Evenementenlijst Sint Antoniusparochie

nov 2019

datum/tijd evenement

vrijdag - 15 nov

Hele dag Gedenkdag H. Albertus de Grote, bisschop en theoloog

Albertus de Grote (ook Magnus of van Regensburg) op, Keulen Duitsland; bisschop & theoloog; † 1280.

Afbeelding van Albertus de Grote
1980, Egino Weinert, brons.
Duitsland, Keulen, Weinert.

http://www.heiligen.net/afb/11/15/11-15-1280-albertus_4.jpg

Feest 15 november.

Hij werd rond 1193 uit adellijke ouders te Lauingen bij Ulm in Schwaben geboren. Voor zijn studies trok hij naar de beroemde dominicaner universiteit van Padua. Daar maakte hij kennis met Jordanus van Saksen († 1237; feest 13 februari). Door diens voorbeeld trad hij in bij de dominicanen; op dat moment was hij zo’n dertig jaar oud. Hij doceerde wijsbegeerte aan verschillende universiteiten van zijn eigen orde: achtereenvolgens te Keulen, Hildesheim, Freiburg, Regensburg en Straatsburg. In 1245 werd hij magister theologie in Parijs en vanaf 1248 in Keulen. Hier was hij de leermeester van o.a. Thomas van Aquino († 1274; feest 28 januari).

In 1249 speelt zich een curieus voorval af. Op 6 januari van dat jaar, Drie-Koningendag, verbleef de Hollandse Graaf Koning Willem II in Keulen, de bedevaartsplaats van de Drie Koningen bij uitstek. Hij wilde graag de beroemde geleerde Albertus te zien krijgen. Er werd in zijn klooster een ontmoeting gearrangeerd, maar opvallend genoeg liet de magister nog even op zich wachten. In de zaal heerste een snijdende winterkou. Klaarblijkelijk had niemand de moeite genomen om even voor de Hollandse koning de haard aan te steken. Je voelde de woede bij de aanwezigen over zo’n onbehouwen ontvangst. Maar net op het moment, dat ze tot uitbarsting dreigde te komen, trad Albertus binnen, blootsvoets en gekleed in lichte zomerpij! Hij nodigde zijn gasten aan tafel buiten in de kloostertuin. Dat was het toppunt. Er waren er al in het koninklijk gezelschap die de koning toefluisterde te vertrekken. Maar eenmaal in de tuin, bleek het daar zo warm en behaaglijk, alsof het hartje zomer was. De bloemen bloeiden; de vogels kwinkeleerden en het fruit kon je zo van de bomen plukken. Als er al iets te klagen viel, dan was het over de hitte. De maaltijd was vorstelijk. Verbijsterd en voldaan keerde het gezelschap huiswaarts. De kroniekschrijver merkt op: ‘Je zou eerder kunnen zeggen dat een monnik te gast was geweest aan een koninklijke tafel, dan een koning in een klooster.’
In 1260 werd Albertus benoemd tot bisschop van Regensburg, maar dat werd geen succes. Hij mocht dan een uitstekend leraar, zijn bestuurskwaliteiten waren veel minder. Na twee jaar was hij alweer terug op zijn leerstoel in Keulen. Hij paste de filosofie van Aristoteles toe op de christelijke theologie. Van hem ook is de verrassend moderne uitspraak: “Het is natuurlijk interessant te zien hoe God door zijn wonderen steeds weer zijn natuurwetten doorbreekt, maar nog interessanter is het te onderzoeken, welke vaste patronen God in zijn natuur heeft neergelegd.” Hij heeft de moed niet voetstoots de bevindingen van de antieke wetenschap over te nemen, maar raadt aan ze te controleren met eigen waarnemingen. Daarmee is hij een van de grondleggers van de moderne wetenschap. Hij behoorde in zijn tijd tot de weinige denkers die ervan uitgingen dat de aarde rond was.
Sinds 1954 bevindt zijn sarcofaag zich in de crypte van de St-Andreaskerk te Keulen.

Verering & Cultuur
Hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste geleerden van de middeleeuwen en droeg indertijd de eretitel ‘doctor universalis’. Hij schreef niet alleen over filosofische en theologische kwesties, maar ook over vraagstukken uit de natuurkunde, astronomie, scheikunde en aardrijkskunde. Zijn werk beslaat achtendertig delen (Parijse editie van Borgnet, 1890-1898).
Hij werd in 1931 door paus Pius XI heilig verklaard en tot kerkleraar uitgeroepen.
Hij wordt vereerd als patroon van natuurkundigen en van studenten in natuurwetenschappen en theologie.
Hij wordt afgebeeld in dominicaner habijt; als bisschop met mijter en staf; met pen of schrijfveer en boek in de hand (geleerde).



vrijdag - 15 nov

Sneek 19:00 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


zaterdag - 16 nov

Hele dag Gedenkdag H. Margareta van Schotland, koningin en stichteres

Margareta van Schotland, Edinborough, Schotland; koningin, stichteres & weduwe; † 1093.

Afbeelding van Margareta
Illustratie Duitse heiligenkalender.

http://www.heiligen.net/afb/11/16/11-16-1093-margareta_1.jpg

Feest 16 november.

Margareta was de dochter van de Engelse koning Edward Atheling en de Hongaarse prinses Agatha. Zij werd in Hongarije geboren, omdat haar ouders door de Noormannen verdreven waren: 1046. Onder haar grootvader, de latere heilige koning Edward de Belijder († 1066; feest 5 januari), verhuisde de koninklijke familie weer naar Engeland. Daar leefde ze in betrekkelijke rust tot 1066, toen Edward de Slag bij Hastings verloor. Weer moest de koninklijke familie vluchten.

Nu belandde Margareta in Schotland, en maakte daar kennis met de rauwe vorst, Malcolm III. Deze raakte volkomen vertederd van de jonge prinses. We horen van dat moment niets meer over de vrouw met wie hij tot dat moment getrouwd was. Margareta nam volledig bezit van zijn leven: “Hij kwam steeds prompt tegemoet aan al haar wensen en verstandige adviezen; wat haar niet aanstond, stond hem niet aan; waar zij van hield, daar hield hij ook van, puur uit liefde voor haar.” Aldus haar biechtvader Prior Turgot van Durham. Van dat ogenblik af was het dus uit met het platbranden van kerken en kloosters: daar was Malcolm namelijk mee bezig op het moment dat hij zijn jonge bruid leerde kennen. Zij was het liefste een klooster ingegaan, maar nu ze eenmaal op deze plek zat, zorgde ze ervoor dat er nieuwe kerken werden gebouwd, kloosters gesticht en scholen opgericht. Zij was een royaal weldoenster voor de armen. En zij droeg persoonlijk zorg voor de christelijke opvoeding van haar kinderen, daarin bijgestaan door haar geestelijke leidsmannen, de reeds genoemde Turgot en Lanfranc († 1089; feest 28 mei), de aartsbisschop van Canterbury.
Tot haar belangrijkste stichting behoort het klooster van Dunfermline, de plaats waar zij als vluchteling landde en waar Malcolm toen juist de kerk had verwoest. Voor zichzelf richtte zij in haar koninklijk verblijf een soort kloostercel in – deze is onlangs teruggevonden bij opgravingswerkzaamheden. Daar moet zij vol overgave geschreven hebben aan haar persoonlijke Evangelieboek; het wordt tot op de dag van vandaag bewaard in de Bodleian-bibliotheek te Oxford.

Zij stierf op het moment dat één van haar zoons, Edgar, haar het verschrikkelijke nieuws kwam melden dat haar man en haar oudste zoon waren omgekomen in één van de vele slagen die zij te leveren hadden.

Verering & Cultuur
Haar reliekschrijn werd opgesteld in ‘haar’ kloosterkerk te Dunfermline. Er begonnen wonderen te geschieden; men zag een licht dwalen rond haar grafmonument; soms waren het vonken. Men meende dat de heilige op deze manier te kennen gaf dat ze graag als heilige vereerd wilde worden. Paus Innocentius IV († 1254) verklaarde haar tenslotte officieel heilig in 1251. Haar schrijn werd voorwerp van grote verering.
Tijdens de troebelen van de Reformatie (halverwege de 16e eeuw) wist de laatste abt van Dunfermline haar stoffelijke resten in veiligheid te brengen. Ze werden naar Frankrijk gesmokkeld, maar daar gingen ze verloren tijdens de Franse Revolutie  (1789-1792).
De plaats waar Margareta in Schotland aan land kwam, staat nog steeds bekend als St-Margaret’s Hope. Lange tijd bezat het kasteel van Edinborough een St- Margaret’s Tower en -Gate. Aan de voet van de rots is er nog steeds een bron naar haar genoemd. Volgens de overlevering zou zij die hebben doen ontspringen bij haar aankomst in Schotland.

Patronaat

Zij is patrones van Schotland.
Zij wordt afgebeeld in koninklijke kledij, vaak met een kroon aan haar voeten; soms ook in kloosterkleding met armen en zieken om zich heen. London heeft een (neo-)gotische Margaretakerk, gelegen vlak achter de parlementsgebouwen.



zaterdag - 16 nov

Sneek 19:00 Woord- en Communieviering

Bonifatiushuis, kapel, Sneek


zaterdag - 16 nov

Heeg 19:30 - 20:30 Eucharistieviering, Pastoor P. v.d. Weide

Sint Josephkerk, Heeg

 voor Rein, Sophia en Geesje Hettinga;
voor Rein van der Weij.



zondag - 17 nov

Hele dag Gedenkdag H. Elisabeth van Hongarije, weldoenster

Elisabeth van Thüringen (ook van Hessen of van Hongarije), Marburg, Duitsland; weduwe en weldoenster; † 1231.

Afbeelding van Elisabeth
Paneel altaar retabel. Elisabeth verzorgt armen en zieken (op achtergrond Christus in bed!).
Duitsland, Bernau, kerk Hl.-Maria

http://www.heiligen.net/afb/11/17/11-17-1231-elisabeth_3.jpg

Feest 17 november.

Zij werd in 1207 in de Hongaarse plaats Sárospatak geboren als dochter van koning Andreas II van Hongarije en zijn vrouw Gertrud van Andechs. Haar familie telt nog een paar heiligen en zaligen: de heilige Hedwig van Silezië († 1243; feest 16 oktober) was een nicht van haar en de heilige Elisabeth van Portugal († 1336; feest 4 juli) een achternicht. Elisabeth groeide op in de Wartburg in Thüringen en huwde met Ludwig IV, landgraaf van Thüringen; ook hij zou later heilig verklaard worden († 1227; feest 11 september). Ze kregen drie kinderen, waarvan Gertrudis ook als zalige zou worden vereerd; zij staat bekend als Gertrudis van Altenberg († 1297; feest 13 augustus).
Het was een goed huwelijk; beide echtelieden hadden bijzonder veel hoogachting voor elkaar. Met instemming van ‘haar broertje’ zoals Elisabeth haar man liefkozend noemde, had zij veel aandacht voor de armen. Toen in 1225/26 grote hongersnood uitbrak, stelde zij alle voorraden in de koninklijke schuren en opslagplaatsen ter beschikking van de talrijke noodlijdenden van die dagen. Zij ging daarin zo ver, dat haar schoonfamilie en het paleispersoneel bang werd, dat er niets zou overblijven. Met name haar schoonmoeder probeerde haar bij haar man herhaaldelijk in een kwaad daglicht te plaatsen.

In diezelfde tijd vertrok haar man naar Italië om zich daar bij Frederik Barbarossa te voegen voor een kruistocht naar het Heilige Land. Hij overleed onderweg in het Italiaanse plaats Otranto; 1227. De twintigjarige Elisabeth bleef achter met drie kleine kinderen, en werd door haar zwager, die namens Ludwig de zaken waarnam, van de Wartburg verdreven.
Na veel ontberingen legde ze te Eisenach de geloften af die behoorden bij de Derde Orde van Sint Franciscus.

Ze voegde zich bij de communiteit van Marburg. Nu kon ze al haar liefde en aandacht geven aan haar armen. Ze stichtte een hospitaal en betoonde zich een voorbeeldig verzorgster van armen en zieken. Midden in haar bezigheden stierf ze, waarschijnlijk uitgeput door een al te strenge boetvaardigheid; op dat moment was ze pas vierentwintig jaar oud. Ook een van haar dienstmeisjes, Jutta, zou later zalig worden verklaard († 1252; feest 19 maart).
Al deze gegevens zijn verwerkt in een uitvoerige middeleeuwse legende.

Legende
“In Hongarije leefde een koning wiens vrouw Geertruid heette. Zij was een adellijke hertogin en afkomstig uit Kärnten (= Karintië), Oostenrijk. Ze was wijs, mild en goed. Nu hadden zij en haar man geen eigen kinderen. Daarom smeekten zij God erom in tranen en gebed. Ze beloofden: ‘Als wij een kind krijgen, dan zullen wij het met lijf en goed aan God afstaan’. Nu wilde de koning eens naar de keizer toe. En hij sprak tot zijn vrouw: ‘Vrouwe, vergeet niet wat wij dagelijks bidden.’ En zij antwoordde: ‘Mijn heer, God beware me!’ De koning toog dus naar de keizer. Deze was blij met zijn komst. En zij hadden onderling een lang gesprek. De nacht viel. Er waren veel sterren te zien. De keizer begaf zich samen met de koning naar zijn slaapvertrek. En de sterrenwichelaar Klingsor ging naar buiten om de loop der sterren in ogenschouw te nemen, want hij was een meester in die kunst. De keizer en de vorst voegden zich bij hem. Ze vroegen wat hij zo al zag. Hij sprak: ‘Ik zie een prachtster, die schittert van Hongarije tot aan Marburg toe, ja zelfs de hele wereld over. Verheug u over dit goede bericht, want die ster betekent, dat de koningin van Hongarije een dochtertje ontvangen heeft. Ze zal groot zijn voor God. Ze zal beroemd worden vanwege haar heiligheid. Niemand die vandaag de dag op onze wereld rondloopt, zal het ook maar in de verste verte bij haar halen.’

De landgraaf van Hessen stond erbij, en hoorde wat er over dit kind gezegd werd, en verzuchtte in zichzelf: ‘Stel je voor, dat dit kind bestemd kon worden voor mijn zoon!’ Die was op dat moment nog maar drie jaar oud.
Bij de geboorte van dit meisje waren haar vader en moeder zielsgelukkig. Er is later nooit meer een heilige geweest op deze wereld, die zijn vaders land zoveel voorspoed en zegen bezorgde. Vanaf haar geboorte heerste er vrede in het land, en de aarde was vruchtbaar. Heel Hongarije verheugde zich over het kind.
Want sindsdien was er geen reden meer tot klagen of kankeren.

De landgraaf van Hessen beschikte over een ridder: Heer Walter van Varilla. Die vertrouwde hij volkomen. Tot hem sprak hij: ‘Ga naar Hongarije, naar de koning, en vraag hem of hij bereid is om zijn dochtertje voor te bestemmen voor mijn zoon Ludwig.’ Heer Walter toog naar de koning en diens vrouw, en bracht hun de boodschap van de landgraaf over. Ze waren er heel blij mee, want ze wisten hoe vroom Heer Landgraaf wel niet was! Ze zegden hem dus hun dochtertje toe.

Toen het meisje vijf jaar oud was, hield de Landgraaf van Hessen het niet langer uit, en sprak: ‘Ik kan niet langer gelukkig zijn, zolang ik niet de vrouw van mijn lieve zoon om me heen heb.’ Andermaal toog Heer Walter naar de koning in Hongarije en bracht hem de boodschap over. Men tooide dus het kind met de kostbaarste kleren, parels en goud. Haar bedje en badje waren van zilver. Toen vertrouwden ze het met tranen in de ogen toe aan de zorgen van Heer Walter. En Heer Walter sprak: ‘Met alle trouw die in mij is zal ik zorg voor haar dragen.’ Hij nam dus het zalige dochtertje met zich mee, en bracht het naar de landgraaf. Die was zielsgelukkig met haar, en drukte haar aan zijn borst. Hij gaf haar de beschikking over zeven dienstmaagden; daar kon ze dan de tijd mee doorbrengen. Ook de jonge landgraaf was altijd bij haar. Daarnaast speelde Elisabeth met de andere kinderen om glazen ringetjes. Als ze ze won, dan gaf ze ze hun meteen weer terug; maar dan moesten ze wel beloven om voor elk teruggekregen fiche één wees-gegroetje te bidden. Op een keer wilden de kinderen bidden. Maar het was nat. Toch bleven hun kleren netjes en droog.

Sint Elisabeth was graag in het gezelschap van haar heer, de jonge landgraaf. Ze noemde hem haar ‘broertje’. Hij noemde haar ‘lieveling’ en ‘zusje’. Dat hielden ze zo vol tot op haar twaalfde. Dat was het moment waarop zij zijn echtgenote zou worden. In haar gebed sprak zij: ‘Heer Jezus Christus, u kent alle dingen van binnen en van buiten, zo ook het hart van mensen. U weet heel goed, dat ik het liefst maagd was gebleven. Maar mijn vader en moeder hebben mij uitgehuwelijkt. En ik wil hun gehoorzamen. Daarom bid ik U om een leven waarin U krijgt wat U toekomt: lof en eer.’ Zo beval ze zichzelf aan God aan. Haar man zei ze, dat hij moest biechten. Hierop werden ze een prachtige slaapkamer binnengeleid, die bij een heilige paste; en ze leefden met elkaar in godsvrucht. De jonge graaf was gelukkig met zijn dienaren. En als zij eens onattent waren, en dingen zeiden, die ze beter hadden kunnen verzwijgen, merkte hij op: ‘Lief kind, laat dat voortaan, want dat gaat mij aan het hart.’
Toen stierf de vader van de jonge landgraaf, alsmede Elisabeths moeder, de koningin van Hongarije. Zij weende bittere tranen. Het verdriet van haar man woog haar even zwaar als dat van haarzelf.

Nu had Sint Elisabeth een dienstmeisje dat Eisentraut heette. Haar droeg zij op om haar elke nacht te wekken door aan haar voeten te sjorren. Zij deed aldus. Zo stond ze op, kastijdde haar lichaam en in haar gebeden dankte zij God, dat Hij midden in de nacht in grote kou en armoede geboren had willen worden. Toen kwam er een nacht, dat Eisentraut de voeten van haar heer vasthad in de mening dat ze van Sint Elisabeth waren. Haar heer begreep het wel; hij wekte haar dus, omdat hij haar haar vrome levenswijze gunde.

Elisabeth kreeg twee dochters en één zoon; deze zou later al het land erven. Hij heette Herman. De ene dochter gaf zij aan een hertog. Het was in die tijd, dat de landgraaf er eens op uitging. Elisabeth kleedde zich in een haren kleed, ontdeed zich van haar schoeisel, drukte haar andere dochtertje aan de borst, en bracht het naar het klooster, dat in de buurt van Eisenach ligt. Daar sprak zij: ‘Heer Jezus Christus, U en uw moeder Maria kom ik mijn allerliefste kind aanbieden.’ Ze liet het kind in het klooster achter, dankbaar dat God het voorbestemd had voor het geestelijk leven.

Eens kreeg een arme vrouw een kind. Sint Elisabeth had zielsmedelijden met haar. Zij hielp haar het kind te laten dopen en noemde het Elisabeth, juist zoals zijzelf heette. Bovendien schonk zij het vier weken lang eten en drinken, een mantel en schoentjes om aan te trekken, en nog wat handgeld. Maar de arme vrouw ging er vandoor. En liet het kind midden in de nacht achter. De volgende dag liet Elisabeth haar krachtige soep brengen om aan te sterken. Maar ze was weg. Het dienstmeisje trof het kind verlaten aan. Dat ging ze aan Elisabeth vertellen. Ze liet het kind halen; want het mocht niet verloren gaan. Ze vertrouwde het toe aan een vrouw; die moest het verder opvoeden en er haar zorgen aan besteden. Intussen liet ze de stadsmagistraat overal naar de moeder zoeken. Maar die werd niet gevonden. Toen nam ze haar toevlucht tot een vurig gebed: dat Gód haar dan zou terugbrengen. Kort daarna dook die moeder op; ze viel Elisabeth te voet en vroeg, dat zij haar schuld zou vergeven. Ze zei ook nog, dat ze onderweg tot staan was gebracht en met geen mogelijkheid meer verder had gekund. Elisabeth vergaf haar, en vertrouwde het kind weer aan haar zorgen toe.

Later, het was op een donderdag, ging Elisabeth eens de stad in. Ze was rijk gekleed in zijde en goud. Ze had een kroon met edelstenen op, zoals het een vorstin past. Op dat moment vroeg een arme man haar om een aalmoes. Maar ze had niks bij zich. Daarom gaf ze hem een armwindsel van haar kleed; die was rijk en kostbaar. Een jonge ridder zag dat. Hij kocht voor veel goud de armwindsel van de oude man op. In het vervolg bond hij bij steekspelen en tournooien de armwindsel op zijn helm. Dat was zijn mascotte. Hij dacht dat hem zo niets kon gebeuren. Dat was ook zo.

Op een keer ging Sint Elisabeth een kerk binnen. In haar gebed moest zij huilen om de martelingen van onze Heer: ‘Ach Heer Jezus Christus, sprak ze, mijn hoogste goed, kijk toch eens hoe U onder het bloed zit; en hoe U met dorens bent gekroond! En moet je mij zien, een onwaardige vrouw: ik heb mijn lichaam opgetolijkt; maar U heb ik nooit naar behoren liefgehad!’ Ze viel op haar knieën. Haar gevolg schrok niet weinig. Ze probeerden haar gezicht te deppen, en Eisentraut nam haar bij zich op schoot. Toen kwam ze weer wat op verhaal. Maar ze wilde voortaan geen kroon meer dragen. De andere adellijke dames lachten haar daarom uit: ‘Welke vorstin doet nou zoals jij!’ Waarop zij antwoordde: ‘Ik ben een zielige, zondige vrouw; ik ben het eigenlijk niet eens waard dat de aarde mij draagt.’
Van toen af is zij zeer nederig door het leven gegaan, tot aan haar dood toe. Een kroon heeft zij nooit meer gedragen.

Op een keer liep ze een zieke tegen het lijf. Hij zag er onsmakelijk uit. Overal uitslag. Ze nam hem mee naar huis, en bracht hem in haar vertrek. Ze deed hem in bad, knipte zijn haar bij, waste zijn hoofd en legde hem vervolgens in haar eigen bed. Dat zag haar schoonmoeder. Deze ging het haar zoon zeggen, de jonge landgraaf: ‘Heer, je eer staat op het spel. Ik zou maar eens naar je vrouw gaan kijken. Die heeft één of andere kerel op haar kamer.’ Hij ging bij haar aankloppen. Wel wetend, dat zij nooit enig kwaad deed. Zij deed hem open. Hij loerde in het rond. Ze droeg een pot met zeepsop. Daar had ze de melaatse mee gewassen. Ze probeerde het ding voor haar man te verbergen. De landgraaf merkte op, dat ze iets in haar kleed verborg. Dat was het haar dat ze de zieke had afgeknipt. De heer sprak op vriendelijke toon: ‘Mijn zusje, wat heb je daar in je kleed?’ Zij antwoordde: ‘Zijde.’ Ze haalde het tevoorschijn en gaf het aan haar heer. Het waren zijden knopen met gouddraad doorweven. De landgraaf was verbaasd: ‘Mijn zusje, wat heb je in die pot?’ Ze liet hem de pot zien. Er kwam een heerlijke geur uit. Bovenop lagen hemelse rozen. Dat maakte de jonge landgraaf dolblij. Hij ging terug naar zijn moeder om te zeggen dat er van een man bij haar geen sprake was. Waarop zij reageerde: ‘M’n lieve kind, ik zou maar terug gaan en beter zoeken.’ Hij sprak: ‘Waarachtig, moeder, u moest eigenlijk een pak slaag hebben; u zondigt tegen mijn lieve vrouw. Zij is onschuldig aan welk kwaad dan ook.’ Waarop zijn moeder zei: ‘Ga nou maar naar haar bed. Daar zul je er één vinden die zij veel liever heeft dan jou.’ De landgraaf ging dus weer terug naar zijn vertrek. Sint Elisabeth ontving hem heel vriendelijk. Goedgeluimd ging hij op het bed af en trok het sprei weg. Daar lag onze Heer Jezus Christus zelf, bloedend aan zijn wonden. Hij viel op zijn knieën en bad: ‘Heer, ontferm u over mij. Ik ben een arme zondaar. Ik ben niet waardig om zulke dingen te zien. Help mij een mens te worden zoals Gij ‘m graag ziet.’

Toen brak er een jaar lang zware hongersnood uit. Dat deed Elisabeth veel verdriet vanwege de arme mensen. Ze gaf ze graan. En elke dag zaten er bij haar wel twintig armen aan tafel. Daar maakte haar schoonmoeder zich kwaad over: ‘Mijn zoon gaat met haar zo nog kapot.’ De tafelmeester kwam naar haar schoonmoeder met het bericht: ‘De vrouw van uw zoon geeft maar alles weg wat ze heeft. Je zult zien, dat mijn heer daar straks nog mij de schuld van gaat geven!’ Zij antwoordde: ‘Laten we gewoon weggaan.’ Toen ze weg waren, was Elisabeth daar bijzonder gelukkig mee; nu kon ze de armen pas goed geven! Waar ze gevangenen wist te zitten, ging ze heen om hen te bevrijden en hun wonden te zalven. Allen die honger hadden gaf zij te eten, zodat God ook haar te eten zou geven. Ze gaf onderdak aan noodlijdenden met de woorden: ‘Heer, ik kan mijn geluk niet op, dat ik hier een lieve vriend van U onder mijn dak heb.’ Toen kwam men Sint Elisabeth zeggen, dat haar heer in aantocht was. Eerst gaf ze haar gasten nog kleren aan hun lijf, en zwaaide ze toen vrolijk uit. Daar arriveerde haar heer; de tafelmeester kwam hem tegemoet en deed bij hem zijn beklag, dat zijn vrouw zoveel weggegeven had. Het speet de heer dat te horen. Hij zei: ‘Als mijn lieve vrouw maar gezond is; dan heb ik niets meer te wensen.’ Sint Elisabeth ontving hem vol liefde. Daar was hij dolblij mee, beantwoordde haar begroeting en sprak: ‘Mijn lief zusje, hoe moet ons personeel in leven blijven gedurende zo’n zwaar jaar?’ Waarop zij antwoordde: ‘Ik heb God alleen maar gegeven wat Hem toebehoort. Al het jouwe en het mijne: het is ons door God gegeven.’ De heer liep in de zaal op en neer. Vanuit alle hoeken stroomde het graan naar binnen, zodat je er wel op moest trappen. Hij zei tegen de tafelmeester: ‘Ga eens kijken hoeveel graan we eigenlijk nog hebben!’ Hij deed aldus, kwam terug en sprak: ‘Met uw welnemen, alle kasten puilen uit van het graan.’ Toen de heer en zijn vrouw dat hoorden, dankten ze God voor zo’n grote genade.

In die tijd liet de keizer de landgraaf bij zich ontbieden. Hij sprak tot Sint Elisabeth: ‘Lief zusje, vind je het goed dat ik naar hem toe ga?’ Waarop zij zei: ‘Zowel jou als mijzelf heb ik aan de Heer aangeboden. Dus ga in Gods Naam.’ Zielsgelukkig reed hij naar de keizer. Deze was blij hem te zien en vroeg hem of hij zin had mee te gaan naar het Heilig Graf. Hij gaf zijn jawoord. De keizer had natuurlijk het nodige over Sint Elisabeth te horen gekregen. Hij reed dus met de landgraaf mee terug naar diens huis met in zijn gevolg nog een hele stoet heren. Ze wilden allemaal bij Elisabeth langsgaan. Na aankomst thuis sprak de landgraaf tot zijn echtgenote: ‘Lief zusje, ik ben teleurgesteld. Want de keizer is mee naar hier gekomen en nog een heel stel hoge heren. Die zijn allemaal benieuwd om jou te zien. Heb je nu niet wat deftiger kleren, zoals bij je past; en hebben we anders niet de gelegenheid ze voor je te laten maken?’ Daarop zei zij: ‘Wees daar niet boos over. Ik wil alleen maar graag al die opsmuk vermijden uit liefde voor God.’ Toen al die heren er waren, wou men ook graag wat eten.

Op het moment dat de landgravin aan tafel zou gaan, werden haar door God via één van zijn engelen elegante en schitterende kleren toegezonden; ze glansden als de maneschijn. Mooiere kleren had nog nooit iemand gezien. Nu de heren aan tafel gingen zagen ze haar gewaden en begrepen dat rond haar een wonder was gebeurd. De jonge landgraaf was er maar wat blij mee. Bij het afruimen ging hij naar zijn vrouw toe en fluisterde: ‘Lief zusje, wat vind ik dat een prachtig gewaad. De almachtige God doet ons wel eer aan!’ Op die manier vergold God aan Elisabeth alle kleren die zij ooit weggeschonken had aan de armen.

Nu zou de landgraaf samen met keizer een reis over zee maken, zoals hij beloofd had. Hij riep al zijn heren bijeen en bracht hun hiervan op de hoogte. Ze betuigden hun spijt hierover, en vroegen hem thuis te blijven in zijn eigen land. Maar daar wilde hij niets van weten. Toen droegen ze zijn vrouw op om haar heer met alles zoveel mogelijk te helpen. En zij antwoordde: ‘Dat doe ik maar al te graag.’ Intussen bad ze God, dat Hij haar het goede ingaf om aan hem te zeggen. Bij hem gekomen zei ze: ‘Lief broertje, als het niet tegen Gods wil is, blijf dan liever hier bij mij. Maar ik wil je niet tegen zijn wil tegenhouden.’ Hij zei haar: ‘Lief zusje, sta me toe dat ik op reis ga.’ Ze legde haar wil in Gods handen en zei tegen haar man: ‘Gods genade en al zijn zaligheid mogen je begeleiden. Dat wens ik je steeds toe. Ga op reis in zijn Naam.’ Hij was blij met haar toestemming. En begon alle voorbereidselen te treffen. Hij trok langs al zijn burchten en vestingen en vroeg zijn onderdanen hem en zijn vrouw trouw te blijven en in te staan voor haar bescherming. Zijn broer Hendrik en alle heren legden een eed van trouw af. De tafelmeester sprak: ‘Ik weet nu al, dat uw vrouw alles gaat weggeven wat ze heeft, en dat ze ons in grote verlegenheid gaat brengen.’ Waarop de heer zei: ‘Dat mag ze van mij! Laat ze weggeven wat ze maar wil, uitgezonderd de beide vestingen Wartburg en Neuburg. Die moet je voor mij behouden tot mijn terugkeer.’ En het gezelschap – de heer, zijn onderdanen, de heren, vrouwen en dienstmeisjes – allen waren ze in een uitstekende stemming. Hij nam afscheid van iedereen en reed er met de keizer op uit. Allemaal stonden ze erbij te huilen. Ze hadden immers hun hart verpand aan hun heer en zijn vrouw. Hij ging dus op reis, en kwam in den vreemde godvruchtig te overlijden. Zo had God het gewild.

Nu had hij aan zijn vrouw een ringetje ten afscheid gegeven met een steen erin. Deze steen had de eigenschap dat hij uit het ringetje zou vallen wanneer degene die hem aan een ander cadeau deed, zou sterven. Dat gebeurde dus bij Sint Elisabeth. De steen viel in haar hand. Ze schrok hevig. Want ze wist hiermee, dat haar man dood was. Alle heren van de keizer hadden er veel verdriet van, dat de landgraaf van de keizer gestorven was. Maar vooral de keizer zelf, want ze waren elkaars vriend geweest. Ze hebben dus het lijk meegenomen om het te balsemen, legden het af in schoongewassen doeken, voegden er welriekende kruiden aan toe, en probeerden het terug te vervoeren naar zijn land Hessen. Toen bracht men zijn broer, Hendrik, op de hoogte van zijn dood, en vervolgens ook zijn meesteres Sint Elisabeth. Zij sloeg haar ogen op ten hemel en sprak: ‘Ook in mij moet de wereld afsterven.’ Zij hulde zich in een haren kleed. Op dat moment verdreef haar zwager haar uit de burcht met de twee kinderen, maar zonder geld of goed. Ze nam het meisje op haar arm en haar zoontje bij de hand. Haar zwager beval dat niemand haar in huis mocht opnemen. Nu wist ze niet meer waar heen te gaan, en bad: ‘Heer Jezus Christus, wees u mijn gids.’ Ze ging richting Eisenach, klopte aan bij een herberg in het bos, en moest overnachten in een stal. Toen hoorde ze de ongeschoeide Franciscaner monniken voor de metten luiden; ze ging er heen en vroeg hun of ze omwille van haar een Te Deum (“U God loven wij…”) wilden zingen, uit dankbaarheid, dat ze nu net zo arm was geworden als Hijzelf toen hij in een kribbe lag. Ze loofde God met de woorden: ‘Heer, uw wil geschiede aan mij!’ Gisteren nog was ik een landgravin, en mocht burchten en kastelen tot mijn bezit rekenen. En vandaag ben ik in één klap een bedelares wie niemand onderdak wil geven. Och, mijn lieve Heer, had ik me maar toegelegd op uw dienst, en had ik maar meer gelet op uw wil! Dat is wat ik nu het meeste verlang.’ En toen deze lieve vrouw zag, hoe haar kinderen honger leden, sprak ze met grote rouwmoedigheid: ‘Het is allemaal te wijten aan mijn zonden.’ Deze rouwklacht kwam haar biechtvader ter ore. Hij had medelijden met haar. Hij bracht haar dus naar de abdis van Kitzingen. Dat was haar tante. Die gaf haar maar al te graag een prettige kamer, waarin zij God kon dienen naar hartelust. Ze bleef daar wel een heel jaar. Toen liet de bisschop van Bamberg naar haar vragen. Waarop haar tante er met haar naar toe ging. De bisschop kwam haar zelfs tegemoet rijden. Hij troostte haar en bracht haar bij zich in huis. Hij begon op haar in te praten, dat ze een andere vorst als echtgenoot moest kiezen. Daar kreeg Eisentraut lucht van. Het deed haar verdriet. Ze zei tegen de bisschop: ‘U doet haar daar pijn mee.’ Ze zei het ook tegen haar meesteres. Deze antwoordde haar op vriendelijke toon: ‘Als ze mij een man gaan opdringen, snijd ik mijn neus af. Dan ben ik meteen geen man meer waard. Dan kan ik tenminste mijn lieve Heer Jezus behouden.’

Nu beschikte de Heer het zo, dat er brieven van haar oom bezorgd werden, waarin stond, dat haar overleden heer naar zijn land werd teruggebracht. De bisschop bracht de moeder van de landgraaf ervan op de hoogte, alsmede vele andere heren. Ze brachten de overleden heer met veel eerbetoon naar huis. Overal heerste rouw om hem. Toen Elisabeth de baar naderde en men aanstalten maakte hem in het graf te leggen, sloeg ze haar ogen op tot God en sprak: ‘Mijn Heer en mijn God, heb medelijden met mijn verdriet. Want als ik hem had mogen behouden, dan zou ik al mijn liefde aan hem besteed hebben tot aan mijn dood. Maar dat is blijkbaar onmogelijk. Daarom offer ik hem aan U op; ik beveel hem aan in uw goedheid; ontferm U over hem en neem hem op in uw vreugde.’ God verhoorde haar. Zij geraakte in geestverrukking. Haar gelaat begon zulk een lich uit te stralen, dat het voor niemand meer mogelijk was om haar aan te kijken. En er kwamen engelen naar haar toe, die zeiden: ‘Uw gebed is verhoord.’ Toen kwam ze weer tot zichzelf. Ze dankte God en Onze Lieve Vrouw met een lach. Dat zag haar zwager. Hij zei: ‘God moest je komen halen. Staat haar man te bewenen, maar je meent er niks van.’ Zij wist namelijk niet wat God aan haar bewerkt had. Elisabeth beval de boosaardige geest van haar zwager aan in Gods genade. Intussen klonken de gezangen voor haar heer; men bracht hem naar het benedictijner klooster in Harzbrunn. Daar werd hij met grote eer bijgezet.

Nu wilde Sint Elisabeth haar leven inrichten zoals zij het verkoos. Heer Walter van Varilla kwam haar troosten en ging vervolgens naar landgraaf Hendrik om de zaak met hem te bespreken: ‘Wij zijn bezig de heilige eed te breken, die wij destijds aan onze heer landgraaf en zijn vrouw Elisabeth hebben gezworen. Zij leeft thans in grote armoede. Ze heeft veel verdriet. We zullen nog de hel verdienen, als we zo doorgaan.’ Ten overstaan van heer Hendrik voerde hij aldus het woord in het bijzijn van alle andere heren: ‘Terwijl de kinderen van onze vrouwe eigenlijk de erfgenamen zijn van het land, hebben wij ze met de vrouwe uit het land verdreven!’ Daarop zei de landgraaf tot heer Walter: ‘Ik geef dat alles jou in handen. Maar denk erom: als het hele Duitse land van Elisabeth zou wezen, zou zij het ter liefde Gods allemaal weggeven. Geef haar echter de burchten, landerijen en steden weer terug, want haar kinderen zijn onze vrienden.’ Dat bracht heer Walter aan Elisabeth over. Zij sprak: ‘Het enige wat ik verlang is mijn bruidschat en de erfenis van mijn kinderen.’ Men gaf haar dus tienduizend mark. Dat maakte haar zo gelukkig, dat zij het meteen op een roepen zette: alwie binnen een straal van twee mijlen een aalmoes wilde hebben, kon hem komen halen. Ze voegde er wel aan toe: als iemand twee keer een aalmoes nam, moest hij een bijzondere straf ondergaan. Toen kwam daar een vrouw die inderdaad twee keer een aalmoes nam. Sint Elisabeth bemerkte het en zei: ‘Wat maakt je het allergelukkigst?’ ‘Mijn haren; daar besteed ik extra veel zorg aan.’ Daarop zei Elisabeth: ‘Dan wil dát graag hebben!’ En ze knipte haar de haren af.
Toen ging Elisabeth terug naar huis en bouwde een groot gasthuis; dat kostte haar wel vijfduizend mark. De andere vijfduizend was ze al kwijt geraakt aan de aalmoezen. In het gasthuis nam ze zevenentwintig zieke mensen op. Ze verpleegde ze. Bovendien liet ze in het gasthuis door een priester de mis lezen.

Uiteindelijk werd ook aan haar vader bericht, dat zij een leven leidde zonder enige eer en status. Daarop zond hij zijn vorsten naar haar toe om haar zijn hartelijke groeten over te brengen. Toen ze in haar land arriveerden, gingen ze bij landgraaf Hendrik naar haar vragen. Waarop hij zei: ‘Ik zal jullie mijn zuster Elisabeth laten zien. Die is de allergekste vrouw ter wereld geworden.’ (De Heilige Geest was het die hem dit liet zeggen, want in feite was zij voor de almachtige God een uitverkoren werktuig). Elisabeth had haar vorstelijke gewaden allang weggegeven; ze droeg armzalige kleren. Dat maakte haar gelukkig.

Op het moment dat de vorsten van haar vader arriveerden, troffen ze haar bezig met spinnen om in haar onderhoud te voorzien. Eén van hen richtte zich tot haar: ‘Dat hoort toch niet bij iemand van koninklijke bloede: dat u een armzalig kleed zit te spinnen?’ Waarop zij reageerde: ‘Wie dacht u dan dat ik was? Ik ben alleen maar een arme zondares. Ik heb me nooit aan de geboden van mijn God gehouden.’ Waarop een ander zei: ‘Kom edele vrouwe, kom met ons mee terug naar uw vader, en neem bezit van uw rijk en uw erfdeel.’ En zij weer: ‘Ik hoop dat ik tenslotte voor eeuwig mijn vaderlijk erfdeel van onze Heer Jezus Christus mag bezitten.’ Ze wou niet met hen mee terug naar huis. Waarop ze afscheid van elkaar namen.

Nu brak de tijd aan, dat zij zou sterven. Daar verscheen haar Onze Heer met de woorden: ‘Elisabeth, mijn lief vriendinnetje, kom hierheen bij alle anderen; mijn Vader wil je graag op de troon van de eeuwige zaligheid doen plaatsnemen.’ Haar biechtvader kwam langs. Ze zei hem, dat ze door Onze Heer was uitgenodigd en sprak: ‘Ik brand van liefde voor Hem; ik zou graag willen dat u mij de biecht afnam.’ Het speet hem, dat hij haar moest verliezen. Hij gaf haar de bescherming van de Heilige Communie, knielde voor haar neer en zei: ‘Lieve dochter; je moet mij vergeven wat ik allemaal verkeerd heb gedaan. Bovendien beveel ik mijzelf in je gebeden voor God aan.’ Zij sprak: ‘Sta alstublieft op; voor God zijn wij allebei gelijk.’ God liet haar weten, dat er in haar geval van een vagevuur geen sprake kon zijn. Waarop de Heilige Geest tot haar kwam met al zijn zoete gaven. Er ging zo’n glans van haar uit – het was middernacht – dat de omstanders niet eens meer konden zien of zij er nu lag of niet. Maar de lieve vrouwe Sint Elisabeth lag er wel degelijk. Ze lachte; ze hoorde de evangelieverhalen voorgelezen worden, en ze hoorde de engelen Gods zingen. En zelf zong ze vrolijk mee. Maar allen die erbij stonden, moesten huilen. Zij zei: ‘Je moet niet huilen om mij. Ik zag Onze Lieve Heer rusten aan de borst van moeder.’ Dat deed hun allemaal goed. Na middernacht sprak ze: ‘Ongeveer om deze tijd is destijds Onze Heer geboren in de stal van Bethlehem tot troost van mij en alle zondaars. Ach Maria, kom mij in mijn laatste ogenblikken te hulp en wil mij geleiden.’ Daarmee trad haar ziel de eeuwige vreugde binnen. Ze lag daar stralend voor hun ogen. Het was alsof ze nog leefde. Vier dagen lang. Toen heeft men haar begraven in Marburg in Hessenland. Dat was in het jaar 1231 na de geboorte van Onze Heer Jezus Christus. Ze ligt in een mooie kapel. Er staan twee altaren in die aan haar zijn toegewijd.

Verering & Cultuur
In 1232 bouwde haar geestelijk leidsman Konrad van Marburg een kerk boven haar graf, die hij toewijdde aan Sint-Franciscus. Reeds vier jaar na haar dood werd ze op 27 mei 1235 door paus Gregorius IX († 1241) heilig verklaard. Op 1 mei werd haar stoffelijk overschot met plechtig vertoon overgebracht naar het hoogaltaar. Op diezelfde plek bouwde Elisabeths zwager, Konrad van Hessen, de Sint-Elisabethkerk. In 1250 werd haar stoffelijk overschot hier herbegraven.
Marburg werd een drukbezochte bedevaartplaats. In het Zweedse Lund en de Hollandse stad Dordrecht werden pelgrimsinsignes gevonden afkomstig uit Marburg. Door de geschiedkundigen worden ze geplaatst in de tweede helft van de 14e eeuw. Daarop staat Christus afgebeeld, die Elisabeth en Franciscus een kroon op het hoofd plaatst. Dat gegeven is ontleend aan een gebrandschilderd raam in de St-Elisabethkerk te Marburg, dat gedateerd wordt in de jaren 1240/50. Zoals bekend had Elisabeth een grote verering voor Franciscus. Niet alleen werd de eerste kerk, waarin zij werd begraven aan hem toegewijd; zelf had ze het plaatselijke gasthuis destijds onder zijn patronaat geplaatst.
In 1434 verzorgde Johannes Rothe van haar een levensbeschrijving.

De Duitse stad Keulen bezat in de late middeleeuwen voor zover bekend reeds drie schilderijen, waar zij op was afgebeeld. Sinds 1588 bevinden zich het hoofd en twee andere beenderen uit haar skelet in het kerk van het Elisabethinnenklooster te Wenen.

Ze is tweede patrones van het bisdom Fulda; zij wordt verder vereerd als patrones van Hessen, Isny, Marburg, van de kathedrale kerk van Rotterdam en van Thüringen.
Daarnaast is ze beschermheilige van de Duitse Ridderorde en van religieuze orden en congregaties als de Derde Orde van Franciscus, de Zusters van Liefde en de Elisabethinnen (zusterorde die eind 14e eeuw in Italië ontstond; zij leven volgens de regel van de Derde Orde van Franciscus en laten zich vooral inspireren door het voorbeeld van Elisabeth); bovendien is ze patrones van zieken, ziekenhuizen (er zijn er heel wat die naar haar zijn genoemd) en ziekenhuispersoneel en van alle vormen van verzorging; van liefdadigheid, charitatieve instellingen, bedelaars, armen en behoeftigen; van kantwerk(st)ers en fraaie handwerken (heeft te maken met de belangrijke rol, die kleding speelt in haar leven: ze maakte ze zelf, gaf nier om adellijke kleren en gaf veel weg); en tenslotte van de bakkers (omdat ze vaak met broden wordt afgebeeld, die ze naar de armen gaat brengen).

Haar voorspraak wordt ingeroepen bij ernstige ziekten, vooral tegen eczeem, haarworm en tandpijn.
Ze wordt afgebeeld als een gekroonde vorstin; kan en brood in de hand (armenzorg); bedelaar aan haar voeten (armenzorg); drie kronen in de hand (die symboliseren haar boetvaardigheid, zuiverheid en goede voorbeeld); korfje rozen in de hand; rozen; beurs (voor aalmoezen); kreupelen (die verzorgde ze); korf en wijnkruik; model van een kerk; crucifix.

Duitsland
Op Elisabethsdag, 19 november, werden van oudsher aan kerk- en kloosterdeuren levensmiddelen en jonge wijn ingezameld om onder de armen te verdelen. Dit gebeurde ter herinnering aan Elisabeth’s bijdrage aan de grote hongersnood van 1225/26.

Nederland
Van oudsher werd zij gevierd op 19 november, de dag van haar begrafenis. In de Duits sprekende gebieden is dat nog zo, maar elders werd sinds de kalenderhervormingen van Vaticanum II in 1970 haar nagedachtenis verplaatst naar haar sterfdag: 17 november.
Omdat men in vroeger tijden de dagen aanduidde met de heilige, kent de Nederlandse geschiedenis de zogeheten Elisabethsvloed, een westerstorm, die op 19 november 1421 voor geweldige overstromingen zorgde, waaruit de huidige Biesbosch is ontstaan.
Het middeleeuwse gasthuis van Haarlem is naar haar vernoemd. Ook de stad Arnhem heeft een Sint Elisabethgasthuis. Soms neemt men wel aan dat ook het Gasthuis van Delft naar St-Elisabeth heette, maar dat schijnt toch op een vergissing te berusten.
In Casteren (Noord-Brabant) bestaat een kleine bedevaart ter ere van Elisabeth.

België
1 Haren (Brussel)
Op een bedevaartsvaantje uit Haren (Brussel) zien we in het midden Elisabeth op een sokkeltje, dat als reliekhouder dient. Rechts de kerk van Haren, in de stralen van de zon. Naast de toren een engel met palm en kroon. Haar rechterhand in zegenende houding; in haar linker twee kronen op elkaar. Om haar voeten kinderen (soms door volwassenen aangedragen) met schurfthoofdjes, die haar hulp inroepen. Naast de edele dame die haar kind opheft ligt een lam als offergave. Meer op de achtergrond een adellijk heer met een kind dat een band om zijn hoofd draagt en een haan in zijn hand houdt. Onderschrift: “S. Elisabeth, patronesse tegen den hayrworm etc. gevierd tot Haren.”

2 Zoersel (Antwerpen)
Hier zien we op het bedevaartvaantje links een binnenaanzicht van een kerk; op het altaar staat een grote reliekschrijn met daarop een half beeldje van Elisabeth. Zij is afgebeeld met een kroon op het hoofd, een skepter in de linkerhand en een aalmoes in de rechter die zij beneden aan een bedelaar reikt. Op het altaarblad voor de schrijn: offergaven (eieren of broodjes?). Achter op de wand allerlei ex-voto’s: krukken, ogen, borsten, een been, een arm, een hand. Voor het altaar bidt een priester uit een boek; naast hem een moeder en kind, beiden geknield, een mandje met offergaven naast zich. Aan de basis nog vijf bedelaars met de handen naar het beeld van Elisabeth uitgestrekt.

De tekst luidt:

“O hemelschen vader die van uwe oneijndelijke Bermhertigheijt aen de H. Elisabeth hebt medeghedeijlt verleent dat wij door Hare uijtnemende verdinsten der seluer goddelijcke bermhertigheijt nu ende hier naemaels mede Deelachtig mogen worden. Amen. Geraeckt aende reliquien van de H. Elisabeth.’

In 1946 publiceerden Gabriël SMIT (rijmpjes) & Piet WORM (prentjes) een boekje over heiligen voor kinderen: ‘Roosjes uit de Hemeltuin’; Utrecht/Antwerpen, De Fontein. Het bevat ook een rijmpje voor Elizabeth:
Elizabeth, de rozen geuren,
De hemelrozen in uw schoot,
Ten troost van allen die hier treuren
In ziekte en armoe, pijn en nood.
Laat ook mijn hart als rozen blinken
Voor elk die hier de moed laat zinken.



zondag - 17 nov

Sneek 09:45 PKN Viering

Wumkeshûs, Dr. – woonzorgcentrum, Sneek

Voorganger: mw. H. Dijkstra, Koudum



zondag - 17 nov

Sneek 10:00 PKN Viering - Heilig Avondmaal

Antonius Ziekenhuis, kerkzaal, Sneek

Voorganger: dr. M. van Blanken



zondag - 17 nov

Sneek 11:00 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

M.m.v. Intermezzo o.l.v. F. Haaze



zondag - 17 nov

Sneek 11:00 PKN Viering

Ielânen, woonzorgcentrum Sneek Ielânen, woonzorgcentrum, Sneek

Voorganger: mw. E. Kuiper



maandag - 18 nov

Hele dag Gedenkdag H. Philippine Duchesne, kloosterlinge en missionaris

Philippine Duchesne; Saint-Charles, Missouri (Noord-Amerika); kloosterlinge & missionaris; † 1852.

Afbeelding Philippine Duchesne
ca 1845 > Portretschilderij, USA

http://www.heiligen.net/afb/11/18/11-18-1852-philippine_1.jpg

Feest 18 november.

Zij werd op 29 augustus 1769 geboren te Grenoble, een stad tegen de Alpen in het oosten van Frankrijk. Haar vader was advocaat. Hij bracht zijn dochter groot in een antikerkelijke, maar verdraagzame sfeer. Op 16-jarige leeftijd trad zij in bij de Zusters Visitandinnen. Tegen de zin van haar ouders.
Maar deze Congregatie raakte verstrooid tijdens de Franse Revolutie, zodat zij vanaf 1791 religieus gesproken dakloos was. Ze keerde terug naar huis en wijdde zich aan werken van naastenliefde: ze gaf – in die tijd! – godsdienstles aan kleine kinderen en bezorgde onderdak voor tientallen verdreven en vogelvrije priesters. Tot bewondering van haar ouders. Nadat in 1794 de ergste woede van de Revolutie voorbij was, kocht haar vader voor haar het voormalige kloostergebouw op. Zij probeerde de zusters weer bij elkaar te krijgen, maar dat mislukte. Bij toeval kwam zij in aanraking met Madeleine-Sophie Barat († 1865; feest 25 mei)die juist een nieuwe zustercongregatie was begonnen: het Instituut van het Heilig Hart (Institut du Sacré Coeur). Op 13 december nam Madeleine Barat het kloostergebouw in Grenoble over en maakte het tot een vestiging van haar nieuwe Instituut. Philippine trad direct toe, samen met nog enkele vrouwen. Madeleine Barat bleef een heel jaar om de nieuwe zusters als novicemeesteres te begeleiden bij hun eerste stappen in het nieuwe religieuze leven. Philippine had een rijk geestelijk leven, waarin zij opvallende genadegaven ontving. Zijzelf schrijft dat zij overstelpt werd met geestelijke vreugden.
Ze wilde dolgraag naar de missie in Amerika om de liefde van Jezus’ Heilig Hart ook te brengen bij arme mensen die nog nooit van Hem hadden gehoord. Maar Moeder Madeleine achtte het nieuwe Instituut nog te zwak voor een overzeese onderneming. Zij maakte Philippine tot haar persoonlijke rechterhand. Totdat in 1817 de bisschop van Louisiana vroeg om krachtige zusters. Toen stond moeder Madeleine haar rechterhand grootmoedig af.

In 1818 maakte Philippine in gezelschap van nog vier zusters de oversteek naar Noord-Amerika en stichtte in Saint-Charles een vestiging van het Instituut van het Heilig-Hart. Dat eerste huis was niet meer dan een houten blokhut. Ze had er te kampen met alle moeilijkheden die bij zo’n pioniersbestaan horen: de bittere kou, geldgebrek en keihard werken. Bovendien had ze als Française buitengewoon veel moeite met de Engelse taal. Met haar vier medezusters wist ze echter stand te houden, en in 1820 opende zij het eerste schooltje dat gratis toegankelijk was voor de immigranten die zich ter plaatse hadden gevestigd.
In 1828 zijn het er al zes. Intussen meldden zich ook meisjes die zuster wilden worden. Er werd dus ook een noviciaat geopend. In de volgende jaren stond ze aan de basis van nog een aantal nieuwe vestigingen op verschillende plaatsen. Maar het meest verlangde ze ernaar – diep in haar hart – om te midden van de inlandse Indianen te kunnen werken. Maar daar leek ze toch te oud voor geworden. Ze was 72, toen ze van alle verantwoordelijkheden ontslagen werd. Intussen was er een schooltje geopend temidden van de Potawatomi-indianen te Sugar-Creek in de staat Kansas. Het was de jezuïetendirecteur die uitdrukkelijk om haar komst vroeg: “Wat doet het ertoe dat ze al oud is? Ze zal ons tot grote steun zijn met haar ervaring, levenswijsheid, moed en ondernemingsgeest, en niet te vergeten door haar gebed.”
Het zou haar slechts één jaar vergund zijn temidden van de indianen door te brengen. Maar die tijd was genoeg om van hen de vererende bijnaam te ontvangen ‘de eeuwig biddende vrouw’. Om gezondheidsredenen moest ze in juli 1842 terug naar Saint-Charles. Op haar sterfbed verzuchtte ze:
“Zelfs nu nog brandt in mijn hart hetzelfde verlangen om naar de missie in de Rocky Mountains te vertrekken, als destijds in Frankrijk, toen ik ernaar verlangde om hier naar Amerika te komen.”
Ze stierf op 18 november 1852, 83 jaar oud.

Verering & cultuur

In 1952, honderd jaar na haar dood, leven er meer dan duizend zusters van het Heilig-Hart in de Verenigde Staten van Amerika, die 8 colleges, 28 pensionaten en een veelvoud aan lagere scholen leiden. Daarnaast zijn er nog meer dan 6000 werkzaam in 30 andere landen.
Philippine werd heilig verklaard in 1988.



maandag - 18 nov

Sneek 09:15 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, kapel, Sneek


dinsdag - 19 nov

Hele dag Gedenkdag H. Mechthildis van Hackeborn, kloosterlinge

Mechthildis van Hackeborn (ook van Helfta) osb, kloosterlinge, Helfta Duitsland; † 1299.

Afbeelding van Mechthildis van Hackeborn
Mechthildis vereert met Gertrudis de Grote het Heilig Hart.
± 1880, glasschilderkunst. Frankrijk, Caen, Chapelle Sacré Coeur, Karmelietessen.

http://www.heiligen.net/afb/11/19/11-19-1299-mechthildis_2.jpg

Feest 19 november.

Zij werd in 1241 geboren en werd op zevenjarige leeftijd voor haar verdere vorming toevertrouwd aan de zusters van het cisterciënzerinnenklooster Rodersdorf. Haar zus Geertruida († 1292; feest 16 november) was daar al eerder ingetreden en zou er in 1251 tot abdis gekozen worden.

Mechtild trad zelf toe tot de kloostergemeenschap, die in 1258 verhuisde naar Helfta bij Eisleben. Mechtild werd aangewezen als het hoofd van de kloosterschool. Dat paste goed bij haar, want zij was wetenschappelijk uitstekend onderlegd; bovendien was zij kunstzinnig hoog begaafd. Daarnaast bleek zij een fijne en hartelijke persoonlijkheid.
Zij had een bijzondere devotie tot het Heilig Hart van Jezus.

Enkele van haar gebedservaringen heeft zij in geschriften neergelegd. Deze zijn in later eeuwen van groot belang geworden voor de verbreiding van de Heilig-Hart-devotie.

Verering & Cultuur

Zij wordt afgebeeld tezamen met Geertruida voor een kruisbeeld; met een vlammend hart in de hand; de Heer geeft haar zijn hart; de Heer tronend in haar hart; engelen die haar bij haar dood de laatste sacramenten geven; met een boek waarop een duif zit (symbool van de Heilige Geest); een blinde kloosterzuster genezend.
Zij wordt aangeroepen tegen blindheid.



dinsdag - 19 nov

Sneek 08:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


woensdag - 20 nov

Hele dag Gedenkdag Bernard van Hildesheim, bisschop

Bernward (ook Bernard) van Hildesheim osb, Duitsland; bisschop; † 1022.

Afbeelding van Berbard van Hildesheim
16e eeuw. Houtsculptuur. Duitsland, Hildesheim, Roemermuseum.

http://www.heiligen.net/afb/11/20/11-20-1022-bernward_1.jpg

Feest 20 november.

Hij werd rond 960 uit een adellijk Saksisch geslacht geboren. Hij blijkt een veelzijdig man, want hij staat te boek als architect, schilder, beeldhouwer en edelsmid. Geen wonder dat hij gevraagd werd als persoonlijk leermeester en geestelijk leidsman van de latere keizer Otto III (980-1002).
Op advies van bisschop Willigis van Mainz († 1011; feest 23 februari) wordt hij in 993 bisschop van Hildesheim. Hij sticht de Sint-Michaelsabdij, het eerste manneklooster in zijn bisdom. Hij is een gewetensvol leider met hart voor zijn mensen; hij heeft niet alleen zorg voor hun geestelijk welzijn, maar ook voor hun materiële noden. Zo laat hij versterkingen en vestingen bouwen om zijn mensen te beschermen tegen de invallen van Noormannen en Slaven.
Zoveel hij maar kan, is hij een bezield bevorderaar van de kunst. Beroemd zijn de naar hem genoemde bronzen deuren van de domkerk te Hildesheim (1015); zij tonen in reliëf scènes uit het Oude en Nieuwe Testament.

Verering & Cultuur

Na zijn dood zette men hem plechtig bij in de kerk van ‘zijn’ Sint-Michielsabdij. Hij werd opgevolgd door Sint Godehard († 1038; feest 5 mei).

In 1192 is hij heilig verklaard als eerste heilige van Saksische afkomst. Ook zijn zuster Judith van Ringelheim wordt als heilige vereerd.
Hij is patroonheilige van het bisdom Hildesheim; en van de goudsmeden.
Hij wordt afgebeeld als bisschop (tabberd, mijter en staf); met een door hemzelf gemaakt metalen kruis; met een model van het door hem gestichte klooster St-Michaël; met hamer (verwijzing naar zijn vroegere beroep).



woensdag - 20 nov

Sneek 09:15 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, kapel, Sneek


donderdag - 21 nov

Hele dag Feestdag van de Opdracht van de H. Maagd Maria

Maria’s Opgang naar de Tempel, Jeruzalem, Palestina; † ca 12 vóór Christus.

Afbeelding Maria’s opgang naar de Tempel

ca 1925. Schilderij België, Brugge, Huize Iñigo.

http://www.heiligen.net/afb/11/21/11-21-00--12-maria_1.jpg

Feest 21 november.

Dit feest berust op oeroude legenden.
Maria’s vader en moeder, Joachim en Anna, hadden beloofd dat ze hun kind aan God zouden toewijden.

Toen het van de borst af was, Maria was toen drie, kwam het moment die gelofte gestand te doen.

Ze werd door haar ouders naar de tempel gebracht. Zo klein ze ook was, op het moment dat ze boven aan de trap de hogepriester zag staan, snelde ze naar boven zonder ook nog maar één keer om te kijken naar haar vader en moeder: zo verlangde ze ernaar in dienst van God te treden…

Vanaf dat moment aldus de legende – verbleef Maria in de tempel als een pikkende duif en zij ontving voedsel uit de hand van een engel.



donderdag - 21 nov

Sneek 08:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


donderdag - 21 nov

Sneek 14:00 KBO – KAARTEN/KLAVERJASSEN IN HET BONIFATIUSHUIS

Bonifatiushuis, Sneek

Op donderdagmiddag.
Voor leden van de KBO (Katholieke Bond voor Ouderen) afd. Sneek.
Coördinator: mevr. L. Reinsma



vrijdag - 22 nov

Hele dag Feestdag H. Cecilia, martelares met Valerius & Tiburtius

Cecilia van Rome, Italië; maagd & martelares met Valerianus & Tiburtius; † na 229.

Afbeelding H. Cecilia, Valerianus & Tiburtius

12e eeuw, handschriftverluchting (Biblia di Santa Cecilia).
Midden Cecilia,
aan haar rechterhand (voor ons links) Tiburtius,
aan haar linkerhand (voor ons rechts) Valerinanus.
Alle drie door de engel opgenomen in het paradijs, aangeduid door de bomen.

http://www.heiligen.net/afb/11/22/11-22-0229-cecilia_13.jpg

Feest 22 november.

Legende
Cecilia was in de middeleeuwen zo populair dat er almaar meer verhalen om haar persoon geweven zijn. Met als gevolg dat het vandaag de dag eenvoudig niet meer mogelijk is in de verhalen waarheid en legende uit elkaar te houden.
Zij zou opgegroeid zijn in een christenfamilie. Zoals vaak in de begintijd van het christendom nam zij zich voor maagd te blijven; teken dat zij haar geloof temidden van de Romeinse cultuur in alle zuiverheid wilde bewaren; zo kon zij het beste getuigen van de alles omvattende liefde tot Christus. Ze had die belofte gedaan in de stilte van haar gebed.

Haar ouders waren er niet van op de hoogte en arrangeerden naar de gewoonte van die tijd een huwelijk voor haar met een aantrekkelijke partner. In dit geval ging het om een rijk man, Valerianus geheten († 229; feest 14 april). Ze besloot hem haar vrome voornemen kenbaar te maken. Op het moment dat de bruidsmuziek weerklonk, aldus de legende, fluisterde zij Valerianus in het oor dat zij had besloten maagd te blijven omwille van Christus. Door haar heilige ernst speelde zij het klaar hem te winnen voor haar ideaal. Hij maakte kennis met haar godsdienst en liet zich dopen. Ook zijn broer Tiburtius († 229; feest 14 april) wist zij over te halen omwille van Christus verder ongehuwd door het leven te gaan.
Niet lang daarna ondergingen beide broers de marteldood. Al de goederen die nu aan haar toevielen verdeelde zij onder de armen. De corrupte belastingdienst van die dagen had gehoopt er een voordelig slaatje uit te slaan, maar de ambtenaren visten achter het net. Uit teleurstelling lieten ze haar arresteren. Na veel geharrewar werd ze ter dood veroordeeld door de nekslag met de bijl.

Verering & Cultuur
Op de plaats in Rome waar zij de marteldood had ondergaan, vermoedelijk in de buurt van haar huis, verrees in de 5e eeuw een naar haar genoemde kerk, die in de 9e eeuw werd vernieuwd. In 1599 werden er in het kader van een restauratie opgravingen gedaan. Men vond het lijk van een jonge vrouw, nog volkomen intact, liggend op haar rechterzij, gehuld in een lang gewaad met goudbrokaat. De hals vertoonde een diepe wonde, de kleding bloedsporen. De beeldhouwer Maderno heeft haar precies zo in marmer uitgehouwen.
Beroemd is het verhaal over haar vingers. De ene hand laat drie, de andere één uitgestrekte vinger zien. Dat zou het symbool zijn voor haar geloof in de Drieëne God.

Zij is patrones van de (kerk)muziek, omdat zij – volgens de legende – juist toen op de ochtend van haar huwelijksdag de bruidsmuziek begon te spelen, haar bruidegom Valerianus in het oor fluisterde dat zij eigenlijk het liefste maagd wilde blijven omwille van Christus. Met een kleine wijziging is deze tekst opgenomen in Cecilia’s liturgie. De eerste antifoon van haar vespers zingt: “Cantantibus organis Caecilia virgo in corde suo soli Domino decantabat dicens: Fiat Domine, cor meum et corpus meum immaculatum, ut non confundar” (= “Terwijl orgeltonen klonken, zong Cecilia in haar hart voor de Heer alleen met de woorden: Mogen, Heer, mijn hart en mijn lichaam vlekkeloos blijven, opdat ik niet beschaamd zal worden”).
Ontelbaar zijn de koren, orkesten, blaaskapellen en muziekverenigingen die de naam van Sint-Cecilia dragen.
Zij wordt afgebeeld met een orgeltje of met andere muziekinstrumenten; soms met een boek of met een palm (symbool van de overwinning; martelaren werden in de oude tijd gezien als overwinnaars).

In 1946 publiceerden Gabriël SMIT (rijmpjes) & Piet WORM (prentjes) een boekje over heiligen voor kinderen: ‘Roosjes uit de Hemeltuin’; Utrecht/Antwerpen, De Fontein.

Het bevat ook een rijmpje voor Sint Caecilia:
Caecilia bij uw muziek
Klinkt al mijn zingen zwak en ziek,
Want welke mond zingt ooit zo blij
Zo rein en hemelhoog als gij?
Maak dan dat aan mijn hart ontspringt
Een lied, dat schoon als ’t uwe klinkt.



vrijdag - 22 nov

Sneek 19:00 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


zaterdag - 23 nov

Hele dag Gedenkdag H. Trudo van St Truiden, priester en stichter

Trudo (ook Tron, Trond, Trudon, Truiden of Truud) van St-Truiden (ook van Haspengau), België; geloofsverkondiger, priester & stichter; † ca 695.

Afbeelding van Trudo

ca 1880, glasschilderkunst.
België, Brugge, St-Salvator.

http://www.heiligen.net/afb/11/23/11-23-0695-trudo_3.jpg

Feest 23 november.

Hij moet rond 628 in Haspengau geboren zijn als zoon van een adellijk geslacht. Het was Sint Remaclus († ca 675; feest 03 september), die hem naar Metz stuurde om er voor priester te studeren. Hij ontving er de wijding uit handen van bisschop Clodulfus († 696; feest 08 juni). Nu trok hij predikend door Limburg en Brabant; hij stichtte eerst een klooster in Brugge; vervolgens begon hij in 660 een kloostervestiging op zijn eigen landgoed Zerkingen; daaruit groeide de huidige naar hem genoemde stad St-Truiden.

Verering & Cultuur

Sinds 1803 wordt zijn reliekschrijn bewaard in de plaatselijke Onze-Lieve-Vrouwekerk. Er zijn twee Levensbeschrijvingen (= ‘Vitae’) van hem bewaard gebleven: de ene geschreven door Donatus rond 785 en de ander door Theodoricus van Sint-Truiden in 1093.

Een devotielied uit de 15e eeuw zingt:

‘O heilich Sint Truud van grooter weerden
die den mensen te hulpen comt up der eerden
wilt voor ons bidden , heilich sant
al zyt ghy niet bekent in Vlaenderenlant
hu heilich lichame rust int clooster te Aspergauwe
wilt ons verlossen van alle rauwe.’

Hij is patroon van de plaats Sint-Truiden en van fruithandelaren, omdat in die streek veel fruit wordt verbouwd.
Hij wordt afgebeeld als abt, of als priester gekleed in albe en kazuifel; vaak zien we aan zijn voeten een duivelsfiguur; maakt een vrouw blind die hem stoort bij de bouw van de kerk en geneest haar weer.



zaterdag - 23 nov

Sneek 10:00 Eucharistieviering

Ielânen, woonzorgcentrum Sneek Ielânen, woonzorgcentrum, Sneek


zondag - 24 nov

Hele dag Gedenkdag HH Andreas Dung-Lac en gezellen, martelaren van Vietnam

HH Andreas Dùng-Lac en gezellen, martelaren van Vietnam; † periode 1745-1862

Afbeelding Andreas en  gezellen

Feest 24 november.

In 1900 en 1909 werden twee grote groepen zalig verklaard die bestonden uit mensen die hun leven voor Christus hadden gegeven in Achter-Azië tussen 1798 en 1861.

Hun heiligverklaring volgde in 1988. De eerste groep telt vierenzestig heiligen, de tweede achtentwintig.

In 1832 werden de christenen officieel verboden. In de jaren daarna vielen er vele slachtoffers onder degenen die trouw bleven aan hun geloof. In de periode 1856 – 1862 vonden onder koning Tu-Duc nogmaals heftige christenvervolgingen plaats. Er vielen met name onder de dominicanen, die vooral in dat gebied werkten, vele slachtoffers.

Tot de Vietnamese Martelaren behoren:

Naam Plaats Jaar Mnd.Dag

Bisschoppen
Dominico Henares Tay Ban Nha 1839 06.25
Ignacio Delgado y Cebrian Ha Noi 1839 07.12
Jerónimo Hermosilla Tay Ban Nha 1861 11.01
Jose Maria Diaz Sanjurjo Tay Ban Nha 1857 07.20
Melchior Garcia Sampedro Suarez Tay Ban Nha 1858 07.28
Pierre Borie Phap 1838 11.24
Valentino Berrio Ochoa Tay Ban Nha 1861 11.01
Priesters
Anre Dung Lac Ha Noi 1839 12.21
Augustin Schoeffler Phap 1851 05.01
Benado Vu Van Due Bui Chu 1838 08.01
Daminh Cam Bac Ninh 1859 03.11
Daminh Mau Bui Chu 1858 11.05
Daminh Nguyen Van Hanh (Dieu) Thanh Hoa 1838 08.01
Daminh Nguyen Van Xuyen Thai Binh 1839 11.26
Daminh Trach Bui Chu 1840 09.18
Daminh Tuoc Bui Chu 1839 04.02
Emanuele Nguyen Van Trieu Hue 1798 09.17
Giacobe Do Mai Nam Thanh Hoa 1838 08.12
Gioan Dat Ha Noi 1798 10.28
Gioan Doan Trinh Hoan Qui Nhdn 1861 05.26
Giuse Dang Dinh Vien Thai Binh 1838 08.21
Giuse Do Quang Hien Bui Chu 1840 05.09
Giuse Nguyen Dinh Nghi Ha Noi 1840 11.08
Giuse Tuan Thai Binh 1861 04.30
Isidore Gagelin Phap 1833 10.17
Jacinto Castañeda Tay Ban Nha 1773 11.07
Jean-Charles Cornay Phap 1837 09.20
Jean-Louis Bonnard Phap 1852 05.01
Jean-Théophane Vénard Phap 1861 02.02 afb. #2
Jose Fernandez Tay Ban Nha 1838 07.24
Josèph Marchand Phap 1835 11.30
Lorenso Nguyen Van Huong Ha Noi 1856 04.27
Luca Va Ba Loan Ha Noi 1840 05.05
Martino Ta Duc Thin Ha Noi 1840 11.08
Mateo Alonso de Leziniana Tay Ban Nha 1745 01.22
Pedro Almato Ribeira Tay Ban Nha 1861 11.01
Phanxico Gil de Frederich Tay Ban Nha 1745 01.22
Phaolo Le Bao Tinh Thanh Hoa 1857 04.06
Phaolo Le Van Loc Sai-Gon 1859 02.13
Phaolo Nguyen Ngan Thanh Hoa 1840 11.08
Phaolo Pham Khac Khoan Ha Noi 1840 04.28
Phero Doan Cong Quy Sai-Gon 1859 07.31
Phero Khanh Vinh 1842 07.12
Phero Le Tuy Vinh 1833 11.10
Phero Nguyen Ba TuanThai Binh 1838 07.15
Phero Nguyen Van Luu Sai-Gon 1861 04.07
Phero Ngyuen Van Tu Bui Chu 1838 09.05
Phero Truong Van Thi Ha Noi 1839 12.21
Philiphe Phan Van Minh Sai-Gon 1853 07.03
Pierre Jaccard Phap 1838 09.21
Pierre-François Néron Phap 1860 11.03
Toma Dinh Viet Du Bui Chu 1839 11.26
Toma Khuong Thai Binh 1861 01.30
Vinh-Son Do Yen Bui Chu 1838 06.30
Vinh-Son Le Quang Liem Bui Chu 1773 11.07
Vinh-Son Nguyen The Diem Vinh 1838 11.24
Katechisten
Anre Nguyen Kim Thong (Nam, Thuong) Bui Chu 1855 07.15
Anton Nguyen Huu (Nam) Quynh Qui Nhon 1840 07.10
Daminh Bui Van Uy Thai Binh 1839 12.19
Gioan Baotixita Dinh Van Thanh Phat Diem 1840 04.28
Giuse Ngueyn Van Luu Vinh Long 1854 05.02
Giuse Nguyen Dinh Uyen Bui Chu 1838 07.03
Giuse Nguyen Duy Khang Hai Phong 1861 11.06
Mateo Nguyen Van Phuong Qui Nhon 1861 05.26
Phanxico Xavie Can Ha Noi 1837 11.20
Phanxico Xavie Ha Trong Mau Thai Binh 1839 12.19
Phaolo Nguyen Van My Ha Noi 1838 12.18
Phero Doan Van Van Ha Noi 1857 05.25
Phero Nguyen Khac Tu Vinh 1840 07.10
Phero Nguyen Van Hieu Ha Noi 1840 04.28
Phero Truong Van Duong Ha Noi 1838 12.18
Phero Vu Van Truat Hung Hoa 1838 12.18
Toma Tuan Thai Binh 1840 07.21
 
Leken
Inê Le Thi Thanh (Dê) Thanh Hoa 1841 07.12
Anre Tuong Bui Chu 1862 06.16
Anre Tran Van Trong Sai Gon 1835 11.28
Anton Nguyen Dich Ha Noi 1838 08.12
Agostino Nguyen Van Moi Hai Binh 1839 12.19
Agostino Ohan Viet Huy Ha Noi 1839 06.13
Daminh Huyen Thai Binh 1862 06.05
Daminh Mao Bui Chu 1862 06.16
Lorenso (Daminh?) Ngon Bui Chu 1862 05.22
Daminh Nguyen Bui Chu 1862 06.16
Daminh Nhi Bui Chu 1862 06.16
Daminh (Nicola) Dinh Dat Bui Chu 1839 07.18
Daminh Ninh Bui Chu 1862 06.02
Daminh Pham Trong (An) Kham Bui Chu 1859 01.13
Daminh Toai Thai Binh 1862 06.05
Emmanuele Le Van Phung Sai Gon 1859 07.31
Franxico Do Van (Minh?) Chieu Bui Chu 1838 06.25
Franxico Phan Van Trung Hue 1858 10.06
Gioan Baotixita Con Ha Noi 1840 11.08
Giuse Hoang Luong Canh Bac Ninh 1838 09.05
Giuse Le Dang Thi Hue 1860 10.24
Giuse Pham Trong (Cai) Ta Bui Chu 1859 01.13
Giuse Tuan BuiChu 1862 11.07
Giuse Tuc Thai Binh 1862 06.01
Luca Pham Trong (Cai) Thin Bui Chu 1859 01.13
Martino Tho Ha Noi 1840 11.08
Matteo Le Van Gam Sai Gon 1847 05.11
Micae Ho Dinh Hy Hue 1857 05.22
Micae Nguyen Huy My Ha Noi 1838 08.12
Nicola Bui Duc (Viet?) The Bui Chu 1839 06.13
Phaolo Hanh Sai Gon 1859 05.28
Phaolo Tong Viet Buong Sai Gon 1833 10.23
Phero Da Bui Chu 1862 06.17
Phaolo (Phero?) Duong ( Dong) Thai Binh 1862 06.03
Phero Dung Thai Binh 1862 06.06
Phero Thuan Thai Binh 1862 06.06
Phero Vu Dang Khoa (priester?) Vinh 1838 11.24
Simon Phan Dac Hoa Sai Gon 1840 12.12
Stephano Nguyen Van Vinh Thai Binh 1839 12.19
Toma Nguyen Van De Thai Binh 1939 12.19
Thomas Tran Van Thien Hue 1838 09.21
Vinh-Son Duong Thai Binh 1862 06.06
Vinh-Son Tuong Bui Chu 1862 06.16


zondag - 24 nov

Heeg 09:30 - 10:30 Woord- en Communieviering, Pastor L. Foekema

Sint Josephkerk, Heeg

voor leden en overleden leden van het Cecilia Koor;     
voor overleden familie Fokke Flapper.



zondag - 24 nov

Sneek 10:00 PKN Viering

Antonius Ziekenhuis, kerkzaal, Sneek


zondag - 24 nov

Sneek 11:00 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

Hoogfeest van Christus Koning, en tevens viering van Caecilia-zondag.

Deze eucharistieviering vormt de afsluiting van de feestelijkheden rond het 95-jarig bestaan van het Sint Caeciliakoor.

Op het programma staan onder meer:

  • Huldiging van jubilarissen
  • Een gloednieuwe mis: de Kleine Orgelmesse van Joseph Haydn, speciaal voor het jubileum ingestudeerd door het Sint Caeciliakoor o.l.v. F. Haaze, dirigent en H. de Haan, orgel. Daarnaast wordt medewerking verleend door het strijkkwartet Quartetto Animoso.

 

 



maandag - 25 nov

Hele dag Gedenkdag van H. Catharina van Egypte, martelares

Catharina (ook Aikaterinè of Ekatarina) van Alexandrië (ook de Grote), Egypte; martelares; † 310.

Afbeelding Catharina van Alexandrië

1888. Glasvenster door Hezenmans. Nederland, Den Bosch, St-Janskathedraal
Boven: marteldood van Catharina
Onder: Catharina in twistgesprek met de wijsgeren onder toeziend oog van keizer Maxentius.

http://www.heiligen.net/afb/11/25/11-25-0310-catharina_4.jpg

Feest 25 november.

Inleiding op de legendes
Hieronder volgen twee grote legendes over Catharina van Alexandrië. De tweede, over het martelaarschap van de heilige, is de oudste: waarschijnlijk in de oosterse kerk ontstaan in de zevende of achtste eeuw. In het westen zou het verhaal bekendheid gekregen hebben doordat de kruisvaarders ermee in aanraking kwamen en het meenamen naar onze streken. Feit is, dat de verering van Catharina in het westen precies in die tijd een grote vlucht nam.

In het oosten stamt Catharina’s verering ze wordt daar ook genoemd Ekatarina – al uit de vierde of vijfde eeuw. In ieder geval stamt het klooster op de berg Sinaï in de Egyptische woestijn, dat sinds de oudste tijden aan haar is toegewijd, minstens uit die tijd. Onze legende besluit ook met een ‘verklaring’ voor dat feit.

De eerste legende is uit later tijd. Hier worden alle elementen die in de tweede legende van belang zijn, aangekondigd en klaargezet. Bovendien besluit deze legende met het mystieke huwelijk van Catharina met Christus. Dit verhaal geeft met name de intensiteit en de liefde aan die er tussen God en een mens(enziel) kan bestaan; juist zoals mystieke bijbeluitleggers dat ook menen te zien in het Hooglied. In de beeldende kunst is dat een geliefd thema geworden. Aanvankelijk alleen in de oosterse kerk, maar later ook – vanaf halverwege de vijftiende eeuw – in de westerse.

– Eerste Legende
Voordat Constantius Chlorus (293-306), de vader van Constantijn de Grote († 337; feest 21 mei), trouwde met de latere keizerin Helena († ca 328; feest 18 augustus), had hij al een vrouw gehad. Maar deze was gestorven in het kraambed van haar eerste kind. Dat kind was een zoon, Costes genaamd. Zijn vader bracht diens huwelijk tot stand met de enige dochter en erfgenaam van het Egyptische koningshuis. Zij was een deugdzame prinses, Sabellina geheten. Hij leefde met haar geruime tijd in welvaart en voorspoed, zij het dan volgens heidense wetten, want ze waren jammer genoeg afgodendienaars.

Zoals dat gewoonlijk gaat bij moeders die het leven zullen schenken aan een heilige, had koningin Sabellina een profetische droom. Haar werd daarin de roem voorspeld van haar eerste kind. Niet lang daarna bracht ze dat kind ter wereld en ze noemde het Catharina, ‘rein en zuiver’. Op het moment dat ze het levenslicht aanschouwde leek het wel alsof een stralend licht haar omspeelde.

Van jongs af aan was zij de oogappel van al wie met haar te maken kregen, omdat ze even lieflijk van karakter was als van uiterlijk. Ze dronk met zoveel gulzigheid aan de bron van de wijsheid, dat ze op vijftienjarige leeftijd niemand meer had die zich met haar kon meten in de filosofie der heidenen. Ze was thuis in de kennis der sterren, planeten en kosmische verschijnselen; ze wist alles van sinus en cosinus, en van twee- of driedimensionale meetkunde. Ze zou antwoord geweten hebben op al de vragen waarmee de koningin van Sheba indertijd bij koning Salomo was aangekomen. Het liefst las ze in de werken van Plato. En door bij Socrates in de leer te gaan had ze zich een al maar edeler en zuiverder levensinstelling eigen gemaakt.

Haar vader, de koning, gelastte, dat de zeven knapste geleerden de hele dag bij haar in de buurt moesten zijn. Maar Catharina was zo goddelijk begaafd, dat zij ze allemaal de baas was. In plaats dat zij haar leermeesters werden, waren ze in feite haar leerlingen. Daarnaast liet haar vader voor haar een toren bouwen met allemaal kamers en meetkundige apparaten, zodat ze naar hartelust kon studeren.

Het was ongeveer in deze tijd, dat haar vader, koning Costes, stierf. Zij erfde zijn koninkrijk en alles wat daarbij hoorde. Maar ook als koningin toonde Catharina net als daarvóór minachting voor alle wereldse beslommeringen en uiterlijk vertoon. Ze sloot zichzelf op in haar paleis en wijdde zich eens te meer aan haar studies. Maar dat beviel haar onderdanen niet. De edelen kwamen haar opzoeken en gaven als hun wens te kennen, dat er een parlement bijeengeroepen zou worden. De gedeputeerden wezen haar erop hoeveel tijd en aandacht zij aan haar studie besteedde, en dat het daarom raadzaam was een man te huwen, die als koning zou kunnen regeren en het leger aanvoeren.

Dit bracht haar volkomen in de war. Ze sprak: “Wat zou dat voor een man moeten zijn?”

“Vrouwe”, gaf de woordvoerder ten antwoord, “u bent vorst over ons allen, onze koningin; iedereen weet, dat u beschikt over vier kostbare gaven. Op de eerste plaats, dat u van de hoogst denkbare afkomst bent; op de tweede plaats, dat u de grootste schatten geërfd hebt en voor zover wij weten de rijkste vrouw bent ter wereld; op de derde plaats, dat u in kennis, kunde en geleerdheid iedereen de baas bent; en op de vierde plaats bezit u een gratie en schoonheid zoals wij die bij niemand anders ooit hebben gezien. Welnu, als de goede God u met zulke uitnemende gaven heeft toegerust zoals Hij met niemand anders heeft gedaan, zouden wij u willen verzoeken om te zien naar een echtgenoot, zodat u straks een erfgenaam voor dit alles zult hebben, tot zegen van al uw onderdanen.”

“Als God en de natuur – zoals u zegt – zulke goede dingen in ons tot stand hebben gebracht, aldus Catharina in haar reactie, zien wij ons des te meer genoodzaakt Hém te beminnen en te behagen, en dientengevolge nederigheid te betrachten waar het al deze gaven betreft. Welnu, heren afgevaardigden, luister naar mijn woorden: als dus iemand mijn echtgenoot wil zijn en de heer van mijn hart, dan zal ook hij over vier bijzondere gaven moeten beschikken; gaven die ervoor zorgen, dat iedereen op deze wereld op hem een beroep moet doen, terwijl hij zelf niemands hulp nodig heeft! Dus op de eerste plaats moet hij van zulk een edele afkomst zijn, dat alle mensen hem hun eer betuigen; en tegelijk zo groot van zichzelf, dat ik nooit het gevoel zal krijgen, dat hij koning is geworden dankzij míjn verdiensten. Op de tweede plaats moet hij zo rijk zijn, dat er niemand rijker is dan hij. Hij moet zo schoon zijn, dat zelfs de engelen van de hemel niets anders willen dan in zijn dienst te mogen staan. Tegelijk moet hij zo mild zijn, dat hij alle onrecht en kwaad kan vergeven die hem worden aangedaan. Vind zo iemand voor me, en hem zal ik tot echtgenoot nemen en maken tot de heer van mijn hart.”

Nu sloot ze haar ogen en bleef verder onbeweeglijk stil zitten. En alle heren en edelen en raadslieden keken elkaar aan en wisten niet wat hierop nog te antwoorden: “Zo eentje als zij er wil hebben is er nooit geweest en zal ook wel nooit komen.”
Daar stonden ze nou met hun verlangen. Ook haar moeder, Sabellina, kwam nog een duit in het zakje doen: “M’n lieve kind, waar zul je ooit zo’n echtgenoot vinden?”
Daarop reageerde Catharina met:
“Als ik niet in staat ben hém te vinden, weet hij misschien wel míj te vinden; en anders maar niet.”
En ze had er heel wat mee te stellen om haar maagdelijkheid te bewaren.

Nu leefde er op twee dagreizen afstand van de stad Alexandrië een kluizenaar. Hem verscheen vanuit de hemel de Heilige Maagd Maria. Ze stuurde hem naar de jonge koningin Catharina met de blijde boodschap, dat de echtgenoot die zij wilde hebben wel degelijk bestond: namelijk haar zoon. Die was immers groter dan welke vorst ter wereld ook: Hij was de koning der glorie en de Heer van alle machten en krachten. Catharina was bereid Hem als haar toekomstige bruidegom te dienen en te beminnen. Daarop overhandigde de kluizenaar haar een beeltenis van de Heilige Maagd met haar goddelijke Zoon. Op het moment, dat Catharina het hemelse gelaat van de Verlosser van de wereld voor zich zag, werd haar hart vervuld van liefde voor zoveel schoonheid en onschuld. Ze vergat zelfs haar boeken, bollen en bollebozen: ja, Socrates en Plato leken hierbij vergeleken onbenullige mannetjes van de tweede garnituur. Ze zette de afbeelding in haar studeervertrek.

Die nacht had zij een droom. Ze was in gezelschap van de oude kluizenaar op reis. Hij voerde haar naar een heiligdom dat gelegen was op de top van een hoog gebergte. Toen ze de poort bereikten, kwam hun een stoet van in het wit geklede engelen tegemoet. Ze hadden kransen van witte lelies in hun handen. Catharina was zo beduusd dat ze zich op de grond neerwierp. Maar een engel sprak tot haar:
“Sta op, lieve zuster Catharina, en kom binnen.”

Ze brachten haar naar een binnenplaats, waar een tweede stoet van engelen stond, nu gekleed in purper. Zij droegen kransen van rode rozen op het hoofd. Weer wierp Catharina zich ter aarde. Maar ook zij zeiden:
“Sta op, lieve zuster Catharina, want het heeft de koning der glorie behaagd u met eerbetoon te overladen.”

Catharina stond op, tintelend van vreugde. Nu brachten zij haar in een centrale ruimte; daar stond in volle glorie een koninklijke vrouwe; haar majesteit en schoonheid zou geen mensenhart zich kunnen voorstellen, laat staan dat een ordinaire pen ze zou kunnen beschrijven. Om haar heen een gezelschap van engelen, heiligen en martelaren. Zij namen Catharina bij de hand en stelden haar voor aan de koningin: “Onze lieve vrouwe, vol van genade en keizerin des hemels, Moeder van onze zegenrijke koning, met uw welnemen stellen wij hier aan u voor onze geliefde zuster wier naam staat opgetekend in het boek des levens; zij vraagt u in alle nederigheid, dat u haar wilt accepteren als haar dochter en dienstmaagd.”
Onze Lieve Vrouwe, vol van genade en goedheid, heette haar welkom, nam haar bij de hand en bracht haar voor Onze Heer: “U, mijn zegenrijke koning en zoon, zij eer, vreugde en heerlijkheid. Zie, ik plaats hier in uw aanwezigheid uw dienares Catharina; zij heeft uit liefde voor u van alle aardse zaken afstand gedaan.”
Maar de Heer wendde zijn gelaat af en weigerde haar met de woorden:
“Ze is niet geschikt genoeg voor mij, en ook niet mooi genoeg.”

Nu ontwaakte het meisje met een gevoel van groot verdriet, en ze huilde tot het krieken van de morgen.
Toen liet ze de kluizenaar bij zich komen. Ze viel hem te voet en vertelde wat ze allemaal in haar droom had gezien, en riep:
“Wat moet ik doen om mijn hemelse bruidegom waardig te zijn?”

De kluizenaar bemerkte, dat zij nog rondtastte in de duisternis van het heidendom. Hij leidde haar binnen in het christelijk geloof. Toen diende hij haar het doopsel toe, en met haar samen ook haar moeder Sabellina. Toen ze die nacht op bed lag, verscheen haar de Gezegende Maagd opnieuw, nu in gezelschap van haar Zoon, plus nog een hele stoet van engelen en heiligen. En opnieuw stelde Maria Catharina voor aan de Heer der Glorie:
“Nu is ze gedoopt, en ik zelf heb mij aangeboden als haar meter.”

Op dat moment glimlachte de Heer haar toe, strekte zijn hand naar haar uit, sprak een trouwbelofte uit en stak haar een ring aan de vinger.
Bij het ontwaken herinnerde Catharina zich wat zij gedroomd had, en zie, ze droeg een ring aan haar vinger. Vanaf dat moment beschouwde ze zichzelf als de echtgenote van Christus. Ze verachtte de wereld en alle decorum die bij aardse koninklijke waardigheid hoort. Ze was met haar gedachten steeds bij de dag dat zij met haar hemelse Heer en Echtgenoot volkomen verenigd zou zijn. Op deze manier hield ze verblijf in haar paleis te Alexandrië, tot op het moment dat haar moeder Sabellina stierf.

– Tweede Legende
Catharina was de dochter van koning Costes. Van kinds af aan had zij onderricht ontvangen in alle Vrije Kunsten. Eens riep keizer Maxentius (305-311) alle inwoners van de provincie, rijk of arm, bijeen om in Alexandrië hun offers aan de goden te komen brengen. Op dat moment was Catharina pas achttien jaar. Ze was thuis gebleven in haar paleis, tezamen met haar gehele huishouding. Ze hoorde buiten het roerige geluid van gezangen vermengd met weeklachten. Ze liet vragen wat dat rumoer te betekenen had. Toen ze dat te weten was gekomen, tekende ze zich met het kruisteken en begaf zich met een paar dienaars naar het marktplein, waar ze ontzettend veel christenen zag die zich uit angst voor de dood naar de tempel lieten voeren om aan de afgoden te offeren. Ze was tot in haar ziel geraakt door dit schouwspel. Manmoedig ging ze op de keizer af:
“Ik kom u groeten, majesteit, omdat ik dat aan uw waardigheid verschuldigd ben. Maar ook om u ertoe te bewegen uw goden weg te doen, en de ene ware God te aanbidden.”

Vervolgens begaf zij zich in een discussie met de keizer, en gebruikte daarbij de technieken van het syllogisme, van de allegorie en de metafoor. Tenslotte drukte ze zich weer uit in gewone-mensen-taal:
“Ik heb me tot de wetenschapper in u gericht. Maar zegt u me eens eerlijk: hoe hebt u het klaar gespeeld om zoveel mensen bij elkaar te brengen voor de dwaasheid van die afgodenverering?”

Daarop zette zij met zoveel wijsheid de waarheid van Gods menswording uiteen, dat de keizer met stomheid geslagen was en geen antwoord meer had! Tenslotte bracht hij uit:
“Vrouwe, sta me toe eerst deze plechtigheden te beëindigen, daarna zal ik u naar behoren antwoord geven.”

Hij liet haar naar zijn paleis brengen en gelastte dat zij zorgvuldig moest worden bewaakt. Hij was namelijk niet weinig in de war gebracht, omdat zij zo knap was…
Nu wás Catharina ook van een schoonheid die een normaal mens niet kon aanschouwen zonder in extase te raken. Na het feest begaf de keizer zich naar het paleis en zei tot Catharina:
“Ik heb daarnet je welsprekendheid gehoord en je wijsheid bewonderd. Maar ik was te druk met de plechtigheden. Vandaar dat ik niet alles heb begrepen van wat je zei. Begin eens van voren af aan. Wie ben je?”

“Ik ben Catharina, dochter van koning Costes. Ik ben van adellijke afkomst, en van jongs af aan opgevoed in de Vrije Kunsten. Maar dat alles heb ik eraan gegeven en tenslotte mijn toevlucht gezocht bij mijn Heer Jezus. Want die goden van u: die zouden niet in staat zijn ook maar iemand te hulp te komen; u niet of wie dan ook van uw mensen.”
“Ik heb je wel door”, sprak nu de keizer,
“jij probeert met je listige welsprekendheid ons te ontmoedigen, waarbij je dan gebruik maakt van dezelfde trucjes als de filosofen.”

Hij had al snel in de gaten gekregen, dat hij met zijn antwoorden niet tegen haar opkon. Vandaar dat hij in allerijl alle toenmalige wetenschappers en filosofen van de stad Alexandrië bij elkaar liet roepen. Hij stelde hun grote beloningen in het vooruitzicht, als zij erin zouden slagen het jonge meisje de baas te worden.
Er kwamen er wel vijftig op af: allemaal grote mannen en wereldberoemd in hun tak van wetenschap. Eenmaal aangekomen vroegen ze de keizer nog eens uit te leggen waarom precies hij ze van zo heinde en ver bij elkaar had geroepen. De keizer gaf ten antwoord:
“Er is hier een meisje dat in wijsheid en geestkracht haar weerga niet kent. Ze is alle wijze mannen van hier de baas, en ze beweert, dat onze goden in feite niets méér zijn dan boze geesten! Dus het is aan jullie haar tot andere gedachten te brengen. Als het zover is, zal ik jullie rijk beladen met geschenken naar huis terug laten gaan.”

Eén van de redenaars riep:
“Wat een idiote onderneming: om alle wijzen uit de vier windstreken bij elkaar te roepen; alleen maar om een meisje van repliek te dienen; en dan te weten dat waarschijnlijk de eerste de beste beginneling onder onze leerlingen haar al tot zwijgen zou weten te brengen.”

Waarop de keizer reageerde:
“Ik had haar natuurlijk kunnen dwingen tot het offeren aan onze goden, of ik had haar een lijfelijke afstraffing kunnen laten geven. Maar het leek me in dit geval beter, als zij door jullie argumenten tot andere gedachten zou worden gebracht.”

“Laat maar komen: dat kind. Dan zal ze wel moeten toegeven, dat ze het te hoog in haar bolletje heeft; en dat ze tot vandaag kennelijk nog nooit een echte geleerde was tegengekomen.”
Toen Catharina hoorde dat er voorbereidingen werden getroffen voor een openbaar debat, richtte zij zich tot de Heer. Er daalde een engel naar haar af om haar tot standvastigheid te bewegen. Hij zei:
“Ze zullen je niet omver weten te praten; sterker nog. Jij zult het zijn die hen zal weten te overtuigen van jouw gelijk, en door jouw toedoen zullen ze allemaal de overwinningspalm van het martelaarschap bemachtigen!”

Ze werd tenslotte voor keizer Maxentius geleid. Daar riep ze onmiddellijk:
“Kunt u wel: met vijftig gediplomeerde redenaars tegen één jong meisje? En waarom belooft u hun bij een eventuele overwinning wél een beloning en mij niet? Maar wees gerust. Mijn beloning zal bestaan in de Heer Jezus Christus: Hijzelf is de hoop en de kroon van allen die voor Hem strijden.”
De redenaars begonnen haar meteen duidelijk te maken, dat een God onmogelijk mens kon worden en een groot lijden ondergaan. Waarop zij antwoordde, dat het nota bene de heidenen zelf waren geweest, die de menswording van Christus hadden voorzegd. Want stond er bij de Sibylle niet te lezen: ‘Gelukkig de God die aan een kruishout hangt’?
En zo voer Catharina voort ten overstaan van de redenaars. Ze wist ze in de hoek te dringen met glasheldere argumenten, totdat ze volkomen overdonderd waren en werkelijk niet wisten wat ze nog moesten zeggen.
De keizer was natuurlijk woedend. Hij hoonde, dat zij zich schandelijk in de luren hadden laten leggen door een jong ding. Maar de meest wijze van deze geleerde mannen nam namens al zijn collega’s het woord:
“U moet weten, majesteit, dat er nog nooit iemand in staat is geweest om ons te weerstaan. Maar het moet wel Gods Geest zelf zijn die in dit meisje spreekt. Zij heeft ons dermate vervuld met bewondering, dat we geen woord meer durven inbrengen tegen die Christus: wij komen dan ook tot de slotsom dat Hij wel de enige ware God moet zijn!”

De keizer was buiten zichzelf van woede, en liet ze allemaal midden in de stad levend verbranden. Catharina stond hen bij, en wist hun nog juist te bevestigen in de laatste waarheden van het geloof. Het enige waar ze zich over beklaagden, was dat ze nog niet gedoopt waren. Maar zij stelde ze gerust:
“Daar hoef je niet bang voor te zijn. Jullie bloed zal je tot doopsel dienen.”

Ze ontvingen allen het kruisteken. Toen werden ze in het vuur geworpen. Terwijl ze hun levensgeest aan God teruggaven, werden hun haren en kleren door het vuur niet aangetast. De christenen belastten zich met hun begrafenis.
Intussen sprak de keizer tot Catharina:
“Denk toch om je jeugd, en ik zal je tot keizerin maken in mijn paleis. We zullen een standbeeld van je laten maken; dat stellen we dan op in het centrum van de stad; zodat het volk je zal komen vereren en aanbidden.”
“Houd toch op met dingen te zeggen die al een misdaad zijn wanneer je eraan denkt. Ik heb nu eenmaal Christus als bruidegom uitgekozen; Hij is mijn eer en mijn liefde. Je kunt dartelen of martelen, maar je kunt me nooit van Hem af brengen.”
Daarop liet de keizer haar ontkleden, haar met ijzeren gesels slaan en vervolgens voor tien dagen opsluiten in een onderaardse kerker zonder eten of drinken.

Toen moest de keizer even weg naar een andere provincie. Zijn vrouw, die een minnaar had die Porfyrius heette, kwam Catharina midden in de nacht in haar gevangenis opzoeken. Eenmaal binnen bemerkte ze welk een stralend licht de kerker vervulde, en ze zag hoe Vrije Kunsten haar wonden verbonden. Catharina legde haar daarop uit welk een eeuwige vreugden aan dit alles verbonden waren, en zo wist ze haar te bekeren. En ze zei:
“Je zult nog de marteldood sterven.”

Toen Porfyrius hiervan hoorde, kwam ook hij naar Catharina. Hij wierp zich voor haar voeten neer en ook hij ontving het geloof in Christus, tezamen met tweehonderd van zijn manschappen.
Twaalf dagen na zijn vertrek keerde de keizer terug. Hij liet het meisje voor zich brengen in de veronderstelling, dat ze door die langdurige vasten wel een toontje lager zou zingen. Maar toen hij haar daar zo blakend en stralend voor zich zag staan, veronderstelde hij, dat iemand haar intussen stiekem in de gevangenis te eten moest hebben gebracht. Hij liet dus zijn bewakers één voor één afranselen. En Catharina maakte hem duidelijk:
“Geen menselijk wezen is mij te eten komen geven; het was Christus zelf door middel van zijn engelen.”

De keizer was eens te meer onder de indruk van haar schoonheid, en nogmaals stelde hij haar voor om haar naast zich op de troon te doen verheffen. Maar zij weigerde. Daarop zei hij:
“Nou, dan kun je kiezen: ofwel je offert aan de goden, en je zult het er levend van afbrengen; ofwel je zult onder helse pijnigingen aan je eind worden gebracht!”

Waarop zij antwoordde:
“Bedenk maar de verschrikkelijkste pijnigingen en ga je gang maar, want ik ben er onderhand aan toe om mijn vlees en bloed als een offergave aan Jezus aan te bieden: Hij heeft immers voor mij hetzelfde gedaan! Hij is mijn God, mijn meester, mijn bruidegom en minnaar, en niemand anders.”

Een prefect fluisterde nu de keizer het idee in om vier wielen te laten maken, voorzien van ijzeren punten, om daarmee het lichaam van Catharina uiteen te scheuren. Zo zouden de andere christenen worden afgeschrikt. Men besloot, dat men de heilige aan de vier wielen zou vastbinden en dat men twee wielen de ene kant op zou laten draaien en twee de andere kant. Op die manier zou straks Catharina’s lichaam er in vellen en flarden bijhangen. Maar zij smeekte God, dat Hij ter ere van zijn naam en voor de bekering van allen die zich eraan stonden te vergapen, deze helse machine zou vernietigen. Daarop donderde een engel het gevaarte met zoveel geweld ondersteboven, dat er vierduizend man onder verpletterd werden.

Dat was het moment waarop de keizerin, die alles van boven uit het paleis had gadegeslagen, de moed had om naar beneden te komen en aan haar man te zeggen, dat ze het met al die gruwelijkheden nu wel welletjes was geweest. De vorst beval haar de borsten af te snijden en vervolgens het hoofd in tweeën te klieven. Nu de keizerin het martelaarschap tegemoet ging, vroeg ze aan Catharina voor haar te bidden. Maar Catharina sprak haar moed in:
“Wees gerust, lieve prinses van God, want je koningschap van deze wereld gaat nu veranderd worden in een eeuwig koningschap, en in plaats van een sterflijke echtgenoot krijg je nu een onsterflijke.”

Nu begon de keizerin haar beulen zelfs tot spoed aan te manen: zo bemoedigd was zij door Catharina’s woorden. Ze brachten haar dus buiten de stad en deden aan haar wat de keizer bevolen had. Porfyrius kwam haar stoffelijk overschot weghalen om het te begraven.

De volgende morgen liet Maxentius aan de beulen om het lichaam van zijn vrouw vragen in de veronderstelling dat zij zich ervan ontdaan hadden. Maar Porfyrius trad naar voren en verhief temidden van de mensenmenigte zijn stem:
“Ik was het die haar begraven heb, omdat ik net als zij het christelijk geloof heb omhelsd.”
Maxentius brulde van spijt en van woede: “Moet je zien: nu heeft zelfs Porfyrius, mijn steun en toeverlaat, de enige nog die ik vertrouwde, zich het hoofd op hol laten brengen.”
En de soldaten die erbij stonden, riepen:
“Ook wij zijn christen geworden en wij zijn bereid ervoor te sterven!”

Maxentius liet ze allemaal in blinde woede onthoofden, Porfyrius incluis. Hun lijken moesten voor de honden worden geworpen.

Nu wendde hij zich tot Catharina:
“Jouw toverkunsten hebben ervoor gezorgd, dat de keizerin is gestorven. Nog blijft mijn aanbod overeind: je kunt als je wilt de eerste worden in mijn paleis.”

Zij wees dit voorstel natuurlijk verontwaardigd van de hand. Nu gelastte hij, dat ze onthoofd moest worden. Toen zij naar de plaats van de terechtstelling werd gevoerd, hief zij haar ogen ten hemel, en sprak:
“Jezus, jij bent de hoop en het heil van alle gelovigen; de eer en de roem van de maagden; jij bent onze lieve Heer: verhoor mijn gebed. Geef, dat ieder die mij aanroept in het uur van zijn dood of in één of andere vorm van gevaar, gered wordt krachtens alles wat ik hier nu heb moeten doorstaan.”

En een stem uit de hemel sprak:
“Kom maar hier, mijn lieve bruid; de deuren van de hemel staan wijd voor je open. En ieder die jouw martelingen gedenkt, zal ik geven wat hij ook vraagt.”

Op dat moment vielen de slagen neer op haar hoofd. Er stroomde melk in plaats van bloed uit haar wonden.
Engelen kwamen haar stoffelijk overschot halen en droegen het vandaar naar de berg Sinaï, waar het twintig dagen later al werd begraven. Tot op de dag van vandaag stroomt er een wonderdadige olie uit haar gebeente, die iedere zwakte of ziekte geneest. Het martelaarschap van Catharina viel ongeveer in het jaar 310.

Verering & Cultuur
Zij is patrones van de jonge (ongehuwde) meisjes, maagden, meisjes in het algemeen en van echtgenoten en gehuwde vrouwen en van voedsters; van kloosterzusters; van scholieren, studenten, docenten (onderwijzend personeel), wijsgeren, filosofen en theologen, wetenschappers, hoogleraren, predikers, redenaars, schrijvers en dichters; van juristen, advocaten, notarissen en wetgeleerden; van leraren; van bibliothecarissen en boekdrukkers; op grond van het rad uit haar martelgeschiedenis van alle ambachtslieden waar draaibewegingen aan te pas komen zoals molenaars, pottenbakkers, messen- en scharenslijpers, wiel- en wagenmakers, leerlooiers, touwslagers, spinners en spinsters en van daaruit van wevers, naaisters, modisten, modeontwerpers, kleermakers, schoenmakers en lakenhandelaren; van kappers en kapsters; en van tabakshandelaren.

Zij is patrones van bibliotheken, meisjesscholen, van de onderwijzende stand, seminaries, universiteiten (waaronder Parijs).

Haar voorspraak wordt ingeroepen tegen ademnood, barenspijnen, gewrichtsziekten, hersenziekten, hoofdpijn, ringworm (‘katrienenrad’ of ‘-wiel’), migraine, ringworm, tongziekten, zweren; daarnaast om tot de dood te volharden en om verdronkenen terug te vinden.

In de Oosterse kerk wordt zij vereerd als heilige genezer; in het Westen behoort zij tot de veertien Noodhelpers.
Vaak wordt zij afgebeeld in gezelschap van de heilige Barbara. Zowel in het oosten als in het westen (zie beide afbeeldingen).
In dat geval symboliseren zij in de westerse kunst het kloosterleven: Catharina het contemplatieve of beschouwende en Barbara het actieve of apostolische.
Waarom die symbolische betekenis zo over beiden is verdeeld…?

In Midden- en Oost-Europa komt hen als derde vaak de heilige maagd Margaretha vergezellen. In het Duitse taalgebied spreekt men van ‘Die Drei Heiligen Madl’:
“Margaretha mit den Wurm
Barbara mit dem Turm
Katharina mit dem Radl:
Das sind die drei heil’gen Madl.”

Tenslotte komt er soms nog een vierde heilige maagd bij: Dorothea. In dat geval spreekt men van ‘De Vier Kapitale Maagden’ (Quattuor Virgines Capitales).

– Catharina in Nederland
In Nederland is zij patrones van Eindhoven. Er zijn Catharinakerken te Aalsum (Friesland), Akkrum, Amsterdam, Barneveld, Breda (begijnhofkerk), Buchten, Bunschoten, Echteld (Gelderland), Eindhoven, Elsloo (Friesland), Grevenbicht, Harderwijk, Hengstdijk, Herpt, ‘s-Hertogenbosch, Heusden, Huizinge (middeleeuwse kerk), Jislum, Jubbega, Kerkrade, Ledacker, Leeuwarden-Hoek, Lemiers, Leunen, Lions, Montfoort, Nijkerk, Papenhoven, Sterksel, Teerns, Ulestraten, Utrecht (zij is patrones van de kathedrale kerk en gaf haar naam aan de Catherijnesingel, het Catherijneconvent en het winkelcentrum Hoog-Catherijne), Wellerlooi, Woudenberg en Zoutelande (gem. Veere); daarnaast nog in Purmerend en Swichum tezamen met Nicolaas.
Bekend is het aan haar gewijde Norbertinessenklooster Catharinadal te Oosterhout (Noord-Brabant).
De Oostpoort te Delft heette in de middeleeuwen Catherijnepoort.

– Catharina in België
De Belgische hoofdstad Brussel kent een Catharinakerk; op haar feestdag vindt het Katrientjesfeest. Daarnaast zijn er Catharina-bedevaartsoorden te Ressegem-Herzele (Oost-Vlaanderen: tesamen met Mauritius), Ruisbroek-Puurs (Antwerpen), St-Katarina-Lombeek-Ternat (Brabant) en St-Katelijne-Waver (Antwerpen); van de beide laatstgenoemde plaatsen is zij tevens beschermheilige.

– Catharina in Duitsland
In Duitsland zijn er Catharinakerken te Braunschweig, Frankfurt/Main, Hamburg en Lübeck.

– Catharina in Frankrijk
Zij is patrones van de abdij Sainte-Cathérine-du-Mont bij Rouen; lange tijd was dit een belangrijke Catharina-bedevaartplaats.

Catharina in Groot-Brittannië
In Engeland wordt zij vereerd te Dunstable (Beds.), Little-Missenden (Buckinghamshire), St-Catherine’s-Hill bij Winchester, St-Catherine’s-Point (I.O.W.) en Winchester (Hants.).
In Schotland vinden we de naar haar genoemde plaatsjes St-Catherine (Argyll) en St-Catherine’s-Dub (Aberdeen)

– Catharina in Zwitserland
Zij is patrones van het kanton Valais en van de plaatsen Fribourg en Sion.

– Buiten Europa
Zij is patrones van de deelstaat Santa Catarina in Brazilië.


maandag - 25 nov

Sneek 09:15 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, kapel, Sneek


dinsdag - 26 nov

Hele dag Gedenkdag H. Johannus Berchmans sj

Jan Berchmans sj, Rome, Italië; religieus & student; † 1621.

Afbeelding H. Jan Berchmans
Glasschilderkunst
Nederland, Sittard, St-Michielskerk.

http://www.heiligen.net/afb/11/26/11-26-1621-jan-berchmans_9.jpg

Feest 26 november.

Jan (Johannes) Berchmans: ‘Het Gewone met Liefde’

Geboren:              12 maart         1599
Ingetreden:         24 september 1616
Gestorven:           13 augustus    1621
Zalig verklaard:    9 mei             1865
Heilig verklaard: 15 januari      1888

Jan Berchmans werd op 12 maart 1599 te Diest (België) geboren als oudste van vijf kinderen. Zijn vader, eveneens Jan geheten, was schoenmaker en één der schepenen van de stad. Zijn moeder heette Elisabeth van den Hove; zij was een vrome vrouw, die veel ziek was.

Jans ouders hadden gehoopt, dat hij zou meehelpen in de zaak. Maar Jan zelf vatte al zeer jong het ideaal op om priester te worden. Op zijn negende jaar kreeg hij de kans om naar de plaatselijke school te gaan, terwijl hij met een aantal jongetjes die hetzelfde ideaal hadden als hij, intern leefde in het rectorshuis van de Onze-Lieve-Vrouweparochie. De pastoor gaf hem les in alles wat met kerk en geloof te maken had. Jan was een uitnemende leerling. Maar na de beëindiging van zijn derde schooljaar in 1612, haalde zijn vader hem er af. Er was eenvoudig geen geld. Toen de pastoor van het begijnhof te Diest hiervan hoorde, bood hij vader aan, dat hij Jan in huis zou nemen als huisknecht; in ruil daarvoor zou hij zijn opleiding betalen.
Reeds een paar weken later verhuisde hij onder dezelfde condities naar kanunnik Jan Froymont in Mechelen. Opvallend was, dat hij alle klusjes die hij op te knappen kreeg (tafeldekken en afruimen, huis schoonhouden, boodschappen rondbrengen, tuin bijhouden, voor twee jongere mede-internen zorgen), met zo’n opgewekt gemoed deed.

In 1615 openden de jezuïeten een college in Mechelen. Jan ging daarheen om zijn studies af te maken, en wilde jezuïet worden. Het was vooral het levensverhaal van Aloysius van Gonzaga († 1591; feest 21 juni), dat hem daartoe inspireerde.

Intussen was dat de zoveelste tegenvaller voor zijn ouders, die hem graag in de buurt hadden gehouden als parochiepriester. Tenslotte gaf vader toe. Jan was op dat moment 17½ jaar oud. Hij trad in het noviciaat van de paters jezuïeten op 24 september 1616. Daar leerde hij van zijn geestelijk leidsman de eenvoudige doch glanzende levenswijsheid die je als program boven heel zijn leven zou kunnen schrijven: ‘Heiligheid bestaat niet in het verrichten van buitengewone dingen, maar in het buitengewoon verrichten van gewone dingen!’ Nog tijdens dat eerste jaar kreeg hij in de maand december bericht, dat zijn moeder was overleden. Vader zou kort daarna de schoenmakerswinkel sluiten, zelf de priesterstudies op het seminarie aanvatten en twee jaar later al, in april 1618, priester worden gewijd.

Zoals elke jezuïet legde Jan na zijn twee jaar noviciaat de religieuze geloften af van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. In september van datzelfde jaar 1618 begon hij in Antwerpen aan zijn filosofische studies. Daar gaven ze hem te verstaan dat hij was uitgekozen om zijn studies in Rome te voort te zetten. Hij had gehoopt op weg naar Rome zijn vader nog in Mechelen te kunnen treffen voor een afscheid, maar in plaats daarvan kreeg hij te horen, dat vader juist gestorven was, nog geen zes maanden na diens priesterwijding.

Jan arriveerde in Rome op de laatste dag van december 1618. Hij voltooide zijn drie jaar filosofie met glans, en werd gevraagd om het traditionele Openbaar Dispuut namens de jezuïetenopleiding aan te gaan. Niemand echter realiseerde zich, dat hij het gewone met buitengewone zorg verrichtte en hoeveel werk hij daarvoor verzette. Tot diep in de nacht. Het dispuut verliep prachtig, maar meer nog viel zijn ongezonde kleur op.

Hij bleek aan dysenterie te lijden, en zo verzwakt te zijn, dat er eigenlijk al niets meer aan te doen viel. Hijzelf sprak op zijn ziekbed met grote vanzelfsprekendheid over het paradijs… Huisgenoten, medestudenten, paters die in de stad waren, en zelfs Pater Generaal kwamen hem opzoeken om afscheid te nemen. In de kring van de communiteit ontving hij het sacrament der stervenden op 12 augustus 1621; een aanwezige noteerde later, dat Jan zelf de enige was die niet huilde en heel nuchter zijn kalmte bewaarde. De slapeloze nacht daarop bracht hij in gebed door. Toen de volgende morgen om even over acht de klok aanhoudend luidde van het huis, wist iedereen: onze broeder Jan is gestorven.

Zoals gebruikelijk in de jezuïetenorde schreef een huisgenoot – in dit geval zijn overste – een karakteristiek van de overledene, waaruit wij het volgende citeren: ‘Wat wij allemaal zo in hem bewonderden, was dat hij zo deugdzaam was, zo… vanzelfsprekend deugdzaam. Met Gods genade wist hij van alles wat hij aanpakte iets bijzonders te maken; iets wat precies was zoals het moest zijn.’



dinsdag - 26 nov

Sneek 08:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


woensdag - 27 nov

Hele dag Gedenkdag H. Vergilius van Salzburg, abt & bisschop

Vergilius (ook Fergal, Fearghal of Ferghil) van Salzburg osb, Oostenrijk; abt & bisschop; † 784.

Afbeelding H. Vergilius van Salzburg
1984. Illustratie op omslag boekje over de heilige Virgilius door P. paulus Gordan osb
Duitsland, Salzburg, Eigenverlag.

http://www.heiligen.net/afb/11/27/11-27-0784-vergilius_1.jpg

Feest 27 november.

Vergilius moet rond 700 ergens in Ierland geboren zijn. Waarschijnlijk had hij zijn opvoeding ontvangen in het klooster Colbroney, waar Samthann († 739; feest 18 of 19 december) abdis was. Als jonge Ierse monnik was hij in gezelschap van twee medebroeders, Dobdagrec en Sidonius, op pelgrimstocht gegaan. Datt behoorde indertijd tot hun spiritualiteit van het vreemdelingschap.

Twee jaar lang bracht Vergilius door in een zogeheten Schottenklooster op het vasteland. Schottenkloosters waren pleisterplaatsen voor de rondtrekkende Ierse monniken. Ze dienden als vormingscentra van wetenschap en studie. Ze hadden dan ook de warme steun van de vorst, Pepijn de Korte, de vader van de latere Karel de Grote. Met waarderende brieven van aanbeveling werd Vergilius door Pepijn in 743 naar hertog Odilo van Beieren doorverwezen. Van Odilo kreeg hij de opdracht het werk van de beroemde bisschop Rupert († 717; feest 27 maart) voort te zetten. Deze had voortvarend de geloofsverkondiging in die streken op poten gezet. Tezamen met Dobdagrec begon hij aan het karwei. Sidonius was intussen abt geworden van klooster Chiemsee; later vinden we hem terug als bisschop van de Zuid-Duitse stad Passau.

Vergilius gaf leiding aan de verbreiding van het evangelie zonder zelf bisschop te zijn; hij was door Odilo benoemd tot abt van het St-Petrusklooster in Salzburg. Hij stichtte kloosters, kerken en scholen. Wijdingen en alle andere handelingen waarvoor een bisschop vereist was, liet hij verrichten door een Ierse monnik uit zijn kloostergemeenschap, die ooit de bisschopswijding had ontvangen. In Ierland was het heel gewoon dat er bisschoppen waren onder de monniken van een klooster. Ondanks hun hoge positie in de rangorde van de kerk, waren zij als monnik gehoorzaamheid verschuldigd aan de abt.

De grote geloofsverkondiger van Duitsland, Bonifatius († 754; feest 5 juni), had moeite met deze constructie. Waarschijnlijk was het hem te Keltisch. Ook hij was afkomstig van de overkant van het Kanaal: hij kwam uit Crediton in Zuid-Engeland. Maar hij was in hart en nieren verbonden met Rome. Zo’n honderd jaar eerder – in 664 – hadden de Keltische monnniken zich op de synode van Whitby aangesloten bij de Romeinse gebruiken. Tot dan toe hadden de Keltische monniken een afwijkende tonsuur en – wat veel erger was – een afwijkende berekening voor de Paasdatum gehad. Met veel moeite waren de partijen tot elkaar gekomen en hadden de Ieren zich gevoegd naar de Romeinse gebruiken. Maar Bonifatius verdacht Vergilius ervan dat hij in zijn hart nog steeds een aanhanger was van die Keltische afwijkingen. Bovendien had de grote apostel van Duitsland in een dispuut over de geldigheid van de doop van de paus ongelijk gekregen. Bonifatius had zich namelijk afgevraagd, of een doop wel geldig genoemd kon worden als een priester uit gebrek aan eerbied of kennis de Latijnse tekst hopeloos had verhaspeld. Vergilius en Sidonius waren van mening geweest dat het hier alleen maar ging om een taalprobleem zonder dat het eigenlijke mysterie geweld werd aangedaan. Bonifatius was het er niet mee eens geweest, en had de kwestie voorgelegd aan paus Zacharias († 752; feest 22 maart). Deze had de Ieren gelijk gegeven. Naast dit alles was Bonifatius waarschijnlijk geïrriteerd door het feit dat hertog Odilo Vergilius’ abtsbenoeming aan zich getrokken had, waar hij, Bonifatius, nog diens voorganger Johannes had aangewezen.

De verwijdering werd nog groter door het feit dat Vergilius, die in de toenmalige wetenschappelijke kringen met bewondering ‘De Geometer’ werd genoemd, bleek te verkondigen dat volgens hem de aarde de vorm van een ronde bol moest hebben. Hij schreef er zelfs ongeruste brieven over naar de paus. Wat Vergilius nu precies leerde, komen we alleen maar te weten uit de brieven van paus Zacharias. Die schreef aan de abt van St-Peter te Salzburg dat hij zijn eigen en andermans zielenheil in gevaar bracht, als hij niet ophield met zijn twijfelachtige, kosmologische speculaties. Te oordelen naar Zacharias’ weergave van Vergilius’ gedachtegoed scheen deze niet alleen te veronderstellen dat de aarde een bol was, maar ook dat er beneden ons nog een andere wereld bestond met andere mensen, een andere zon en een andere maan. Het is niet duidelijk of hij daarmee onze tegenvoeters aan de andere kant van de wereldbol bedoelde, of dat hij een gekerstende versie aanhing van de geheimzinnige Keltische sprookjes- en geestenwereld.

Toch kwam het niet tot concrete maatregelen tegen Vergilius. Bij dit alles mogen we niet vergeten dat Bonifatius nog aan de wieg had gestaan van het bisdom Salzburg; het ging hem dus ter harte. In 739 – dus vier jaar voor Vergilius’ aantreden – had hij Beieren opgedeeld in de bisdommen Salzburg, Freising, Regensburg en Passau. Bovendien had hij er zorg voor dat de nieuwe leer van Christus op de goede manier onder de mensen zou worden gebracht. Er was in het verleden al genoeg kwaad gedaan door afwijkende leerstellingen.

De situatie nam een onverwachte wending door Bonifatius’ gewelddadige dood bij het Friese Dokkum in 754. Een jaar erna liet Vergilius zich tot bisschop van Salzburg wijden. Toen hertog Tassilo van Beieren ten gevolge van allerhande schermutselingen Karintië (of Kärnten) bij zijn grondgebied had getrokken, begon Vergilius tezamen met koorbisschop Modestus († ca 772; feest 3 december) aan de kerstening van dit gebied. Dat moet rond 750 geweest zijn. Hierdoor draagt hij ook de eretitel ‘Apostel van Karintië’.

In 774 was er onder Vergilius’ leiding in Beieren een bisschoppenconferentie. Bij die gelegenheid werd voor het eerst met evenzoveel woorden onderstreept dat het stichten van scholen een uitstekends middel was om de christelijke cultuur te verspreiden. Daar zal Vergilius’ invloed wel niet vreemd aan geweest zijn. Op 24 september van datzelfde jaar wijdde hij de eerste kathedrale kerk van Salzburg in. Tegelijkertijd werden de relieken van zijn voorganger Rupert en diens beide gezellen Chuniald en Gislar met plechtig vertoon bijgezet. In de tijd erna liet hij ook de relieken van beroemde overzeese heiligen naar Salzburg overbrengen als Bridget van Ierland en zijn eigen abdis van vroeger Samthann.

Zijn leven lang heeft hij in contact gestaan met zijn vaderland. Het klooster van St-Peter onderhield een gebedsband met het beroemde klooster op het Schotse eilandje Iona.

Verering & Cultuur
Op 16 februari 1181 stootten werklieden tijdens de nieuwbouw van de kathedraal op een kleine ommuurde, geheel vergeten crypte. De ruimte bevatte de kist met het stoffelijk overschot van Vergilius. Op zijn sarcofaag trof men nog een afbeelding in goud van de bisschop aan.

Vergilius werd in 1232 door paus Gregorius IX († 1241) heilig verklaard. Daarmee is hij een van de weinige Keltische heiligen aan wie deze kerkelijke eer officieel te beurt valt. Tezamen met Rupert rusten zijn relieken in het hoogaltaar van de kathedrale kerk.

Hij wordt afgebeeld als bisschop (mijter, tabberd, staf) met een kerkmodel in de hand; soms met geldbuidel of aardbol.
Hij is patroon van het bisdom Salzburg en van de kinderen; zijn voorspraak wordt in geroepen bij een moeilijke geboorte. Een van de katholieke studentenverenigingen van de Technische Universiteit te Delft koos hem als haar patroon (Sint-Virgiel) vanwege zijn technische intelligentie die zich uitte in het feit dat hij had berekend dat een aarde een bol moest zijn.



woensdag - 27 nov

Sneek 09:15 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, kapel, Sneek


donderdag - 28 nov

Hele dag Gedenkdag H. Cathrine Labouré, mystica

Cathrine (doopnaam Zoé) Labouré, Parijs, Frankrijk; kloosterlinge & mystica; † 1876.

Afbeelding H. Cathrine Labouré
ca 1960, devotiebeeldje.
België, Essen, privébezit.

http://www.heiligen.net/afb/11/28/11-28-1876-cathrine_1.jpg

Feest 28 november

Zij werd op 2 mei 1806 geboren te Fain-lès-Moutiers aan de Franse Côte d’Or als dochter van een welvarende boer. Al heel vroeg verloor zij haar moeder. Van dat moment nam zij steevast haar toevlucht tot de Moeder Gods. In 1830 trad zij in bij de Zusters van Barmhartigheid van Vincentius a Paolo. In het huis aan de Rue du Bac in Parijs verrichtte zij in alle eenvoud haar liefdediensten aan armen en gebrekkigen. Tot haar dood was zij onvermoeibaar in de weer voor haar mensen. In haar gebed ontving zij de stigmata.

Ook zou Maria haar verschenen zijn. De Mariaverschijning op 27 november 1830 zou de aanleiding worden voor de verspreiding van de ‘wonderdadige medaille’, waarvan er nog tijdens haar leven grote aantallen werden aangemaakt voor gelovigen die steun zochten in deze devotie.

Verering & Cultuur
Haar relieken bevinden zich in de kerk van de Zusters van Vincentius a Paolo in de Parijse Rue du Bac; daar wordt ook de stoel getoond waarop Maria in 1830 had gezeten. Het huis aan de Rue du Bac is tot op de dag vandaag een druk bezocht bedevaartscentrum. Haar biechtvader J. Aladel beschreef haar visioenen.

In 1947 werd zij heilig verklaard.
Zij is patrones van duivenliefhebbers en duivenmelkers.



donderdag - 28 nov

Sneek 08:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


donderdag - 28 nov

Sneek 14:00 KBO – KAARTEN/KLAVERJASSEN IN HET BONIFATIUSHUIS

Bonifatiushuis, Sneek

Op donderdagmiddag.
Voor leden van de KBO (Katholieke Bond voor Ouderen) afd. Sneek.
Coördinator: mevr. L. Reinsma



vrijdag - 29 nov

Hele dag Gedenkdag H. Radboud, 14e bisschop van Utrecht

Radboud (ook Radbod, Radbodus, Ratbod of Redbad) van Utrecht osb, Nederland; 14e bisschop van Utrecht; † 917.

Afbeelding H. Radboud van Utrecht
ca 1925, steensculptuur. Nederland, Denekamp, St-Nicolaas.

http://www.heiligen.net/afb/11/29/11-29-0917-radboud_4.jpg

Feest 29 november.

Hij moet rond 850 geboren zijn in het Zuid-Franse plaatsje Lomagne in het district Gascogne aan de voet van de Pyreneeën. Volgens zeggen was zijn moeder nog een afstammeling van de beruchte christenvijandige Friezenkoning Radboud. Waarschijnlijk is hij zelfs naar hem vernoemd… Misschien wel met de bedoeling deze naam te zuiveren? Op ongeveer tienjarige leeftijd werd hij naar de kloosterschool van Keulen gestuurd voor zijn opleiding; de broer van zijn vader Gunthar was daar aartsbisschop. Maar toen deze in 863 in opspraak raakte en door de paus in de ban werd gedaan, omdat hij het onwettig huwelijk van Lotharius II van Neder-Lotharingen had ingezegend, verhuisde Radboud naar de kloosterschool van Parijs. Daar stond op dat moment Manno uit Stavoren aan het hoofd: iemand die net als Radboud Fries bloed in de aderen had.

Nadat hij eerst in dienst had gestaan van een abt Hugo, was hijzelf abt geworden te Tours. Van daaruit werd hij in 900 tot bisschop van Utrecht benoemd. Zelf schrijft hij in zijn kroniek: “In hetzelfde jaar zijn Folco, metropolitaan van Reims († 900; feest 17 juni), en koning Zwentibold († 900; feest 13 augustus) vermoord. Weinige dagen tevoren ben ik, zondaar Radboud, ingeschreven onder de bedienaren van de Utrechtse kerk. Moge ik eens met hen de eeuwige vreugde genieten.” Omdat de bisschopsstad nog bezet werd door de Noormannen, koos hij Deventer als standplaats. De door Lebuïnus gebouwde Mariakerk stond er nog overeind.

Hij ijverde met grote kracht voor de wederopbouw van kerken en kloosters, alsmede voor de verdieping van geloof en wetenschap onder de kerkelijke bedienaren. Na verloop van tijd nam hij zijn intrek in Utrecht. Hij werd niet hartelijk ontvangen. Zo afwerend zelfs, dat de legende vertelt hoe hij met gestrekte arm in navolging van Christus uitriep: “Satan, ga achter mij!” Het verhaal wil dat er op dat moment velen werden getroffen door de pest en stierven. Hoe dit zij, het zegt in ieder geval iets van de vijandige stemming, die geheerst moet hebben onder de aanwezigen.

Tegen het einde van zijn leven trok hij zich weer terug te Deventer. Hij stierf te Ootmarsum en werd bijgezet in de St-Lebuïnuskerk van Deventer.

Verering & Cultuur
Tijdens de troebelen van de Reformatie in 1578 hebben trouwe gelovigen zijn relieken weten te redden; ze raakten verspreid over de kerken van Boerhaar, Deventer, Nijmegen en Utrecht.
Hij is patroon van het RK Hoger en Universitair Onderwijs en van de Sint-Radboudstichting in Nijmegen.
Hij wordt afgebeeld als bisschop (staf, mijter, tabberd).



vrijdag - 29 nov

Sneek 19:00 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

dec 2019

datum/tijd evenement

donderdag - 05 dec

Sneek 14:00 KBO – KAARTEN/KLAVERJASSEN IN HET BONIFATIUSHUIS

Bonifatiushuis, Sneek

Op donderdagmiddag.
Voor leden van de KBO (Katholieke Bond voor Ouderen) afd. Sneek.
Coördinator: mevr. L. Reinsma



woensdag - 11 dec

Sneek 14:15 KBO – BINGOMIDDAG IN HET BONIFATIUSHUIS

Bonifatiushuis, Sneek

Op woensdagmiddag.
Voor leden van de KBO (Katholieke Bond voor Ouderen) afd. Sneek.
Coördinator: Tineke de Jager


mei 2020

datum/tijd evenement

zondag - 24 mei

Hele dag Passiespelen in Tegelen

Busreis naar de Passiespelen in Tegelen.
Zie verder het KBO-Nieuwsbulletin


Powered by Events Manager