteld, die ze ontleenden aan de Griekse mythologie.
Broer Satyrus gaf zijn hoge positie in Liguria op en bood zich aan om de materiële organisatie van kerk en bisdom op zich te nemen. Zo maakte hij het mogelijk voor zijn broer om veel te studeren, te schrijven, een intensieve briefwisseling te onderhouden met andere kerkleiders en zeer verzorgde preken te houden. Het was juist door die bestudeerde preken dat een jonge veelbelovende redenaar in 386 zo gegrepen was, dat hij zich definitief tot de filosofie van Christus bekeerde en een van de grootste figuren uit de kerkgeschiedenis zou worden: Augustinus van Hippo († 430; feest 28 augustus).

Uiteindelijk kwam ook Marcellina naar Milaan. Ze voegde zich bij haar broers en steunde hen vooral door gebed en een leven van opoffering. Na slechts enkele jaren van dienstbetoon overleed reeds Satyrus. Ambrosius schreef er een boekje over: ‘Over de dood van Satyrus’ (378). Hij spreekt zijn overleden broer aan en wijdt een aantal regels aan het verdriet van zus: “Zo is onze heilige zus nog in leven, alom geëerd vanwege haar onberispelijke levenswandel en met hetzelfde karakter als jij: altijd staat ze klaar om een ander een dienst te bewijzen. Toch waren wij allebei het meest bezorgd om jou. Allebei hadden wij het idee dat alle goedheid die een mens gegeven kan zijn, in jou opgestapeld lag. Het was een genoegen om voor jou te leven; en sterven voor jou zou helemaal geen opoffering geweest zijn, want wij hebben allebei wat afgebeden om te vragen dat jij degene zou zijn die ons zou overleven. Het leek ons allesbehalve fijn wanneer wij jou zouden overleven. Zeker, je bent nu beter af dan je heilige zuster; zij is immers beroofd van jouw troostvolle aanwezigheid. Zij legt zich zo ijverig toe op de kuisheid en ze had destijds al zo lang moeten wachten, voordat haar twee broertjes kwamen: zij heeft nu verdriet om hen allebei. Want de ene kan zij niet volgen en de ander niet in de steek laten. En ikzelf? Wat kan ik zeggen? Enerzijds zou ik nog niet willen sterven, want dan zou ik mijn zusje in de steek laten; anderzijds wil ik eigenlijk ook niet verder leven, want dan heb ik je nooit meer bij me…”
Satyrus had geen testament gemaakt. Zijn broer en zus moesten maar zien wat het beste was; daar had hij alle vertrouwen in. Ze meenden het meeste recht te doen aan Satyrus’ nagedachtenis door alles aan de armen ten goede te laten komen.

Had in vroeger jaren Marcellina haar broer geholpen, toen hij nog klein was. Nu was het omgekeerd: hij hielp zijn zus in haar geestelijke groei. Hij schreef voor haar een boekje over maagd-zijn, en over andere geestelijke onderwerpen.
In 386 vond Ambrosius de relieken van de heilige martelaren Gervasius en Protasius († eerste eeuw; feest 19 juni) terug en bracht ze over naar de basiliek van Milaan. Tijdens de overbrenging genas een blinde door een wonder.
Hij raakte ook bij de politiek betrokken door de scheiding tussen kerk en staat te benadrukken. Zo weigerde hij keizer Theodosius I (380-395) de toegang tot de kerk, omdat deze in de Griekse stad Thessaloniki duizenden mensen had laten afslachten. Pas na boetedoening vergaf Ambrosius hem.
Daarnaast was hij ook een groot bevorderaar van het kerkgezang (Ambrosiaanse hymnen). Naar het heet gebruikte hij populaire straatliedjes om er nieuwe liturgische teksten op te maken.
Al de tijd dat Ambrosius uitgroeide tot een van de grootste bisschoppen van de westerse kerk, stond zijn zus Marcellina hem ter zijde met haar gebed. Hij stierf het eerste van de twee: 4 april 397. Zij volgde hem in het graf een jaar later.

Verering & Cultuur
Zijn relieken bevinden zich in de basiliek San Ambrogio in Milaan. Ambrosius werd in Milaan als bisschop opgevolgd door Sint Simplicianus († 400; feest 16 augustus). Naast Augustinus van Hippo, Paus Gregorius de Grote († 604; feest 3 september) en Hiëronymus van Bethlehem († 420; feest 30 september) behoort hij tot de vier grote westerse kerkvaders. In 1295 werd hij tot kerkleraar uitgeroepen. De begin 17de eeuw gestichte Biblioteca en Pinacoteca Ambrosiana te Milaan zijn naar hem genoemd.

Hij is patroon van Bologna en Milaan; van bisschoppen; van bijenhouders, bijentelers, waskaarsenmakers, honingkoekbakkers en huisvrouwen; alsmede van politie, rijkswacht en veiligheidspersoneel; hij geldt ook als beschermheilige van bijen, ganzen, alle huisdieren en spreeuwen.

Hij wordt afgebeeld als bisschop (tabberd, mijter, staf) meestal met boek; naar aanleiding van zijn legende zeer vaak met een bijenkorf; soms met een geselroede (vooral vanwege het berispen van keizer Theodosius I); soms met beenderen in de hand (omdat hij de relieken van Gervasius en Protasius terugvond).



07 dec - donderdag

Sneek 08:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


08 dec - vrijdag

Hele dag Hoogfeest Maria Onbevlekte Ontvangenis

Maria Onbevlekt Ontvangen; 17 vóór Chr.

Afbeelding Maria’s Onbevlekte Ontvangenis
ca 1500(?), glasschilderkunst. Frankrijk, Bretagne, Brennilis, Notre Dame.

Bijzonder originele afbeelding van Maria Onbevlekt Ontvangen. Maria is zichtbaar in de buik van haar moeder Anna.
Ze heeft sluik afhangend haar en haar handjes vroom gevouwen. Het bijschrift luidt ‘Sainte Conception’ (= Heilige Ontvangenis).

http://www.heiligen.net/afb/12/08/12-08-01--0017-maria_3.jpg

Feest 8 december.

Omdat Maria was uitverkoren de moeder van Jezus te worden, werd ze zonder erfzonde geboren, sterker nog: reeds vanaf het moment dat ze werd ontvangen in de schoot van haar moeder, is ze gevrijwaard gebleven van de zonde. Ze is dus onbevlekt ontvangen in de moederschoot. Zo gelooft de christenheid.
Vroegchristelijke legendes vertellen er al over. In onderstaand fragment uit het zogeheten ‘Evangelie van Maria’s geboorte’, ongeveer stammend uit het jaar 480, geldt de hereniging van Maria’s legendarische ouders, Joachim en Anna, voor de Gouden Poort te Jeruzalem als het moment van Maria’s onbevlekt ontvangenis.

Legende
over Joachim en Anna: naar het apokriefe ‘Evangelie over de geboorte van Maria’

-1-
De zalige Maria, roemrijk en altijd maagd, was voorbestemd om uit de koninklijke stamboom van het geslacht van David voort te komen. Zij werd geboren te Nazareth en opgevoed in de tempel van de Heer te Jeruzalem.
Haar vader stond bekend als Joachim en haar moeder heette Anna. Zíjn familie was afkomstig uit Nazareth in Galilea, maar de háre kwam oorspronkelijk uit Bethlehem.
Zij leidden een eenvoudig en rechtvaardig leven voor de ogen van de Heer. In de ogen van de mensen waren ze vroom en van onbesproken gedrag. Al hun bezit deelden zij in drieën: het eerste deel besteedden zij aan de tempel en de bedienaren ervan; het tweede deel ging naar weduwen, wezen, vreemdelingen en armen; en het resterende derde deel tenslotte werd bestemd voor het huishouden en voor henzelf.
Zo leidden zij gedurende twintig jaar in alle eenvoud een bescheiden en onopvallend leven. Hun huwelijk bleef kinderloos. Maar ze deden de gelofte: als God hun ooit een kind zou schenken, jongen of meisje, dan zouden ze dat bestemmen voor de dienst aan de Heer. Om dit volgens Joods gebruik te bekrachtigen met offers en gebeden togen ze elk jaar op de grote feestdagen naar de tempel in Jeruzalem.

-2-
Zo naderde eens het feest van de tempelwijding. En Joachim trok dus op naar Jeruzalem in gezelschap van enkele familieleden. Het was in de tijd, dat Issachar de functie van hogepriester vervulde. Toen deze onder de burgers ook Joachim met diens offergave ontwaarde, keek hij minachtend op hem neer en wilde niets van zijn gaven hebben. Hij vroeg smalend hoe iemand die onvruchtbaar was, het in zijn hoofd haalde om midden tussen de vruchtbaren te gaan staan. En hij maakte hem duidelijk, dat God geen welgevallen zou hebben aan zijn offer: anders zou Hij hem wel niet gestraft hebben met kinderloosheid. Dat stond immers ook in de bijbel: vervloekt was ieder die in Israël geen mannelijke of vrouwelijke nakomelingen op de wereld hadden gezet. Dus hij moest zich eerst maar van die vloek bevrijden door voor nakomelingen te zorgen; dan kon hij terugkomen met zijn offergaven voor het aangezicht van de Heer.
Joachim voelde zich diep beschaamd. Verdwaasd liep hij rond en kwam bij de herders terecht die met hun kuddes in de weiden verbleven. Want naar huis wilde hij niet. Stel je voor dat hij op dezelfde manier nog eens voor schut zou worden gezet door de familieleden die erbij waren geweest!

-3-
Zo ging er enige tijd voorbij. Toen hij op een dag helemaal alleen was, stond er plotseling een engel des Heren voor hem, gehuld in een onpeilbaar licht. Hij raakte volkomen in de war, maar de engel stelde hem gerust:
“Vrees niet, Joachim; je hoeft niet in de war te raken door mijn verschijning. Want ik ben de engel van de Heer. Hij heeft mij tot u gezonden om u te zeggen, dat uw gebeden zijn verhoord, en dat uw aalmoezen voor God niet onopgemerkt zijn gebleven. Hij heeft uw schaamte wel degelijk gezien; en het verwijt van uw onvruchtbaarheid: Hij heeft het wel degelijk gehoord. En het is volkomen misplaatst! Want God wreekt wel de zonde, maar nooit de natuur. Dus áls Hij al ooit de schoot van iemand gesloten houdt, dan is dat alleen maar om haar daarna op des te wonderbaarlijker manier te openen. Dan zal men beseffen, dat wat er geboren wordt, niet voortkomt uit menselijke wellust, maar uit goddelijke genade.
Denk eens aan Sara, uw stammoeder. Zij was zelfs tot op haar tachtigste onvruchtbaar. En toch heeft zij op haar stokoude dag nog haar zoon Isaak voortgebracht, in wie alle volken gezegend zouden worden. Kijk naar Rachel; de Heer hield van háár, net als Jakob; en hoewel zij onvruchtbaar was, heeft zij toch Jozef voortgebracht. Hij zou Heer worden over Egypte, en bovendien redder van alle volken die door honger dreigden ten onder te gaan. Wie kon zich onder de Rechters meten met de kracht van Simson of met de heiligheid van Samuël? En toch hebben ze allebei een onvruchtbare moeder gehad. Dat is allemaal logisch. Maar als u daardoor niet wordt overtuigd, geloof dan de zaak zelf. En die is, dat een lang uitgestelde conceptie of een geboorte uit een onvruchtbare als een des te groter wonder wordt beschouwd.
Op deze manier nu zal uw vrouw, Anna, een dochter ter wereld brengen, en u zult haar de naam ‘Maria’ geven. In overeenstemming met uw belofte zal zij van het begin af aan aan de Heer zijn toegewijd; en van de moederschoot af zal zij vervuld worden met Heilige Geest. Iets onreins zal zij niet eten of drinken. Zij zal niet onder de mensen leven temidden van de drukte op straat, maar in de tempel des Heren. Dan zal over haar nooit iets kwaads kunnen worden gedacht of gezegd. En als zij eenmaal volwassen is, zal zij op haar beurt op wonderlijke wijze, namelijk als maagd, een kind voortbrengen, dat de Zoon van de Allerhoogste zal worden genoemd en die men de naam Jezus zal geven, wat letterlijk genomen betekent ‘Redder van alle volken’. En dit zal u een teken zijn van de dingen die ik heden aankondig: wanneer u straks naar Jeruzalem teruggaat, dan zal uw vrouw Anna u daar bij Gouden Poort tegemoet komen. Want zij maakt zich grote zorgen, omdat u zo lang wegblijft. Maar als zij u ziet, zal zij zielsgelukkig zijn.”

-4-
Vervolgens verscheen dezelfde engel aan Anna met de woorden: “Vrees niet, Anna; en denk niet dat u spoken ziet. Want ik ben de engel die al uw aalmoezen en gebeden voor Gods troon heeft gebracht en aangeboden. Ik ben tot u gezonden met de boodschap, dat u een dochter geboren zal worden, die u Maria moet noemen, en die gezegend zal zijn onder de vrouwen. Zij zal van haar geboorte af aan vol zijn van Gods genade. De drie jaren dat zij de borst krijgt, zal ze thuis doorbrengen. Daarna zal zij – volgens uw belofte – in eigendom worden overgedragen aan de Heer; ze zal geen voet buiten de tempel zetten totdat zij tot de jaren des onderscheids is gekomen. Al die tijd zal ze er vasten en bidden; ze zal dag en nacht God ten dienste staan; ze zal zich verre houden van al wat onrein is, en ze zal nooit met een man gemeenschap hebben. Zij zal als eerste en enige in de mensengeschiedenis zonder vlek of bederf, en – zonder tussenkomst van een man – als maagd de Zoon, en als dienstmaagd de Heer ter wereld brengen: diezelfde Heer die door zijn genade, zijn naam en zijn werk terecht de Redder van de wereld genoemd wordt.
Sta dus op en trek op naar Jeruzalem. Wanneer u zult arriveren bij de zogeheten Gouden Poort – ze is namelijk met goud beslagen – dan zal dit het wonderteken zijn: uw man zal u daar ongedeerd tegemoet komen: terwijl u over hem zo in de zorgen hebt gezeten. Als dit alles zal zijn geschied, weet dan dat ook al het overige zal uitkomen van wat ik u gezegd heb.”

-5-
En zo begaven beiden zich vanaf de plaats waar zij zich op dat moment bevonden op reis naar Jeruzalem. En precies op de plek die door de engel was voorzegd, kwamen zij elkaar tegen. Toen pas konden ze echt blij zijn om het visioen dat ze beiden hadden ontvangen. Nu waren ze er ook zeker van dat ze een kind zouden krijgen. En ze gingen dankzeggen aan de Heer, ‘die nederigen verheft’. Nadat zij de Heer aanbeden hadden, zijn zij naar huis terug gekeerd in afwachting van de vervulling van Gods belofte. En Anna baarde een dochter. En ze noemden haar zoals de engel bevolen had: Maria.

Dogma

Hoewel dit geloof al zeer oud is onder de christenen, werd het in de Katholieke Kerk pas op 8 december 1854 door paus Pius IX († 1878; sterfdag 7 februari) als dogma uitgeroepen.
Vanouds staat het feest op 8 december. Reeds in de vijfde eeuw was er te Jeruzalem een kerk verrezen ter ere van Maria’s geboorte. Deze was ingewijd op 8 september. Die datum werd sindsdien gevierd als Maria Geboorte.
Omdat Maria’s conceptie in de moederschoot negen maanden vóór haar geboorte ligt, werd de feestdag van Maria Onbevlekt Ontvangen dientengevolge 8 december.
Wanneer de openbaringen van Anna Katharina Emmerich ook maar enigszins op waarheid berusten, zouden we mogen aannemen, dat Maria stierf in het jaar 48 op 64-jarige leeftijd. Op het moment van Jezus’ geboorte moet zij zestien jaar oud geweest zijn. Dat is niet onwaarschijnlijk. Haar Onbevlekte Ontvangen zou dan in het jaar 17 vóór Chr. geplaatst moeten worden.



08 dec - vrijdag

Sneek 19:00 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


09 dec - zaterdag

Hele dag Gedenkdag H. Abel, aartsvader, herder en martelaar

Geen,

Abel Aartsvader, Kanaän; herder, rechtvaardige & martelaar; † ca 3700 (volgens Joodse overlevering).

Afbeelding Abel
ca 1910. Houtsnijwerk
Belgë, Mons, kerk St-Elisabeth.

http://www.heiligen.net/afb/12/09/12-09-00--3700-abel_1.jpg

Feest 9 december

Hij was de tweede zoon van Adam en Eva en oefende het beroep van schaapherder uit.

Hij werd gedood door zijn oudere broer Kaïn (Genesis 04,01-16).
In de ogen der christenen is hij in zekere zin een voorafschaduwing van Jezus.

Abel wordt in de Joodse traditie en door Jezus in het evangelie ‘rechtvaardig’ genoemd (Matteüs 23,35).

Hij wordt beschouwd als een martelaar, omdat hij door zijn broer werd gedood op het moment dat hij zijn offer opdroeg.
Hij is patroon van stervenden.



09 dec - zaterdag

Sneek 11:00 - 16:00 Kerstmarkt

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

Zaterdag 9 december a.s. vindt er van 11.00-16.00 uur een gezellige
kerstmarkt plaats in de St. Martinuskerk aan de Singel te Sneek.

Een uniek gebeuren waar u in onze kerk bij 40 stands allerlei leuke (kerst)artikelen kunt kopen.

De toegang is gratis.



09 dec - zaterdag

Sneek 19:00 Woord- en Communieviering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek


09 dec - zaterdag

Roodhuis 19:30 - 20:30 Viering van de Eucharistie, voorganger pastoor van der Weide

It Reahûs (ingang schoolplein), Roodhuis


09 dec - zaterdag

Sneek 20:00 - 22:00 Heel Sneek zingt Kerstliederen

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

Om 20.00 uur vindt er in de St. Martinuskerk een samenzang plaats onder de titel ‘Heel Sneek
e.o. zingt …kerstliederen ‘.
De toegang is GRATIS (kaars met zangboekje kost 1 euro) en een ieder kan genieten van een prachtig
kerstverhaal van pastoor Peter van der Weide, een kerstverhaal van de Sneker stadsdichter Henk van der
Veer, Jeugdorkest On The Move o.l.v. Tseard Verbeek, The Christmas Voices o.l.v Jan Blanksma, Het Martini
Koorschool Sneek o.l.v. Gerard van Beijeren, Duo Piety en Anne, Pop- en Musicalkoor Drylts o.l.v. Jan Blanksma, duet van Pastoor Peter van der Weide en Jan Kuipers en natuurlijk de eigen gezongen samenzang van alle aanwezigen met organist Henk de Haan en trompettist Huite Zonderland.

Na afloop van de samenzang kunt u onder het genot van een (gratis) glaasje
glühwein en een oliebol nog even napraten.
Kortom een feestelijk kerstgebeuren dat voor iedereen toegankelijk is om alvast in
kerststemming te komen.

KOM OP TIJD want VOL=VOL!!! De deuren gaan om 19.30 uur open!



10 dec - zondag

Hele dag Gedenkdag H. Maria van Loreto

Geen,

Maria van Loreto, Italië; overbrenging van het huisje van Nazareth via Dalmatië naar Loreto; 1294.

Afbeelding van Maria van Loreto

Vierde en definitieve overbrenging van het heilig huisje naar de huidige plek in Loreto.
18e eeuw, houtreliëf. Frankrijk, Bretagne, St-Ségael, Chapelle St-Sébastien.

http://www.heiligen.net/afb/12/10/12-10-1294-maria_11.jpg

Feest 10 december.

Wij volgen hier de weergave van Guérin. Hij op zijn beurt zegt zich te baseren op Rohrbacher ‘Vie des Saints’.

‘Introibimus in tabernaculum ejus,
adorabimus in loco ubi steterunt pedes ejus’
[= Wij zullen zijn woning binnengaan
en Hem aanbidden op de plek waar zijn voeten stonden.   Psalm 132, 7 (Vulgaat)]

Dalmatië

‘Tegen het eind van de 13e eeuw verspreidde zich het plotselinge en afschuwelijke bericht dat het Heilig Land voor de christenen verloren was gegaan; het bracht diepe droefenis in de harten van de vrome gelovigen. Maar in dezelfde tijd kwam een ander, veel stiller en kalmer bericht de vrome harten verblijden, en dat doet het nog steeds: het heilig huisje van Nazareth, waar de maagd Maria het vlees geworden Woord ontving, was door engelen overgebracht naar Dalmatië, en vandaar naar Loreto in de Marken van Ancona, dichtbij Recanti. Daar bevindt het zich nog steeds.

In 1291 werden de heilige plaatsen van Palestina onder de voet gelopen. De prachtige kerk die keizerin Helena in Nazareth had laten bouwen, was vernield door de slopershamers van de Mohammedanen. Het heilig huisje dat daar stond was waarschijnlijk hetzelfde lot beschoren. Toen gaf God aan zijn engelen de opdracht het over te brengen naar de uitverkoren velden van het gelovige Dalmatië. Het was de tweede nachtwake van de 10e mei dat het heiligdom uit Nazareth werd neergezet op de oevers van Adriatische kust in een plaatsje dat in de volksmond Rauniza werd genoemd, halverwege Tersatz en Fiume. Nicolaas IV stond op dat moment aan het hoofd van de Kerk, Rudolf van Habsburg was keizer. Het stadje Tersatz werd bestuurd door Nicolaas Frangipane, een nakomeling uit het geslacht van de Aniciërs; hun gezag strekte zich uit over geheel Kroatië en Slovenië.

Het huisje

Bij zonsopgang merkten enkele inwoners verbaasd op dat er een nieuw gebouwtje stond op een plek waar nog nooit enig bouwsel had gestaan. Het gerucht hiervan ging als een lopend vuurtje door de omtrek. Van overal kwam men aanlopen, men bekeek het van alle kanten en bewonderde het geheimzinnige gebouwtje dat bestond uit kleine, rode, vierkante steentjes die bijeen gehouden werden door cement. Men verbaasde zich over de eenvoud ervan; het moest al heel oud zijn, en het zag er oosters uit. Niemand begreep hoe het overeind kon blijven, terwijl het gewoon los op de grond stond zonder enig fundament.

Maar de verbazing werd nog groter toen men binnen ging kijken. De kamer bestond uit een rechthoek. De zoldering werd bekroond met een klokje; het plafond was van hout, azuurblauw geverfd; het was in een aantal afdelingen verdeeld, hier en daar beschilderd met gouden sterretjes. De hele kamer rond zag je beneden de lambrisering halve cirkeltjes die om elkaar heen tolden en hadden zodoende veel weg van vazen in verschillende vormen. De muren waren ongeveer één el dik; ze waren ongelijk van structuur en stonden ook niet helemaal verticaal. Ze hadden een bekleding waarop de belangrijkste mysteries van deze heilige plek stonden geschilderd. Men kon bij dit geheimzinnige verblijf  naar binnen door een tamelijk brede deur opzij. Het enige venstertje zat rechts. Tegenover de ingang was een altaar uit stevige, vierkante stenen; er stond een antiek Grieks kruis op met een op doek geschilderd kruisbeeld dat op hout was geplakt. Daar stond de naam van onze Heiland op te lezen: “Jezus van Nazareth, koning der Joden”.

Vlak naast het altaar was een verbazend eenvoudig, klein kastje, bestemd voor de meest noodzakelijke dingen van een arm huishouden. Er zaten wat flesjes in die moeders gebruiken om een klein kind te voeden. Links een soort schoorsteen of haard; daarboven een uitbouw die gesteund werd door sierlijke zuiltjes met cannelures en krullen en bekroond door een ronde welving die bestond uit vijf met elkaar verbonden en verweven maantjes. Daarop stond een cederhouten beeldje van de gelukzalige Maagd met het Kind Jezus op de arm. Hun gezicht was zilverkleurig geverfd maar intussen zwart geworden door de tijd en waarschijnlijk ook door de kaarsen die er eerbiedig vóór hadden gebrand. Een paarlen kroon op het hoofd van Maria benadrukte de adeldoom van haar voorhoofd. Haar haren hadden een Nazareense scheiding en golfden over haar hals en schouders. Haar lichaam ging gekleed in een gouden gewaad dat viel tot op haar voeten en bijeengehouden werd door een brede ceintuur. Een blauwe mantel bedekte haar heilige achterzijde. Allebei waren vervaardigd uit hetzelfde hout en vertoonden verfijnde plooien. Het Kind Jezus was groter dan normale kinderen; zijn gezicht straalde goddelijke majesteit uit. Het werd nog verfraaid door zijn haren die in een Nazareense scheiding op zijn voorhoofd vielen; Nazareens waren ook zijn gewaad en ceintuur; het stak zijn eerste vingers van zijn rechterhand omhoog in een zegengebaar; met zijn linker hield hij een wereldbol vast, symbool van zijn opperheerschappij over het heelal. Toen het Mariabeeld arriveerde, was het afgedekt door een rood linnen kleed dat nog steeds wordt bewaard en geen slijtage vertoont. Zo zag het huisje eruit op het moment dat het in Dalmatië aankwam.’

[Hier verwijst Guérin naar A.B.Caillou ‘Histoire critique et religieuse de Notre Dame de Lorette’ Paris, 1843]

Wonderbaarlijke genezing

‘Overal heerste verbazing. Men vroeg zich wat dit onbekende verblijf kon betekenen, door welke hand de wandversieringen waren gemaakt, en wie er in staat was geweest dit nieuwe heiligdom van het ene moment op het andere hier neer te zetten. Allemaal vragen, maar geen antwoord. Totdat plotseling temidden van de menigte de eerbiedwaardige herder van de Sint-Joriskerk opdook, bisschop Alexander; hij was afkomstig uit Modruzia. Zijn aanwezigheid ontlokte overal een kreet van verbazing. Iedereen wist dat de man doodziek was, nagenoeg zonder enige hoop op herstel. En kijk, daar stond hij, blakend van gezondheid! De ziekte was weg. Van koorts geen spoor meer.

’s Nachts had hij op zijn ziekbed een heftig verlangen in zich voelen opkomen om met eigen ogen het wonder te gaan aanschouwen waarover hij hoorde vertellen. Hij vertrouwde zich toe aan Maria wier wonderdadig beeld zo levendig was beschreven. Plotseling had de hemel zich geopend en was de allerheiligste Maagd verschenen temidden van haar omringende engelen, en met een stem zo lieflijk dat  het hart erbij opsprong had zij gezegd: “Je hebt geroepen, mijn zoon. Ik ben gekomen om je te helpen en je het geheim te openbaren dat je wilt leren kennen. Weet dan dat het heilige verblijf dat zojuist naar jullie grondgebied is toegebracht, het huisje is waar ik geboren ben en opgegroeid. Daar heb ik ook op het woord van de aartsengel Gabriël door toedoen van de Heilige Geest het goddelijk kind in mijn schoot ontvangen. Daar is het woord vlees geworden. Na mijn dood hebben de apostelen het onderkomen, zo bijzonder door de diepe geheimen, gewijd; ze betwistten elkander de eer er de heilige geheimen te mogen vieren. Het altaar dat is meegekomen werd nog eigenhandig gebouwd door de apostel Petrus. Ook het kruisbeeld dat je er ziet, is destijds door de apostelen geplaatst. Mijn cederhouten afbeelding is eigenhandig gemaakt door de evangelist Lukas; hij was mij zeer toegedaan en heeft mijn trekken kunstig weergegeven zo adequaat als het voor een mens maar mogelijk is. Dit huisje –  zo geliefd in de hemel, en zo lang met zorg en eerbied omringd in Galilea, maar heden ten dage beroofd van elk eerbetoon temidden van de geloofsafval – is van Nazareth naar deze streken gekomen. Laat er geen twijfel over bestaan: de bewerker van dit alles is God zelf, bij wie immers niets onmogelijk is. Dus vooruit, jij moet er getuige en verkondiger van zijn. Ontvang daarom je genezing. Het terugkrijgen van je gezondheid na zo’n lange ziekteperiode zal het geloof in dit wonder versterken.

Aldus sprak Maria. Ze verhief zich ten hemel en verdween, een heerlijke, hemelse geur in de kamer achter latend. De trouwe dienaar voelde hoe de pijn week, de koorts afnam en de krachten terugkeerden. Hij móest opstaan, zich op de knieën werpen, zijn weldoenster bedanken en naar het verheven heiligdom toe rennen om er dank te zeggen. Zo kon hij zijn erkentelijkheid tonen en bewijzen dat dit bezoek niet een of andere kinderlijke hersenschim was in een hoofd dat door pijn in de war was.

Officieel onderzoek

De heerser over die streek, Nicolaas Franfipane, was op dat moment afwezig. Hij was met Rudolf van Habsburg ten strijde getrokken. Midden in die militaire onderneming ontving hij het bericht van de wonderlijke gebeurtenissen. De vorst gaf hem toestemming het leger te verlaten om zich van de waarheid op de hoogte te stellen. De lange weg was voor hem geen bezwaar. Hij kwam hoogstpersoonlijk naar Tersatz; zonder zich te laten meeslepen door het eerste enthousiasme, liet hij zich nauwkeurig informeren. Hij was nog helemaal niet overtuigd. Hij koos zelf vier wijze en bedachtzame mannen uit. Onder hen bevonden zich, naast bisschop Alexander, Sigismond Orsich en Jan Grégoruski. Zij begaven zich naar Nazareth om een nader onderzoek in te stellen naar de omstandigheden van dit buitengewone gebeuren. Zij volvoerden hun opdracht met evenveel toeleg als wijsheid. Hun eindrapport luidde: “Het geboortehuisje van de allerheiligste Maagd bevindt zich niet meer in Nazareth, Galilea; het is los gekomen van zijn fundament; dat fundament ligt er nog steeds; er is geen verschil van materiaal tussen de stenen die op het fundament zijn achtergebleven en die waaruit het huisje is opgebouwd; de afmetingen van lengte en breedte komen precies met elkaar overeen.” Hun conclusies stonden op schrift en werden met een plechtige verklaring bekrachtigd. Zij is authentiek volgens alle eisen die de wet eraan stelt.

Geen twijfel of onzekerheid meer mogelijk. De devotie nam een snelle vlucht; mensen kwamen er van overal toe. Het leek wel of de provincies van Bosnië, Servië, Albanië en Kroatië compleet werden leeggeschud en hun inwoners uitstortten op dit door de hemel bevoorrechte stukje grond. Om gedrang onder de pelgrims te voorkomen liet Frangipane de gewijde muren volgens de smaak van daar beschermen met balken en planken; dit soort constructies waren daar heel gebruikelijk. Hij deed royale schenkingen om de schoonheid van dit eerbiedwaardige heiligdom nog te vergroten. Met als gevolg dat de roem ervan  zich steeds meer verspreidde.

Vertrek uit Dalmatië

Drie en een half jaar na de aankomst in Tersatz verhief het huisje van Nazareth, gedragen door engelenhanden, zich weer in de lucht en verdween uit het zicht van de teleurgestelde bevolking. De vorst liet op diezelfde plek en op dezelfde restanten een kapelletje bouwen waar tegenwoordig nog te lezen staat: “Dit is de plaats waar ooit het allerheiligste huisje van de gelukzalige Maagd van Loretto heeft gestaan; tegenwoordig wordt het vereerd in de streek van Recanti.” Op de grond liet men in het Italiaans de tekst aanbrengen: “Het heilig huisje van de gelukzalige Maagd kwam op 10 mei 1291 naar Tersatz en vertrok weer op 10 december 1294.” De pausen verleenden meerdere privileges aan de gedachteniskapel van Tersatz. Geestelijken en kerkvolk zingen er nog altijd dit lied: “O Maria, u bent hierheen gekomen met uw huisje om als vrome Moeder van Christus genade te brengen. Nazareth was uw wieg, maar Tersatz was uw eerste halteplaats op zoek naar een nieuw vaderland. U hebt uw geheiligde verblijf naar elders overgebracht, en tegelijk bent u bij ons gebleven, o Koningin van de zachtmoedigheid. Wij prijzen ons gelukkig dat wij waardig waren uw moederlijke aanwezigheid te mogen herbergen.”

Van toen af tot in onze dagen ziet men elk jaar grote groepen Dalmatiërs de Adriatische Zee oversteken en naar Loreto komen; enerzijds bewenen zij hun verlies, anderzijds vereren zij de wieg van Maria. Telkens weer nemen zij deze plechtige woorden in de mond: “Kom naar ons terug, Maria, kom terug!” Zo kwamen er in het jaar 1559 meer dan driehonderd pelgrims uit die streek naar Loreto met brandende kaarsen; eerst hielden zij stil bij de hoofdingang waar zij zich ter aarde wierpen om de hulp van God en de Heilige Maria af te smeken. Vervolgens werden zij door de meegekomen priesters keurig in rijen op hun knieën gezet; zo gingen zij hun heiligdom binnen en riepen als uit één mond in hun eigen taal: “Kom terug, kom naar ons terug, Maria! Maria, kom terug naar Fiume!” Hun verdriet was zo heftig en hun gebed zo vurig dat degene die hiervan getuige was en deze geschiedenis heeft opgeschreven, hun het zwijgen probeerde op te leggen uit vrees – zo zei hij – dat zulke vurige gebeden verhoord zouden worden en dat de heilige kapel aan Italië ontrukt zou worden en weer zijn oude plaats zou innemen in Tersatz. De paus wenste de devotie van dit vrome volk tegemoet te komen. Hij stichtte in Loreto een gasthuis waar meerdere Dalmatische gezinnen tegelijk ondergebracht konden worden, als ze het niet over hun hart konden verkrijgen naar huis terug te keren en de Maagd van Nazareth te verlaten, en zodoende hun vaderland lieten voor wat het was en verkozen te blijven op de plek die ook Maria voor zichzelf had uitgekozen.

Overbrenging naar Loreto

Hoe verliep die nieuwe overbrenging? Hier volgt de weergave zoals die door een kluizenaar uit die tijd in een brief aan koning Charles II werd opgeschreven.

“Op zaterdag 10 december van het jaar Onzes Heren 1294, halverwege de nacht, toen alles in stilte was gehuld, drong er een hemels licht door in de ogen van meerdere bewoners van de Dalmatische kust. Een goddelijke muziekkapel wekte zelfs de diepste slapers en haalde hun uit de slaap om getuige te kunnen te zijn van een groter wonder dan welk natuurverschijnsel ook. Zij kwamen toelopen en zagen hoe een huisje, in een hemels licht gehuld en gedragen door engelenhanden, door de lucht werd vervoerd. Boeren en herders onderbraken stomverwonderd hun bezigheden bij het zien van dit groot wonder; ze vielen op hun knieën in aanbidding zo lang als het wonder duurde. Intussen werd het door engelen gedragen huisje midden in een groot bos neergezet, waarbij de bomen zich bogen alsof ook zij de Koningin des Hemels hulde wilden brengen. Tot op de dag van vandaag zie je ze nog altijd  krom gebogen staan alsof zij hun vreugde te kennen willen geven. Men weet te vertellen dat er vroeger ooit op die plek een tempel heeft gestaan die aan een of andere onwaarachtige godin was toegewijd. Daar was een laurierbos omheen aangelegd. Dat zou verklaren waarom het daar nog altijd Loreto heet.

De morgen was nog maar nauwelijks aangebroken of de boeren haastten zich naar Recanti om te vertellen wat er gebeurd was. En heel de bevolking liep uit naar het Laurierbos om te gaan kijken wat er waar was van het verhaal. Onder de edelen en de gewone bevolking stonden er velen sprakeloos van verbazing; er waren er heel wat die het wonder maar amper konden geloven. De besten konden hun tranen niet bedwingen en zeiden met de profeet: ‘Wij hebben hem gevonden in het bos;’ of ook: ‘Zo heeft hij met andere volken niet gedaan!’ Zij vereerden het kleine, heilige huisje, gingen er met grote schroom naar binnen en brachten hulde aan het houten beeld van de goddelijke Maagd Maria met haar Zoon op de arm. Eenmaal terug in Recanti vervulden zij de straten met vreugdekreten. Vaak verlieten zij hun woonplaats om het heilige kapelletje te vereren. Het was een eeuwig komen en gaan  van mensen die elkaar onderweg tegenkwamen.

Intussen vermeerderde de gelukzalige Maagd Maria de tekenen en wonderen. Het gerucht van dit grote wonder verspreidde zich tot in de verre omtrek, alsmede in de omliggende provincies, en allen kwamen naar het Laurierbos dat al gauw vol kwam te staan met houten gebouwtjes die als onderkomen moesten dienen voor de pelgrims. Terwijl dit alles plaats vond,  wist de helse leeuw die altijd op zoek is naar wie hij kan verslinden, een paar schurken zover te krijgen vuile handen te maken door een aantal diefstallen en zelfs moorden te plegen, met als gevolg dat de devotie afnam uit vrees voor die boosdoeners.

Tweemaal verandering van plek

Na acht maanden werd het eerste wonder bekrachtigd door een tweede. Het heilige huisje verliet het vermaledijde bos en werd door engelen midden op een heuvel geplaatst die deel uitmaakte van het bezit van twee broers uit Recanti: de edelen Stefano en Simone Rainaldi de Antiquis. Gaandeweg nam de devotie van de gelovigen weer toe en het kleine heilige huisje werd verrijkt met grote giften en schenkingen. De beide adellijke broers voerden er het beheer over. Maar al gauw waren ze in de greep van de hebzucht, ze eigenden zich de schenkingen toe en dreven hun schandelijk gedrag zelfs zo ver dat ze ook elkaar het bezit van de kostbaarheden begonnen te betwisten.

Dus trok het heilige huisje vier maanden na zijn aankomst zich terug van de heuvels van de beide broers en werd door een derde wonder door engelen overgebracht naar een nieuwe plek ongeveer op één steenworp afstand: midden op de openbare weg die van Recanti naar de kust loopt. Daar zie ik het tot op de dag van vandaag en heb ik elke dag zicht op de rijke genadegaven die het schenkt aan al degenen die er naar toe komen om er te bidden.”

Intussen zagen de inwoners van Recanti met bezorgdheid aan hoe zwak de heilige muren waren. Rustend op de grond hadden ze geen fundament waarop ze konden steunen. Was het niet te vrezen dat ze van lieverlee zouden afbrokkelen en dat aldus het land van een van zijn allermooiste sieraden zou worden beroofd? Hun angst werd nog vergroot door het feit dat die plek open lag voor luchtverplaatsingen; er was vaak zulk heftig onweer alsof storm en regen wel met elkaar een samenzwering gesloten leken te hebben. Zij besloten daarom rond dit kwetsbare bouwwerk een stevige muur op te trekken die gefundeerd moest zijn op harde in vuur gebakken stenen. Ze deden nog meer. Elke dag liet God er talrijke wonderen gebeuren dankzij dit deugdzame heilige huisje. Zij riepen daarom kundige schilders om met penseel op de muren – vooral die aan de noordzijde gelegen waren – nauwkeurig alle facetten van de wonderbaarlijke geschiedenis te schilderen. Zo zou iedereen – maar vooral degenen die nergens van wisten – dit wonder kunnen verstaan en er de allerheiligste Maagd om kunnen bedanken.

Het oude huisje en de aangebrachte vernieuwingen

Voor wat er verder gebeurde volgen we het getuigenis van de historicus Pater Riéra: “De volksmond in de provincie Ancona weet te vertellen dat er een groot wonder is gebeurd. Op het moment dat de werkzaamheden klaar waren, bleken de nieuwe muren zo ver van de oude af te staan dat een kind, wanneer het die verwijding zou willen laten zien, er gemakkelijk met een kaars tussendoor kon lopen. Dat wonder bracht hevige beroering te weeg. Temeer, omdat men er zeker van was dat ze tevoren zo dicht tegen elkaar stonden dat je er zelfs geen haar tussen had kunnen krijgen. Vandaar dat de overtuiging heeft post gevat dat er niets tegen de muren van het verheven huisje van Loreto aan moet komen, omdat de heilige Maagd het zo heeft gewild: wij mogen niet denken dat haar eerbiedwaardige verblijf ook maar enige menselijke hulp nodig zou hebben om overeind te blijven. Wat hiervan de oorzaak ook mag zijn, het betreft hier een onaanvechtbaar feit. Immers tot op de dag van vandaag zijn er nog getuigen in leven die dit wonder met eigen ogen hebben aanschouwd. Ten tijde van paus Clemens VII wilde de architect van de heilige kapel, Rainero Nerucci, die sindsdien bij mij als boezemvriend is blijven wonen, op last van de paus de stenen muur afbreken die in de loop van de tijd al praktisch volkomen in verval was geraakt, om er het prachtige, huidige marmeren monument voor in de plaats te zetten. Daarbij bemerkte hij tot zijn niet geringe verbazing dat geheel tegen de wetten van de architectuur en de menselijke kunstvaardigheid in, alle stenen die niet tot de oorspronkelijke bouw hadden behoord, zich van het heilig huisje hadden verwijderd; het leek wel of ze op die manier het heiligdom eer wilden brengen. Diezelfde Rainero – en trouwens heel wat anderen ook – hebben mij verteld dat er in de loop van de tijd zoveel speelruimte tussen de stenen van die muur was ontstaan dat je er dwars doorheen het oorspronkelijke bouwwerkje kon bewonderen en kon genieten van de uitstraling die het had.”

Pausen bevorderen de devotie tot OLV van Loreto

In het begin van de 14e eeuw bouwden de inwoners van Recanti in Loreto een heiligdom waarbinnen de heilige kapel besloten lag. Er ontstond een stadje rondom. De pausen hebben er onophoudelijk geestelijke en materiële privileges aan verleend. In 1464 schonk paus Pius II aan Onze Lieve Vrouw van Loreto een gouden kelk om genezing van ziekte verkrijgen; wat hem inderdaad gegeven werd. In datzelfde jaar liet zijn opvolger Paulus II een nieuwe basiliek bouwen rond de heilige kapel. In een bul van 15 oktober zei hij: ‘Men hoeft er niet aan te twijfelen dat God op voorspraak van de allerheiligste Maagd en moeder van zijn goddelijke Zoon, elke dag opnieuw de gelovigen verhoort die Hem hun bijzondere dank betuigen; en dat de kerken die aan haar zijn toegewijd met de grootste devotie moeten worden bejegend. En in het bijzonder dan die kerken waar de Allerhoogste op voorspraak van de verheven Maagd Maria des te vaker en des te groter wonderwerken verricht. Het is duidelijk dat de kerk van Onze Lieve Vrouw te Loreto in het bisdom Recanti op basis van de grote, ongehoorde en herhaalde wonderen die er door toedoen van de Heilige Maagd gebeuren en die wijzelf aan den lijve hebben ondervonden, mensen aantrekt uit alle hoeken van de wereld.’

Sixtus IV

De opvolger van Paulus II, Sixtus IV, verklaarde dat Loreto voortaan deel uitmaakte van de Kerkelijke Staat. Alle mensen die er te werk waren gesteld, vielen onmiddellijk onder hem en waren ontheven aan elke andere jurisdictie. De paus benoemt steeds twee bekwame onderdanen: de een krijgt de naam van vicaris: hij zorgt voor het geestelijk welzijn; de andere wordt gouverneur: hij draagt zorg voor alle materiële voorzieningen. De vicaris stelt acht kapelaans aan die aan de residentie verbonden zijn en die elke dag een plechtige, gezongen votiefmis moeten opdragen. De biechtvaders hebben naast de reeds verleende volmacht om zonden te vergeven ook het recht iemand van geloften te ontslaan of liever ze om te zetten in goede werken of de nodige bijdragen aan het onderhoud van de kapel. De Karmelieten die al tot taak hadden in Palestina de heilige plaatsen te beheren, werden geroepen om de zorg op zich te nemen voor de kamer van de Moeder Gods.

Leo X

Leo X hernieuwde alle privileges die in het verleden waren verleend en voegde er nog in overvloed nieuwe aan toe. Er werd een collegiale kerk gesticht waar twaalf kanunniken, twaalf vaste priesters en zes koorzangers aan verbonden werden. De aflaten die behoorden bij de apostolische staties in Rome, werden uitgebreid naar het heiligdom in Loreto waar men door het bezoek aan één kerk meer verdiensten opbouwde dan door een bezoek aan een aantal kerken in de hoofdstad van de christelijke wereld. De herfstmarkten van Ancona, Pisaurië en andere plekken werden opgeheven om des te meer gewicht te geven aan die van Recanti die gehouden werd tegen Kerstmis. Je zag er niet alleen katholieken, maar ook Grieken en Armeniërs, die hoewel schismatiek, uit devotie tot Maria in gesprek gingen met de gelovige kinderen van de katholieke Kerk. De gelofte tot het doen van een pelgrimsreis naar Loreto werd voorbehouden aan de paus, juist zoals  in het geval van een bezoek aan de apostelgraven of het graf van Jezus Christus. De beeldhouwer Sansovino kreeg de opdracht het kostbare heiligdom rondom te voorzien van een magnifiek beeldhouwwerk vervaardigd uit wit marmer van Carrara. De door de paus benoemde gouverneur kreeg het voorrecht in pontificale kledij de mis op te dragen en de mensen de bisschoppelijke zegen te geven. Er werden orders uitgevaardigd om het kasteel te versterken en om boulevards, fortificaties en grachten aan te leggen, dit alles verdedigd door flinke stukken artillerie; aldus zorgde men ervoor dat de het heiligdom werd beschermd tegen onverwachte aanvallen.

Clemens VII

Clemens VII voerde het fantastische plan uit van zijn aanverwante voorganger Leo X: het plan om de eenvoudige muren van het heilig huisje aan de buitenkant te voorzien van schitterende decoraties bestaande uit beeldhouwwerk in wit marmer. Daartoe deed hij een beroep op de beroemdste kunstenaars die met elkaar in talent en vindingrijkheid moesten wedijveren om zo’n edel werk tot voltooiing te brengen. Tot hoofdarchitect die zoweel op de kerk als op de gaanderij toezicht moest houden, benoemde hij de fameuze Nerucci. Het marmerwerk had al de juiste maat en de versieringen stonden klaar om aangebracht te worden. Nerucci liet de oude muren neerhalen die – zoals gezegd – op enige afstand om de kwetsbare muren van het wonderdadige kamertje heen stonden. Zo stond het enige dagen in al zijn eenvoud bloot aan de gretige blikken van de devote en nieuwsgierige bevolking. Ieder kon zien dat het op de kale grond stond zonder fundamenten. Eronder was korrelige aarde, zoals op wegen waar veel verkeer overheen gaat. Je kon zelfs nog een doornstruik zien waar de heilige last van het huisje door engelen boven op was gezet. Alles sprak van iets dat toegankelijk was voor iedereen, geheel in overeenstemming met de traditie. Maar nu moest er begonnen worden aan graafwerk om fundament te geven aan de marmeren kostbaarheden. Het was voor iedereen zonneklaar dat het heilig muurwerk op zulk oneffen en korrelig terrein was geplaatst met alle voorlopigheid van dien. In zijn officiële rapportage aan paus Clemens VII maakt Girolamo Angelita melding van al deze wonderbaarlijke omstandigheden. Er kan dus geen twijfel over bestaan.

De fundamenten staken al boven de grond uit, toen bekend werd dat de plannen zoals ze waren onderbroken door Leo X, maar weer goedgekeurd door Clemens VII met zich meebrachten dat de enige deur van het huisje zou worden dicht gemetseld, en dat er drie voor in de plaats kwamen die op het plein uit zouden komen; daarmee wilde men de ongelukken vermijden die nu steeds gebeurden omdat er te weinig plaats was voor de vrome pelgrims die elkaar herhaaldelijk verdrongen. Toen dit nieuws bekend werd, ontstond er hevige consternatie onder de bevolking. Plotseling dreigde overal opstand. Wie had het lef om met een brutale hamer muren geweld aan te doen die door de eeuwen met respect waren behandeld? Toch stond de paus erop. Het ging om het algemeen belang. En om de schoonheid van de ingreep. De architect Nerucci hief dus moedig de hand om de eerste slag toe te brengen. Maar op datzelfde moment verbleekte hij, begon te trillen, voelde zijn krachten wegvloeien, en viel bewusteloos op de grond. Men bracht hem over naar zijn huis; zijn toestand was kritiek; hij leek in acuut levensgevaar. Toen zijn vrome echtgenote hem in die toestand zag, viel ze wanhopig Maria te voet en riep de voorspraak in van de beschermheilige van Loreto. Haar gebeden werden verhoord; de toestand van algehele zwakte verdween en de onfortuinlijke architect kon gelukkig weer terug naar zijn familie en aan het werk.

Intussen had men de paus van dit wonderlijke gebeuren op de hoogte gebracht; men vroeg zijn raad in deze delicate affaire. Hij antwoordde aldus: “Wees niet bang om de muren van het verheven heiligdom te doorbreken en er deuren in te maken: aldus bepaalt Clemens VII.” Hoe uitdrukkelijk deze bepaling ook was, nog wel voorzien van alle gezag van de Heilige Stoel, toch was het niet voldoende om de vrees bij architect Nerucci weg te nemen en te gehoorzamen. Tevergeefs probeerde men hem aan te sporen en over te halen. Alle pogingen strandden. Enerzijds voerde het bevel van de paus de druk op om aan het werk te gaan, anderzijds werd het belemmerd door de verbijstering van de bevolking.  Ineens  verscheen er een man die zich aanbood het gevaarlijke werk aan te pakken. Hij behoorde tot de lagere geestelijkheid en zong mee in het koor van het heiligdom. Hij heette Ventura Perini. Om te beginnen nam hij drie dagen om zich met intensief gebed en strenge vasten voor te bereiden op de onderneming.  Tegen de avond van de derde dag begaf hij zich, omstuwd door een dichte drom van ontelbare mensen, naar de heilige plaats. Hij maakt een kniebuiging, kuste en kuste wel duizend keer de heilige muur en pakte een hamer. Maar voor hij toesloeg, richtte hij zich, reeds met de arm geheven, tot Maria en sprak vertrouwvol: “Vergeef mij, heilig huisje van de allerzuiverste Maagd. Niet ik ben het die een gat in u gaat  maken, het is Clemens, de plaatsbekleder van Jezus Christus, in zijn verlangen u mooier te maken. Sta het hem toe, Maria, en kom tegemoet aan zijn hartsverlangen.” Daarop bracht hij een eerste slag toe, gevolgd door nog een aantal, en hij ondervond er geen enkel probleem bij. Andere werklieden vatten moed en volgden hem na in zijn werk evenzeer als in zijn devotie. De deuropeningen werden zichtbaar; de stenen werden eerbiedig opzij gelegd en hergebruikt bij het dichtmetselen van de enige deuropening die tot dan toe toegang had gegeven tot het kostbare heiligdom. De balk die dienst had gedaan als architraaf werd bewaard in het metselwerk als een monumentale herinnering aan de oude situatie en de vernieuwing met zijn prachtige beeldhouwwerk kwam tot voltooiing.

Sixtus V

In 1585 werd Sixtus V paus. Hij sprak: “Overwegende dat de stad Loreto over de hele wereld beroemd is geworden en dat zij binnen haar muren een belangwekkende collegiale kerk herbergt die is toegewijd aan de gelukzalige maagd Maria; en overwegende hoe eerbiedwaardig deze kerk is, waarin het verheven huisje staat, dat is geheiligd door goddelijke geheimen, omdat de zuiverste Maagd daar is geboren en begroet door de engel en omdat zij daar van de Heilige Geest de Verlosser van de wereld heeft ontvangen; en overwegende dat dit huisje naar hier is overgebracht door dienstvaardige engelen, en dat er elke dag wonderen gebeuren op voorspraak en door de verdiensten van de heilige patrones, en dat de gelovige dienaren van Jezus Christus er elke dag in grote drommen van over de hele wereld in vrome bedevaart naar toe komen, verheffen wij het plaatsje Loreto tot de rang van stad, en maken wij de kerk tot kathedraal door er een bisdom te vestigen.”

Clemens VIII

Clemens VIII werd paus in 1592. Hij ondernam hoogstpersoonlijk een bedevaart naar Loreto en verbood dat er een andere litanie gezongen zou worden dan degene die nu gebruikelijk is  in de Kerk, en die men doorgaans de Litanie van Loreto noemt. Het was immers in deze kerk dat ze voor het eerst werd gezonden, opgesteld door kardinaal Savelli aan wie ze doorgaans word toegeschreven. Hij liet ze in 1483 op een zilveren blad ingraveren. Onderaan staat te lezen: “Paul Savelli, vorst van Albano en keizerlijk afgezant.”

Clemens IX en Innocentius XII

Clemens IX werd paus in 1667. Na een uiterst zorgvuldig onderzoek door de Congregatie van de Riten bepaalde hij middels een plechtig decreet dat de geschiedenis van het indrukwekkende Loretowonder met de volgende opmerkelijke woorden zou worden opgenomen in het Romeins Martelarenboek: “Te Loreto, in het streek van Ancona, het overbrengen van het heilig huis van de Moeder Gods Maria waarin het woord is vlees geworden.” In 1691 ontwierp Innocentius XII een officie en een speciaal misformulier, en voegde in het Romeins brevier na de zesde lezing de geschiedenis van het wonder toe.

Benedictus XIV

Voor zijn verheffing tot de Heilige Stoel had Benedictus XIV zich al een even geleerd als toegewijd verdediger van het heilige huisje betoond. Hij had zich op voortreffelijke wijze vereenzelvigd met de identiteit van het nederige en bescheiden verblijf uit Nazareth tegen de kritiek van de protestant Casaubon en andere bestrijders van de waarheid. We hoeven ons er dan ook niet over te verbazen dat hij alle privileges en voorrechten van zijn voorgangers bevestigde. Daarnaast werkte hij aan de verfraaiing van het verheven heiligdom door een stevige klokkentoren te bouwen en een mooi terras aan te leggen voor het apostolisch paleis.

Maar tijdens zijn regering heeft deze paus verder geen noemenswaardige dingen ondernomen voor Loreto, behalve dan dat de vloer van de heilige kapel opnieuw is betegeld, en die welke het gevolg waren van een onderzoek dat was ingesteld. Dat was in 1751. Giovanni-Battista Stella uit Bologna stond aan het hoofd van de stad. Op het moment dat hij de werkzaamheden wilde starten, leek het hem toch goed – en terecht – zich te omringen met enkele respectabele medewerkers. Zo vroeg hij monseigneur Alexander Borgia om hulp; daarnaast nodigde hij nog vier andere bisschoppen uit: die van Iesi, Ascoli, Macerata en Loreto. Hij vertrouwde het werk toe aan een architect en vier metselaars. Daar werden nog drie architecten uit den vreemde aan toegevoegd; zij waren juist in de stad om het heiligdom te bezoeken. Allen waren erbij toen het graafwerk begon. Al gauw had men de basis van de heilige muren bereikt: ze staken minder dan een voet de grond in. De architect en de meestermetselaars die het eerst in het gat waren afgedaald haalden droge aarde, vermengd met kleine vergruizelde steentjes naar boven, precies zoals je ze vindt op plat getreden paden en openbare wegen.

Intussen wilde een van de kundigste architecten met alle geweld doorgraven om te zien op welke diepte zich eigenlijk de vaste grond begon waarop men gewoonlijk de fundamenten aanbracht wilde men stevig bouwen. Hij was aan één kant al zo diep gegaan dat hij er helemaal in verdween. Op dat moment begon de bewaker Saviero Monti doodsbenauwd te worden: “De muur van het heiligdom is zo dun! Gaat dat niet instorten? Of misschien hier en daar verzakken?” Tevergeefs sprak hij zijn ongerustheid uit. De nieuwsgierige architect bleef doorgaan met zoeken. De grondwerkers waren al op een diepte van zo’n acht of negen voet gekomen, toen er plotseling een kreet weerklonk: “De vaste grond! De vaste grond!” Hij verzamelde een handvol en eenmaal weer boven, toonde hij het enthousiast aan de aanwezigen. Die keerden zich in tot een zegenbede aan God wiens hand tegen alle regels van de architectuur in al sinds eeuwen ondanks aardschokken en andere trillingen het nederige en bescheiden huisje van Maria ondersteunt.

Laatste beschrijving van het huisje

Het huisje is niet – zoals sommigen denken – opgetrokken uit baksteen, maar het bestaat uit lichtelijk bewerkte, roodkleurige, enigszins poreuze natuurstenen waar omheen de geur van oudheid hangt. Het is gebouwd met materiaal dat in Italië niet voorkomt, maar in Nazareth heel gewoon is. Alle voorwerpen komen uit de antieke tijd en hebben een enigszins oosters, en zeker geen westers karakter. De afmetingen komen exact overeen met de in Nazareth achtergebleven fundamenten. Dat het blijft staan, temidden van veel steviger gebouwen die alweer vergaan zijn, is op zich een wonder, want het is zomaar zonder fundament op de grond neergezet. Het heeft altijd iets onaantastbaars gehad; nooit heeft men straffeloos er ook maar een piepklein stukje van kunnen afhalen. Het huisje van Loreto is dus geen gewoon bouwwerk. Het is een ruimte die heel speciaal de almachtige bescherming van Gods hand geniet. Het is dus ook niet in vroeger tijden in Italië opgebouwd, maar van overzee aangevoerd. Het is wel degelijk het kamertje waarvan de resterende fundamenten in Galilea gebleven zijn, het kamertje dus van Maria, het kamertje waar zich de verhevenste van onze geloofsgeheimen hebben afgespeeld.

Om voor altijd de herinnering van het wonder van de overbrenging van het heilig huisje van de Maagd Maria levend te houden, gaf Clemens VII (1378-1394) toestemming dat feest in de basiliek van Loreto te vieren. Urbanus VIII (1623-1644) breidde dit feest uit over alle kerken van de Mark Ancona. Innocentius XII (1691-1700) gaf zijn goedkeuring aan een eigen formulier voor dit feest. In 1724 breidde Benedictus XIII het uit over de gehele kerkelijke staat. Het is ook populair in Frankrijk; er zijn al heel wat bisschoppen die het hebben bijgeschreven op het feesteigen van hun bisdom.’



10 dec - zondag

Blauwhuis 09:30 - 10:30 Eucharistieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger: pastoor van der Weide

Met medewerking van het Caeciliakoor



10 dec - zondag

Heeg 09:30 - 10:30 Woord- en Communieviering, Dhr. J. Mulder

Sint Josephkerk – Heeg, Heeg

voor overleden dierbaren;
voor Bernardus en Johanna Zijlstra – de Jong;



10 dec - zondag

Sneek 11:00 Eucharistieviering - 2e Adventszondag

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

M.m.v. het Caeciliakoor o.l.v. F. Haaze



11 dec - maandag

Hele dag Gedenkdag H. Damasus, paus

Geen,

Damasus, Rome, Italië; paus; † 384.

Afbeelding Damasus

Hiëronymus (rechts) overhandigt aan paus Damasus zijn Latijnse vertaling van het Nieuwe Testament.
Bijschrift: ‘Hiëronymus aan paus Damasus’.
12e eeuw, handschriftverluchting. Frankrijk, Dijon, Bibliotheek.

http://www.heiligen.net/afb/12/11/12-11-0384-damasus_1.jpg

Feest 11 december.

Damasus was van Spaanse afkomst en werd waarschijnlijk rond het jaar 305 te Rome geboren. Op 1 oktober 366 werd hij gekozen als opvolger van paus Liberius († 366), die hij nog als diaken had vergezeld toen deze in ballingschap was gestuurd. Bij hun terugkeer had hij zelfs nog even de kant gekozen van de tegenpaus Felix II († 365), maar spoedig had hij zijn vergissing ingezien en zich weer verzoend met Liberius.

Op zijn beurt had hij veel te stellen met een tegenpaus: Ursinus († 367). Toen deze werd vermoord, werd Damasus officieel aangeklaagd. Zowel keizer Valentinianus II (375-392) als een in 378 te Rome bijeengeroepen bisschoppenvergadering sprak hem echter vrij van elke beschuldiging.

Damasus was een verfijnd man; hij voerde een aantal wijzigingen door in de liturgie, die hij aan de oosterse kerk had ontleend en hij gaf de kerkvader Hiëronymus († 420; feest 30 september) de opdracht tot de Latijnse bijbelvertaling, de Vulgaat. Hieronymus noemde paus Damasus respectvol: “Een man die zijn weerga niet kent…”



11 dec - maandag

Sneek 09:15 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek


12 dec - dinsdag

Hele dag Gedenkdag H. Jeanne Françoise Frémiot de Chantal, stichteres

Geen,

Jeanne Françoise Frémiot de Chantal, Annecy Frankrijk; stichteres; † 1641.

Afbeelding H. Jeanne Francoise

Jeanne ontvangt uit handen van Sint Franciscus van Sales de Ordesregel.
ca 1850, wandschildering. Frankrijk, Parijs, St-Sulpice.

http://www.heiligen.net/afb/12/12/12-12-1641-jeanne_8.jpg

Feest 12 december.

Zij werd op 28 januari 1572 geboren in de Bourgondische stad Dijon als dochter van de edelman Frémiot; hij was voorzitter van het Bourgondische gerechtshof. In 1592 trad ze in het huwelijk met baron Christophe de Chantal. Het werd een zeer gelukkig huwelijk, dat gezegend werd met vier kinderen. In 1601 echter kwam de baron om bij een jachtpartij. Vanaf dat moment wijdde Jeanne zich alleen nog maar aan de opvoeding van haar kinderen en aan de dingen van het geloof: gebed en werken van naastenliefde. Ze liet zich in haar geestelijk leven leiden door Sint Franciscus van Sales († 1622; feest 24 januari). Hij raadde haar aan een kloosterorde voor zusters te stichten. Dat deed ze en ze noemden zich ‘Visitandinnen’.

Genoemd naar het feest van Maria Visitatie (= dat Maria op bezoek gaat bij haar bejaarde nicht Elisabeth, die op dat moment al zes maanden in verwachting is van de latere Johannes de Doper).

Het klooster was vooral bedoeld voor weduwen en vrouwen die zich geroepen voelden tot een kloosterlijk leven, maar niet opgewassen waren tegen de strenge praktijken in de kloosterordes die er tot dan toe waren.

De zusters leidden een beschouwend leven; ze besteedden de meeste aandacht aan stil persoonlijk gebed. Daarbij hadden ze het voorbeeld van Maria voor ogen, van wie in het evangelie twee keer wordt opgemerkt: ‘Zij bewaarde al deze dingen in haar hart en overwoog ze bij zichzelf’ (Lukas 02,19.51). De zusters hadden daarbij een bijzondere verering voor het Heilig Hart van Jezus, dus voor zijn liefde en menslievendheid.

Toen Jeanne’s kinderen eenmaal hun bestemming hadden gevonden, had zij haar handen vrij om zich helemaal in te zetten voor haar Congregatie. Zij trok de Franse provincies tussen Lyon en Parijs door en zag nog tijdens haar leven, hoe ‘haar’ kloosterorde in hoog tempo uitgroeide tot 72 vestigingen.

Jeanne was zeer geliefd bij iedereen, zowel in haar familie als onder de medezusters in het klooster. Haar leidsman Franciscus van Sales noemde haar graag “de volmaakte vrouw”. Aan het eind van haar leven moest zij hevige pijnen naar ziel en lichaam doormaken. Ze stierf te Moulins, maar werd begraven in Annecy, Savoie. Daar rust zij tezamen met haar vriend en leidsman Franciscus onder het hoogaltaar in de kloosterkapel van de Visitatie.

Verering & Cultuur

In 1767 werd zij heilig verklaard. Tot op de dag van vandaag geniet zij grote verering.

Ze wordt afgebeeld als kloosterzuster, vaak met een hart waarin Jezus’ naam staat of de letters ‘IHS’ (= de eerste drie letters van Jezus’ naam in het Grieks; ook wel uitgelegd als Iesus Hominum Salvator = Jezus Mensenredder: zie 1 januari: JEZUS-Zoete-Naam).

Opvallend is dat ze in het Romeins Missaal op 12 december staat, en in het in 2001 in het Vaticaan geheel bijgewerkte Martyrologium (‘Martelaren- en Heiligenboek) op 12 augustus.



12 dec - dinsdag

Hele dag Gedenkdag H. Maria van Guadalupe

Geen,

Maria van Guadalupe, , México Stad, México; 1531.

Afbeelding H. Maria van Guadalupe
2000. Devotieprentje. Nederland, Den Haag, Missio.

http://www.heiligen.net/afb/12/12/12-12-1531-maria_1.jpg

Feest 12 december.

Twee jaar nadat Hernan Cortes in 1519 voet op Mexicaanse bodem had gezet, was het rijk van de Aztekenindianen volkomen veroverd. De indianen werden slaven. Vaak moesten zij onder dwang overgaan tot de godsdienst van hun meesters, het katholieke geloof.

De kerk die in het kielzog van de veroveraars Christus kwam brengen, werd in hun ogen een verlengstuk van de onderdrukking.

Op 12 december van het jaar 1531 verscheen Maria aan Juan Diego, een arme indiaanse boer. Toen hij zijn verhaal aan de bisschop ging vertellen, kon deze het niet geloven. Om hem te overtuigen liet de heilige Maagd toen rozen bloeien op kale rotsgrond. Juan ging zijn bisschop de bloemen aanbieden. Bij die gelegenheid bleek dat er een afbeelding van Maria op zijn mantel was achtergebleven. Zij is er te zien als een indiaanse vrouw; op die manier wilde zij duidelijk maken dat het christelijk geloof ook aan de kant staat van de indianen in de strijd om bevrijding en respect.

Het is deze afbeelding die in het voorstadje van México-Stad, Guadalupe, wordt bewaard en vereerd.

Zij is patrones van Noord- en Zuid-Amerika (sinds 1900), van El Salvador, Guatemala, Honduras, Mexico en Nicaragua; daarnaast ook van de indianen.



12 dec - dinsdag

Sneek 08:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


12 dec - dinsdag

Sneek 14:30 Adventsviering KBO - PCOB

Grote of Martinikerk, Sneek

Dinsdag 12 december is er voor de leden van PCOB en KBO een adventsviering.
Deze viering vindt plaats in de Martinikerk op het Oud Kerkhof.
Dominee Siena Cnossen zal de dienst leiden en de muziek wordt verzorgd door het koraalorkest ‘Hymne.
We beginnen om 14.30 uur
U hoeft zich hiervoor niet op te geven.



13 dec - woensdag

Hele dag Feestdag H. Lucia van Syracuse, maagd en martelares

Geen,

Lucia van Syracuse, Sicilië, Italië; martelares; † 304.

Afbeelding H. Lucia

< 1500. Houtsculptuur. België, Turnhout, St-Pieterskerk.

http://www.heiligen.net/afb/12/13/12-13-0304-lucia_1.jpg

Feest 13 december.

Zij zou rond het jaar 286 te Syracuse op het eiland Sicilië geboren zijn.

Volgens de legende bezocht zij met haar zieke moeder Eutychia het graf van de heilige Agatha († ca 253; feest 5 februari); dat lag niet ver van Syracuse in de plaats Catania. Toen moeder op wonderbare wijze genas, schonk Lucia al haar bezittingen aan de armen. Maar haar heidense bruidegom kon dat niet waarderen en klaagde haar aan vanwege haar geloof in Christus. Dat bracht immers met zich mee dat men geen offers bracht aan de Romeinse afgoden. Daarmee sloot men zich af van het sociale leven; elke openbare manifestatie begon indertijd met een offerritueel aan de goden. Omdat de keizers goddelijke waardigheid droegen, werd er ook geofferd aan de geest van de keizer. Wie dat weigerde, stelde daarmee een openbare daad van ongehoorzaamheid of zelfs majesteitsschennis
Lucia werd ertoe veroordeeld om in een bordeel te gaan werken. Maar zelfs een span ossen kon haar niet van haar plaats krijgen: zo onverzettelijk bleek zij. Ook op de brandstapel had zij nergens last van. Tenslotte stootte de beul haar een zwaard door de keel.

Verering & Cultuur
Over de plaats waar zich haar stoffelijke resten bevinden, bestaan twee tegenstrijdige overleveringen. Volgens de een rust zij in de kerk van SS- Geremia e Lucia te Venetië, volgens de ander in een kerk te Metz.
Haar legendarische levensbeschrijving (‘Vita’) uit de 5e of 6e eeuw verscheen pas nadat er in Syracuse een aan haar gewijde kathedraal was gebouwd.

Zij wordt afgebeeld met een dolk door haar hals, of met een schaal waarop twee ogen liggen, toespeling op de betekenis van haar naam. Later vormde zich om die schaal met ogen weer een nieuwe legende: om gevrijwaard te blijven van opdringerige jongemannen die haar godsdienst en haar persoon niet zouden respecteren, zou zij zichzelf de ogen hebben uitgestoken…

Zij is patrones van de Italiaanse steden Mantua, Syracuse en Venetië; van de Spaanse stad Toledo en van de Caraïbische plaats Santa Lucia.

Zij wordt vereerd als patrones van het licht in de ogen; vandaar ook van blinden en slechtzienden, van artsen, oogartsen en opticiëns; van elektriciëns; en van prostituees die spijt hebben. Daarnaast van arbeiders in het algemeen, in het bijzonder van glazenmakers, glazeniers en glasblazers; van kleermakers en wevers; van zadelmakers en van venters; van deurwachters en portiers; van schippers en zeevarenden; van boeren en schrijvers.
Haar voorspraak wordt ingeroepen tegen besmettelijke ziekten, keelpijn (vanwege de dolksteek waarmee ze gedood werd), tegen oogkwalen en -ziekten, blindheid (ook geestelijk) en brand (vanwege haar naam); tegen vrouwenziekten en armoede.
Omdat haar feest haast midden in de winter valt, wordt zij vooral in de Scandinavische landen in verband gebracht met midwintergebruiken; daar komen veel kaarsjes en lichtjes aan te pas.



13 dec - woensdag

Sneek 09:15 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek


14 dec - donderdag

Hele dag Feestdag H. Johannes van het Kruis, priester & kerkleraar

Geen,

Johannes van het Kruis (ook della Croce, de la Croix, of the Cross, a Cruce, de la Cruz, vom Kreuz, de Yepes) o.carm., Ubeda, provincie Jaén, Spanje; kloosterling & mysticus; † 1591.

Afbeelding H. Johannes van het Kruis

‘Heer, ik wil lijden en veracht worden om U’.
ca 1900, glasschilderkunst. Frankrijk, Bretagne, Dol de Bretagne, Cathédrale St-Samson.

http://www.heiligen.net/afb/12/14/12-14-1591-johannes_2.jpg

Feest 14 december.

Juan de Santa María de Yepes werd op 24 juni 1542 geboren in het Spaanse plaatsje Fontiveros bij Salamanca als zoon van een wever. Als jong volwassene ging hij zieken verplegen in Medina del Campo en trad in 1563 in bij de karmelieten onder de naam Johannes van St-Mattias. Zijn studies deed hij in Salamanca. Na een ontmoeting in 1568 met Sint Theresia van Ávila († 1582; feest 15 oktober) was hij gegrepen door haar ideaal en begon de mannelijke tak van de Karmel te hervormen, zoals zij het deed bij de vrouwelijke: dat was het begin van de ongeschoeide karmelieten (Carmelitas Descalzos). In 1574 kwam hij met Sint Theresia naar Segovia en droeg hier de eerste mis op in het door haar gestichte klooster van ongeschoeide karmelietessen.

Het eerste klooster voor ongeschoeide Karmelieten stichtte hij in Duruelo en veranderde zijn naam in Johannes van het Kruis. In 1586 stichtte hij buiten Segovia een mannenklooster van ongeschoeide karmelieten en was hier van 1588 tot 1591 prior. Zijn pogingen om de orde te hervormen stuitten op veel weerstand en onbegrip. In 1577 werd hij zelfs in Toledo gevangen gezet. Hij was naast priester ook dichter, mysticus en theoloog. Zijn mystieke werken ‘La subida del Monte Carmelo’ (= ‘De bestijging van de berg Karmel’), ‘La noche oscura del alma’ (= ‘De donkere nacht van de ziel’) en ‘La llama de amor’ (= ‘De vlam van de liefde’), vormen hoogtepunten in de geschiedenis van de katholieke mystiek. Zijn theologisch hoofdwerk was ‘Cántico espiritual’ (= ‘Geestelijke lofzang’), een samenspraak tussen de ziel en Christus, geïnspireerd op het Hooglied in de bijbel.

Al zijn werken zijn pas na zijn dood gepubliceerd. Men zegt, dat medebroeders uit zijn klooster van de ongeschoeide karmelieten bij zijn dood zijn ziel zagen opstijgen in de vorm van een vurige aardbol.

Verering & Cultuur
Hij werd bijgezet in Segovia. Daar rust zijn lichaam tot op de dag van vandaag in een praalgraf.
In 1726 werd hij heilig verklaard. Paus Pius XI riep hem in 1926 uit tot kerkleraar met als eretitel ‘doctor van de mystieken’.
Hij is patroon van Segovia; alsmede van mystici.
Hij wordt afgebeeld als karmeliet; geknield voor een kruisbeeld, omgeven door lelietakken (symbool van zuiverheid); kijkend naar de lijdende Christus; Christus (met kruis en vaak boven een altaar) onderhoudt zich met hem; boek in de hand met de spreuk: ‘Pati et contemni’ (= Lijden en veracht worden’); met adelaar met pen in de snavel.



14 dec - donderdag

Sneek 08:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


14 dec - donderdag

Sneek 16:00 - 20:00 KBO koffietafel

Sint Martinushuis, Sneek

Donderdagmiddag 14 december is er een gezellige middag ‘Op weg naar Kerst ‘.
Een mooi verhaal , mooie muziek van de Christmas Voices en een lekkere broodmaaltijd.
Deze middag is voor KBO leden en is gratis.
We beginnen om 16.00 uur.
Na afloop is er collecte bij de uitgang.
Hiervoor kunt u zich opgeven tot 7 december bij Gea tel. 419431 of Lenie tel. 414414.

Lenie ten Have



15 dec - vrijdag

Hele dag Gedenkdag H. Hadewych van Vlaanderen, mystica

Geen,

Hadewych van Vlaanderen, Antwerpen, België; mystica; 13e eeuw 1248.

Afbeelding van Hadewych
1989. Mozaïek door Henk Hilterman
Nederland, Haarlem, St-Bavo.

http://www.heiligen.net/afb/12/15/12-15-1248-hadewych_1.jpg

Feest 15 december.

Van Hadewychs leven is bijzonder weinig bekend. Ze moet ergens geleefd hebben in de Zuidelijke Nederlanden, maar waar precies: men weet het niet. Antwerpen? Brussel? Breda? Ze schreef gedichten en brieven, waarin haar liefde voor Christus tot uiting komt. Gezien haar prachtige taal, die in staat is nooit geziene geloofsvisioenen in woorden uit te drukken, moet zij van hoge afkomst zijn geweest, en een gedegen vorming hebben genoten. Ook is men onzeker over de eeuw waarin zij leefde en stierf. Uit haar teksten kunnen we opmaken, dat ze vanaf haar tiende levensjaar gegrepen was door de mystiek.
Hadewych behoort tot deze groten. Zij beschrijft hoe zij leefde van de ‘Minne’ (= Liefde). Zij schrijft: ‘Als minne porret in mine siele’ (= de liefde roert (port) in mijn ziel). Niets ter wereld weegt op tegen deze ‘Minne’. Zij voelt ze als een geschenk dat God zomaar aan haar geeft; en probeert op haar beurt liefde terug te geven; door aandacht en tijd te schenken aan God in gebed, stille tijd en geestelijke lezing; maar ook door te wachten wanneer ze die liefde niet voelt, en niet op zoek te gaan naar oppervlakkige behoeften bevrediging: zij wacht en vast, en houdt de leegte uit…; en laat God het tijdstip bepalen, waarop Hij haar weer wil raken met zijn Liefde.
Sommigen vermoeden, dat zij de Hadewych moet zijn, die abdis was in het klooster van Aywières, en stierf op 1 juni 1248…

Verering & Cultuur
Zij wordt soms afgebeeld met een zon, symbool van Gods liefde, met in het centrum een kruisje (symbool voor lijden; want wie liefheeft moet door veel lijden heen!).
Op de afbeeldingen, afkomstig uit de Sint-Bavo te Haarlem, zien we haar afgebeeld samen met Jan van Ruusbroec († 1381; feest 2 december), ook al zo’n grote mysticus van Zuid-Nederlandse bodem. Tussen beide mystici in zien we twee bomen afgebeeld: de linker staat met zijn wortels in de grond, maar de rechter staat op zijn kop, met de wortels naar de hemel gericht: symbool voor de mysticus, die in wezen leeft van de dingen die aan de hemel toebehoren.



15 dec - vrijdag

Roodhuis 00:00 Kerstconcert Euphonia

Sint Martinuskerk – Roodhuis, Roodhuis

Op vrijdagavond 15 december verzorgt Harmonieorkest Euphonia uit Wommels een groot kerstconcert in onze kerk.  De voorbereidingen zijn in volle gang. Het orkest bestaat uit ongeveer 45 leden en het klinkt prachtig in onze kerk. Het concert begint om 20.00 uur. Nadere informatie volgt nog.



15 dec - vrijdag

Sneek 19:00 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


16 dec - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Woord en Communieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger: pastor Foekema

Met medewerking van het Caeciliakoor



17 dec - zondag

Heeg 09:30 - 10:30 Woord- en Communieviering, Pastor L. Foekema

Sint Josephkerk – Heeg, Heeg

voor Jelle en Marie Jellesma – Jongstra;
voor Jitte en Tietsje Flapper – Jellesma;
voor Bernard de Jong en overleden familie.



24 dec - zondag

Blauwhuis 20:30 - 21:30 Nachtmis

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger: pastor Foekema

Met medewerking van het Gelegenheidskoor



25 dec - maandag

Blauwhuis 11:00 - 12:00 Kindje Wiegen

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Verzorgd door Werkgroep Kind en Kerk



26 dec - dinsdag

Blauwhuis 09:30 - 10:30 Tweede Kerstdag Gezinsviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger: pastor Foekema

Met medewerking van het Caeciliakoor



30 dec - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Woord en Communieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Viering door Liturgiegroep Blauwhuis

Met medewerking van het Caeciliakoor


jan 2024

datum/tijd evenement

07 jan - zondag

Blauwhuis 09:30 - 10:30 Woord en Communieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger: pastor Foekema

Met medewerking van het Caeciliakoor



13 jan - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Eucharistieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger: pastoor van der Weide

Met medewerking van het Caeciliakoor



20 jan - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Woord en Communieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger: pastor Foekema

Met medewerking van het Caeciliakoor



28 jan - zondag

Blauwhuis 09:30 - 10:30 Woord en Communieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger: pastor Foekema

Met medewerking van het Caeciliakoor


feb 2024

datum/tijd evenement

04 feb - zondag

09:30 - 10:30 Oecumenische viering in Wolsum

Voorgangers: pastoor van der Weide en Dominee Edna Zwerver

In de St. Pancratiuskerk te Wolsum



10 feb - zaterdag

Blauwhuis 09:30 - 10:30 Woord en Communieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger: pastor Foekema

Met medewerking van het Caeciliakoor



10 feb - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Carnavalsviering i.s.m. c.v. de Fyfkes

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger: pastor Foekema

Met medewerking van het Caeciliakoor



10 feb - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Carnavalsviering i.s.m. c.v. de Fyfkes

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger: pastor Foekema

Met medewerking van het Caeciliakoor



14 feb - woensdag

Blauwhuis 11:00 - 12:00 Aswoensdag

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger: pastor Foekema

Met medewerking van het Caeciliakoor



24 feb - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Eucharistieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger: pastoor van der Weide

Met medewerking van het Caeciliakoor



29 feb - donderdag

Hele dag Gedenkdag Zalige Antonia van Florence

Antonia van Florence ofm.ter, Aquila, Italië; abdis; † 1472.

Afbeelding H. Antonia van Florence  ca 1900. Glasschilderkunst. Nederland, Delft, Maria van Jessekerk.

Feest 29 februari.

Zij werd in 1401 geboren in de Italiaanse stad Florence. Op zeer jonge leeftijd werd ze al weduwe en sloot zich aan bij de tertiarissen van St-Franciscus.

Antonia sloot zich aan bij een vrouwengemeenschap in de stad Foligno; daar werd zij tot overste benoemd. In 1433 werd zij overgeplaatst naar Aquila, niet ver van Venetië om er de leiding van de vrouwengemeenschap op zich te nemen. Dertien jaar lang oefende zij deze functie uit. Maar tenslotte begon zij toch te verlangen naar een meer strenge levenswijze in dienst van de Heer. Zij trad in bij de clarissen van klooster Corpus Christi in Aquila, en werd prompt na enige tijd tot abdis benoemd. Getroffen door een ongeneeslijke ziekte, moest ze verschrikkelijke pijnen doorstaan. Ze ondervond daarbij grote steun van haar geestelijk leidsman, de heilige Johannes van Capistrano (+ 1456; feest 23 oktober). Ze stierf op 29 februari 1472.

In 1847, een jaar na zijn pauskeuze, verklaarde Pius IX haar zalig.


mrt 2024

datum/tijd evenement

03 mrt - zondag

Blauwhuis 09:30 - 10:30 Woord en Communieviering met Kinder Woord Dienst

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger: pastor Foekema

Met medewerking van het Caeciliakoor



09 mrt - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Eucharistieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger: pastoor van der Weide

Met medewerking van het Caeciliakoor



17 mrt - zondag

Blauwhuis 09:30 - 10:30 Eucharistieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger: pastoor van der Weide

Met medewerking van het Caeciliakoor



24 mrt - zondag

Blauwhuis 09:30 - 10:30 Palmzondag

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger: pastor Foekema

Met medewerking van het Caeciliakoor



28 mrt - donderdag

Roodhuis 19:30 - 20:30 Gezamenlijke Witte Donderdag Viering in Roodhuis

Sint Martinuskerk – Roodhuis, Roodhuis

Voorgangers: pastoor van der Weide en pastor Foekema

Met medewerking van het ‘Antoniuskoor’



29 mrt - vrijdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Goede Vrijdag Kruisweg

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger: pastor Foekema en Tonny Hobma

Met medewerking van het Caeciliakoor



30 mrt - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Paaswake

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger: pastor Foekema

Met medewerking van het Gelegenheidskoor


apr 2024

datum/tijd evenement

01 apr - maandag

Blauwhuis 09:30 - 10:30 Tweede Paasdag Gezinsviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger: pastoor van der Weide

Met medewerking van het Caeciliakoor


Powered by Events Manager