Close
Skip to content

Evenementenlijst Sint Antoniusparochie

sep 2021

datum/tijd evenement

26 sep - zondag

- Hele dag Gedenkdag HH Cosmas en Damianus, martelaren

– Geen, -

Cosmas van Cyrrhus, Mesopotamië (ook van Aegae, Cilicië, Klein-Azië = Huidig Turkije); arts & martelaar met zijn collega & broer Damianus & hun broers Anthimus, Leontius en Euprepius; † ca 303.

Afbeelding Cosmas en Damianus
Marteldood van Cosmas, Damianus en hun broers.
1440, Fra Angelico, paneelschildering. Frankrijk, Parijs, Louvre.

http://www.heiligen.net/afb/09/26/09-26-0303-cosmas_12.jpg

Feest 26 september

Legende.

1
Cosmas en Damianus waren broers. Ze waren afkomstig uit de stad Aegae. Hun moeder was een vrome vrouw en heette Theodota. Ze studeerden medicijnen en kregen daarbij van de Heilige Geest zoveel bijstand dat zij alle ziekten en kwalen wisten te genezen. Niet alleen bij mensen, maar zelfs bij paarden. Nooit lieten zij toe dat zij voor hun zorgen betaald werden. Zo was er een vrouwe, Palladia genaamd, die al haar geld had uitgegeven aan geneesmiddelen; ten einde raad kwam zij de beide broers consulteren, die haar prompt wisten te genezen.

Heiligen lijken op Jezus. De schrijver laat dit merken door de gebeurtenissen zo te vertellen, dat ze aan Jezus doen denken. In Markus 05,25-34 horen we dat Jezus een vrouw genas, die tevergeefs al haar geld had uitgegeven om beter te worden…

Uit dankbaarheid bood ze Damianus een heel bescheiden geschenkje aan. Eerst weigerde hij, maar uiteindelijk nam hij het toch aan, niet uit hebzucht, maar omdat de vrouw zo vriendelijk aandrong. Maar toen Cosmas ervan hoorde, gaf hij te kennen dat hij na zijn dood niet bij zijn broer in hetzelfde graf begraven wenste te worden. In de daarop volgende nacht verscheen hem de Heer zelve, en Hij zei dat er geen kwaad in stak dat zijn broer het geschenkje had aangenomen.
Ze werden zo beroemd dat ook de proconsul, Lysias, van hen hoorde. Hij liet ze voor zich verschijnen en hij informeerde naar hun naam, hun land van herkomst en hun rijkdommen. De heilige mannen gaven ten antwoord:
“Wij heten Cosmas en Damianus. Wij hebben nog drie broers: Anthimus, Leontius en Euprepius. Wij zijn afkomstig uit Arabië. Maar rijkdom, die hebben christenmensen niet.”
De proconsul liet ook de drie broers ontbieden. Zij weigerden de afgoden de verschuldigde eer te bewijzen.

Weer zo’n Jezusgelijkenis. Juist zoals Jezus tijdens zijn lijden voor de Romeinse machthebber terecht had moeten staan, zo overkomt dat nu deze volgelingen van Hem. Straks zullen ze de gelijkenis compleet maken door hun marteldood!

Daarom liet hij hun handen en voeten met klinknagels doorboren. Maar zij dreven de spot met zijn martelingen. Toen liet hij hen omhangen met dikke zware kettingen en zo in zee gooien. Maar een engel schoot te hulp en haalde ze eruit, en zo kwamen ze weer voor de proconsul te staan. Deze riep uit:
“Jullie moeten wel grote tovenaars zijn dat je zulke trucs weet uit te halen. Leer mij die ook, in naam van mijn goden!”
Hierop verschenen er twee demonen die hem vastgrepen en hem fors in zijn gezicht sloegen. Hij wendde zich nu tot de twee heiligen:
“Vrienden, hebt medelijden met mij en bidt voor mij tot jullie God.”
Zij hieven een gebed aan en onmiddellijk sloegen de demonen op de vlucht. Toen merkte Lysias op:
“Zie je nou hoe geërgerd mijn goden zijn, alleen omdat ik maar even dacht hen te laten vallen? Ik zal het dus niet meer laten passeren, als jullie ze beledigen.”
Toen liet hij ze in een groot vuur werpen. Maar de vlammen deerden hen niet, ze verteerden echter wel een flink aantal heidenen die eromheen stonden te kijken.

Ze werden vastgebonden aan een schildersezel om gegeseld te worden, maar een engel wist hen te vrijwaren van alle pijn. Tenslotte werden de beulen zo moe dat ze vanzelf ophielden. Toen liet de proconsul de drie broers van de heiligen arresteren en in de gevangenis werpen, terwijl hij hun tweeën op een kruis liet stenigen. Maar de stenen die men naar hen toe gooide, zeilden terug naar de werpers zelf en verwondden zo een flink aantal mensen. Nu werd de proconsul zo witheet van woede dat hij de drie broers uit de gevangenis liet halen; vervolgens gaf hij opdracht de twee op het kruis met pijlen de doorzeven. Maar de pijlen die op hen afgeschoten worden keerden in de lucht weer om in de richting van degenen die ze afgeschoten hadden. Toen moest de proconsul zijn nederlaag wel inzien en hij liet ze alle vijf bij zonsopgang onthoofden.

De christenen hadden de woorden van Cosmas goed onthouden en maakten aanstalten om hem niet bij zijn andere broers in het graf te leggen. Maar plotseling begon een kameel met een menselijke stem te spreken en hij beval hun dat ze alle vijf bij elkaar begraven moesten worden. Dit alles vond plaats tijdens de regering van keizer Diocletianus.

2
Eens was een boer vermoeid van de oogst op zijn land in slaap gevallen. Tijdens zijn slaap kroop een slang door zijn mond naar binnen. Bij het wakker worden merkte hij niets en ging gewoon naar huis. Maar ‘s avonds kreeg hij ondraaglijke pijn. Nu riep hij de heilige Cosmas en Damianus aan en ging naar hun kerk. Daar aangekomen kwam de slang weer naar buiten zoals hij naar binnen was gegaan.

Mogelijk bevat dit verhaal een dubbele bodem. De slang is immers van oudsher symbool van het kwaad. Wie weet wat voor vuiligheid allemaal uit de mond van de man kwam tijdens zijn leven. Ook in het evangelie verwijzen alle ‘gewone’ verhalen naar de werkelijkheid, zoals God die ziet en zoals die voor onze ‘gewone’ ogen onzichtbaar blijft. Díe werkelijkheid kan alleen maar opgeroepen worden in beeldende verhalen…

3
Eens ging een man op weg voor een lange reis. Zijn vrouw beval hij aan in de zorgen de heilige Cosmas en Damianus. Toen sprak hij met haar een bepaald teken af: als iemand dat voor haar zou maken, zou zij weten dat het van hem afkomstig was en dat hij haar bij zich wilde laten komen. Maar de duivel had de afspraak van dat teken gezien. Hij begaf zich dus naar die vrouw, maakte het afgesproken teken en zei dat hij haar namens haar man kwam halen. Maar zij aarzelde:
“U maakt wel het goede teken, maar ik geloof het pas echt, als u wilt zweren bij de heilige martelaren Cosmas en Damianus, want aan hun zorgen heeft mijn man mij toevertrouwd.”
De duivel zwoer daarbij en nu ging die vrouw met hem mee. Maar toen ze eenmaal onbewoonde streken hadden bereikt, had zij in de gaten dat hij haar van zijn paard wilde afgooien met de bedoeling om haar te doden.
Zij zette het op een roepen:
“Heilige Cosmas en Damianus, help mij! Want toen ik met deze man meeging, heb ik me in feite aan u toevertrouwd.”
Onmiddellijk schoten de beide heiligen te hulp temidden van in het wit geklede troepen. Zij verdreven de duivel en zorgden ervoor dat hij er met de staart tussen zijn benen vandoor ging.

4
De Beentransplantatie
Paus Felix liet te Rome een grote kerk bouwen ter ere van de beide heiligen. De oppasser van deze kerk had een been dat helemaal weggevreten was van de kanker. Nu gebeurde het dat hij in de kerk was ingeslapen. Hij droomde dat de heilige artsen Cosmas en Damianus aan hem verschenen. Zij hadden allerlei zalfjes en dokterswerktuigen bij zich.
De ene zei tegen de ander:
“Waar zullen we gezond vlees vandaan halen om het gat te vullen dat wij moeten maken door dit rottende vlees weg te snijden?”
Daarop antwoordde die ander:
“Op het kerkhof van Sint-Petrus’ Banden is vandaag een Moor begraven; die is nog in goede staat. Haal daar maar vandaan wat wij hier nodig hebben.”
Daarop snelde de ene naar het kerkhof om het been van die Moor te gaan halen. Nu begonnen zij bij de zieke het bovenbeen weg te snijden en zetten er dat van de Moor voor in de plaats. Vervolgens smeerden ze de plek zorgvuldig met zalf in. Het been van de zieke stopten zij bij het lijk van de Moor.
Bij zijn ontwaken voelde de man geen enkele pijn. Hij greep naar zijn been, maar er mankeerde niets aan. Toen maakte hij licht en ontdekte dat er helemaal niets meer aan zijn been viel te zien. Eerst begon hij nog te twijfelen of het wel zijn eigen been was dat hij met zijn hand voelde. Maar tenslotte kwam hij tot zichzelf; zielsgelukkig sprong hij op en begon aan iedereen te vertellen wat hem in zijn droom was overkomen, en hoe de heilige martelaars hem in zijn slaap hadden beter gemaakt.
Voor alle zekerheid gingen ze toch maar even in het graf van de Moor kijken. Daar zagen ze inderdaad hoe diens been tot boven aan de heup was weggesneden met naast hem het afgezette zieke been.

Inderdaad liet Paus Felix IV (hij was paus van 526-530) in 527 op oude Romeinse fundamenten de basiliek bouwen van Cosmas en Damianus. De oudste mozaieken, waaronder portretmedaillons van de beide heiligen dateren nog uit de 6e eeuw.

Verering & Cultuur
Ze werden begraven in de Syrische plaats Cyrrhos. Al spoedig werd er een gedachteniskerkje gebouwd op hun graf. Deze bedevaartskerk werd in de 6e eeuw door keizer Justinianus II († 565; feest 14 november) vergroot tot een aanzienlijke basilica. Van daaruit ontstonden in de oosterse kerk steeds meer kerken die aan beide artsenheiligen waren toegewijd. Tot op de dag van vandaag staan de beide dokter-martelaren in de oosters orthodoxe kerken in hoog aanzien en behoren zij tot de zogeheten ‘anarguroi’ (= ‘De Onbaatzuchtige Artsen’).

Westerse kerk
In de 4e eeuw bezat ook Rome al relieken. In diezelfde tijd werden hun namen toegevoegd aan de opsomming van heiligen in het canongebed. In 527 kwam de Cosmas- en Damianuskerk tot stand. Van daaruit verspreidde zich hun verering over de hele westerse wereld. Zo had Luik al in 560 een aan hen toegewijde bidkapel. In de 9e eeuw kwamen er relieken naar Centula (= St-Riquier aan de Somme bij Amiens), Prüm, Essen en Hildesheim. Daarnaast namen ze ook te Gosslar en Keulen een grote plaats in in de volksdevotie.

In Duitsland zijn zij patroons van de plaatsen Essen en Gosslar; in Italië van Florence; in Spanje van Salamanca; in Tsjechië van de landstreek Bohemen en van de stad Praag en in Zwitserland van de stad Zürich.

Daarnaast zijn zij de beschermheiligen van artsen, chirurgen en tandartsen; apothekers en drogisten; van bandagisten (vervaardigers en handelaars van breukbanden); van kappers en barbiers (in vroeger tijden oefenden zij voor arme mensen vaak de geneeskunst uit; soms legt men hier verband met de op Cosmas’ naam gelijkende ‘cosmetica’); van bakers en vroedvrouwen; van fysici; van badmeesters; van waskaarsenmakers, marskramers en suikerbakkers.

Ze worden aangeroepen voor een goede afloop van (been)transplantaties, tegen epidemieën, klierziekten, koorts, pest, ongezonde sappen, zweren, tegen de paardenziekte droes; ze zijn patroonheiligen van medische faculteiten.
Ze worden afgebeeld als geleerden; als baardeloze artsen met lange jurk met een pelsafzetting en mutsen; met slangenstaf; Cosmas met urinefles of urineglas, Damianus met zalfpot; vijzel of medicijnkist; chirurgische instrumenten; doos; fles; spatel; zwaard en palmtak (martelaarschap); pijl en brandstapel.



27 sep - maandag

- Hele dag Feestdag H. Vincentius de Paul, priester

– Geen, -

Vincentius à Paolo, Parijs, Frankrijk; weldoener & kloosterstichter; † 1660.

Afbeelding Vincentius de Paul

ca 1820, Restout, schilderij. Frankrijk, Parijs, Ste Marguerite.

Bisschop Franciscus van Sales (met borstkruis) plaatst Vincentius a Paolo (links) aan het hoofd van de door hem gestichte Congregatie van de Visitandinen.

Feest 27 september.

Vincentius werd op 24 april 1581 als derde in het eenvoudige gezin Depaul geboren te Pouy bij Dax, dat sinds 1828 is omgedoopt in St-Vincent-de-Paul.

Soms vindt men als geboortejaar 1576. Persoonlijk vind ik dat geloofwaardiger, gezien het jaar waarin hij priester wordt gewijd: 1600. Het is onwaarschijnlijk dat hij al op amper 19-jarige leeftijd de priesterwijding zou hebben ontvangen.

Men weet te vertellen dat hij als kind al een goed hart had. Eens had hij meel gehaald op de molen voor thuis. Onderweg kwam hij een arme sloeber tegen. Hij opende de zak en gaf de man wat meel. Omdat hij een goed stel hersens had, wilde vader hem verder laten studeren. Om dat te kunnen bekostigen verkocht hij twee ossen. Zo verliet hij in 1595 het ouderlijk huis en ging inwonen bij mijnheer Comet, advocaat en rechter te Dax om te kunnen studeren op het college van de Cordeliers. In die tijd schaamde hij zich voor zijn afkomst. Later vertelde hij dat zijn vader hem eens op het college kwam opzoeken en naar hem vroeg. Zijn vader stonk naar de boerderij, zag er onverzorgd uit en liep een beetje mank. Hij wilde zijn vader dan ook niet ontmoeten, wat een grote zonde was, aldus Vincentius zelf. Twee jaar later schreef hij zich in aan de universiteit van Toulouse als student theologie. Na veel doorzettingsvermogen en intense studie werd hij op 23 september van het jaar 1600 tot priester gewijd door de bisschop van Périgueux. Omdat hij zich wilde oefenen in bescheidenheid deed hij zijn eerste mis in een afgelegen kapelletje in het bijzijn van twee geestelijken.

Tijdens een zeereis werd hij door Turkse zeerovers gevangengenomen, waarna hij twee jaar lang slaaf was in Tunis. Hij doet zelf verslag:

‘De wind was zo gunstig als het maar kon. Maar God stond toe dat drie Turkse brigantijnen ons aanvielen en beschoten. Zij stroopten de Golf van Lyon af om de boten te onderscheppen die van Beaucaire afkwamen. Daar werd een jaarmarkt gehouden waarvan men zegt dat het de allermooiste is van de hele christelijke wereld. Twee of drie man bij ons aan boord werden dodelijk getroffen en alle anderen liepen verwondingen op. Ook ik werd geraakt door een pijl; daar zou ik mijn levenlang last van blijven houden: dat litteken zou me voortaan van pas komen als tijdklok. We waren wel genoodzaakt om ons aan die verraders over te geven. [-] Ze ketenden ons vast en zetten hun tocht voort met wel duizend roverijen. [-] Na zo’n dag of zeven, acht, hadden ze ladingen koopwaar buitgemaakt. Toen zetten ze koers naar Barbarije [= Noord-Afrika], bakermat en roofhol van de gewetensloze bandieten in dienst van de Grote Turk.

Meteen na aankomst werden we uitgekleed en in de open lucht neergezet. Ze gaven elk van ons een onderbroek en een linnen bovenkleed. Ze dreven ons de hele stad Tunis door. Na zo’n vijf of zes rondjes door de stad met de ketting om de hals, werden we teruggebracht naar de boot. Daar konden kopers ons komen inspecteren wie van ons wel of niet goed at, en zich ervan verzekeren dat onze verwondingen niet dodelijk waren. Toen dat gebeurd was, voerden ze ons naar de plek waar kooplui ons kwamen keuren, precies zoals je een paard of rund koopt: ze openden ons de mond om onze tanden te inspecteren, betastten onze ledematen, controleerden onze verwondingen en lieten ons enkele passen heen en weer lopen, draven en rennen; ze lieten ons zware lasten optillen, en vervolgens lieten ze ons met elkaar worstelen om te zien hoe sterk ieder was, en nog duizend andere schaamteloosheden.

Ik werd gekocht door een visser. Maar die zag zich al gauw genoodzaakt mij van de hand te doen, want ik kon absoluut niet tegen de zee. Hij verkocht mij aan een oude heelmeester die zich bezighield met het analyseren van stoffen, maar het bleek dat hij heel menselijk en handelbaar was.

Hij had geen kinderen, en beloofde Vincentius tot zijn erfgenaam te maken, op voorwaarde dat hij moslim zou worden. Kort daarna stierf de heelmeester, en kwam Vincentius in het bezit van diens neef. Deze wilde van hem af en bood hem te koop aan.

Na een jaar werd ik gekocht door een afvallige katholiek die afkomstig was uit Nice in Savoye. Hij bracht me naar zijn Termat – zo noemt men daar een stuk grond dat men pacht van de grootgrondbezitter. Het lag in de bergen; het land is er kurkdroog en volkomen verlaten. Eén van de drie vrouwen die hij bezat, kwam uit Griekenland en was christen, maar schismatiek. Een andere was een Turkse. Zij zou een instrument blijken van Gods geweldige barmhartigheid, want door haar gaf haar man zijn afvalligheid op en ik werd uit mijn slavernij verlost. Zij toonde zich namelijk nieuwsgierig naar onze levenswijze. Zo kwam ze me elke dag op het land opzoeken waar ik aan het spitten was. En op een dag vroeg ze mij een lofzang te zingen op mijn God. Onmiddellijk schoten mij de woorden te binnen van de kinderen van Israël die in Babel gevangen zaten: ‘Quomodo cantabimus in terra aliena’ (= Hoe kunnen wij zingen op vreemde bodem…?) En zo zette ik met tranen in de ogen de psalm [137] in: ‘ Super flumina Babylonis…’ (= Aan Babels stromen zaten wij…); daarna nog een ‘Salve Regina’ (= Wij groeten U, o Koningin) en nog een paar andere dingen. Ik deed haar er zo’n plezier mee dat het wonderlijk was om te zien. Die avond begon zij er prompt over bij haar man: dat hij er volkomen verkeerd aan had gedaan zijn eigen godsdienst te verlaten, terwijl die in haar ogen juist zo buitengewoon mooi was…’

Na zijn ontsnapping was hij van 1609 tot 1617 in dienst van Philippe de Gondi, hertog van Joigny, als leermeester van diens kinderen en biechtvader van zijn vrouw. Intussen werkte hij sinds 1612 als pastoor in Clichy, Parijs en op het platteland te Gannes aan de Somme en later te Châtillon-les-Dombes. Daar leerde hij de ware armoede kennen, zowel materieel als geestelijk, en besloot zich het lot van de armen aan te trekken; in de maand augustus van 1617 stichtte hij zijn eerste Broederschap van de Liefde (‘Confrérie de la Charité’).

Dat kwam zo. Toen hij eens op het punt stond aan de mis te beginnen, kwam een dame hem zeggen dat ze even buiten het dorp een zieke had bezocht. Daarbij was gebleken dat die mensen straatarm waren. Ze vreesde voor het leven van die zieke, omdat de mensen van dat huis daar eenvoudig niets te eten hadden. Pater Vincentius was zo onder de indruk dat hij er in zijn preek op terugkwam. Die middag besloot hij zelf een kijkje te gaan nemen bij die zieke. Tot zijn verbazing kwam hij allerlei mensen tegen die uit de tegenovergestelde richting kwamen. Het bleek dat vele mensen eten en drinken naar die arme zieke en zijn gezin hadden gebracht: zoveel dat ze het niet opkonden en dat het eten nu stond te bederven! Hij bedacht hoe die goedwillende dorpelingen waren als schapen zonder herder en besloot de hulpverlening te organiseren in een Broederschap van Liefde…

Op 8 september 1619 werd hem opgedragen aalmoezenier te worden van de galeislaven in Parijs.

Vanaf 1620 preekte hij volksmissies op het platteland en stichtte geleidelijk aan steeds meer Broederschappen van de Liefde. Zo deed hij in 1621 de Bourgondische plaats Mâcon aan en stichtte er prompt een Broederschap van Saint-Charles ter ondersteuning van zieken en armen. Na twee weken verliet hij de stad weer, ongemerkt om alle loftuitingen te voorkomen. Maar zijn werk droeg vrucht, want lange tijd daarna verzamelde men elke zondag drie- à vierhonderd noodlijdenden in de plaatselijke St-Nizierkerk. Daar woonde men eerst de druk bezochte mis bij. Na afloop werden er onder de armen geld en goederen verdeeld.

Vincentius groeide intussen onder leiding van zijn ascetische leermeester kardinaal Pierre de Bérulle († 1629) en van Franciscus van Sales († 1622; feest 24 januari) uit tot een man van de naastenliefde.

Op 17 april 1625 stichtte hij met behulp van mevrouw De Gondi de Congregatie van de Missie (‘Congregatio Missionis’), waarvan de leden Lazaristen worden genoemd naar hun moederhuis St-Lazare te Parijs. Hun doel was ziekenverpleging en missie. Na een gepreekte retraite voor priesterkandidaten in 1628 te Beauvais begon hij zich ook uitdrukkelijk bezig te houden met de priesteropleiding.

Vanaf dat moment zal hij dan ook zeggen dat de Lazaristen drie belangrijke doelstellingen hebben: 1. Ze werken aan hun eigen zielenheil: dat doen ze door de dag te beginnen met een uur meditatie; door drie keer per dag een kwartiertje te besteden aan gewetensonderzoek; door preken en religieuze conferenties bij te wonen, en door één keer per jaar een achtdaagse retraite te doen. 2. Ze maken vooral werk van de bekering van zondaars: daartoe preken ze vaak volksmissies. 3. Ze dragen zorg dragen voor een goede priesteropleiding.

Uit één van de conferenties aan de priesters blijkt hoezeer hij, zelf van boerenafkomst – begaan was met het lot van de arme plattelandsbevolking:

“Elke dag matten zij zich af, blootgesteld als zij zijn aan de hitte van de zon en allerlei andere beproevingen van de buitenlucht. Arme landarbeiders en wijnbouwers zijn het die zich afbeulen en zich voor ons in het zweet werken. Zij mogen toch op z’n minst verwachten dat wij hen bij God aanbevelen. Helaas broeders, terwijl zij het zware werk opknappen om ons voedsel te verschaffen, kunnen wij de schaduw opzoeken en rust nemen. Ook wij priesters: want als wij op volksmissie gaan vinden wij in ieder geval nog de beschutting van de kerken, en hoeven wij niet op te tornen tegen weer en wind, en zon en regen. Wij mogen leven van het zweet van de armen: het erfdeel van Christus.

Als wij naar de eetzaal gaan, mogen wij ons best eens afvragen, of wij het voedsel dat wij daar tot ons nemen, wel verdiend hebben. Ik moet daar in ieder geval vaak aan denken, en het brengt me vaak in de war. Dan zeg ik tot mezelf: ‘Armzalig stuk mens dat je bent, heb jij dat brood wel verdiend dat  je zo meteen gaat eten; dat brood dat komt van de armen?’ Daarom broeders, juist waar wij het veel minder verdienen dan zij, laten wij hen dan in ieder geval bij God aanbevelen. Laat er geen dag voorbijgaan dat wij niet voor ze bidden, en vragen dat Hij ze een eerlijke beloning geeft voor alles wat ze hebben te doorstaan.

De afgelopen dagen zeiden we dat God vooral rekent op zijn priesters om zijn verontwaardiging af te wenden. Hij rekent erop dat zij net als Aaron met het wierookvat in de hand namens hen optreden voor de armen. Of dat zij net als Mozes hun bemiddelaars zijn bij God, en van Hem gedaan krijgen dat de kwade gevolgen van hun onwetendheid en hun zonden ophouden. Misschien zouden zij helemaal niet zoveel te lijden hebben, als ze een beetje onderricht hadden gekregen, en als men een beetje werk had gemaakt van hun bekering.

Aan die armen moeten wij dus onze werken van naastenliefde besteden, enerzijds voor de vorming van ons eigen karakter, anderzijds uit dankbaarheid voor al het goeds dat wij door hun inspanningen genieten. En terwijl zij zich afmatten en moeten vechten tegen hun lot en tegen alle narigheid die steeds weer hen afkomt, moeten wij als Mozes zijn: wij moeten elke dag voor hen onze handen ten hemel heffen. En als het waar is dat zij lijden onder de gevolgen van hun zonden en hun onwetendheid, moeten wij hun voorsprekers zijn bij Gods barmhartigheid. De naastenliefde verplicht ons ertoe hen de hand toe te steken om hen eruit te trekken. En als wij niet ons best doen, al kostte het ons leven, om hen onderricht te geven en hen te helpen zich geheel en al tot God te bekeren, dan zij wij om zo te zeggen zelf schuldig aan het leed dat zij moeten dragen.”

Op 29 november 1633 stichtte hij met Louise de Marillac († 1660; feest 15 maart) de Congregatie van de Filles de la Charité (‘Dochters van Liefde’), de grootste nonnencongregatie van de katholieke kerk,  bekend om hun uitzonderlijk wijd uitstaande kappen. Voordat er een officiële regel voor de zusters geschreven was, vatte Vincentius hun levenswijze als volgt samen:

‘Als klooster hebben zij de huizen waar mensen ziek liggen; als kapel: de parochiekerk; als slot: de straten van de stad en hun gehoorzaamheid; als tralies: de eerbied voor God; als sluier: de heilige ingetogenheid.’

In 1638 trok hij zich het lot aan van wezen en vondelingen en een jaar later stuurde hij zusters van de Congregatie naar het ziekenhuis van Angers alsmede naar Lotharingen dat op dat moment geteisterd werd door de oorlog. In 1640 wendde hij zich persoonlijk tot kardinaal Richelieu om hem tot vrede te bewegen. Zo komt het dat hij werd benoemd tot lid van de Raad van Geweten (‘Conseil de Conscience’) en dat hij koning Lodewijk XIII bijstond in zijn stervensuur († 1643).

In één van zijn conferenties aan priesters zegt hij: “Ik kom nog eens terug op de aanbevelingen die ik al zo vaak gedaan heb en die we niet genoeg kunnen herhalen: dat we God bidden om vrede en dat Hij zo goed is om de harten van de christenvorsten tot elkaar te brengen. Want helaas: overal om ons heen zien wij oorlog! Oorlog in Frankrijk, oorlog in Spanje, in Italië, in Duitsland, in Zweden, in Polen dat van drie kanten wordt aangevallen, in Ierland waar de armen van hun land worden gedeporteerd naar onvruchtbare gebieden, naar bergen en zo goed als ontoegankelijke en onherbergzame rotsgrond; in Schotland is het nauwelijks beter; en Engeland: ieder weet hoe erg het daar is. Kortom in alle koninkrijken oorlog en ellende alom.

In Frankrijk hebben zo veel mensen te lijden. O Verlosser, o Verlosser. Hoeveel zijn het er wel niet!? Vier maanden geleden hadden wij hier oorlog, en hoeveel ellende hebben wij niet gezien in het hart van Frankrijk, waar overal genoeg voedsel is. Om nog maar te zwijgen van die arme mensen in de grensgebieden? Zij hebben wel het allermeest te lijden onder al die ellende, en dat al meer dan twintig jaar.”

Gedachtig zijn gevangenneming van zo’n veertig jaar terug stuurde hij in 1646 missionarissen naar Tunis om zich het lot aan te trekken van christenslaven in dienst van moslims. Twee jaar later stuurde hij de eerste missionarissen naar Madagscar.

Intussen steeg het aantal vondelingen in Parijs zo snel dat het de dames die beloofd hadden voor ze te zorgen boven het hoofd dreigde te groeien. Bovendien liepen ook de kosten torenhoog op. Ze overlegden dus of ze dit werk wel konden volhouden. Bij die gelegenheid zou Vincentius hebben gezegd: “Luister dames. Uit medelijden en naastenliefde hebt u deze kleine schepseltjes als uw eigen kinderen aangenomen. U bent uit pure goedheid hun moeder geworden, omdat hun echte moeders hen aan hun lot hadden overgelaten. En nu wilt u hen nóg eens aan hun lot overlaten? U wilt niet langer hun moeder zijn, maar hun rechters. Want hun leven en hun dood ligt nu in uw handen. Welnu, ik zal er dus toe overgaan om de stemmen te tellen. Dan is nu het moment gekomen om een uitspraak te doen en te zien of u nog medelijden met hen wilt hebben. Zij zullen het er levend vanaf brengen, als u nog liefdevol voor ze wilt zorgen. Maar ze zullen onherroepelijk doodgaan, als u uw handen er nu van af trekt. U weet het uit eigen ervaring…!” Waarop de dames niet anders konden besluiten dan het werk voort te zetten en te vertrouwen op de Goddelijke Voorzienigheid, die – zo zou blijken – zich nooit onbetuigd liet..

In 1649 wendde hij zich andermaal tot de grote politieke leiders, nu koningin Anna van Oostenrijk († 1666) en haar minister-president Mazarin († 1661) om te pleiten voor vrede. In 1651 organiseerde hij grote hulpcampagnes in Picardië, Champagne en Ile-de-France, die alle ernstig onder de oorlog te lijden hadden gehad. In datzelfde jaar vestigde ‘zijn’ Congregatie zich in Polen. Was zijn rechterhand Louise de Marillac op 15 maart 1660 gestorven, hijzelf overleed in datzelfde jaar op 27 september.

Reeds tijdens zijn leven waren zijn erbarmen en betrokkenheid bij het lot van wezen, zieke kinderen, gevallen vrouwen, armen, blinden en geesteszieken legendarisch. Hij organiseerde liefdadigheidswerk, stichtte weeshuizen en zette in Parijs grote gaarkeukens op. Bij dat alles bleef hij een man van grote eenvoud. In het moederhuis bewoonde hijzelf  een uiterst klein kamertje (‘cel’); met daarin een kale houten tafel, twee rieten stoelen, een strozak als veldbed waar overheen een sleetse deken lag.

Mensen die hem gekend hebben zeggen dat hij was van gemiddelde lengte was, goed gebouwd met een krachtig voorkomen, een beetje grof, maar wel sympathiek. Hij had een breed, indrukwekkend voorhoofd, vriendelijke oogopslag en doordringende blik. Hij kon goed luisteren, was ernstig, maar welwillend: in één woord: edel, goed en hartelijk.

Wat betreft zijn dagindeling liet hij geen moment ongebruikt. Hij stond om vier uur ’s morgens op, maakte zijn bed op, en ging naar de kerk om zijn ochtendgebeden te verrichten en de mis op te dragen. De ochtend besteedde hij aan zaken van het huis. Aan de middagtafel werden altijd twee armen uitgenodigd, die hij persoonlijk bediende. ’s Middags ging hij de stad in met zijn rijtuig: dat had hij gekregen. Hij gebruikte het niet alleen voor de boodschappen, maar ook om er armen en zieken in te vervoeren. Zag hij iemand op straat die slecht ter been was of moeizaam vooruit kwam, dan noodde hij zulke mensen naast zich in het rijtuig en bracht ze naar de plaats van bestemming. Voor het avondeten was hij weer thuis, deed een half uur aanbidding, en nog wat geestelijke lezing voor tafel. De avond besteedde hij aan het schrijven van brieven. Twee uur later dan de anderen ging hij naar bed

Verering & Cultuur
‘Monsieur Vincent’ rust in het Moederhuis (‘Maison-Mère’) van de Lazaristen te Parijs. Ook de kapel aan de Rue du Bac aldaar, waar zijn hart wordt bewaard, is nog altijd een bedevaartsoord. Hij werd heilig verklaard in 1737. Op hem zijn de Vincentiusverenigingen van liefdadigheid geïnspireerd. Zie Frederico Ozanam († 1853; feest 8 september).

Patronaten
Hij is patroon van de Lazaristen en de vincenterinnen; van de clerus (geestelijken); van gevangenen, verwaarloosde jongeren (sinds 1885) en wezen; van de liefdadigheid, caritatieve verenigingen, ja van alle charitatieve en liefdadigheidsinstellingen en liefdewerken (vaak zijn ze naar hem genoemd: St-Vincentiusverenigingen), van weeshuizen en ziekenhuizen. Zijn voorspraak wordt ingeroepen voor spirituele hulp en het terugvinden van verloren voorwerpen.

Afgebeeld
Hij wordt afgebeeld omringd door kinderen, armen, hulpbehoevenden en/of gevangenen.



27 sep - maandag

Sneek 09:15 - 09:45 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek


28 sep - dinsdag

- Hele dag Gedenkdag H. Laurentius Ruiz, martelaar en H. Wenceslaus van Bohemen

– Geen, -

20Laurentius Ruiz, Okinawa, Japan; Filippijns martelaar met veertien anderen; † tussen 1633 en 1637.

Afbeelding van Laurentius Ruiz
1981, Lourdes Oben Santos, schilderij. Filippijnen, Manila(?).

http://www.heiligen.net/afb/09/28/09-28-1637-laurentius_2.jpg

Feest 28 september

Op wereldmissiedag, 18 oktober 1987, sprak paus Johannes-Paulus († 2004) de heiligverklaring uit van een groep martelaren die hun leven voor Christus gaven tijdens de christenvervolgingen in Japan in de jaren 1633-1637. Op dat moment waren er vele bisschoppen in Rome bijeen om te vergaderen over de zending van de leek in de moderne kerk. Om die reden werd de jonge Filippijnse huisvader Laurentius Ruiz vóór aan deze lijst van martelaren geplaatst.

Hij leeft in een periode dat Japanse vorsten de maatregelen tegen ‘de vreemdelingen en hun verachtelijke godsdienst van het christendom, alsmede de verraderlijke landgenoten die zich daartoe bekennen’ almaar verscherpen. Gelovigen die opgepakt worden, stelt men bloot aan hoe langer hoe pijnlijker en gemener folteringen. Zo worden ze bijvoorbeeld met wijd gespreide armen aan een balk bevestigd waarbij zij vanaf hun middel in een beerput hangen…

Laurentius Ruiz was geboren op de Filppijnen als zoon van een Chinese vader en een Tagala-moeder. In 1587 waren de dominicanen daar de missie begonnen van de Heilige Rozenkrans. Zo was hij met Christus in aanraking gekomen. Hij had zich aangemeld, toen de dominicanen te kennen gaven een clandestiene missiereis te maken naar de vervolgde geloofsgenoten in Japan. Het hele gezelschap bestond uit dominicaner priesters Antonio González, Guillaume Courtet en Michael de Aozaraza, de dominicaner broeder Vincentius Shiwozuka en de leek Lazarus van Kyoto die wel als tolk zal zijn meegegaan.

Ze hadden geen andere bedoeling dan het evangelie te brengen ‘onder armen, onschuldigen en alwie het maar horen en aannemen wil’ – zoals Guillaume Courtet het straks voor de rechter zal samenvatten. Door een storm drijven ze af naar de kust bij Okinawa. Ze worden herkend als christenen en prompt opgebracht.

Voor de rechter legt Laurentius getuigenis af van zijn rotsvast geloof in Christus. Hij bekent volmondig dat hij christen is en dat hij bereid is zijn leven voor Christus te geven: “Als ik duizend levens had, zou ik ze alle duizend aan Christus geven. Nooit zal ik mijn geloof verloochenen. Als u mij wilt doden, ga uw gang. Het is mijn verlangen voor God te sterven.”

Hij wordt beschouwd als de eerste martelaar van Filippijnse bodem.

Met hem worden zijn gezellen van de mislukte missiereis herdacht, plus nog tien anderen die bij verschillende gelegenheden op vaak heldhaftige wijze hun leven gaven voor Christus.

Naam Jaar Mnd.Dag
Laurentius Ruiz 1637 09.26?
Domingo Ibáñez de Erquicia
Dominicaans priester, afkomstig uit de Noord-Spaanse stad San Sebastián;
overste van de Japanse dominicaner missie.
   
Franciscus Shoyemon
Japans bekeerling en dominicaner broeder
1633 08.14
Jacobus Kyushei Gorobioye
Tomonaga
Japans bekeerling en dominicaner priester
   
Michael Kurobioye
Japans bekeerling en dominicaner broeder
1633 08.17
Lucas Alonso Gorda
Spaans dominicaner priester
   
Matthaeus Kohioye
Japans bekeerling en dominicaner broeder
1633 10.19
Magdalena van Nagasaki
Zij was lid van de derde orde der dominicanessen en had
om zich geheel aan God toe te wijden – de eeuwige gelofte van zuiverheid afgelegd.
1634 10.15
Marina van Omura
Zij was lid van de derde orde der dominicanessen en had
om zich geheel aan God toe te wijden – de eeuwige gelofte van zuiverheid afgelegd.
1634 11.11
Giordano Hyacinthus Ansalcone
Italiaans dominicaner priester
   
Thomas Hioji Rokuzayemon Nishi
Japans bekeerling en dominicaner priester
1634 11.17
Antonio González o.p.
Dominicaan en priester.
Stond de clandestiene missiereis vanuit de Filppijnen naar Japan onder zijn leiding?
1637 09.24
Michael de Aozaraza
Spaanse dominicaner priester; gezel van Laurentius Ruiz.
   
Guillaume Courtet
Franse dominicaner priester; gezel van Laurentius Ruiz
   
Lazarus van Kyoto
Japanse leek; diende waarschijnlijk als tolk; gezel van Laurentius Ruiz
1637 09.29
Vincentius Shiwozuka
Japans bekeerling; dominicaans priester; gezel van Laurentius Ruiz
   

_______________________________________________________________________________________________

Wenceslaus de Heilige

Wenceslaus de Heilige (ca. 905 – Stará Boleslav 28 september 929 of 935) was hertog van Bohemen en is een heilige van de Katholieke Kerk.

Hij werd in 903, 908 of 910 geboren als zoon van Vratislav I van Bohemen. Zijn grootmoeder, de Heilige Ludmilla, gaf hem een christelijke opvoeding. Na de dood van Wenceslaus’ vader werd zijn heidense moeder Drahomíra regentes van het hertogdom. Zij voerde een antichristelijk bewind.

Het Boheemse volk smeekte Wenceslaus de macht over te nemen. Dat deed hij omstreeks 925 en plaatste het hertogdom onder de protectie van het Duitse Rijk. Op zijn gezag vierde de Kerk in Bohemen de liturgie niet langer in de Byzantijnse ritus, maar in de Latijnse. Wenceslaus was een vroom en deugdzaam man. Zijn liefde voor de eucharistie is legendarisch: het verhaal ging dat hijzelf de tarwe voor hosties zaaide en de druiven voor de miswijn zelf perste.

Wenceslaus had de gelofte van maagdelijkheid afgelegd.

In een samenzwering van zijn moeder en zijn broer Boleslav werd hij vermoord op 28 september 935. Zijn lichaam werd in stukken gehakt en begraven op de plaats van de moord. Zijn broer volgde hem op als Boleslav I maar kreeg berouw over zijn misdaad, deed boete en beval de relieken van zijn broer over te brengen naar de Sint-Vituskerk in Praag.

Wenceslaus is de beschermheilige van Bohemen en van Tsjechië. Hij wordt herdacht op 28 september.

Het Wenceslausplein in Praag draagt sinds 1848 zijn naam. De zogenaamde Heilige Wenceslaskroon werd pas eeuwen na zijn dood gesmeed.

Over de heilige is een Engels kerstlied gemaakt met de naam Good King Wenceslas.

 



28 sep - dinsdag

Sneek 08:45 - 09:15 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


29 sep - woensdag

- Hele dag Feestdag HH Michaël, Gabriël en Rafaël, aartsengelen

– Geen, -

Aartsengelen Michaël, Gabriël en Rafaël

Afbeelding van de aartsengelen
De drie aartsengelen met Tobias’, Francesco Botticini, Galleria degli Uffizi, Florence

Feest 29 september

In het deuterocanonieke bijbelboek Tobit wordt verteld hoe de jonge Tobit op zijn levensweg wordt vergezeld door een reisgenoot die zich aan het eind van het verhaal openbaart als de aartsengel Rafaël:
“Ik ben Rafaël, een van de zeven engelen die in de nabijheid van de troon van de Heer verkeren.”
[Tobit 12,15]

Drie van hen worden in de bijbel met name genoemd: Michaël, Gabriël en Rafaël. De vier anderen zijn ons bekend via buitenbijbelse bronnen: Uriël, Berachiël, Jehudiël en Shealtiël.

Michaël Aartsengel

1. De aartsengel Michaël in bijbelse en apokriefe boeken
Michaël is met Gabriël en Rafaël één van de drie aartsengelen die in de bijbel met name worden genoemd. De vierde die we slechts kennen van buiten-bijbelse bronnen heet Uriël. Michaël heet in Daniël 10,13 “één van de voornaamste vorsten”. Volgens de overlevering behoort hij ook tot de zeven engelen die staan voor God troon. Zij komen twee keer ter sprake, evenwel zonder dat daarbij de naam van Michaël valt. In het Boek Tobit, als Rafaël zich uiteindelijk bekend maakt; daar zegt hij van zichzelf: “Ik ben Rafaël, één van de zeven heilige engelen, die de gebeden van de heiligen opdragen en toegang hebben tot voor de heerlijke troon van de Heilige” (Tobit 12,15). Over die zeven engelen wordt ook nog eens gesproken in het Boek van de Openbaring, daar echter zonder dat er één met name wordt genoemd (Openbaring 08,02-05).

In het Boek van de Openbaring (of Apokalyps) valt Michaël’s naam wel, wanneer de een oorlog in de hemel ter sprake komt tussen Michaël en zijn engelen enerzijds en anderzijds de draak (Openbaring 12,07).

Michaël wordt uiteindelijk beschouwd als de aanvoerder (‘hertog’) en kampioen van de hemelse legerscharen die Lucifer, de leider van de opstandige engelen wist te verslaan. Behalve bovengenoemde terloopse aanduidingen wordt dat verhaal in de bijbel niet verteld. Daarvoor moeten wij te rade gaan bij de apokriefen van de bijbel, de literatuur die wel bijbels klinkt, maar uiteindelijk toch niet in het kader van de bijbel is opgenomen.
Vandaar dat het Joodse volk de aartsengel Michaël als zijn beschermengel beschouwde (Daniël 12,01).

1.01 Joodse legende: Michaëls strijd tegen de boze engelen
Het verhaal over de strijd tussen de goede en kwade engelen stamt al uit de Joodse geloofstraditie. We vinden het bijvoorbeeld in het apocriefe boek Henoch. Daar wordt het niet verteld in het kader van de schepping, alsof de gebeurtenissen zich zouden hebben afgespeeld, voordat de mensen waren geschapen. Het dient om de aanleiding tot de zondvloed te verduidelijken. In de bijbel wordt daar maar heel kort iets over verteld, waardoor er vele vragen open blijven. In Genesis 6,1-4 lezen we:

“Toen de mensen talrijk begonnen te worden op de aardbodem en dochters kregen, zagen de zonen van God, hoe mooi de dochters van de mensen waren, en zij kozen zich uit die dochters ieder een vrouw. Maar de Heer zei:
‘Mijn levensgeest zal niet bij de mens blijven, want hij is maar een nietig wezen; de duur van zijn leven zal honderdtwintig jaar bedragen.’
In die dagen – en ook nog daarna – leefden er reuzen op aarde, doordat de zonen van God gemeenschap hadden gehad met de dochters van de mensen die hun zonen hadden gebaard. Zij waren de befaamde geweldenaars van de oude tijd.”

Onmiddellijk daarop wordt er verteld dat de boosheid der mensen was toegenomen en dat ze onverbeterlijk waren. Daarop besluit God de aarde te verdelgen door middel van een zondvloed. Alleen het geslacht van Lamech, de stamvader van Noach zal worden gered (Genesis 06,05).
Maar wat is de rol van die geheimzinnige reuzen? Zijn zij al het resultaat van het kwaad? En welk kwaad stak er nu eigenlijk in de mensen? Op al die vragen geeft de legende antwoord, zodat begrijpelijk wordt, waarom God besloot de eerste aarde te vernietigen. De boosaardige engelen laten de mensen delen in hemelse geheimen, die in handen van de mensen hebzucht, behaagzucht, oorlogszucht en andere kwade verlangens kunnen aanwakkeren. Tegelijk wordt er antwoord gegeven op de vraag waar het kwaad en vooral ook, waar de hel vandaan komt.
Vandaar dat God de vier aartsengelen, Uriël, Rafaël, Gabriël en Michaël uitzendt om het kwaad dat op aarde is ontstaan, in de boeien te slaan en zijn plaats te wijzen.

Latere christelijke versies van deze legende vertellen hoe Lucifer weigerde de Mensenzoon de verschuldigde eer te brengen. De boze engelen werden door toedoen van Michaël en zijn medestrijders uit de hemel verdreven; zij werden gestraft doordat Michaël hen vastbond tussen hemel en aarde. Dat was een passende kwelling. Enerzijds had hij zicht op de hemel, waar hij zichzelf onmogelijk had gemaakt en voorgoed van was buitengesloten. Anderzijds had hij zich op de aarde, waar zij moesten toezien hoe de mensen – die zij in de persoon van Christus niet hadden willen dienen – uiteindelijk zelfs boven engelen werden verheven door Gods genade.

Toch blijft het opvallend dat dit verhaal niet in de bijbel is opgenomen, waar het toch zo’n belangrijke plaats inneemt in de traditie. Zowel bij de Joden als bij de christenen. In de middeleeuwen heeft men geprobeerd een antwoord te bedenken op deze vraag. Die legende is alleen al interessant vanwege de feodale mentaliteit die eruit spreekt. De wereld is er opgedeeld in rangen en standen; en elke stand vraagt om een eigen behandeling.

1.02 Joodse legende: Michaëls strijd met de duivel om Mozes’ lichaam
In de Brief van Judas wordt gewaarschuwd tegen een aantal misstanden, waaronder het beschimpen van hemelse machten. Naar aanleiding daarvan merkt de schrijver vervolgens op: “Zelfs de aartsengel Michaël heeft het niet gewaagd een smadelijk oordeel tegen de duivel uit te spreken, toen hij met hem een woordentwist had en streed om het lichaam van Mozes. Hij zei alleen maar: “De Heer moge u bestraffen” (Judas 09).

Er is geen geschrift uit de oudheid overgeleverd waarin dit verhaal wordt verteld. Algemeen wordt aangenomen dat deze legende thuishoort in een apokriefe legende die dan “Mozes’ Hemelvaart” geheten zou moeten hebben, waarschijnlijk ontstaan rond het begin van onze jaartelling. In ieder geval maken enkele kerkvaders er melding van, zoals Clemens van Alexandrië († vóór 215), Origenes († 253/254) en Didymus de Blinde van Alexandrië († ca 398). Van dit geschrift werd in 1861 een fragment teruggevonden op een palimpsest (= handschrift waarvan de oorspronkelijke tekst is weggeradeerd en waarop vervolgens een nieuwe tekst is aangebracht). De weggeradeerde tekst vertelt tot vlak vóór Mozes’ dood, zodat het verhaal over de strijd tussen Michaël en de satan is weggevallen.

Men neemt aan dat dit verhaal bedoeld was als uitleg van Deuteronomium 34,06, waar verteld wordt dat God zelf Mozes begroef, zodat tot op de dag van vandaag niemand weet waar zijn graf zich bevindt. Uitleggers veronderstellen dat God Mozes liet begraven door de engel Michaël. In een latere legende wordt verondersteld dat de duivel op dat moment Mozes’ lijk kwam opeisen, waarmee hij zijn begrafenis dus wilde verhinderen. De reden was, dat Mozes destijds de Egyptische opziener had doodgeslagen en in het zand begraven (Exodus 02,12). Daarop zou God zelf tussenbeide zijn gekomen en eigenhandig Mozes hebben begraven.

Onderzoekers wijzen erop dat de woorden die Michaël spreekt in de veronderstelde apokriefe legende, letterlijk zo staan opgetekend in de Septuagintvertaling van Zacharja 3,02. (De Septuagintvertaling is de Griekse vertaling van het Oude Testament, die volgens de overlevering door 70 rabbijnen onafhankelijk van elkaar in precies dezelfde Griekse bewoordingen tot stand zou zijn gebracht). Daar voert de aartsengel Michaël ook strijd om het lichaam van een dode. Het betreft er alleen niet Mozes, maar… zijn opvolger Jozua!

1.03 Michaël in Vroeg-Christelijke literatuur
Van oudsher geloven de christenen dat Jezus’ moeder Maria met lichaam en ziel in de hemel werd opgenomen. Op oosterse afbeeldingen zien we vaak hoe Jezus zelf de ziel van zijn moeder, als een kleine mummie op zijn arm draagt. Maar er bestond een oude traditie die wist te vertellen dat het Sint Michaël was geweest die Maria was komen halen om haar naar de hemel te geleiden.

In de ‘Herder’ van de vroegchristelijke schrijver Hermas uit de 2e eeuw verschijnt Michaël als een majestueuze engel, belast met het toezicht over de beloningen, die al of niet moeten worden uitgedeeld aan de wilgentakken die één voor één naar voren komen om het oordeel te ondergaan; sommige hebben gebloeid en vrucht gedragen, andere zijn verdord. Deze takken zijn symbolische aanduidingen voor de christenen. Hij mocht beoordelen wie er in aanmerking kwam voor de beloning.

In het zogeheten ‘Testament van Abraham’ is Michaël de hoofdpersoon. Zijn voorspraak heeft zo veel invloed dat zelfs zielen uit de hel kunnen worden teruggehaald. Vanaf de vroegste tijden werd en wordt Michaël dagelijks in de eucharistie genoemd en aangeroepen.

Michaël’s verschijning te Chonae, Frygië (= het huidige West-Anatolië, Turkije), waarbij hij de waterloop verlegt. In Frygië niet ver van Hiërapolis en Kolosse lag een plaats, Chonae geheten (= ‘watervloed’). Daar had je dan ook een wonderbaarlijke waterbron.

Toen de apostel Johannes († ca 104; feest 27 december), bijgenaamd de Theoloog, in gezelschap van de apostel Filippus († 80; feest 3 mei) het evangelie aan het preken was in Hiërapolis, keek hij naar deze plek en voorspelde dat er een bron zou ontspringen; een bron van geneeskrachtig water, waardoor vele mensen hun gezondheid zouden terugkrijgen. Hij zei ook dat die plek nog eens bezocht zou worden door de heilige Michaël, de grote aartsengel van God. Wel heel spoedig daarna al ging die voorspelling in vervulling. Er kwam een waterbron tevoorschijn die tot in de wijde omtrek bekend stond om zijn wonderdadige kracht. Een heiden in Laodicea had een dochter die stom was. Hij was daar heel verdrietig over, maar in een droom verscheen hem de aartsengel Michaël. Deze drong er bij hem op aan om zijn dochter mee te nemen naar die bron. Dan zou zij haar gezondheid terugkrijgen. De vader gehoorzaamde onmiddellijk; hij nam zijn dochter met zich mee en ontmoette op die plek allerlei mensen die genezing kwamen zoeken van de meest uiteenlopende kwalen. Dat waren allemaal christenen. De man vroeg hun hoe hij genezing kon verkrijgen. De christengelovigen zeiden hem:
“In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest moet je de aartsengel Michaël aanroepen.”
De vader deed precies zoals zij gezegd hadden en dompelde zijn dochter onder water. Op datzelfde moment begon zij te spreken. Die heiden liet zich natuurlijk dopen tezamen met zijn dochter en zijn hele huishouden. Hij liet een kerk bouwen boven de bron ter ere van de aartsengel Michaël.

Later kwam daar een jongeman zich vestigen. Hij heette Archippus. Hij had heel wat te verduren van heidenmensen, want zij hadden het niet zo begrepen op de wondermacht van die heilige christenplaats, waar zoveel mensen naar toekwamen. In hun boosaardigheid verlegden zij de loop van een nabijgelegen rivier, zodat deze de kerk en de bron onder water zette. Maar op het gebed van Archippus verscheen de aartsengel Michaël en maakte met een zware tak een opening in de grot aan het eind van de kerk, waardoor het water daar in een ware vloed weg kon stromen.
Zodoende werd die plek gered; zij werd bekend onder de naam Chonae, vanwege die watervloed die door de opening wegstroomt. Sint Archippus leefde daar in strenge onthouding. Hij stierf, toen hij zeventig jaar oud was en ging vredig de rust van de Heer binnen.

Soms vindt men de veronderstelling dat deze Archippus dezelfde zou zijn als de apostel die volgens de overlevering samen met Filemon en diens vrouw Apfia de marteldood gestorven zou zijn.
[139;140/9; Dries van den Akker s.j./2007.08.31]

Michaël’s verschijning bij het heilig kruis te Constantinopel
Michaël zou ook verschenen zijn aan keizer Constantijn in zijn pronkstad Constantinopel (= ‘Constantijnstad’). Nadat zijn moeder, de heilige Helena, van haar pelgrimstocht naar het Heilige Land in 324 de drie kruisen mee terug had gebracht, had de keizer ze op een eervolle plaats laten opstellen. Drie maal in het jaar – aldus de overlevering – daalde de aartsengel Michaël uit de hemel neer om in het bijzonder Jezus’ kruis met hemelse gezangen te omranken. Daarom bouwde de keizer rond 330 ter ere van Michaël de tempel, die voorheen was toegewijd aan de god Aesculaap, om tot een Michaëlkerk, het zogeheten Michaëlion, terwijl hij ergens aan de kust van Klein-Azië nog een klooster laat bouwen dat hij onder bescherming plaatst van de aartsengel: Sint Michaël-in-Sosthenis.

Reeds in de 4e eeuw stond er in Constantinopel een kerk die aan hem was toegewijd. De vorsten die na Constantijn kwamen, namen Michaël’s verering over. Justinianus († 565) alleen al zou hem zes basilieken hebben toegewijd, terwijl Michaël in vijftien verschillende basilieken een hem toegewijd altaar had.

Michaëls verschijning op de Monte Gargano, Italië; ca 490/95.
Michaël is volgens de legenden diverse malen verschenen op de Monte Gargano.
De laatste verschijning van de aartsengel Michaël vond plaats in 1656. In heel Zuid-Italië heerste een agressieve pestepidemie. De mensen stonden machteloos. Daarom riep de toenmalige bisschop van Siponto een driedaagse vasten af. Vervolgens trok hij aan het hoofd van zijn al zijn geestelijken en het gehele gelovige volk op naar de grot, terwijl ieder een strop om de hals had gehangen. Er werden psalmen gezongen en litanieën gebeden. Pas na drie dagen van boetedoening en nederig gebed, gaf de engel een teken van zijn aanwezigheid. Het was op een vrijdag, de 22e september, precies een week voor de feestdag van de heilige engel. Om vijf uur in de morgen – aldus een brief uit 1658 van de bisschop aan paus Alexander VII – werd hij wakker van een ontzettend geraas; het leek wel of er een aardbeving aan de gang was. In het oosten zag hij een machtig licht; het leek op een zondoorschenen kristal. Hij hoorde een stem die zei: ‘U, herder van deze kudde, u moet weten dat ik het bij de heilige Drie-eenheid gedaan gekregen heb dat ieder die een steen afbrokkelt van de wanden van mijn grot en die devoot en wel bij zich houdt, voor de pest gevrijwaard zal blijven. Ja, alle huizen, dorpen en steden waar zo’n steen wordt bewaard, zullen aan de pest ontkomen. Maak deze genadegave maar aan iedereen bekend. En op het moment dat u die stenen op mijn voorspraak zegent, moet u ze tekenen met een kruis en mijn naam erin krassen. Zo zal Gods toorn worden afgewend.” Zielsgelukkig en dankbaar viel de bisschop op zijn knieën; hij riep zijn dienaren bij zich en vertelde hun over de belofte van de engel. De volgende dag, op 23 september dus, maakte hij aan het volk bekend dat ze niets meer van de pest te vrezen hadden. Hij beval nu de stenen uit de wanden van de grot te breken, liet er een monogram in krassen (S † M) en sprak er een zegen over uit waarvoor hij zelf de tekst had opgesteld. Nadat hij de stenen onder het volk had laten verdelen, verdween de pest binnen een paar dagen uit het hele land.

Uit de legendenserie kan men opmaken welke zorgen en kwaliteiten aan Sint Michaël worden toegedicht. Het zijn er vijf: hij is herder en beschermt de kudde; hij is aanvoerder in de strijd en beheerst de kosmische krachten; hij is priester en draagt zorg voor de eredienst; hij is de heer van de grot, dat wil zeggen begeleider der doden en vorst over het dodenrijk; hij is arts en geneesheer van alle aandoeningen naar ziel en lichaam, en kent de verborgen geneeskracht van de aarde en water.

Michaël van de Monte-Gargano wordt op 8 mei gevierd. Volgens dit verhaal, omdat de eerste verschijning van de aartsengel er plaats vond op die dag in het jaar 490. Er zijn andere versies die weten te vertellen dat de kerk die er ter ere van Michaël werd gebouwd, op 8 mei 493 zou zijn ingewijd. Sindsdien wordt die berg ook wel genoemd de Monte Sant’Angelo.

Michaëls Verschijning te Rome; 590.
Op 25 april 590 verscheen Michaël te Rome om de pest die er woedde tot staan te brengen. Paus Pelagius II was op 7 februari van dat jaar gestorven. Gregorius nam zijn diensten waar (hij zou in datzelfde jaar – op 3 september – tot Pelagius’ opvolger worden gekozen). “Hij beval: ‘Laten alle kerkelijke bedienaren optrekken vanuit de kerk van de martelaren Cosmas en Damianus tezamen met de priesters van het zesde district. Laten alle abten met hun monniken optrekken vanuit de kerk van de heilige martelaren Gervasius en Protasius met de priesters van het vierde district. Laten alle abdissen met al hun verzamelde zusters optrekken vanuit de kerk van de heilige martelaren Marcellinus en Petrus tezamen met de priesters van het eerste district. Laten alle kinderen optrekken vanuit de kerk van de heilige martelaren Johannes en Paulus tezamen met de priesters van het tweede district. Laten alle leken optrekken vanuit de kerk van de eerste martelaar Sint Stefanus tezamen met de priesters van het zevende district. Laten al de weduwen optrekken vanuit de kerk van Sint Eufemia tezamen met de priesters van het vijfde district. Laten al de gehuwde vrouwen optrekken vanuit de kerk van de heilige martelaar Clemens tezamen met de priesters van het derde district. Laten we allemaal optrekken met gebeden en klaagzangen vanuit elk der aangewezen kerken om elkaar tenslotte te ontmoeten bij de kerk van de heilige Maagd Maria, de Moeder van onze Heer Jezus Christus, zodat we daar één grote langgerekte smeekbede richten tot onze Heer met tranen en zuchten en op die manier de vergeving van onze zonden waardig bevonden worden.’

Toen hij uitgesproken was, riep hij alle kerkelijke bedienaren bij elkaar met de opdracht om drie dagen achtereen psalmen te zingen en om vergiffenis te vragen voor alle bedreven zonden. Om drie uur vertrokken alle koren uit hun kerk en trokken door de straten onder het zingen van Kyrie eleison (= Heer, ontferm U over ons).”

Toen de processie de brug over de Tiber naderde verscheen Michaël op het mausoleum van keizer Hadrianus met een vlammend zwaard in de hand. Hij stak het in de schede, alsof hij daarmee te kennen wilde geven dat het genoeg was. Sindsdien heet die burcht ‘de Engelenburcht’; ze werd omgedoopt tot een Michaëlskerk. Dit alles tekende Gregorius van Tours op uit de mond van één van zijn diakens die bij dit alles zelf aanwezig was geweest.

Waarschijnlijk was het deze kerk waarvan de inwijding plaats vond op 29 september, de dag die tenslotte werd aangehouden als definitieve feestdag van Michaël en alle aartsengelen.

Michaëls Verschijning op de Mont-St-Michel
Het was in het jaar 708 (soms vindt men iets hogere of lagere jaartallen) dat Aubert, de bisschop van Avranches, een visioen kreeg waarin de aartsengel Michaël hem opdroeg een kapel te bouwen te zijner ere op het hoogste punt van de Berg Tombe. Zo heette deze berg voor zij naar Michaël werd genoemd. ‘Tombe’ is een verbastering van het Latijnse woord ‘tumulus’ wat eenvoudig ‘hoogte’ betekent. Hij vroeg uitdrukkelijk om verering door het volk der Franken. De precieze plek zou worden aangegeven door een stier die zich daar ergens verborgen hield. De omvang van de kerk zou moeten worden bepaald door het terrein dat door de hoeven van de stier was omgewoeld.

Bij onderzoek bleek er bovendien een bronnetje te zijn dat voordien onbekend was. Ook hier moest de bisschop bij herhaling in zijn droom toe worden aangespoord. Hij begon er pas serieus werk van te maken, toen de engel in de droom met zijn duim een duidelijke afdruk had geplaatst in het voorhoofd van Aubertus; dit litteken zou er nog gezeten hebben op het moment van zijn dood (na 709). Reeds een jaar na deze wonderlijke gebeurtenissen was het heiligdommetje klaar: het eilandje werd voortaan genoemd naar de patroon van het kapelletje. Er werden twaalf monniken aangesteld om de eredienst te verzorgen. Door een wonderbaarlijke speling van de natuur was de berg intussen gescheiden van het vasteland; als het getij zich terugtrok kwam de verbinding met het vasteland tot stand; kwam het water op, dan werd het een moeilijk bereikbaar eiland. Al heel gauw kwamen van heinde en verre pelgrims naar de Mont-St-Michel-van-de-gevaren-der-zee (Saint-Michel-au-péril-de-la-Mer). Deze benaming gaat terug tot reeds de 10e eeuw. In later jaren werd het oorspronkelijke kerkje vervangen door de indrukwekkende abdij die er nu nog staat. Deze werd in 966 begonnen door hertog Richard van Normandië.

Verspreiding van Michaëls verering
Reeds in de 5e eeuw had paus Leo I, bijgenaamd Leo de Grote (440-461) een kerk gewijd ter ere van de aartsengel. Dat moet gebeurd zijn op een 29e september, zodat die dag zijn kerkelijke feestdag is geworden. Sint Benedictus, de grondlegger van het West-Europese kloosterleven, had in de 5e eeuw al een klooster gesticht, in de buurt van Subiaco, dat hij genoemd had naar de aartsengel Michaël. Bovendien verrezen er Michaël-kloosters bij Napels en in Tropea, in de Zuid-Italiaanse landstreek Calabria.

De Longobarden beschouwden Michaël als hun beschermheilige; hun munten versierden zij met zijn beeltenis. Een medewerker van koning Aribert II, Gaudier, sticht niet ver van de Italiaanse stad Vercelli het klooster Sint-Michaël van Locedio. De verspreiding van Michaël’s verering over Europa had een aanvang genomen. Aan het eind van de 6e eeuw lag er al een Michaël-klooster in de Zuid-Franse plaats Limoges. Halverwege de 7e eeuw kende de Spaanse stad Toledo eveneens een Michaël-klooster. Niet ver van de Zuid-Franse stad Clermont vestigde de heilige Cyranus († 657) in de eenzaamheid een kloostertje dat later uit zou groeien tot het plaatsje St-Michel-en-Brenne. In diezelfde tijd of iets later sticht de heilige Filibert een kloostertje dat in de loop van de tijd zal uitgroeien tot het plaatsje St-Michel-en-l’Herm. Niet ver van Verdun in Noord-Oost-Frankrijk ligt de plaats Saint-Mihiel. Ook deze naam gaat terug op een voormalig klooster dat gelegen was op de Mont de Châtillon; het was gesticht in het jaar 709 door een graaf Wulfoald en zijn vrouw Adalasindis. Ruim honderd jaar later verplaatste de toenmalige abt, Smaragdus, deze vestiging naar de oever van de Maas op de plek waar thans de gelijknamige plaats gelegen is.

Frankrijk hééft iets met Michaël. Eigenlijk hadden we onder het hoofdstuk verschijningen van de aartsengel ook de gebeurtenissen moeten plaatsen aan het begin van de 15e eeuw. Immers volgens het getuigenis van Jeanne d’Arc († 1431; feest 30 mei) was het ook de aartsengel Michaël die haar opriep om de koning van Frankrijk te bewegen strijd te leveren tegen de Engelsen.

Het waren vooral heiligdommen op hoogten, heuvels en bergen die aan Michaël werden toegewijd, soms eenvoudig onder de naam ‘engel’, waarmee dan Michaël werd bedoeld. We zagen daar al een aantal voorbeelden van. Beroemd is ook de Great Skellig – vroeger geheten Skellig Michael – voor de Ierse kust bij Kerry. De toewijding van Michaël zou daar teruggaan op een verschijning van de engel in de 8e eeuw. Ook rond de Stranberg bij Stuttgart zouden Michaël-legenden geweven zijn.

Op de Mont St-Michel kwam een benedictijner klooster. Het vormde de bestemming van vele pelgrims; daarvan getuigen nog de middeleeuwse bedevaartsinsignes en de modernere bedevaartsvaantjes. Tegenover de kust van Cornwall, Zuid-West-Engeland, ligt een rotseilandje dat naar Michaël is genoemd: St. Michael’s Mount. Het behoorde bij de benedictijner abdij van de Mont St-Michel; het was een plek waar een monnik zich in de eenzaamheid kon terugtrekken; de kerk was zijn privékapel.

Mede door de Normandische veroveringen vond Michaël van daaruit overal verspreiding in Engeland en Ierland.

De grote abt Columba of Columkill, de stichter van het beroemde kloostereiland Iona ten noorden van Schotland, was van Ierse afkomst. Hij zou naar Iona verbannen zijn. Dat kwam, omdat hij volgens bepaalde bronnen in zijn jonge jaren een oorlog ontketend zou hebben tussen zijn clan, de O’Donnells enerzijds en anderzijds de toenmalige koning van Groot-Ierland, die zetelde te Tara. Het liep uit op een treffen bij Culdreibhne bij Sligo. Aan de vooravond van de beslissende slag zou hij een verschijning hebben gekregen van de aartsengel Michaël. Deze voorspelde hem de overwinning, maar zei erbij dat hij de rest van zijn leven in ballingschap zou moeten doorbrengen. Gedurende de slag zou Michaël gevochten hebben aan de kant van de O’Donnells, de clan van Columba. Ze wonnen. Dit alles moet zich afgespeeld hebben in de veertiger jaren van de 6e eeuw. Na lang dralen gehoorzaamde Columba toch aan Michaël’s woord en trok naar Caledonia, waar hij op het onherbergzame eilandje Iona een monniksgemeenschap stichtte.

Het zijn dan ook vooral de monniken van Ierland en Engeland die zorgden voor de verspreiding van Michaël’s verering. Op hen zouden dan ook de legenden teruggaan die verteld worden rond de Mont St-Michel.

Zo schijnt de heilige abt Wilfrid vlak voor zijn dood, in 709, een verschijning gehad te hebben van Michaël zelf. Rond 722 stichtte Bonifatius een Michaëlklooster in de Hessische plaats Amoenburg en zo’n jaar of twee, drie later het klooster Sint-Michaël van Ohrdruf.

Er zijn al documenten bekend uit de 7e eeuw waaruit bleek dat men voor al die hooggelegen Michaëlheiligdommen ook graag relieken wilde hebben om te vereren. Gedurende de middeleeuwen horen we daar bij herhaling over. Uit het relaas over de Mont St-Michel kunnen we ons een beeld vormen van die relieken. Daar liet men een stuk van het altaarkleed van de Monte Gargano overkomen. Trouwens in het verslag over Michaëls derde verschijning op de Monte Gargano in 1656 zien we, hoe de mensen opgeroepen worden een tastbare herinnering aan Michaël mee te nemen: in dat geval gaat het om stenen uit de rotswand, getekend met een kruis en de initialen van Sint Michaël. Overigens deed men hetzelfde op de Mont St-Michel; pelgrims brokkelden er steentjes van de rotswand af, liefst uit de muur van de kapel. Het verhaal gaat dat men begon te vrezen voor instorting van de gebouwen; sindsdien gaf men aan de pelgrims schelpen mee uit de zee rondom het rotseiland: een gebruik dat men afgekeken heeft van Jacobus’ heiligdom te Compostela in het Noord-Westen van Spanje.

In de 11e en 12e eeuw verschenen er overal in Engeland kerken ter ere van Sint Michaël; doordat hij afgebeeld werd aan het hoofd van de hemelse legerscharen met vaak een geheven zwaard, herkenden de Noormannen, die zich intussen in Brittannië hadden gevestigd en bekeerd waren tot het christendom, zich in zijn strijdlustige gestalte.

Sint Michaël-kerken zijn bv. te vinden in Clive, Great Malvern, Malmesbury, Melbourne en Stanmer; de middeleeuwse kerkhistoricus Beda († 735) noemt al Michaël als patroon van de kerkhofkapel van Hexhham. Aan het eind van de middeleeuwen beliep het aantal Michaël-kerken in Engeland minstens 686. Ook in Schotland was hij populair: daar stonden Michaëlkerken in Dumfries, Dallas, South Queensferry, Mauchline, waar je een Michaëlput hebt, Sprouston en Dailly.

De zwerfmonniken – zoals Columbanus († 615), Willibrordus († 739), Bonifatius († 754) en vele anderen – die vanuit Ierland en Engeland over Europa uitzwermden en Christus brachten en kloosters vestigden, waar zij langskwamen, hebben aan de verspreiding van Michaël’s verering bijgedragen. Zij namen hem mee tot aan Beieren en het Alpengebied. Van daaruit vond hij zijn weg over de hele westerse christenheid. Zo schijnt hij aan het hof van Karel de Grote († 814; feest 28 januari) bijzonder geliefd geweest te zijn.

In 782 worden in de nieuwe kerk van Aniane (het tegenwoordige Cornelimünster vlakbij Aken) een aantal nieuwe altaren gewijd; één van de zijaltaren wordt een Michaël-altaar. In 794 worden in de nieuwe kerk van Halberstadt met veel vertoon en in gezelschap van vele kerkelijke en wereldlijke hoogwaardigheidsbekleders de nieuwe altaren gewijd: één ervan wordt speciaal bestemd voor de aartsengelen Michaël, Gabriël en Rafaël en alle hemelbewoners. In de tweede helft van de 9e eeuw wordt de voormalige Mattheuskerk in Keulen een Andreaskerk, met als bijpatronen Maria en de aartsengel Michaël. In de loop van de 10e eeuw sticht de heilige bisschop Ansfried in het Limburgse Thorn een parochiekerkje dat hij aan Michaël toewijdt; vervolgens sticht hij in de nabijheid van Amersfoort klooster Hohorst, dat voor Nederlandse begrippen hoog is gelegen: vanzelfsprekend wordt ook hier Michaël de patroon. Zeer oud ook is Michaël’s patronaat van de stad Zwolle en het Friese dorpje Almenum, vlakbij Harlingen. Het praemonstratenzer klooster in het Friese Bajum was vanwege zijn ligging op een terp ook naar Sint Michaël genoemd. Trouwens in Friesland genoot Michaël met name bijzondere verering, omdat de kerk der Friezen in Rome een Michaëlkerk was.

In 1109 was in het oostkoor van de kerk te Bamberg het hoofdaltaar aan Jezus, Maria, Michaël en de beide Johannessen gewijd. In 1182 werd in de kerk van Schestlar aan de Isar bij München het altaar in de linker absis toegewijd aan Michaël en nog enkele heiligen. Uit documenten blijkt dat de stad Utrecht in de 13e eeuw een Michaëlkapel kende en in de grote kerk een Michaël-altaar had staan. Boven in de toren van de Utrechtse domkerk bevindt zich een kapel die – hoe kan het anders met zo’ hoge ligging!? – aan Michaël is toegewijd. In 1449 werd de kerk van de Broeders des Gemenen Levens onder leiding van Geert Grote te Deventer geplaatst onder het patronaat van de Drievuldigheid en de aartsengel Michaël. Overigens bezat de stad Keulen in de hoge middeleeuwen nog minstens drie Michaëlkapellen: één bij de toegang tot de St-Gereonkerk, één bij de St-Severin en één bij de Marspoort.

Michaël is ook te zien op het middeleeuwse stadszegel van de Westfalense stad Werl.
In Nederland is het missiehuis te Steyl aan Sint Michaël toegewijd. In België zijn Brecht en Ieper Sint-Michielsbedevaartplaatsen.

Michaël als behoeder der overledenen
De Franken vereerden Sint Michaël als beschermheilige van de christenen in hun strijd tegen de heidenen, als de bezorger van offergaven voor Gods troon en als zielenweger en begeleider van de overledenen.

Michaël als zielenweger
Vanaf de 12e eeuw worden de kerkportalen gesierd met afbeeldingen van het Laatste oordeel; daarbij verschijnt Michaël herhaaldelijk als zielenweger: om te zien of iemands goede daden opwegen tegen zijn slechte, en of de overledene dientengevolge waardig is om toegelaten te worden tot het eeuwig leven. Zo is hij o.a. te zien op de portalen van de Italiaanse stad Torcello, de Franse steden Conques en Autun en de Duitse stad Urschalling in Oberbayern. Het gegeven van de zielenweegschaal kwam al voor in de oude Egyptische godsdienst.

Michaël in latere liturgische gebeden
In de antifoon bij het aandragen van de offergaven werd in oude tijden gezongen: “Moge Michaël, de vaandeldrager hen geleiden in het heilige licht, dat U van oudsher hebt beloofd aan Abraham en zijn geslacht voor immer.”

Vanaf de 14e eeuw werd Michaël ingevoegd in de schuldbelijdenis aan het begin van de viering. Die tekst luidde: “Ik belijd voor de almachtige God, voor de Heilige Maria, altijd maagd, voor de Heilige aartsengel Michaël, voor de Heilige Johannes de Doper, voor de Heilige apostelen Petrus en Paulus en voor alle heiligen en voor u, vader (bedoeld werd de priester; de priester zelf zei op dat moment: “en voor u, broeders”), dat ik veel gezondigd heb in gedachte, woord en daad, door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn overgrote schuld. Daarom vraag ik de Heilige Maria, altijd maagd, de Heilige aartsengel Michaël, de heilige Johannes de Doper, de Heilige apostelen Petrus en Paulus, alle heiligen en u vader (resp. “en u broeders”) voor mij te willen bidden tot de Heer onze God.” Pas sinds de wijzingen in de liturgie die doorgevoerd zijn onder invloed van het Tweede Vaticaans Concilie, 1970, is dit gebed vereenvoudigd, waardoor de naam van Michaël op die plaats is weggevallen; wel wordt er o.a. nog aan alle engelen om voorspraak gevraagd bij God.

Tot aan 1970 werd de dagelijkse misviering ook afgesloten met een gebed tot de Heilige Michaël: “Heilige aartsengel Michaël, verdedig ons in de strijd; wees onze bescherming tegen de boosheid en de listen van de duivel. Wij smeken ootmoedig dat God hem zijn macht doe gevoelen. En gij, vorst van de hemelse legerscharen, drijf satan en de andere boze geesten, die tot verderf van de zielen over de wereld rondgaan, door de goddelijke kracht in de hel terug. Amen.” Van welke tijd dit laatste gebed stamt, is niet duidelijk, maar waarschijnlijk is het tamelijk recent.

Michaël-Aartsengel: Cultuur

Patronaten
Hij is patroon van de Katholieke Kerk, de strijdende kerk. Van oudsher is hij ook patroon van Baskenland alsmede van het Duitse volk. Vandaar dat het Duitse volk als geheel wel wordt aangeduid met ‘Duitse Michel’; een goedmoedige, rechtschapen, maar ook onbeholpen en dommige personificatie van het Duitse volk. In de 19e eeuw duidde men jonge boeren aan met de benaming ‘Michel’ of ‘oom Michel’. Een kleine greep uit de Duitse steden met een Michaeliskerk of -klooster: Bamberg, in Fulda stamt de karolingische Michaeliskerk uit de 9e eeuw, in Hildesheim uit het begin van de 11e, in Schwäbisch-Hall uit de 15e eeuw; Siegburg heeft een Michaelisabdij en een Michaelisburg; Hamburg heeft een Michaeliskerk; daarnaast ook Lüneburg (uit de 14e eeuw), München en Passau.

In Italië noemen wij naast de genoemde kerken te Rome en op de Monte Gargano nog Lucca, Pavia en Ravenna.

Hij was ook patroon van de Franken en dientengevolge van Frankrijk; alsmede van een militaire orde, ingesteld door Lodewijk XI in 1469. Naast de reeds hierboven genoemde plaatsen, zijn tot op de dag van vandaag in Frankrijk wel meer dan honderd plaatsen en dorpen die naar St-Michel zijn genoemd. Hij is ook beschermheilige van de stad Brussel, waar de kathedraal onder zijn bescherming is geplaatst. Beroemd is in Parijs de naar hem genoemde Boulevard Saint-Michel.

In Nederland is Sint-Michielsgestel naar hem genoemd; hij wordt dan ook afgebeeld als de drager van het gemeentewapen.

Binnen onze landsgrenzen vinden we een kerk die aan Michaël is toegewijd in Almenum, Beek, Beek-en-Donk, Berg/Maas, Berlikum, Blokker, Breda, De-Bilt, Dennenburg, Eindhoven, Emmeloord, Enschede, Harlingen, Hazerswoude-Rijndijk, Herten, Heugem, Koudekerk-Rijndijk, Maastricht, Nes/Ameland, Oosterland/N-H, Rotterdam (sinds 1922, en sedert 1984 samen met Clemens), Schaesberg, Schalkwijk, Sittard, St-Michielsgestel, Thorn, Tuitgum=Berlikum, Wanssum, Westerblokker, Woudsend, Zuidschermer en Zwolle.

Verder is Michaël patroon van ridders, soldaten, wapendragers en schermers; van kooplieden, weegschaalfabrikanten en -uitbalanceerders, ijkers en apothekers (omdat deze allemaal een weegschaal gebruiken in hun beroepsuitoefening); kruideniers, graanafwegers, bakkers en banketbakkers; van handelaars in garen- en band, lakenscheerders en stoffenbereiders (omdat zij werktuigen gebruikten die veel weg hadden van zwaarden); vooral van lakenvollers, die de stof platwalsten, juist zoals Michaël had gedaan met de satan; van kleer- en hoedenmakers (kleermakers,omdat hij op afbeeldingen vaak een zwierige mantel draagt); van schilders en vergulders (omdat juist afbeeldingen van Michaël vaak werden verguld); van kuipers, houtbewerkers en werklui aan draaibanken; van glasblazers, lood- en tingieters; van vogelkooifabrikanten, omdat Michaël de satan ook had opgesloten! en sinds 1958 (Paus Pius XII) ook van radiotechnici en bankbedienden (omdat beide beroepsgroepen zo getrouw mogelijk boodschappen moeten doorgeven); van stervenden en arme zielen. Hij is ook beschermheilige van kerkhoven en kerkhofkapellen. Voorts wordt hij aangeroepen tegen bliksem en onweer; tegen een plotselinge dood en voor het verkrijgen van een goede dood.

In het middeleeuwse Keulen werd hij ook aangeroepen als beschermheilige tegen vijanden. Talloze middeleeuwse ambachtsgilden hadden hem als patroon gekozen.

In de Hollandse stad Delft was Michaël in de late middeleeuwen patroon van het schermersgilde; in de stad Delft hadden ‘de deckers en verwers’ een eigen Michaël-altaar in de Nieuwe kerk; daarnaast was hij ook patroon van het gilde der knoop- en ballenmakers (die ballen diende o.a. voor de spelen slagbal en kolfbal).

Aan het eind van de jaren zestig van de 20e eeuw had er in de cultuur een enorme verandering plaats. Vele oude waarden en tradities hadden hun zeggingskracht verloren en werden losgelaten. In de Rooms-Katholieke Kerk waren er velen die zich daar bijzonder ongerust over maakten. In Nederland sloot een grote groep van deze verontruste gelovigen zich aaneen en noemden zich Michaël-legioen…!

Gebruiken
Omdat 29 september valt bij de wisseling der jaargetijden, overgang van zomer naar herfst, werden er in vroeger tijden overal Michaëlsmarkten gehouden. In het naar hem genoemde Schotse plaatsje Crossmichael stond ter ere van de aartsengel een kruis opgesteld. Daar omheen werd elk jaar met ‘Michaelmass’ (29 september dus) een kermis gehouden. In het Duitse Dürkheimer werd op die dag een beroemde Michaëlsmarkt gehouden, die in de volksmond beter bekend staat onder de naam Worstmarkt. In de Duitse plaats Fürth begint in het weekend na St-Michiel een elf dagen lange Michaëlis-kerkdienst, ter plaatse genoemd Färther Kärwa (= ‘Fürther Kirchweih’). In vroeger tijden bezat het Bourgondische plaatsje Saint-Gilles een Michaëlsbronnetje. Het water ervan bevroor nooit en genas de koorts. De bron is sinds een jaar of vijftig opgedroogd.

Bekend is de negro-spiritual “Michael, row the boat ashore, allelujah!” Ook deze tekst gaat wellicht terug op de oude traditie dat Michaël de zielen van de overledenen stond op te wachten om ze naar de veilige haven ‘aan de overkant’ te vervoeren…

Afbeeldingen
Hij wordt afgebeeld als engel (mens met vleugels) in ridderuitrusting, met helm, (vlammend) zwaard, lans en schild; vaak doorboort hij met zijn lans of speer de draak onder hem. Bij andere gelegenheden is hij te zien met een weegschaal waarop hij de zielen weegt.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Gabriël Aartsengel

Gabriël is één van de aartsengelen, die in de Joodse traditie met name worden genoemd. Naast hem kennen wij nog Michaël en Rafaël. In het Oude Testament horen we voor het eerst van Gabriël in de profetieën van Daniël: 8,16 en 9,21. De eerste keer wordt hij opgeroepen om aan Daniël een hemels visioen uit te leggen; de tweede keer komt hij naar Daniël toevliegen om hem een bericht uit de hemel te brengen. Buiten de Heilige Schrift horen we ook van hem in het Eerste Boek Henoch.

Gabriël is het meest bekend geworden door de rol die hij speelt in het Nieuwe Testament. Hij kondigt de geboorte aan van Johannes de Doper, wanneer diens toekomstige vader, de priester Zacharias, dienst doet in de tempel. Hij verschijnt hem naast het altaar; en als Zacharias hem iets tegenwerpt, wordt hem door de engel het zwijgen opgelegd totdat het kind Johannes geboren zal zijn.

Lucas 01,05-25

05 In de dagen van Herodes, koning van Judea, leefde er een priester Zacharias geheten, die behoorde tot de klasse van Abia. Hij had een vrouw uit de dochters van Aäron en haar naam was Elisabet.
06 Beiden waren rechtvaardig in Gods ogen en leefden onberispelijk volgens alle geboden en voorschriften van de Heer.
07 Zij hadden geen kinderen, want Elisabet was onvruchtbaar en beiden waren al op gevorderde leeftijd.
08 Toen Zacharias voor God mocht optreden omdat zijn klasse de beurt had, geschiedde het, dat hij,
09 zoals onder de priesters gebruikelijk was, door het lot werd aangewezen om de tempel des Heren binnen te gaan en het wierookoffer op te dragen.
10 Het gehele volk stond op het uur van het wierookoffer buiten te bidden.
11 Er verscheen hem een engel des Heren, staande aan de rechterkant van het wierookaltaar.
12 Toen Zacharias hem zag, ontstelde hij en werd door vrees bevangen.
13 Maar de engel sprak tot hem: “Vrees niet Zacharias, want uw bede is verhoord; uw vrouw Elisabet zal u een zoon schenken, die gij Johannes moet noemen.
14 Ge zult verheugd zijn en het uitjubelen en vele mensen zullen zich over zijn geboorte verblijden.
15 Hij zal groot zijn in de ogen van de Heer; wijn of sterke drank zal hij niet drinken, en nog in de schoot van zijn moeder zal hij met de heilige geest vervuld worden.
16 Vele zonen van Israël zal hij terugbrengen tot de Heer, hun God.
17 Hij zal voor Hem uitgaan met de geest en de kracht van Elia om de gezindheid van de vaderen te doen terugkeren in de kinderen en de ongehoorzamen te brengen tot de gesteltenis van de rechtvaardigen en zo voor de Heer een welbereid volk te vormen.”
18 Maar Zacharias zei tot de engel: “Hoe kan ik dat weten? Ik ben oud en ook mijn vrouw is reeds op jaren.”
19 De engel antwoordde hem: “Ik ben Gabriël die voor Gods aangezicht staat, en ik ben gezonden om tot u te spreken en u deze blijde boodschap aan te kondigen.
20 Zie, gij zult zwijgen en niet in staat zijn te spreken tot de dag waarop dat zal gebeuren, omdat ge mijn woorden niet geloofd hebt; deze zullen echter op hun tijd in vervulling gaan.”
21 Intussen stond het volk op Zacharias te wachten en ze verwonderden zich dat hij zo lang in het heiligdom bleef.
22 Toen hij naar buiten kwam, was hij niet bij machte tot hen te spreken en zij begrepen, dat hij in het heiligdom een verschijning gezien had. Maar omdat hij stom bleef, kon hij slechts tegen hen gebaren.
23 Toen de tijd van zijn tempeldienst om was, ging hij naar huis terug
24 en enige tijd later werd zijn vrouw, Elisabet, zwanger. Zij hield zich vijf maanden lang verborgen en daarna sprak zij:
25 “Dit heeft de Heer voor mij gedaan toen het Hem behaagd had mijn schande bij de mensen weg te nemen.”

Vervolgens verschijnt de engel Gabriël aan Maria om haar aan te kondigen dat zij de moeder van Gods Zoon zal worden. Ook zij plaatst een tegenwerping, maar dat stelt de engel juist in staat grote beloften over het komende kind uit te spreken…

Lukas 01,26-38

26 In de zesde maand werd de engel Gabriëll van Godswege gezonden naar een stad in Galilea, Nazaret,
27 tot een maagd die verloofd was met een man die Jozef heette, uit het huis van David; de naam van de maagd was Maria.
28 Hij trad bij haar binnen en sprak: “Verheug u, Begenadigde, de Heer is met u!”
29 Zij schrok van dat woord en vroeg zich af, wat die groet toch wel kon betekenen.
30 Maar de engel zei tot haar: “Vrees niet Maria, want gij hebt genade gevonden bij God.
31 Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen, die gij de naam Jezus moet geven.
32 Hij zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden. God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken
33 en Hij zal in eeuwigheid koning zijn over het huis van Jakob en aan zijn koningschap zal nooit een einde komen.”
34 Maria echter sprak tot de engel: “Hoe zal dit geschieden, daar ik geen gemeenschap heb met een man?”
35 Hierop gaf de engel haar ten antwoord: “De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht heilig genoemd worden, Zoon van God.
36 Weet, dat zelfs Elisabet, uw bloedverwante, in haar ouderdom een zoon heeft ontvangen en, ofschoon zij onvruchtbaar heette, is zij nu in haar zesde maand;
37 want voor God is niets onmogelijk.”
38 Nu zei Maria: “Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.” En de engel ging van haar heen.

De volgelingen van Mohammed zijn ervan overtuigd, dat het de engel Gabriël was die hem in de eenzaamheid de Koran heeft gedicteerd. Dat moet ongeveer tussen 610 en 630 geweest zijn.

Verering & Cultuur

Gabriël verschijning op de Athos en openbaring van de Mariahymne ‘Het is passend’ (‘Axion estin’); ca 980.

In de tijd van patriarch Nicolaas Chrysoverges (984-996) zat een monnik ‘s nachts in zijn cel de getijden te bidden van de Heilige Maagd. Hij woonde in het toenmalige Pantocratorklooster; tegenwoordig heet het naar de icoon die rond deze gebeurtenis werd vervaardigd. Hij was alleen, want zijn overste had iets te doen in Karyes. Juist was hij met zijn gezang aangekomen bij de woorden ‘Eerbiedwaardiger dan de engelen…’, toen er plotseling een man in de kerk verscheen, die een volkomen onbekende hymne begon te zingen; hij begon met de woorden ‘Het is passend…’ De monnik was diep getroffen, zowel door de woorden als door het hemelse gezang.

Toen wendde de vreemdeling zich tot de monnik: “Dat zingen we bij ons altijd zo.” De monnik wilde het graag vastleggen en bracht een marmeren schrijftabletje tevoorschijn; de gast schreef erop met zijn vinger alsof hij op was schreef in plaats van steen. Daarna was hij verdwenen. Het was de aartsengel Gabriël. Het tabletje werd naar Constantinopel overgebracht met als gevolg dat de hymne tot op de huidige dag nog steeds in de oosterse liturgie wordt gezongen:

‘Het is passend U te zegenen;
U bracht God voort,
altijd gezegende en allerzuiverste Moeder van God.
Eerbiedwaardiger dan de cherubijnen
zelfs de serafijnen zijn in heerlijkheid niet met U te vergelijken.
Ongerept bracht U Gods Woord ter wereld,
U bent waarlijk de Moeder van God.
Wij brengen U lof.’

Er werd een icoon vervaardigd naar deze hymne. Het Pantokratorklooster werd omgedoopt tot Klooster van de ‘Het-is-passend-icoon’.

Hij wordt afgebeeld met scepter en globe; kruis; leliestengel; olijf- en palmtak (in hoge Middeleeuwen en renaissance vooral bij Annunciatie); schriftrol; soms met een wierookvat; zwaard; duif (Heilige Geest); staand op bankje (in Byzantijnse voorstelling, teken van waardigheid).

In de kunst is de Boodschap van de aartsengel Gabriël aan Maria ontelbare malen afgebeeld; het meest in het tijdperk van de Renaissance, toen de gelovigen juist bijzonder geïnteresseerd waren in de grootheid van de mens, en dus eens te meer in de bijzondere grootheid van de menswording van God in Jezus. Ook op oosterse iconen wordt dit feest graag afgebeeld.

Heel vaak komt de engel, herkenbaar aan zijn vleugels, van links op Maria af, met vooruitgestoken vinger of hand; Maria bevindt zich meestal rechts op de afbeelding; zij schrikt op uit haar gebed dikwijl met een (gebeden)boek in haar nabijheid; zij wendt zich op de nadering van de engel enigszins af. Ergens op de afbeelding is haast altijd een lelie te vinden, symbool van het feit, dat Maria maagd blijft terwijl zij van de Heilige Geest een kind ontvangt in haar schoot.

Op Middeleeuwse afbeeldingen is God de Vader in de hemel ook te zien, en soms ook de Heilige Geest, voorgesteld als een duif, die van God naar Maria vliegt; een enkele keer bevindt zich in de baan van God naar Maria ook een klein bloot Jezuspoppetje kompleet met een kruisje over zijn schouder… Hij duikt a.h.w. Maria in! Op zulke afbeeldingen wordt het mysterie wel erg kneuterig in beeld gebracht; anderzijds is dat een aanwijzing hoe vertrouwd men zich voelde bij (de dingen van) God.

Wanneer op zo’n voorstelling van ‘Maria Boodschap’ (ook wel ‘Annonciatie’ of ‘Annunciatie’ genoemd) ergens een doek bevindt die ogenschijnlijk zomaar is opgehangen, dan is die symbool voor het menselijk lichaam waarmee God zich in Jezus bekleedt…!

Gabriël is patroon van de post, telegraaf- en telefoondienst; sinds 1951 ook van persagentschappen, nieuwsdiensten, radio- en televisiemedewerkers; van boodschappers, brievendragers, postboden en krantenbezorgers; daarnaast ook van postzegelverzamelaars; hij wordt ook aangeroepen bij kinderloze huwelijken.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Rafaël Aartsengel.

De aartsengel Rafaël komt voor in het apocriefe bijbelboek Henoch (09,01 vv.). Daar wordt verteld hoe hij tezamen met Michaël, Gabriël en Uriël de nood van de aardbewoners onder Gods aandacht brengt. Deze zendt hen vervolgens uit om de veroorzakers van alle ellende, de opstandige en gevallen engelen, onschadelijk te maken.
In het bijbelboek Tobit (dat door de katholieken wel, maar in navolging van de joden door de protestanten niet als echt wordt erkend) wordt verhaald hoe de aartsengel Rafaël de jonge Tobias begeleidt op zijn weg van Nineve naar Ekbatana. Hij helpt hem bij het vangen van een gevaarlijke vis. Daarnaast bevrijdt hij het meisje Sara van een boze geest. Telkens wanneer zij de huwelijksnacht met een bruidegom doorbracht, bleek deze de volgende ochtend te zijn overleden; dat was haar al zes keer overkomen. Maar Tobias, de zevende bruidegom, bleef door Rafaëls voorzorgen in leven. Uiteindelijk wist de jonge Tobias op aanwijzing van zijn reisgezel Rafaël zijn oude vader Tobit van diens blindheid te genezen met de gal van een gevangen vis. Ongetwijfeld een toespeling op de betekenis van zijn naam: Rafaël = ‘God geneest’.

Aan het eind van het verhaal maakt Tobias’ reisgezel zich bekend als Rafaël, een van de zeven engelen die voor de heerlijkheid Gods staan. Daar dragen zij de gebeden van de heiligen op tot voor Gods troon.

Verering & Cultuur
Bij de officiële kerkwijding van de nieuwe domkerk in Halberstadt in 992, was er ook een altaar van de heilige aartsengelen Michaël, Gabriël en Rafaël.[132p:23]
Paus Benedictus XV († 1922) stelde zijn feest op 24 oktober. Sinds de liturgische hervormingen van het Tweede Vaticaans Concilie in 1969 wordt hij tezamen met de andere aartsengelen gevierd op 29 september.

Hij is patroonheilige van artsen, apothekers, verplegend personeel en zieken; van gehuwden (vanwege zijn rol bij de bruid Sara in het boek Tobit); op grond van datzelfde verhaal is hij ook patroon van alle mensen die op reis of onderweg zijn: daar behoren ook toe schippers, pelgrims, emigranten, vakantiegangers, dagjesmensen en spoorwegpersoneel; van mijnwerkers, bergbewoners en dakdekkers; van arme zielen (die hij begeleidt tot voor Gods troon).
Hij wordt aangeroepen tegen oogziekten en tegen de pest.
Door zijn rol in het verhaal van de jonge Tobias werd hij ook patroon van opvoeders en ieder die jonge mensen begeleidt op hun weg naar volwassenheid. Zo is het te verklaren dat zijn naam zelfs voorkomt in de Haagse sportvereniging RAVA (= Raphaël Afdeling Voetbal en Atletiek).

Hij wordt afgebeeld met vleugels (in de voorstellingswereld van gelovigen vliegen engelen tussen God en mensen heen en weer); hij heeft Tobias bij de hand; met wandelstok, veldfles en reistas (waarin de gal van de vis werd opgeborgen); met een vis.
Eens kreeg de Italiaanse Renaissanceschilder Rafael de opdracht een schilderij te maken, waarop Jezus’ moeder Maria en de heilige aartsengel Rafaël te zien zouden zijn. Hij beeldde de aartsengel af tezamen met Tobias; de jongen geeft zijn vis aan Maria…



29 sep - woensdag

Sneek 00:00 PKN Viering

Skûlplak It, – woonzorgcentrum, Sneek

Voorganger: ds. Ad Buys



29 sep - woensdag

Sneek 09:15 - 09:45 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek


30 sep - donderdag

- Hele dag Gedenkdag H. Hiëronymus, priester en kerkleraar

– Geen, -

Hiëronymus (Eusebius Hieronymus Sofronius) van Bethlehem, Palestina; monnik & kerkleraar; † 420.

Afbeelding van Hiëronymus
1875. Glasschilderkunst. Ontwerp Hezenmans, Glazenier: Capronnier
Twee westerse kerkvaders. Links: Hieronymus. Rechts: Augustinus.

http://www.heiligen.net/afb/09/30/09-30-0420-hieronymus_3.jpg

Feest 30 september.

Hiëronymus was afkomstig uit Strido (of Stridon), gelegen in de landstreek Dalmatië, vlak bij het huidige Ljubljana; hij moet rond 341 geboren zijn; anderen menen 347. Hij studeerde in Rome; daar deed hij een grote liefde op voor de klassieke literatuur. Rusteloos zwierf hij door Italië en Gallië. In 367 verblijft hij in Trier. Daar raakt hij zo onder de indruk van het voorbeeld van de monniken dat hij besluit die levenswijze op zich te nemen en zich onverdeeld aan Christus toe te wijden. Zo verblijft hij enige tijd als monnik in Palestina en keert tenslotte weer naar Rome terug, waar hij tot priester wordt gewijd. Hij staat als secretaris in dienst van paus Damasus († 384; feest 11 december). Deze geeft hem de opdracht een Latijnse vertaling te maken van de hele bijbel.

Intussen leidt Hiëronymus een streng monnikenleven. In die geest geeft hij enige rijke Romeinse vrouwen geestelijke leiding. A;s één van hen sterft, gaat het gerucht dat de doodsoorzaak gezocht moet worden in de al te strenge verstervingen die Hieronymus haar had aangeraden. Dat geeft zoveel schandaal dat hij andermaal vertrekt naar Palestina in gezelschap van een aantal vrome vrouwen. Hij vestigt zich met enkele volgelingen als kluizenaar in Bethelehem, in de grot waar volgens de overlevering Jezus destijds geboren moest zijn.

Nu besteedt hij al zijn tijd aan de vertaling van de Heilige Schrift. Zo wordt hij één van de grootste geleerden van zijn tijd. Hij is één van de weinigen die Hebreeuws kent. Hij kan het dan ook niet hebben als een ander, zoals bijvoorbeeld de grote heilige Augustinus († 430; feest 28 augustus), het soms niet met zijn bijbelvertaling of uitleg eens is. Daar komt bij dat hij een nogal nurks karakter heeft, wellicht veroorzaakt door een maagzweer die hij had opgelopen door zijn extreme verstervingen in vroeger jaren? De Latijnse bijbelvertaling van Hieronymus gaat de geschiedenis in als de zogeheten Vulgaat en is in de katholieke geloofsgemeenschap in gebruik geweest tot in de 20e eeuw.

Over de tijd dat Hieronymus zich temidden van zijn medebroeders aan de bijbelstudie wijdde is een beroemde legende:

Op een avond zat de heilige Hiëronymus met zijn broeders te luisteren naar een lezing uit de Heilige Schrift. Ineens kwam er een leeuw kreupel het klooster binnenstrompelen. Alle broeders vluchtten weg bij het zien van het dier. Maar Hiëronymus ging hem tegemoet alsof hij een gast ontving. De leeuw gaf te kennen dat zijn poot gewond was. Toen riep Hiëronymus zijn broeders terug en beval hun die poot te wassen zodat ze de wond zouden kunnen opsporen. Ze gehoorzaamden en ontdekten tenslotte dat hij door een doorn gestoken was. Ze verzorgden hem met alle liefde, zodat die leeuw tenslotte volkomen mak was en met hen meeleefde als een gewoon huisdier.

Nu begon Hiëronymus te beseffen dat de Heer die leeuw niet alleen naar hen had toegestuurd om door hen genezen te worden, maar ook om het klooster van dienst te zijn. Hij overlegde met de broeders en besloot dat hij de ezel naar het weitje moest brengen en daar de wacht over hem houden. Die ezel werd gebruikt om het hakhout uit het bos naar huis te dragen. En zo begon die leeuw elke dag met pakezel naar het bos te lopen en hield de wacht op het weitje kortom, hij liep op die ezel te passen alsof hij nog nooit anders had gedaan. En elke avond als het etenstijd was keerde hij met het dier weer naar huis terug.

Nu gebeurde het eens dat het ezeltje op de wei liep en de leeuw zoetjesaan in slaap was gevallen. Juist op dat moment kwam er een karavaan kooplieden voorbij op kamelen. Zij zagen dat ezeltje daar zo helemaal alleen staan en pakten het mee. Toen de leeuw weer wakker werd miste hij zijn ezeltje en begon brullend heen en weer te lopen. Maar hij vond het nergens. Triest kwam hij bij het klooster terug. Hij durfde van schaamte niet naar binnen, terwijl hij dat anders altijd wel deed zonder mankeren. De broeders merkten dat hij later terug was dan anders en dat hij het ezeltje niet bij zich had en zij veronderstelden nu dat hij honger had gekregen en toen maar het ezeltje had opgevreten. Ze weigerden hem dus verder te voederen met de woorden: “Je gaat maar verder opmaken wat er van het ezeltje nog is overgebleven; misschien dat je dan genoeg hebt!” Toch twijfelden ze of die leeuw zoiets werkelijk gedaan zou hebben en ze gingen naar het weitje om te zien of ze een spoor van die moord konden vinden. Maar ze vonden niets en kwamen terug om dit alles aan Sint Hiëronymus te vertellen. Die gaf hun toen de raad dat ze voortaan de leeuw het werk van het ezeltje moesten laten doen. En zo stapelden zo voortaan het hout dat zij hakten op zijn rug. En de leeuw droeg dat gelaten.

Toen hij op een dag na zijn werk naar buiten ging en begon rond te lopen om te zien of hij een spoor van zijn gezel kon vinden, zag hij in de verte een karavaan kooplieden op kamelen aankomen. Voor hen uit liep een ezeltje. Want het is gebruik in dat land dat als je met kamelen een verre reis maakt je een ezeltje aan een touw om zijn hals vooruit laat lopen: want die weten heel goed de weg te vinden. De leeuw herkende onmiddellijk zijn ezeltje en liep luid brullend die kooplui tegemoet. Die namen onmiddellijk de vlucht. Hij brulde verschrikkelijk en sloeg vervaarlijk met zijn staart op de grond, zodat hij de kamelen opdreef in de richting van het klooster. Toen de broeders in de gaten kregen wat er gebeurde, gingen ze Sint Hiëronymus waarschuwen. Deze zei: “Mijn beminde broeders, gaat terug en wast al onze gasten met eerbied de voeten, maak voor hen iets te eten klaar en wacht verder af om te zien wat de wil van God is.” De leeuw sprong en huppelde van blijdschap sinds lange tijd weer het klooster binnen, ging voor elke broeder op de grond liggen en kwispelde met zijn staart. Het leek wel alsof hij om vergeving smeekte voor een misdaad die hij nooit had begaan. Maar Hiëronymus wist van binnen wel wat er precies gebeurd was. Daarom had hij tegen de broeders gezegd: “Breng alles in orde voor de gasten en zie wat ze nodig hebben.” Terwijl hij nog sprak verscheen er een bode in het klooster met de boodschap dat er gasten aan de deur stonden die vader abt wilden spreken. Meteen toen hij in de deuropening verscheen, vielen ze hem te voet en begonnen te jammeren om genade voor hun misdaad. Vriendelijk hielp hij ze weer overeind met de woorden dat ze hun spullen weer mee konden nemen maar dat ze zich nooit meer mochten bezondigen aan diefstal. Ze vroegen hem om zijn zegen en zeiden dat ze de reukolie die ze vervoerden voor de helft hier wilden laten. Dat weigerde hij. Maar ze drongen zo lang aan dat hij het tenslotte liet aannemen. Ze beloofden ook dat ze elk jaar terug zouden om zo’n zelfde hoeveelheid reukolie aan de broeders te schenken. En dat ook hun erfgenamen dit zouden volhouden.

Het schijnt dat deze legende is ontleend aan de woestijnvader Gerasimus († 475; feest 5 maart).

Verering & Cultuur
In de kunst wordt hij afgebeeld, gezeten aan een lessenaar of geknield voor een kruisbeeld; vaak met de leeuw bij zich; ook is er dikwijls een rode kardinaalshoed te vinden.
Hij is patroon van de bijbeluitleggers (exegeten).



30 sep - donderdag

Sneek 08:45 - 09:15 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

okt 2021

datum/tijd evenement

01 okt - vrijdag

- Hele dag Gedenkdag H. Teresia van Lisieux

– Geen, -

Theresia van het Kindje Jezus (ook de l’Enfant Jésus, van het Heilig Gelaat van Christus of van Lisieux; geboren Thérèse Martin) ocd., Lisieux, Frankrijk; kloosterlinge; † 1897.

Afbeelding van Theresia
ca 1950. Steensculptuur. Frankrijk, Lisieux, Geboortehuis, Jardin des Buissonnets
Theresia smeekt haar vader te mogen intreden in de Karmel.

http://www.heiligen.net/afb/10/01/10-01-1897-theresia_1.jpg

Feest 1 oktober.

Thérèse Martin werd op 2 januari 1873 geboren in de Normandische plaats Alençon. Op zeer jonge leeftijd verlangde ze al naar het kloosterleven. Als veertienjarig meisje maakte ze zich twee jaar ouder, daar ze wist dat ze anders nog te jong zou zijn om in te treden. Zo meldde ze zich bij het klooster. Maar ze werd doorzien en teruggestuurd. Nu wendde ze zich meteen maar tot de paus zelf. En deze gaf haar toestemming om nog op haar 15e aan het kloosterleven te beginnen bij de karmelietessen te Lisieux.
Ze was vastbesloten een heilige te worden. Op haar 21e werd ze al gekozen tot novicenmeesteres, een verantwoordelijke functie, want zij moest de nieuwelingen in het kloosterleven inwijden.
Ze was haar tijd ver vooruit. Ze wilde Hebreeuws leren, want dat was immers de taal die Jezus zelf gesproken had. Op die manier zou ze Hem nog beter leren kennen en nog meer kunnen beminnen. Ze leefde in haar gebed intens mee met de missionarissen in verre landen. Maar ze was ook modern door het feit dat ze herhaaldelijk werd overvallen door inktzwarte geloofstwijfels. Ze stierf al op 24-jarige leeftijd: 30 september 1897.

Verering & Cultuur
Ze is één van de beschermheiligen van Frankrijk, van Lisieux en van de missie. Haar hulp wordt ingeroepen bij allerhande noden. In het begin van onze eeuw breidde haar verering zich razend snel uit over heel de Katholieke wereld. Tot op de dag van vandaag treft men in talrijke kerken een beeldje van haar aan.
Ze wordt afgebeeld als karmelietes met rozen in haar armen. Ze had namelijk op haar sterfbed beloofd dat zij het uit de hemel rozen zou laten regenen: dat is dan ook volgens het getuigenis van vele aanwezigen gebeurd.
Zij wordt ‘De Kleine Theresia” genoemd om haar te onderscheiden van ‘De Grote Theresia” (= Theresia van Avila).

De kleine leer over de kleine weg van de kleine Theresia
Wat had die bisschop anders kunnen doen? Op een goede dag vraagt een vader in gezelschap van zijn jongste dochter audiëntie bij hem aan. Het meisje is nog geen vijftien, maar wil toch met alle geweld karmelietes worden. Meteen. Ze heeft haar haren opgestoken om wat ouder te lijken.
Bij navraag was gebleken, dat het kind van haar tiende tot haar dertiende flink ziek was geweest: een vorm van hysterie. Op vierjarige leeftijd had ze haar moeder verloren. Haar op een na oudste zus – toen vijftien – was zo’n beetje haar tweede moeder geworden. Vijf jaar later trad zij in bij de karmelietessen, zodat het kind voor de tweede keer een moeder verloor. Tragisch. Van toen af was haar ziekte begonnen. Ze bleek een geweldige dwingeland. Wat ze in haar kop had, kreeg niemand er meer uit. Geen middel liet ze onbeproefd om haar zin door te drijven. Vertederd vertelde men het voorval dat zij en haar zusje eens uit een mandje een cadeautje hadden mogen kiezen. De een had iets met linten genomen, maar de jongste had na enig nadenken geroepen: “Ik kies alles”, waarbij ze het hele mandje naar zich toe had gehaald. Het was bedoeld als grappig, maar de bisschop had het in het hele patroon eerder verontrustend gevonden.
Hij liet het meisje plaatsnemen in een enorme fauteuil, waar ze wel vier keer in had gekund. Hijzelf en haar vader zaten op een eenvoudige stoel. Vader liet zijn dochter zelf het verhaal doen. Zou ze de bisschop hebben verteld wat we uit haar latere geschriften weten? Dat ze ernaar verlangde een groot heilige te worden, even groot als haar patrones van Avila; dat ze maar één hartenwens had: Jezus te beminnen met heel haar hart, met brandende liefde, en dat ze voor Hem ook pijn wou doorstaan? Dan moet het allemaal dweperig en bakvisachtig geklonken hebben. Eigenlijk – zo besloot ze – had ze altijd al het allerliefste naar een karmelklooster gewild. “Althans – kwam de bisschop er even tussen – vanaf het moment dat je er voor het eerst van hoorde…?” Hij maakte een eind aan het onderhoud door te zeggen dat hij geen enkele aanleiding zag om een uitzondering op de kerkelijke regel te maken. Zolang ze geen zestien was, kon ze thuis ook haar Karmel beleven. En ja hoor, daar kwamen de traantjes. Als hij het niet gedacht had. “Dan ga ik naar de paus”, had ze gezegd.
Wat had die bisschop anders moeten doen?
En de paus? Tijdens een audiëntie stond ze vooraan. Toen de Heilige Vader langskwam, had ze geroepen dat ze al op haar veertiende, nu dus, naar de Karmel wilde. De paus had haar toegeglimlacht: “Als het Gods wil is, zul je er zeker komen…”
Wie had nu kunnen bevroeden, dat ditzelfde meisje, Thérèse, precies tien jaar later als een van de grootste heiligen van de twintigste eeuw zou sterven in de Karmel van Lisieux? Bij gelegenheid van haar honderdste sterfdag, 1 oktober 1997, werd ze door de paus uitgeroepen tot kerkleraar; naast haar naamgenote van Ávila en Catharina van Siena de derde vrouw op deze lijst. Daarnaast wordt zij vereerd als patrones van Frankrijk en van de kerkelijke missies over de hele wereld. Zij is een van de meest vereerde heiligen van de 20e eeuw. In hoeveel kerken treffen we niet haar bekende beeltenis aan, gehuld in de bruinwitte pij van de karmelietessen en met rozen in de armen. Hoe is dat mogelijk voor een vrouw die, opgesloten in haar Karmelklooster, reeds na negen jaar stierf aan tuberculose?Wat weten wij, gewone gelovigen, van wat zich kan afspelen in de ziel van een kloosterling? Theresia heeft ons haar aantekeningen nagelaten.

Tegen het einde van haar leven moest ze bekennen, dat ze met al haar goede wil, met haar grote en wereldwijde verlangens en met alle liefde die in haar was, eigenlijk geen stap dichterbij haar ideaal was gekomen. Toch maakte haar dat niet ongelukkig. Integendeel, het bevestigde haar juist dat zij op de goede weg was. Ze schrijft in de vorm van een gebed tot Jezus: “Ondanks mijn geringe kwaliteiten zou ik net als de profeten en leraren apostel willen wezen. Mijn liefste, ik zou heel de wereld willen bewandelen om overal Uw evangelie te brengen, Uw kruis te planten. Ik zou missionaris willen wezen, niet zo maar eventjes voor een paar jaar, maar van het begin tot het eind van de wereld! Martelaar wil ik zijn. (Als ze reeds enige weken ziek op bed ligt, schrijft ze niet zonder zelfspot: “Ik die martelaar wilde zijn, zal gewoon in bed sterven!”).

In het twaalfde hoofdstuk van Paulus’ eerste Korintiërsbrief leest ze dat ieder lid van de kerk een eigen taak heeft, net zoals ieder lichaamsdeel. Het oog kan niet tegen het oor zeggen: “Ik heb je niet nodig.” Alles heeft zijn plaats en samen vormen ze het ene lichaam. “Maar”, schrijft Theresia, “ik wil juist wel alles tegelijk zijn.” (Net zoals ze als klein meisje ‘alles’ koos). Het antwoord op haar moeilijkheid vond ze in het vervolg van Paulus’ brief. Hij schrijft dat alles bijeengehouden wordt door de liefde. “Want zonder de liefde zou geen apostel nog het evangelie verkondigen, geen martelaar zou nog zijn leven geven enz.” Dat wilde ze zijn: de liefde die vanuit het hart alle ledematen doorstroomt.

Was er dan niets veranderd sinds dat meisje van veertien zo door de bisschop op haar nummer was gezet? U moest eens weten. Ze schrijft zelf aan haar overste: “U weet: ik heb altijd een groot heilige willen worden.” (Er was eens een pater jezuïet geweest die haar tot bescheidenheid had gemaand: “U hebt uw handen al vol aan uw dagelijkse zonden. Probeert u maar liever elke dag een stapje verder te komen in plaats van die opgeblazen, hoogmoedige verlangens.” Die pater was vast de woorden van zijn eigen vader Ignatius vergeten: “Als het op verlangens aankomt, meen ik, dat de grootste heilige mij niet overtreffen kan.” Theresia had verbaasd gereageerd: “Maar pater, die verlangens zijn volgens mij helemaal niet hoogmoedig…”). Maar als ik mezelf met de grote heiligen vergeleek, zag ik een even groot verschil als tussen een berg met zijn top in de wolken en een zandkorreltje dat onder de voeten van de voorbijgangers verborgen gaat. Maar dat ontmoedigde me niet. Ik dacht: ‘Hoe klein ik ook ben, God heeft me die grote verlangens ingegeven. Groter worden blijkt niet te lukken. Ik moet me dus nemen, zoals ik ben, mét al mijn tekortkomingen en onvolmaaktheden, en zó heilig worden. Er moet dus een kleine weg naar de hemel te vinden zijn. Recht toe, recht aan, en helemaal nieuw.’
Je hebt tegenwoordig in de huizen van rijke mensen een lift in plaats van een trap. Zo wil ik de lift naar God vinden. Ik ben te klein om de lastige trap naar de volmaaktheid te kunnen beklimmen. Dus ben ik in de Heilige Schrift op zoek gegaan en vond in het boek Spreuken (09,04): ‘Wie nergens van weet, kan het beste hierheen komen.’ Dat heb ik gedaan. En ik was benieuwd, wat God met zo’n klein iemand zou doen. Ik zocht verder en vond bij Jesaja (66,13): ‘Zoals een moeder haar kind op de arm neemt en troost, zo zal Ik u troosten.’

De overgave van een kind dat bemind wordt: dat is Theresia’s weg. Welbeschouwd hoef je als mens zelf niets te doen dan te verlangen en lief te hebben en het initiatief aan God over te laten. Absoluut vertrouwen.

De kleine weg van de kleine Theresia.
Maar ook die heeft zijn keerzijde. Want hoe diep zit niet ons verlangen om zelf iets te zijn. Op haar ziekbed was ze soms ten prooi aan de zwartste geloofstwijfels. Zo was ze. Elk gevoel drong diep haar ziel binnen; doorleefde ze; ook de negatieve. “Als je eens wist welke afschuwelijke gedachten in mij rondspoken. Het zijn die materialistische redeneringen die zeggen: ‘Wacht maar af, als de wetenschappen nog wat verder zijn, zal overal een natuurlijke uitleg voor te vinden zijn; voor alles bestaat een gewone verklaring. Nu weten we nog niet alles, maar ooit zullen we dat allemaal ontdekken… enz.” Dergelijke gedachten omschrijft ze zelf als een zwart gat. Ze is zelfs bang dat ze in haar geloofstwijfel God beledigt en heiligschennis pleegt. Niets blijft haar over dan het besef heel klein te zijn en volkomen aangewezen op Gods liefde… die ze soms geruime tijd niet voelt; er blijft haar niets anders over dan er zwart in te geloven.


01 okt - vrijdag

Sneek 19:00 - 19:45 Eucharistieviering - 1e vrijdag van de maand

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


02 okt - zaterdag

- Hele dag Feestdag H. Bewaarengelen

– Geen, -

Engelbewaarders (ook Beschermengelen of Bewaarengelen)

Afbeelding Engelbewaarder

< 1758. Schilderij door Jean-Vincent l’Hermitais. Frankrijk, Bretagne, Vannes, Chapelle St-Yves
Engelbewaarder.

http://www.heiligen.net/afb/10/02/10-02-0000-engelbewaarders_1.jpg

Feest 2 oktober

Gevierd wordt dat ieder van ons door God een persoonlijke engel wordt toevertrouwd, die ons beschermt en vergezelt door het leven. Dat geloofsinzicht baseert zich op een aantal bijbelpassages:
1. In het deutero-kanonieke bijbelboek Tobit wordt verteld hoe de aartsengel Rafaël (feest 29 september) aan de jonge Tobit wordt toevertrouwd om hem bij een moeilijke opdracht te vergezellen en te beschermen.
2. In het evangelie zegt Jezus: ‘Waak ervoor een van deze geringen te verachten. Want Ik zeg jullie: hun engelen in de hemel aanschouwen onophoudelijk het gelaat van mijn hemelse Vader’
[Matteüs 18,10].
3. In het boek Handelingen van de Apostelen wordt verteld hoe Petrus op wonderbare wijze uit de gevangenis ontsnapte een aanklopte bij het huis waar de gemeente bijeen was om voor zijn vrijlating te bidden. ‘Nadat hij op de deur van het voorportaal had geklopt, kwam er een dienstmeisje dat Roosje heette, om open te doen, maar toen ze de stem van Petrus hoorde, was ze zo blij dat ze vergat de deur te openen en naar binnen rende om te zeggen dat Petrus voor de poort stond. “Je bent niet goed wijs,” zeiden ze tegen haar, maar ze bleef volhouden dat het echt zo was. “ Dan is het zijn beschermengel”, zeiden ze tenslotte…’
[Handelingen 12,13-15]

Verering & Cultuur
Het was paus Paulus V († 1621) die het feest 1608 officieel toestond; in 1670 werd het door paus Clemens X († 1676) voor de hele kerk ingevoerd.
Engelen worden afgebeeld als gevleugelde personen van onduidelijk geslacht (zowel mannelijke als vrouwelijke trekken); die vleugels zijn nodig om tussen ons en de hemel heen en weer te vliegen: ze brengen Gods goede gedachten vanuit de hemel naar de mensen over en dragen de gebeden van ons tot voor Gods aangezicht. Vaak bevinden ze zich half achter de hun toevertrouwde persoon, op afbeeldingen meestal een kind. Soms in gezelschap van de duivel als tegenhanger: dan bevindt zich de engel rechts en de duivel links, respectievelijk op de rechter- en linkerschouder, om goede respectievelijk kwade gedachten in het oor te fluisteren.
 
Bekend is het rijmpje op een schilderijtje met veertien engeltjes in blauwe kledij dat in de vijftiger jaren van de twintigste eeuw- op vele slaapkamers van katholieke kinderen hing:
’s Avonds als ik slapen ga
Kijken mij veertien engeltjes na:
Twee aan mijn rechterzij,
Twee aan mijn linkerzij,
Twee aan mijn hoofdeind
Twee aan mijn voeteneind
Twee die mij dekken,
Twee die mij wekken,
Twee die mij wijzen
Naar het hemels paradijze.’

In 1946 publiceerden Gabriël SMIT (rijmpjes) & Piet WORM (prentjes) een boekje over heiligen voor kinderen: ‘Roosjes uit de Hemeltuin’; Utrecht/Antwerpen, De Fontein. Het bevat ook een rijmpje voor de engelbewaarder:
Altijd waar ik ga of sta,
Volgt gij mij in liefde na,
Veilig reis ik aan uw hand
Naar het verste, vreemdste land.
Lieve engel in uw zorgen
Ben ik altijd blij geborgen.



02 okt - zaterdag

Sneek Hele dag Geen eucharistie - wel een kaarsje

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek

Wij steken een kaarsje op voor:

Voor allen die als engelen anderen nabij zijn,

Jan Brouwer, familie Brouwer-Palsma,

Wies Hooijschuur



02 okt - zaterdag

Heeg 09:30 - 10:30 Woord- en Communieviering, Pastor L. Foekema

Sint Josephkerk – Heeg, Heeg

voor Rein van der Wey



03 okt - zondag

- Hele dag Gedenkdag H. Gerardus van Brogne, abt

– Geen, -

Gerardus (ook Gebhard) van Brogne (ook van Bronium of van Namen) osb, België; abt & kloosterhervormer; † 959.

Afbeelding van Gerardus van Brogne

Gerardus ontvangt uit handen van de bisschop het monnikskleed.
1959, steenreliëf. België, St-Gérard (Ardennen).

http://www.heiligen.net/afb/10/03/10-03-0959-gerardus_3.jpg

Feest 3 oktober.

Hij werd geboren rond 895 en was een zoon van graaf Stance en gravin Plectrudis. Op jonge leeftijd kwam hij in dienst van graaf Berengar van Namen, Zuid-België. Het liefst was hij monnik geworden. In het bos van Marlaigne op het landgoed van zijn vader bevonden zich de vervallen resten van een klooster, dat tweehonderd jaar eerder ten tijde van Pepijn van herstal († 714) gesticht was door Sint Lambertus († 705; feest 17 september). In 914 begon hij met de hulp van zijn beschermheer de kerk te restaureren.
Na de dood van zijn vader besloot hij zijn verlangen te volgen en monnik te worden. Hij maakte van een diplomatieke missie in Frankrijk gebruik om in te treden bij de benedictijner monniken van St-Denis bij Parijs. Hij was diep onder de indruk geraakt van de vroomheid der monniken daar; dat was in 922. Na elf jaar keerde terug als abt om op zijn geboortegrond te Brogne een klooster te stichten.

In het jaar 928 kwam hij in botsing met bisschop Stefanus van Luik. Gerardus wilde de relieken van bisschop Eugenius naar zijn kerkje halen; Eugenius lag begraven te St-Denis vlakbij Parijs. Hij had natuurlijk over hem gehoord gedurende zijn verblijf daar. Bisschop Stefanus weigerde; hij wist niets van deze Eugenius. Maar toen werd hij ziek. Hij liet daarop twee waskaarsen maken die hetzelfde gewicht en dezelfde omvang hadden als hijzelf. Deze liet hij op het graf van genoemde Eugenius opbranden. Wat prompt genezing bracht. Nu was hij ervan overtuigd dat Eugenius wel degelijk een heilige was. Hij gaf een monnik opdracht om Eugenius’ levensbeschrijving te komen voorlezen op de plaatselijke bisschoppenvergadering. Vervolgens voegde hij er zijn eigen wonderbaarlijke genezing aan toe. Reden genoeg om alsnog zijn toestemming aan Gerardus te geven om de relieken in zijn kerkje te plaatsen en te vereren.

In opdracht van graaf Arnulf van Vlaanderen voerde Gerardus gedurende 22 jaar kloosterhervormingen door in de abdijen van St-Ghislain, St-Bavo, St-Blandin, St-Bertin, Mouzon en St-Amand; wat hij er precies tot stand bracht, weten we niet, maar hem gebeurde niet wat zijn collega abt Erlwin van het naburige Gembloers overkwam die de monniken van Lobbes tot strengere tucht wilde brengen: zij staken hem de ogen uit en stuurden hem naar zijn eigen klooster terug!

Verering & Cultuur
Gerardus stond bekend om zijn grote mildheid en zachtmoedigheid…
Hij wordt vereerd als patroon tegen koorts, geelzucht en kliergezwellen. In de Ardennen is de berberis vulgaris (‘épine-vinette’) naar hem genoemd: ‘Bwès d’sint Djèrâ’. In de plaatsjes Noville en Recogne dronk men een uur voor de maaltijd wijn, die getrokken was uit de tweede schors van dit kruid; deze was dan vermengd met een liter Moezelwijn. Dit drankje heette Sint-Gerard-thee en hielp tegen de geelzucht.



03 okt - zondag

Blauwhuis 09:30 Eucharistieviering met Kinder Woord Dienst

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastoor van der Weide

In de pastorie is er tijdens viering een Kinder Woord Dienst in de pastorie, verzorgd door de werkgroep Kind en Kerk

M.m.v. het Ceacilliakoor



03 okt - zondag

Sneek 10:00 - 11:00 Eucharistieviering

Antonius Ziekenhuis, kerkzaal, Sneek

Voorganger: pastoor A. de Vries



03 okt - zondag

Sneek 11:00 - 12:15 Eucharistieviering - Franciscuszondag

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

Viering met voorstellen van de 1e Communiecantjes

M.m.v. the Young Angels en het Caeciliakoor

Onder voorbehoud zullen zij voor ons o.m. zingen:

  • Maak je ook mee de droom van God? Openingslied naar Psalm 122
  • Franciscusmis van Ton le Duc
  • het Franciscuslied
  • het Zonnelied, gezongen door de straatzangers

 



04 okt - maandag

- Hele dag Feestdag Sint Franciscus van Assisië

– Geen, -

Franciscus van Assisi, Italië; diaken, stichter & mysticus; † 1226.

Afbeelding van Sint Franciscus
1979. Waskrijt door Zr. MAria Ludgera. Duitsland, Kloster Reute
Franciscus en de melaatse.

http://www.heiligen.net/afb/10/04/10-04-1226-franciscus_3.jpg

Feest 4 oktober (sterfdag).

We zullen zo veel mogelijk de eigentijdse bronnen aan het woord laten. Dat brengt ons in aanraking met een totaal ander wereldbeeld dan het onze. Er komen duivels en engelen, visioenen en wonderen in voor. Bij het horen hiervan voelen wij geregeld de noodzaak om alles terug te redeneren tot voor ons herkenbare proporties. Intussen vergeten we niet dat de bronnen feitelijke gebeurtenissen te vertellen die voor hen spreken van Gods wonderbare inmenging en aanwezigheid.

1182
Hij werd in 1182 geboren in Assisi, een plaatsje in de Italiaanse landstreek Umbrië, als zoon van de rijke lakenkoopman Pietro Bernardone. Eigenlijk heette hij Giovanni. Maar omdat vader graag pronkte met zijn successen en op het moment van Giovanni’s geboorte in Frankrijk verbleef, noemde hij zijn zoon sindsdien Francesco, ‘Fransmannetje’. De jongen kreeg de opvoeding die bij zijn status paste. Het maakte hem tot een zelfverzekerde jongeman, vriendelijk in de omgang, vrolijk, in alle takken van sport de beste, gezien bij de meisjes en vrijgevig met geld. Hij droomde ervan ridder te worden.

Uit Bonaventura’s Levensbeschrijving
Franciscus’ eerste levensbeschrijver, Bonaventura († 1274, feest 15 juli), vertelt uit die beginperiode een bijzondere anekdote:
‘Zijn goede eigenschappen wierpen hun schaduw vooruit. Zo gebeurde het eens dat een zeer eenvoudig man uit Assisi bij de ontmoeting met Franciscus zijn mantel uittrok en die als een loper voor diens voeten uitspreidde. “Franciscus was die eerbied meer dan waard,” beweerde hij. “In de nabije toekomst zou hij grote dingen tot stand brengen. En de hele geloofsgemeenschap zou hem op grootste wijze gaan vereren.”’

1202, 1204
Door gevangenschap (1202) en ziekte (1204) raakte hij echter in een crisis. Bonaventura:
‘In een langdurige ziekte liet de Heer Franciscus’ lichaam wegkwijnen om zijn ziel rijp te maken voor de genadevolle werking van de heilige Geest.’ Maar zo vlug ging dat niet. Eenmaal weer op krachten hervatte hij zijn oude leven: hij liet zich flatterende kleren aanmeten. ‘Op een gegeven moment kwam hij tegenover een ridder te staan, een man van voorname afkomst, maar arm en erbarmelijk gekleed. Uit een diep gevoeld medelijden met de beklagenswaardige toestand  van de man ontdeed Franciscus zich op staande voet van zijn kleren en liet ze die man aantrekken.’

‘Toen Franciscus echter de volgende nacht diep in slaap was, liet de barmhartige God hem een groot, wonderschoon paleis zien, vol wapentuig met het embleem van Christus’ kruis. De Heer wilde hem hiermee duidelijk maken dat de barmhartigheid – ter wille van de liefde voor de hoogste Koning [Christus]aan die  arme ridder bewezen – op onvergelijkelijke wijze beloond zou worden.’

Hij meende dat hij weer als strijder in dienst moest treden van een adellijke meester. Maar de Heer gaf hem te verstaan dat Hij andere plannen met hem had. In de tijd daarna ontmoette hij een melaatse. Hij overwon zijn weerzin, omhelsde hem en schonk hem een royale aalmoes. Dat maakte zo’n geluksgevoel in hem los dat hij zich steeds meer in de eenzaamheid begon terug te trekken.

1206 De kerk ondersteunen
‘Op een dag wandelde hij in de buurt van de kerk van de heilige Damianus. Deze was zo oud dat zij nagenoeg op instorten stond. Hij voelde de innerlijke drang om de kerk binnen te gaan en er wat te bidden. Hij wierp zich voor de afbeelding van de gekruisigde op de grond. Tijdens zijn gebed werd hij overweldigd door een bijzonder rijke, geestelijke troost. Met tranen in de ogen keek hij op naar het kruis van de Heer. Op dat moment hoorde hij met eigen oren een stem vanaf het kruis heel duidelijk tot hem zeggen: “Franciscus, ga mijn huis herstellen! Je ziet toch dat het geheel aan het vervallen is.”’

Hij meende dat het ging om het vervallen kerkje van San Damiano zelf. Dat knapte hij op met het geld dat hij verdiende door de in de kelder opgeslagen stoffen van zijn vader te verkopen. Deze had hem daar geen toestemming voor gegeven en zag zijn beoogde winsten opgaan aan een zinloze, geld verslindende onderneming. Hij was woedend en sloot hem op. Maar eenmaal vrij ging Franciscus gewoon door. Nu sleepte vader zijn zoon voor de rechter;  die verwees de zaak door naar de bisschop. Omstuwd door de hele plaatselijke bevolking klaagde vader zijn zoon aan bij de bisschop en eiste al het geld van zijn zoon terug. Daarop gespte Franciscus voor het oog van alle aanwezigen zijn beurs los en wierp die zijn vader voor de voeten. Vervolgens kleedde hij zich uit tot op het naakte lijf en gooide kledingstuk voor kledingstuk voor zijn vader neer. Nu kwam de bisschop achter de jongeman staan en sloeg zijn mantel om hem heen. Vanaf dat moment was het voor iedereen duidelijk, dat Franciscus voortaan niet meer bij zijn aardse vader hoorde, maar bij zijn Vader in de hemel, en bij de Kerk van diens Zoon, Jezus Christus (1206).

Hij nam zijn intrek in het kloostertje bij de San-Damianokerk. Daar leidde hij het leven van een kluizenaar. Hij kreeg de bijnaam ‘Il Poverello’ (‘armoedzaaiertje’) en verlangde er alleen nog naar een huwelijk aan te gaan met Vrouwe Armoede. Hij bedelde zijn voedsel bij elkaar. De eerste keer moest hij kokhalzen toen hij al die restjes en kliekjes zo op elkaar zag liggen. Maar hij wende er gauw aan. Wat hij nog bezat gaf hij weg aan armen en zwervers.
Na twee jaar begon hij in de omtrek te preken. Zijn boodschap was liefde: liefde voor de Schepper, voor mens, dier en plant. Hij noemde alle schepselen zijn broeders en zusters.

1209
Al heel spoedig sloten zich wat volgelingen bij hem aan. Ze betrokken een huis, Portiuncula en noemden dat hun klooster. Franciscus verlangde ernaar dat de paus zijn goedkeuring zou geven aan hun levenswijze. Met het handjevol broeders toog hij naar Rome en diende zich aan bij paus Innocentius III († 1216), die hem wegzond met de mededeling dat hij wel wat beters te doen had. Maar die nacht werd hij door een droom gecorrigeerd. Later vertelde de paus zelf dat hij ‘in een droom had gezien hoe de basiliek van Lateranen op instorten stond, en hoe een armzalige man, tamelijk klein en onbeduidend, er zijn schouders onder zette en voorkwam dat ze inviel.’
[Vgl. Bonaventura, Grote Levensbeschrijving, III.10; Haarlem, Gottmer, 1978 p:49; vgl. Giotto’s fresco nr.6 in de San Francesco te Assisi]

Hij liet Franciscus dus weer bij zich roepen en nodigde hem uit zijn verhaal te doen. Franciscus vertelde een gelijkenis over een rijke koning die een arme vrouw trouwde en koningin maakte. Hij verwekte in haar zonen die de trekken van de rijke koning vertoonden. Zij mochten eten van de koninklijke tafel. Zij hoefden dus geen moment  bevreesd te zijn dat ze van honger zouden omkomen… De paus had aandacht toegehoord en verstond de gelijkenis. Hij gaf van harte zijn zegen aan deze zonen die Christus Koning zelf had verwekt in de schoot van Moeder de Heilige Kerk.

Vurig hemelbestormer
Het groepje vond een onderkomen in het dal van Spoleto. ‘Eens – op een zaterdag – vertrok Franciscus naar Assisi met de bedoeling daar de volgende morgen in de kathedraal te preken.  Hij bracht de nacht door in gebed in een tuinhuisje van een kanunnik. Lichamelijk was hij dus ver van zijn broeders verwijderd. Maar zie, omstreeks middernacht, terwijl sommige broeders sliepen en anderen nog wat verzonken waren in vurig gebed, kwam er op eens een wonderbaarlijk stralende, vuurspetterende wagen door de deur van hun verblijf naar binnen en reed drie keer het vertrek op en neer. Boven op de wagen bevond zich een helder lichtende kogel, een soort zon, die de nacht stralend helder verlichtte…’

Franciscus schreef een heuse regel, die in 1217 door paus Honorius III († 1227) werd goedgekeurd. Nu waren ze een kloosterorde. Ze noemden zich ‘Minderbroeders’ (Fratres Minores). In korte tijd breidden zij zich uit over heel Italië, Spanje en Frankrijk.

Franciscus en Broeder Johannes
De heilige Franciscus kwam eens in de buurt van een dorp bij Assisi. Een zekere Johannes, een zeer eenvoudig man, was op het land aan het ploegen. Hij kwam naar de heilige toe en zei: “Ik wil dat u mij als broeder aanneemt, want ik verlang er al lang naar God te gaan dienen.” De heilige was om de eenvoud van de man zeer verheugd en antwoordde op dat verzoek: “Als je je bij ons wilt aansluiten, broeder, geef dan alles wat je bezit aan de armen. Wanneer je dat gedaan hebt, zal ik je aannemen.” De man wachtte geen moment. Hij spande onmiddellijk zijn ossen uit en bood er één aan de heilige Franciscus aan met de woorden: “Laten we die os dan maar aan de armen geven; dat deel van mijn vaders bezittingen heb ik wel verdiend.” De heilige begon te lachten en had grote waardering voor wat de man in zijn eenvoud wilde doen. Maar toen zijn ouders en jongere broers ervan hoorden, kwamen ze in tranen toelopen. Ze waren echter meer bedroefd over die os dan over het verlies van iemand uit hun gezin. “Rustig maar!” zei de heilige toen. “Hier, ik geef jullie de os terug, maar jullie broer neem ik mee.” Hij nam de man dus mee, en maakte hem, nadat hij hem met het habijt van de orde had bekleed, om zijn begenadigde eenvoud tot zijn bijzondere metgezel.

Wanneer de heilige Franciscus nu ergens bleef staan om te mediteren, maakte Johannes de Eenvoudige dezelfde bewegingen en gebaren, die de heilige maakte, en bootste ze zo getrouw mogelijk na. Als de heilige spuwde, spuwde hij ook; als de heilige hoestte, deed hij hetzelfde; hij sloot zich bij de man Gods aan, als deze weende, en zorgde ervoor met hem in zijn zuchten gelijk te blijven; hief de heilige zijn armen omhoog, dan zag je hem hetzelfde doen. Zo kunnen we doorgaan; hij hield de heilige nauwkeurig in het oog als zijn voorbeeld en maakte zich in alles een getrouwe kopie van hem. Toen de heilige vader dat in de gaten kreeg, vroeg hij hem, waarom hij dat eigenlijk deed. Hij antwoordde: “Ik heb nu eenmaal beloofd alles te doen wat u doet. Het zou gevaarlijk voor mij zien iets over te slaan.” De heilige verheugde zich over de eerlijke, ongekunstelde eenvoud van de man. Maar hij maakte er toch een eind aan door hem vriendelijk te zeggen, dat hij het in de toekomst toch beter niet op die manier kon doen.

Niet lang daarna ging die eenvoudige man, die zich in oprechte onbevangenheid geheel richtte naar de heilige vader, op naar zijn Heer. De heilige stelde zijn leven dikwijls tot voorbeeld voor anderen en noemde hem dan met veel plezier de heílige Johannes, en niet bróeder Johannes.

1212 Tweede Orde
Reeds in 1212 had zich de edele jonkvrouwe uit Assisi, Clara Scifi († 1253; feest 11 augustus), bij hem aangesloten. Naar diens voorbeeld had ze met thuis gebroken en wist ze aan de greep van haar familie te ontsnappen. Net als Franciscus huwde ze met Vrouwe Armoede en liet zich door hem het kloosterhabijt aantrekken. Zo werden zij samen de stichters van de naar haar genoemde kloosterorde der clarissen, Franciscus’ tweede orde. De vrouwen leefden geheel volgens de regel die Franciscus had geschreven. Zowel de mannen als de vrouwen werden gekenmerkt door eenvoud, vrolijkheid, armoede en eerbied jegens alle schepselen.
Zijn spiritualiteit bestond erin zoveel mogelijk de minste te zijn. Als hij een compliment kreeg, vroeg hij anderen daar dingen tegenover te zetten, die in zijn nadeel spraken. Hij stond erop dat de leden van zijn orde ‘Mindere Broeders’ genoemd zouden worden. En dat hun levenswijze en verlangens in overeenstemming zouden zijn met die benaming. Zo werd hem eens door een kerkelijke hoogwaardigheidsbekleder gevraagd of hij erin toe zou stemmen wanneer een broeder tot een hoog kerkelijk ambt zou worden geroepen. Zijn antwoord liet niets aan duidelijkheid te wensen over: ‘Heer, mijn broeders heten juist ‘Mindere Broeders’ met de bedoeling dat ze niet in de verleiding zouden komen zich boven een ander te wanen. Als u werkelijk wilt dat ze in Gods Kerk vruchtbaar werken, zorg er dan voor dat ze in de omstandigheden blijven die hun roeping van hen vraagt. Laat hen onder geen enkele voorwaarde opklimmen tot kerkelijke waardigheden!’

Beroemd is de anekdote dat hij Broeder Leo onderricht in de vraag waarin de volmaakte bestaat:”Broeder Leo, ook al doet een minderbroeder de blinden zien, ook al geneest hij de lammen, ook al verdrijft hij de duivelen, ook al geeft hij de doven het gehoor, de kreupelen de macht over hun benen en de stommen de spraak weer, en wat meer is, ook al wekt hij een dode op, die al vier dagen in het graf ligt: schrijf op dat daarin de volmaakte vreugde niet bestaat.” Dergelijke opsommingen herhaalde Vader Franciscus wel drie tot vier maal. Telkens eindigde hij met de woorden: “Broeder Leo, schrijf op dat daarin de volmaakte vreugde niet bestaat…”. Tenslotte riep Broeder Leo uit: “Vader, ik smeek u ter liefde Gods, nu toch  eindelijk te zeggen, waarin de volmaakte vreugde dan wel bestaat.” En Sint Franciscus antwoordde hem: “Wanneer wij in Santa Maria degli Angeli aankomen, doornat van de regen en verstijfd van de kou, vol modder en gekweld door honger en dorst, en wij dan aan de poort van het klooster kloppen en de portier kwaad wordt en zegt: ‘Wie zijn jullie?’ en wij hem dan zeggen: ‘Wij zijn twee broeders van u’, en wanneer hij ons dan zegt: ‘Dat is niet waar, jullie zijn twee schurken, die de mensen altijd bedriegen en de aalmoezen van de armen stelen; maak dat je wegkomt’, en hij ons dan niet binnenlaat, maar ons tot in het holst van de nacht buiten laat staan in de sneeuw en in de regen, koud en hongerig; en wij dan al die beledigingen en die wreedheid en dat wegjagen geduldig en met gelijkmoedigheid verdragen, zonder tegen hem te morren en nederig en liefdevol bedenken dat die portier ons werkelijk kent en dat God hem zo tegen ons doet spreken…: o, broeder Leo, schrijf op dat daarin de volmaakte vreugde gelegen is…”

Stoel in de hemel
Juist vanwege zijn nederigheid stond hij bij God in hoog aanzien. Dat werd bevestigd door een broeder die een hemels visioen had. Het overkwam hem, toen hij met Franciscus alleen was, en zij samen een verlaten kerk waren binnengegaan. ‘Daar was hij in vurig gebed verzonken geraakt. Opeens raakte hij in vervoering en zag in de hemel een groot aantal zetels, waaronder er één was die in pracht de andere verre overtrof. Die zetel was versierd met kostbare edelstenen en straalde van een verblindende glans. De broeder verbaasde zich over de stralende schoonheid ervan en begon zich nieuwsgierig af te vragen wie toch ooit op die troon zou mogen zetelen. Toen hoorde hij hoe een stem tot hem zei: “Die zetel heeft ooit toebehoord aan één van de gevallen engelen; nu wordt ze vrijgehouden voor de nederige Franciscus.” Na afloop zei die broeder niets over zijn droom tegen Franciscus. Hij vroeg hem wel hoe hij eigenlijk over zichzelf dacht. Het antwoord luidde prompt: ‘De grootste zondaar van de hele wereld.’ De broeder antwoordde dat hij dat niet serieus kon menen. Waarop Franciscus reageerde: “Stel je de grootste misdadiger voor. Als die evenveel genade zou hebben ontvangen als ik, zou hij ongetwijfeld veel dankbaarder zijn geweest dan ik!”

Arezzo in burgeroorlog
‘Op één van zijn tochten kwam de heilige in de buurt van Arezzo. Dat werd toentertijd geteisterd door een hevige burgeroorlog. Het was zo ver gekomen dat de stad op het punt stond zichzelf volkomen te gronde te richten. De heilige man nam zijn intrek ergens in de voorstad. Op een gegeven moment zag hij vandaar een troep duivels boven de stad juichend heen en weer springen. De burgers waren volkomen buiten zinnen en wisten niet meer wat ze deden. Ze werden door die duivels opgehitst om elkaar af te slachten. De man Gods nam zich voor die opruiende geesten in de lucht te verjagen. Hij riep broeder Silvester, een man met de eenvoud van een duif, en stuurde hem als zijn voorbode naar de stad met de woorden: “Ga tot vlak voor de poort van de stad en beveel die duivels in naam van gehoorzaamheid aan God dat ze zo snel mogelijk moeten verdwijnen.” Gehoorzaam als hij was, haastte de broeder het bevel uit te voeren. Terwijl hij een loflied zong voor de Heer, kwam hij bij de poort en begon met krachtige stem te roepen: “In naam van de heilige, almachtige God en op bevel van zijn dienaar Franciscus, luister goed, jullie duivels. Verdwijn zo gauw je maar kunt uit deze stad!” Onmiddellijk keerde de rust in de stad terug. De burgers sloten onderling vrede en handelden hun zaken af in goede onderlinge verstandhouding.’

1219 Helderziend
Herhaaldelijk deed Franciscus de mensen in zijn omgeving versteld staan. Hij wist wat ze dachten, met welke gewetenskwesties ze worstelden, en soms wat hun in de nabije toekomst te wachten stond. Hij voorspelt de nederlaag van de christenstrijders bij Damiate. Na terugkomst wordt hij in Celano bij een ridder-weldoener aan tafel genodigd. Voor de maaltijd verzinkt Franciscus enige ogenblikken in gebed. Vervolgens adviseert hij zijn gastheer te biechten, omdat hij niet hier, maar elders de maaltijd zal gebruiken. De man doet wat hem gezegd wordt. De maaltijd is nog maar nauwelijks begonnen of hij wordt getroffen door een hartaanval en sterft.

De sultan van Babylon
Franciscus had de stille hoop de eer van het martelaarschap te mogen ontvangen. ‘Zo ging hij in het dertiende jaar na zijn bekering voor de derde keer naar Syrië en stelde hij zich vastberaden aan vele gevaren bloot doordat hij de sultan van Babylon persoonlijk wilde ontmoeten. Tussen de christenen en Saracenen woedde toen een zo meedogenloze oorlog dat het , hoewel de kampen van beide legers dicht tegenover elkaar lagen, van weerskanten onmogelijk was zonder levensgevaar van het ene kamp naar het andere te komen. De sultan had immers het wrede besluit uitgevaardigd dat wie hem het hoofd van een christen bracht, als beloning een Byzantijns gouden muntstuk zou ontvangen. Maar Franciscus, de onverschrokken ridder van Christus, liet zich niet afschrikken. Hij hoopte in de nabije toekomst het doel waarnaar hij met heel zijn hart verlangde, te kunnen bereiken. Zonder zich van de dreigende dood iets aan te trekken, besloot hij, ertoe gedreven door zijn verlangen voor Christus te sterven, op weg te gaan. En na eerst gebeden te hebben, zong hij, zijn kracht vindend in God, vol vertrouwen het woord van de psalmist: “Al moet ik door de diepste duisternis van de dood heen, ik zal geen onheil vrezen, want u bent altijd bij mij” (Psalm 23,04).

Als metgezel koos hij een medebroeder uit, Illuminatus – ‘de Verlichte’ – geheten. Deze man leefde deugdzaam in het licht van Gods genade. Met hem ging hij op weg. Op een gegeven moment zagen ze twee schapen. Die ontmoeting deed de heilige man veel plezier en vrolijk zei hij tot zijn metgezel: “Vertrouw op de Heer, broeder! Bij ons gaat immers het woord van het evangelie in vervulling: ‘Zie ik zend jullie als schapen onder de wolven’ (Matteus 10,16). Toen ze wat verder voortgegaan waren, stootten ze op een troep hun tegemoet komende Saraceense soldaten. Als razende wolven die een aanval deden op schapen, snelden dezen op Gods dienaren toe en overmeesterden hen op ruwe wijze. Hun wreedheid en verachting op hen botvierend beschimpten ze hen, bewerkten hen met zwepen, en sloegen hen in de boeien. En na hen danig toegetakeld te hebben en veel mishandelingen te hebben laten ondergaan, brachten ze Gods dienaren tenslotte – Gods voorzienigheid beschikte het zo – vóór de sultan Precies wat de man Gods had verlangd. Op diens vraag wie hen gezonden had, met welk doel ze gezonden waren, wat voor een zending ze hadden en hoe ze bij hem hadden kunnen komen, antwoordde Christus’ dienaar onverschrokken dat hij niet op bevel of met hulp van een mens door de linies gekomen was, maar dat de allerhoogste God hem er doorheen had laten trekken om hem, de sultan, en zijn volk de weg naar het eeuwig heil kenbaar te maken en het ware evangelie te verkondigen. En zo rustig en vastberaden, zo moedig en enthousiast sprak hij tot de sultan over de drie-ene God en over Jezus Christus, de Zaligmaker van alle mensen, dat overduidelijk in hem bewaarheid bleek wat het evangelie zegt: “Ik zal jullie welsprekend maken en een wijsheid geven die geen tegenstander zal kunnen weerstaan of weerspreken” (Lukas 21,15). Want toen de sultan het wonderbaarlijke enthousiasme en de geestkracht van de man Gods zag, luisterde hij ook graag naar hem; hij drong er met nadruk bij Franciscus op aan bij hem te blijven. Maar Christus’ dienaar antwoordde hem, op ingeving van God: “Als u zich met uw volk tot Christus wilt bekeren, zal ik uit liefde voor Hem graag bij u blijven. En als u er misschien tegen opziet, omwille van het geloof in Christus, de wet van Mohammed af te zweren, laat dan een zeer groot vuur ontsteken; samen met uw priesters zal ik dat vuur ingaan, opdat u erachter zult komen aan welk geloof men zich terecht houden moet om zijn grotere zekerheid en heiligheid.” In antwoord hierop zei de sultan tot hem: “Ik denk niet dat één van mijn priesters bereid is om dat vuur in te gaan of vrijwillig enige foltering te ondergaan om zijn geloof te verdedigen.” Want hij had gezien hoe één van zijn priesters, een hoogbejaarde vertrouweling van hem, zich bij het horen van dat voorstel onmiddellijk uit de voeten had gemaakt. Toen zei de heilige man: “Ik wil ook wel alleen door dat vuur gaan. Maar dan moet u mij wel, ook namens uw volk, beloven dat u en uw volk tot de christelijke eredienst zal overgaan, wanneer ik er ongedeerd uit zal komen. Mocht ik verbranden, geef dan de schuld aan mijn zonden; maar als Gods macht mij zal beschermen, erken dat Christus, Gods kracht en Gods wijsheid, waarachtig is en Heer en Verlosser van alle mensen.” De sultan zei vervolgens dat hij het niet waagde hierop in te gaan, omdat hij dan een oproer van het volk vreesde. Wel bood hij de man Gods vele kostbare geschenken aan.’ Die weigerde Franciscus. Hij wilde geen goud, hij wou zielen redden. Bovendien – zo besluit Bonaventura dit verhaal – zag Franciscus niet het geringste zaad van een ware godvruchtigheid in de ziel van deze sultan.

Voortdurend gebed
Bonaventura legt er de nadruk op dat Franciscus voortdurend in gebed was. Hij geeft er een aantal spectaculaire voorbeelden van. Zo vertelt hij over een moment waar Franciscus de eenzaamheid had opgezocht. Zijn medebroeders hoorden hem hardop bidden. ‘Daar in de eenzaamheid heeft men hem ‘s nachts  met in kruisvorm uitgestrekte armen zien bidden, zwevend boven de grond en door een lichtende wolk omgeven.’

1224 Franciscus zet een kerststal op
Franciscus verlangde ernaar Christus zo getrouw mogelijk na te volgen. Alles wat daarbij kon helpen was welkom. Zo vroeg hij in 1224 toestemming aan de paus om in Greccio een levende kerststal in te richten. Op die manier zouden hij en zijn volgelingen zich nog duidelijker Jezus’ armoede voor de geest kunnen halen. Zijn levensbeschrijver vertelt het als volgt: ‘Toen liet hij een kribbe klaarmaken, daar stro in leggen, en er een os en een ezel bij zetten. En toen hij daarna zijn broeders had laten komen en de mensen toegestroomd waren, weergalmde het bos van de stemmen en maakten het heldere schijnsel van de talloze fakkels en de welluidende, melodieuze gezangen die eerbiedwaardige nacht stralend helder als was het dag; ze zorgden voor een bijzonder gewijde, plechtige sfeer. Vervuld van een diepvrome genegenheid stond de man Gods voor de kribbe; hij liet zijn tranen de vrije loop, maar werd tegelijkertijd doorzinderd van een onzegbare vreugde. Boven de kribbe werd de plechtige heilige mis gevierd en als diaken zong Franciscus het heilig evangelie. Daarna hield hij voor het aanwezige volk een preek over de geboorte van de arme Koning. En telkens wanneer hij diens naam wilde uitspreken, noemde hij Hem in de overmaat van zijn innige liefde het ‘Kind van Bethlehem’.’
Zo werd Franciscus de uitvinder van het gebruik om met een kerstmis een stalletje te zetten.

Water uit de rots
In zijn Tweede Levensbeschrijving vertelt Thomas van Celano over die keer dat hij op zijn gebed water uit een rots deed vloeien en een boer te drinken gaf.
Eens was Franciscus hartje zomer op weg naar een eenzaam kloostertje voor een stille tijd. Hij was ernstig verzwakt. Een boer had hem zijn ezel gegeven. Maar de weg was lang, het moeilijk begaanbare pad oneffen en vermoeiend. De boer vreesde te bezwijken van de dorst en smeekte Franciscus om uitkomst. Deze kreeg medelijden, kwam van de ezel af, knielde neer op de grond en hief zijn armen ten hemel in gebed. Na enige ogenblikken zei hij tegen de boer: “Kijk, daarginds, ga er gauw naartoe. Je zult er stromend water vinden. Geschenk voor jou van Christus zelf.” Thomas van Celano roept uit dat de boer dronk van harde steen. Tevoren was daar nooit sprake geweest van water. En daarna kon men er geen spoor van terugvinden.

Preken bij de paus
‘Bij een zekere gelegenheid zou hij een preek houden voor paus Honorius III († 1227) en de kardinalen. Hij was hevig in de weer geweest om een goede preek in elkaar te zetten en met veel zorg had hij die ook van buiten geleerd. Toen hij echter voor het eerbiedwaardige college stond om zijn stichtende preek te houden, herinnerde hij er zich opeens geen woord meer van en wist hij helemaal niet wat hij zeggen moest. In waarachtige nederigheid vertelde hij dit aan zijn gehoor, keerde in zichzelf en vroeg de heilige Geest om zijn genadevolle hulp. En plotseling begon hij in een rijke stroom van woorden een zo indrukwekkende en doeltreffende preek te houden dat hij de harten van die verheven mannen tot berouwvolle inkeer bracht.’

Verschijning te Arles
‘Eens hield Antonius van Padua († 1231; feest 13 juni), een bijzonder begaafd predikant,  op het kapittel van Arles een preek voor de broeders over het opschrift boven het kruis: “Jezus van Nazareth, koning van de Joden”. Een zeer deugdzame broeder, Monaldus geheten, keek op een gegeven moment – op goddelijke ingeving – naar de deur van de zaal en zag toen met eigen ogen de zalige Franciscus. Hij zweefde in de lucht en met zijn als op een kruis uitgestrekte armen zegende hij zijn broeders.’

Franciscus’ dierenliefde
Beroemd zijn de verhalen waaruit Franciscus’ dierenliefde blijkt.

Franciscus en de worm
Zo pakte hij eens vol zorg een worm op van de weg met de woorden: “Maar broeder worm, wees toch voorzichtig bij het oversteken; straks komt er een kar die je onder zijn wielen verplettert.” En hij zette het dier liefdevol in de berm

Franciscus preekt voor de vogels
Toen hij eens met zijn broeders langs een groep bomen liep, konden ze elkaar niet verstaan vanwege het lawaai dat de vogels maakten. Franciscus besefte dat hij de dieren tekort gedaan had, zei tegen zijn broeders dat ze even moesten wachten, en gebaarde de vogels, dat hij hen iets wilde zeggen. ‘Terstond kwamen de vogels die in de bomen zaten, naar hem toe en allen bleven zonder te bewegen voor hem zitten tot hij zijn preek beëindigd had. En ook toen gingen ze niet weg voor hij hun zijn zegen had gegeven. En, zoals broeder Masseus en broeder Jacobus de Massa later vertelden, verroerde geen enkele vogel zich toen Franciscus tussen hen door liep en hen met zijn pij raakte.
De inhoud van de prediking van Sint Franciscus was in grote lijnen de volgende: “Mijn dierbare zustertjes de vogels, jullie zijn God, je Schepper, veel dank verschuldigd en je moet Hem altijd en overal verheerlijken, omdat Hij jullie de vrijheid heeft gegeven om te vliegen waar je maar wilt en tevens omdat Hij jullie dubbele kleding geschonken heeft en enkelen van jullie in de ark van Noach heeft opgenomen opdat jullie soort in stand zou blijven. Ook zijn jullie Hem veel dank verschuldigd voor het element van de lucht, dat Hij jullie heeft toegewezen. Daarbij komt nog, dat hoewel jullie zaaien noch oogsten, God jullie voedt en jullie de rivieren en bronnen geeft om te drinken, bergen en dalen om je in veiligheid te brengen, en hoge bomen om er je nest in te bouwen. En daar je niet kunt spinnen of naaien, kleedt God jullie: jullie en je kinderen. God bemint jullie dus wel in hoge mate, daar Hij jullie met zoveel weldaden overlaadt. Wacht je daarom, geliefde zustertjes, voor de zonde der ondankbaarheid, doch wees er altijd op bedacht God te verheerlijken.”
En terwijl Franciscus aldus tot hen sprak, deden al die vogeltjes hun bekjes open, reikten zij hun halsjes, spreidden zij hun vleugeltjes uit en bogen zij eerbiedig hun kopjes tot aan de grond en toonden zij door gebaar en getjilp dat de woorden van de heilige vader hun groot genoegen deden. En Sint Franciscus deelde die vreugde en blijdschap met hen en verbaasde zich zeer over die grote hoeveelheid vogels en over hun prachtige verscheidenheid en over de aandacht waarmee zij naar hem luisterden en alle schuwheid hadden afgelegd; en daarom prees hij in hen godvruchtig de Schepper.
En toen Sint Franciscus zijn prediking besloot, maakte hij een kruisteken over hen en gaf hun verlof weer weg te vliegen; daarop vlogen al die vogeltjes tegelijk op onder wonderschoon gezang en gingen in vier groepen uiteen volgens het kruis dat Sint Franciscus over hen gemaakt had; en zo vloog een deel naar het oosten, een ander deel naar het westen, de derde groep vloog naar het zuiden en de vierde naar het noorden, en iedere groep zong al vliegend zijn mooiste lied. En door zingend uiteen te gaan naar de vier windstreken der wereld, volgens het kruisteken dat Sint Franciscus, de drager van Christus’ kruisbanier, over hen gemaakt had, gaven de vogels te kennen dat de boodschap van Christus’ kruis zoals zij door Sint Franciscus weer was opgevat, door hem en zijn broeders in heel de wereld moest worden uitgedragen en dat die broeders evenals de vogels niets op deze wereld in eigendom moesten hebben, maar zich voor hun levensonderhoud moesten verlaten op Gods Voorzienigheid alleen. Tot lof van Christus. Amen.’

Sint Franciscus en de bloeddorstige wolf van Gubbio.
Toen Franciscus enige tijd in de stad Gubbio verbleef, dook daar in de buurt een enorm grote, angstaanjagende en bloeddorstige wolf op, die niet alleen dieren, maar ook mensen verslond. En omdat die wolf ook dikwijls in de buurt van de stad kwam, verkeerden alle inwoners van Gubbio in schrik en beven. Ieder die de stad uit moest, deed dat gewapend, alsof er oorlog was. Maar met dat al stond men hulpeloos tegenover dat woeste beest, als men het in zijn eentje tegenkwam. Tenslotte kwam het zo ver dat niemand meer de stad uit durfde gaan; zo bang waren ze voor die wolf.
Omdat Franciscus met die mensen te doen had, vatte hij het plan op naar die wolf toe te gaan, alhoewel de mensen van de stad hem dat sterk afraadden. En zo tekende hij zich met het  heilig kruis en ging met zijn gezellen, in vol vertrouwen op God, de stad uit. En toen de anderen aarzelden om verder te gaan, sloeg Franciscus de weg in naar de plek, waar de wolf zich bevond. En ja hoor, op het gezicht van al die mensen die gekomen waren om getuige te zijn van dat wonder, kwam de bewuste wolf met opengesperde muil op Franciscus aanrennen. Maar toen hij vlakbij was, maakte Franciscus een kruisteken over hem en riep hem bij zich met de woorden: “Kom hier, broeder wolf. In Christus’ naam beveel ik je noch mij noch iemand anders kwaad te doen.” En toen gebeurde het wonder. Zodra Franciscus het kruisteken had gemaakt, sloot de vreselijke wolf zijn bek en hield zijn vaart in; en op het horen van dat bevel ging hij zachtjes als een lam voor de voeten van Franciscus liggen.
Toen sprak Franciscus hem aldus toe: “Broeder wolf, je berokkent veel schade in deze streek, en je hebt hier veel onheil gesticht door schepselen Gods te verminken en te doden zonder toestemming. En niet alleen heb je dieren gedood en verslonden, maar je hebt je zelfs verstout om mensen, geschapen naar Gods beeld, te doden en te verminken. Daarom verdien je de galg als een rover en een gemene moordenaar. Alle mensen beklagen zich over je gedrag, en zijn tegen je gekant; en heel deze streek is je vijandig gezind. Maar ik wil vrede sluiten tussen jou en hen, broeder wolf, en wel op de volgende voorwaarden: dat jij ze geen kwaad meer zult doen, en dat zij van hun kant jou alles zullen vergeven wat je misdaan hebt, en dat ze je niet meer zullen achtervolgen, de mensen niet en de honden niet.”
Na die woorden gaf de wolf door bewegingen van zijn lijf, zijn staart en zijn oren en door knikken met zijn kop te kennen, dat hij aanvaardde wat Franciscus hem zei en dat hij dat wilde nakomen. Daarop zei Franciscus: “Broeder wolf, daar je deze vrede wilt sluiten en je eraan wilt houden, beloof ik je ervoor te zorgen dat de mensen van deze streek je steeds te eten zullen geven zolang je leeft, zodat je geen honger meer hoeft te lijden; want ik weet heel goed dat je al dat kwaad gedaan hebt, door honger gedreven. Maar omdat ik je die gunst bezorg, wens ik ook, broeder wolf, dat je mij belooft nooit meer een mens of dier schade te berokkenen. Beloof je me dat?” Toen boog de wolf zijn kop en gaf daardoor duidelijk te kennen, dat hij dat beloofde. Maar Franciscus voegde er nog aan toe: “Broeder wolf, ik wens, dat je me een plechtige verzekering van die belofte geeft, zodat ik er werkelijk op vertrouwen kan.” En terwijl Franciscus zijn hand uitstrekte om een plechtige verzekering van de wolf in ontvangst te nemen, richtte de wolf zijn rechter voorpoot op en legde die voorzichtig in de hand van Franciscus, en gaf hem aldus naar vermogen een plechtig bewijs van trouw.
Toen sprak Franciscus: “Broeder wolf, in naam van Jezus Cristus, beveel ik je nu onbeschroomd met mij mee te gaan; dan zullen wij deze vrede in naam van God bekrachtigen.” En heel gehoorzaam ging de wolf als een mak lammetje met hem mee. Vol verbazing zagen de mensen van Gubbio dit alles aan. En als een lopend vuurtje ging dit nieuws door de stad zodat iedereen, groot en klein, man en vrouw, jong en oud, naar de markt toog om de wolf en Franciscus te zien.
En toen ze daar allemaal bijeen stonden, ging Franciscus op een verhoging staan en hield een preek voor hen, waarin hij onder andere zei, dat God om de zonden zulke rampen toelaat; maar dat de vlammen van de hel, omdat die de verdoemden eeuwig folteren, nog veel erger zijn dan de vraatzucht van een wolf, die alleen maar het lichaam kan doden. Hoezeer moeten wij dus de muil van de hel vrezen, wanneer zoveel mensen al in schrik en beven verkeren voor de muil van een armzalig dier.”Keert u daarom tot God, allerliefsten en doet oprecht boete voor uw zonden, dan zal God u in dit leven voor de wolf vrijwaren, en in het toekomstig leven voor de hel.”
Toen hij zijn preek beëindigd had, zei Franciscus: “Luistert, mijn broeders; broeder wolf die hier voor u staat heeft mij beloofd en plechtig verzekerd vrede met u te willen sluiten en u nooit meer in iets te benadelen, als u hem belooft hem iedere dag te geven wat hij nodig heeft; en ik sta er borg voor dat hij dit vredesverdrag stipt zal nakomen.” Toen beloofde het volk als uit één mond hem steeds te zullen voeden. En ten overstaan van allen zei Franciscus toen tot de wolf: “En jij broeder wolf, beloof je deze mensen dit vredesverdrag te zullen nakomen, en dat je geen kwaad meer zult doen aan mens of dier of enig schepsel?” Hierop knielde de wolf neer en boog zijn kop, en met vriendelijke bewegingen van lijf en kop en oren gaf hij te kennen, voor zover hij daartoe in staat was, dat hij oprecht van plan was iedere overeenkomst met hen te eerbiedigen. Vervolgens zei Franciscus: “Broeder wolf, ik zou graag zien dat je hier, voor heel het volk, een plechtig teken van je goede trouw geeft, zoals je mij dat buiten de stadspoort gegeven hebt; en dat jij mij, die borg voor je staat, niet te schande zult maken.”
Toen hief de wolf zijn rechter voorpoot op en legde die in de hand van Franciscus. En door dit feit en boven vermelde gebeurtenissen raakte het volk zo in bewondering en blijdschap om de vroomheid van de heilige, het uitzonderlijke van dat wonder en de vrede met de wolf, dat allen luid begonnen te jubelen, God prijzend en zegenend, die hun Franciscus had gestuurd om hen  door diens verdiensten te bewaren voor de muil van een woest beest.
De bewuste wolf leefde twee jaar lang in Gubbio en ging rustig de huizen binnen, van deur tot deur, zonder iemand kwaad te doen en zonder dat hem kwaad geschiedde. En de mensen gaven hem vriendelijk te eten. En als hij zo door het veld en langs de huizen liep, was er nooit een hond die tegen hem blafte. En na die twee jaar stierf broeder wolf tenslotte van ouderdom, hetgeen de mensen heel jammer vonden; want zolang ze hem zo rustig en tam door de stad zagen lopen, werden ze des te beter herinnerd aan de deugd en de heiligheid van Franciscus.

Karakteristiek is het beroemde aan Franciscus toegeschreven gebed om vrede.
Gebed om Vrede
Heer, maak mij tot instrument van uw vrede:
– dat ik, waar haat is, liefde breng;
– waar schuld is, vergeving;
– waar tweedracht is: eenheid;
– waar dwaling is: waarheid;
– waar twijfel is: geloof;
– waar wanhoop is: hoop;
– waar duister is: licht;
– waar narigheid is: blijheid.

Geef, dat ik zoek
niet zozeer getroost te wórden, als wel te troosten;
niet zozeer begrepen te wórden, als wel te begrijpen;
niet zozeer bemind te wórden, als wel te beminnen.
Want wie geeft, ontvangt;
wie zichzelf vergeet, vindt zichzelf;
wie vergeeft, wordt vergeven;
wie sterft, krijgt eeuwig leven.
Amen.

1224
Enkele jaren vóór zijn dood trok hij zich terug in de eenzaamheid van Alverna of La Verna op de Monte Penna. Hij was toen al enige tijd ziek, reumatisch en zo goed als blind.

Bonaventura vertelt ‘dat hij zich – op dringend advies van zijn omgeving – ter genezing van zijn oogkwaal met brandijzers zou laten behandelen. Gewillig stemde de man Gods erin toe. Want hij besefte dat het wellicht heilzaam was voor zijn ogen, maar ook dat het bijzonder pijnlijk zou zijn. Men liet dus een chirurgijn komen. Toen deze het brandijzer, waarmee hij de behandeling zou uitvoeren, in het vuur legde, huiverde de dienaar van Christus even. Maar meteen daarna begon hij, in een poging zijn angstig lichaam te bemoedigen, het vuur als een vriend toe te spreken: “Broeder Vuur, de Allerhoogste heeft je benijdenswaardig schoon gemaakt; bovendien maakt hij je edel, sterk en nuttig. Nu smeek ik de machtige Heer die jou geschapen heeft, je hitte voor mij te willen matigen en ervoor te zorgen dat je wat minder fel brandt, zodat ik je gloed enigszins kan verdragen.” Na dit gebed maakte hij over het witgloeiende ijzer, toen het in zijn buurt kwam, een kruisteken en wachtte verder onbevreesd af.’ Ondanks de afschuwelijke behandeling van wang tot oor verzekerde hij achteraf dat hij geen greintje pijn had gevoeld.

Ook over zijn pijn sprak hij als over zijn ‘lieve zuster’; de dood noemde hij ‘onze zuster, de lichamelijke dood’.

Stigmata
‘Twee jaar voordat hij zijn ziel aan de Schepper teruggaf, bevond de zalige Franciscus zich in het klooster op de berg Alverna. Daar zag hij in een visioen, iets boven zich, een man. Hij leek op een serafijn met zes vleugels en hing met uitgestrekte armen en samengebonden voeten aan een kruis. Twee vleugels reikten omhoog boven zijn hoofd, twee waren uitgestrekt als wilde hij gaan vliegen, en de twee overige bedekten zijn gehele lichaam. Bij het zien ervan was de zalige dienaar van de Allerhoogste uiterst verwonderd. Wat dit visioen hem te zeggen wist hij echter niet. Wel was hij er zeer verheugd over dat hij de Serafijn, wiens schoonheid onvoorstelbaar was, zo welwillend en liefdevol naar hem zag kijken. Dat hij evenwel aan het kruis geslagen was en zo’n wreed lijden onderging, gaf hem een geweldige schok. Toen hij zich dan ook oprichtte, was hij, om zo te zeggen, droevig en blij tegelijk. Nu eens had zijn vreugde de overhand, maar dan overmande de droefheid hem weer. Verward dacht hij erover na, wat dit visioen toch te betekenen kon hebben, en tot kwellens toe matte hij zich af om de eigenlijke zin te achterhalen. Hij kon er echter absoluut geen wijs uit worden en vooral het ongewone van het visioen, dat zo helemaal nieuw voor hem was, obsedeerde hem. Maar toen begonnen in zijn handen en voeten als het ware spijkers zichtbaar te worden, zoals hij die juist gezien had bij de gekruisigde man boven zich.
Het leek alsof er midden door zijn handen en voeten spijkers geslagen waren. In de palm van zijn handen en op de wreef van zijn voeten zag men de spijkerkoppen, terwijl de punten er aan de andere kant uitstaken. Aan de binnenkant van zijn handen was de vorm ervan rond, aan de buitenkant langwerpig, terwijl daar een uitwas te zien was alsof een spijkerpunt van opzij krom geslagen was. Die uitwas stak boven de rest van het vlees uit. Zo waren er ook in de voeten een soort spijkers, eveneens uitstekend boven de rest. Verder was zijn rechterzijde als met een lans doorboord. Daar had hij een litteken. Dikwijls bloedde de wond echter nog en vaak droegen zijn habijt en lendendoek er de sporen van.’

Het was in deze periode dat hij zijn prachtige zonnelied componeerde, een lofzang op de schepping en God, haar schepper.

1225 Zonnelied
Allerhoogste, almachtige goede Heer,
U zij de lof, de roem de eer
en alle zegeningen.
Aan U Allerhoogste komen ze toe
en geen mens is waardig
U te noemen.
Wees geloofd, mijn Heer
met al Uw schepselen
speciaal heer broeder zon,
die de dag is
en ons door zichzelf verlicht.
In zijn stralende schoonheid en grote glans
is hij van U, allerhoogste,
het symbool.
Wees geloofd, mijn Heer
door zuster maan,
en de sterren.
U deed haar aan de hemel staan
klaar, kostbaar en charmant.
Wees geloofd, mijn Heer
door broeder wind
en door de lucht en de wolken,
het heldere en ieder ander weer
waardoor elk schepsel
zijn onderhoud vindt.
Wees geloofd, mijn Heer
door zuster water,
die zo bruikbaar en deemoedig is,
zo kostelijk en kuis.
Wees geloofd, mijn Heer
door broeder vuur
die ons uw licht brengt
in de nacht.
Hij is zo lieflijk en vrolijk
en onverzettelijk in zijn kracht.
Wees geloofd, mijn Heer
door onze zuster, moeder aarde,
die ons draagt en voedt
en allerlei gewassen groeien doet
kleurrijke bloemen
en gras.
Wees geloofd, mijn Heer
door hen die vergeven
uit liefde tot U
wat hun is aangedaan;
die bij ziekte en verdrukking
hun geduld niet verliezen.
Zalig die ze in vrede doorstaan,
want door U, allerhoogste,
worden zij gekroond.
Wees geloofd, mijn Heer
door zuster dood
die ons lichaam ontbindt.
Geen mensenkind die haar ontloopt.
Wee die zij tegenkomt
met zonden beladen.
Zalig zij die zij geborgen vindt
in Uw heilige wil:
de tweede dood zal hen niet deren.
Lof en zegen mijn Heer.
Breng Hem uw dank
en hoge eer
en diepe nederigheid.
Amen.

1226 Franciscus en Broeder Jacoba
Een van de talrijke verhalen die over hem bekend zijn, vertelt over vrouwe Jacoba (ook Giacomina, Jacobina, Jacolina, Jacomina, Jacopa of Jacqueline) Frangipani († 1239; feest 8 februari). Zij was een weduwe, stammend uit de Romeinse adel en bezat een landgoed te Septisoles niet ver van Rome. Op zijn talrijke bezoeken aan Rome ging hij herhaaldelijk bij haar langs. Zij luisterde graag naar hem en had er plezier in lekkere dingen voor hem klaar te maken. Franciscus noemde haar liefkozend Broeder Jacoba.
Toen Franciscus stervende was en voelde dat zijn einde naderde, gaf hij een van zijn broeders de opdracht Vrouwe Jacoba te gaan waarschuwen. Dan konden zij nog afscheid nemen van elkaar. En of ze dan niet wilde vergeten nog één keer van die lekkere koekjes voor hem te bakken. Maar de broeder had nauwelijks de stadspoort van Assisi achter zich gelaten, of daar zag hij in de verte Vrouwe Jacoba al aankomen, en naar gauw bleek, mét haar koekjes. Zij had zelf al gevoeld dat Broeder Franciscus snel achteruit ging. Maar toen zij voor de poort van het kloostertje verscheen waar Franciscus werd verpleegd, kon broeder portier haar niet binnenlaten; een vrouw mocht niet in het slot. In verlegenheid ging hij aan Vader Franciscus zeggen dat Zuster Jacoba buiten voor de poort stond, maar dat hij haar niet kon binnenlaten vanwege het slot. Na enig nadenken zou Franciscus toen geantwoord hebben: “Nee, dat is zo, Vróuwe Jacoba mag niet in het slot. Maar Bróeder Jacoba natuurlijk wel. Ga nog eens kijken om te zien of het niet Broeder Jacoba is die van mij afscheid komt nemen.” Stralend om deze simpele oplossing liet broeder portier Broeder Jacoba bij de stervende Franciscus. De meegebrachte koekjes kon zijn maag op dat moment al niet meer verdragen…
Franciscus stierf op 3 oktober 1226, nadat hij eerst vergiffenis had gevraagd aan broeder ezel, zijn lichaam, dat hij omwille van Christus zo weinig genoegens had gegund en op zijn 44e volkomen afgeleefd was.
‘Franciscus begreep dat het moment van sterven gekomen was. Daarom gaf hij twee broeders, die zijn meest geliefde zonen waren, een wenk om bij hem te komen en droeg hun op, nu hij zo spoedig zou sterven, of liever nu het echte leven zo dichtbij was, met luide stem, juichend met hart en ziel zijn ‘Loflied voor de Heer’, zijn lied van Broeder Zon te zingen. Zelf begon hij, zo goed en zo kwaad als hij kon, de psalm van David te bidden: “Luid roep ik tot de Heer, smekend richt ik mijn stem tot de Heer!” (Psalm 141,01). Bij de broeders die aanwezig waren, was er één, aan wie de heilige zeer genegen was en die zich zeer veel zorgen maakte voor de broedergemeenschap. Toen hij dit alles zag, begreep hij dat het einde niet ver meer kon zijn en zei tot de heilige vader: “Vader, allerliefste vader, ach, uw zonen blijven zonder vader achter, zonder u, die ons de ware weg zo helder deed zien! Denk toch aan ons die u als wezen achterlaat! Vergeef ons wat we misdeden, ons die aanwezig zijn, en ook onze afwezige broeders, en geef ons allen de weldaad van uw heilige zegen.” De heilige antwoordde hem: “Denk eraan , mijn zoon, God roept me. Alle broeders evenwel, aanwezig of niet, vergeef ik al hun fouten en misdragingen en, voor zover ik dat kan, spreek ik ze daarvan vrij. Bericht hun dat en zegen ze in mijn naam.”
>Tenslotte liet hij het evangelieboek brengen en vroeg hem het evangelie van Johannes voor te lezen beginnend bij: “Zes dagen voor het paasfeest, toen Jezus wist dat zijn uur gekomen was en Hij naar de Vader zou gaan…” (Johannes 13,01). De minister was al van plan geweest dit evangelie te lezen, voordat het hem  verzocht werd, en toen hij het boek opensloeg, was dit bovendien meteen het eerste wat hem onder ogen kwam. Toch bevatte het boek waaruit men het evangelie moest lezen, de volledige Heilige Schrift. Daarna liet de heilige zich neerleggen op een habijt en zich met as bestrooien, hij, die al heel spoedig alleen maar stof en aarde zou zijn. Veel broeders, wier vader en leidsman hij was, kwamen er nu bij. En terwijl ze eerbiedig stonden te wachten op zijn zalig afsterven en de voltooiing van zijn zalig leven, steeg zijn zeer heilige ziel, zich losmakend uit het lichaam, op in de grondeloze zee van het eeuwige licht. Zijn lichaam gleed uit het leven weg en hij ontsliep in de Heer.’

Verering en Cultuur
‘In die tijd was in Terra di Lavoro broeder Augustinus minister van de broeders, een in alle opzichten voortreffelijk en heilig man. Hij lag op sterven en had al lang geen woord meer kunnen zeggen. Plotseling hoorden de omstanders hem luid roepen: “Wacht toch even op mij, vader, wacht even; ik ga met u mee!” De broeders waren zeer verbaasd en vroegen hem naar wie hij zo onstuimig riep. “Zien jullie onze vader Franciscus dan niet naar de hemel gaan?” vroeg hij hun. Meteen maakte zijn heilige ziel zich van zijn lichaam los en volgde de heilige vader.
De bisschop van Assisi had juist in die tijd een bedevaart gehouden naar het heiligdom van de heilige Michaël op de berg Gargano. In de nacht van Franciscus’ sterven verscheen de heilige man hem en zei: “Zie, vader, ik verlaat nu de wereld en ben op weg naar de hemel.” Toen de bisschop de volgende morgen opstond, vertelde hij aan zijn gevolg wat gezien had. Hij keerde terug naar Assisi en kwam na een zorgvuldig onderzoek tot de zekerheid dat de heilige vader uit deze wereld was heengegaan precies op het uur waarop Franciscus het hem in dat droomgezicht had laten weten.’

Ontdekking van de stigmata.
‘Stomverbaasd stonden de broeders te kijken naar een ongekend wonder. Want nog nooit hadden ze iemand horen vertellen of hadden ze ergens gelezen wat ze nu met eigen ogen zagen. En als het niet zo onweerlegbaar duidelijk was geweest, zou je ze er nooit van hebben kunnen overtuigen. Want ze zagen werkelijk met eigen ogen in het lichaam van de heilige vader de weergave van het kruis en van de kruiswonden van het vlekkeloze Lam, dat de zonden van de wereld had uitgewist. Het was alsof hij zojuist van het kruis was afgehaald. Zijn handen en voeten waren met spijkers doorboord en in zijn rechterzijde zag men de wonde van een lans. Zijn lichaam dat van tevoren donkerkleurig was geweest, was nu, zoals ze zagen, stralend blank geworden en scheen in zijn schoonheid vooruit te lopen op de beloofde gelukzalige verrijzenis.’

Bewening door Clara en haar zusters
Het lichaam van Franciscus werd overgebracht naar de San-Damianokerk, waar alles was begonnen. Daar woonde nu Clara en haar zusters die hij destijds op diezelfde plek had opgenomen in de Tweede Orde, de vrouwelijke tak. ‘Met haar andere dochters kwam zij om haar vader te zien, die niet meer tot haar sprak, die nooit meer bij haar terug zou keren, maar die naar elders op weg was. Toen ze naar hem keken, werden ze door diepe droefheid overmand. Ze snikten luid en lieten hun tranen de vrije loop. Men hoorde haar klagen met verstikte stem…’

Wonderen
In de tijd na zijn dood gebeurden er vele wonderen op zijn voorspraak. Giotto heeft er een paar afgebeeld in zijn reeks wandschilderingen in de San-Francescokerk te Assisi.

1. Verschijning aan paus Gregorius
Na Franciscus’ dood braken er woelige tijden aan voor de kerk. Paus Gregorius IX († 1241) besloot Rome zelfs te verlaten om verder onheil te voorkomen. Hij begaf zich naar de streek waar Franciscus was rondgetrokken, en waar de heilige levenswijze van diens broeders en zusters herinnerden aan zijn inspiratie. Zij vertelden hem over Christus’ wondentekenen in het lichaam van de heilige. Maar dat kon de paus toch maar moeilijk geloven. Daarop verscheen hem in een droom Franciscus zelf. Toonde hem zijn bloedende zijde en vroeg hem zelfs een glas te laten brengen om het stromende bloed in op te vangen. Deze droom heeft bijgedragen aan de snelle heiligverklaring van Franciscus.

2. Genezing van een hartstochtelijk vereerder
In de Catalaanse stad Lerida woonde een groot vereerder van Sint Franciscus. Juan heette hij. Hij werd het slachtoffer van een aanslag, omdat zijn aanvaller hem verwisselde met zijn persoonlijke vijand. Het zwaard sneed zo wat de arm van zijn schouder en maakte vervolgens zo’n enorm gat in zijn borst dat de lucht die daar ontsnapte wel een dozijn kaarsen had kunnen uitblazen. De dokters hadden de man volkomen opgegeven. Hij echter nam zijn toevlucht tot Sint Franciscus en riep onophoudelijk zijn hulp in. Toen verscheen in zijn venster Franciscus zelf. Hij haalde het verband van zijn wonden, zalfde de wonden met olie en verwijderde pus en etter. De volgende morgen stond de man volkomen genezen op.

3. Dode vrouw ten leven gewekt.
Ook is er sprake van een vrouw die was gestorven voordat ze haar laatste biecht had kunnen uitspreken. Zij dreigde in het hiernamaals dus veel pijnen te moeten ondergaan. Franciscus’ voorspraak werd ingeroepen. De vrouw kwam weer tot leven, en sprak haar biecht uit. Daarop stierf zij in de vrede van de Heer.
[vgl. Giotto’s fresco nr.27 in de San Francesco te Assisi]

4. Bekeerde ketter bevrijd
Ten tijde van paus Gregorius IX zat er in Rome een man gevangen. Pietro heette hij. Hij was beschuldigd van ketterijen. De paus had hem laten opsluiten. Er was geen ontsnappen meer aan. Op de vooravond van Sint Franciscus’ feest begon de man de heilige aan te roepen. Dat hij intussen bekeerd was van zijn ketterse ideeën en of de heilige medelijden met hem wilde hebben. Tegen de avond van het feest verscheen Franciscus zelf. Ontdeed de man van zijn boeien en nodigde hem uit de gevangenis te verlaten. Maar Pietro was zo geschrokken dat hij het op een brullen zette. De bewaarders kwamen eraan en toen zij zagen water gebeurd was, gingen zij dat aan de paus vertellen. Deze kwam zelf kijken. De gebroken boeien werden hem getoond en met de omstanders loofde hij God en de heilige Franciscus om zo’n groot wonder.

1228 16 juli Heiligverklaring
Reeds twee jaar na zijn dood werd Franciscus heilig verklaard. De paus kwam ervoor naar Assisi in gezelschap van een hele menigte kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders, prelaten, abten en zo meer. ‘En dan gaat het gebeuren! Met luide stem, zijn armen ten hemel heffend, zegt de paus: “Tot lof en glorie van de almachtige God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, tot lof ook van de heilige Maagd Maria en de heilige apostelen Petrus en Paulus en ter ere van de verheven Kerk van Rome, verklaren wij, in overleg met en met instemming van het college van onze broeders en andere hoogwaardigheidsbekleders, dat de zalige Vader Franciscus, die door de Heer verheerlijkt in de hemel is opgenomen – om hem de hem toekomende eer op aarde te bewijzen – op de lijst van heiligen moet worden geplaatst en dat zijn feest op de dag van zijn sterven moet worden gevierd.” Na deze verklaring heffen de eerbiedwaardige kardinalen met de paus luid he Te Deum aan. De mensen barsten los in gejuich…’

Op zijn graf in Assisi werd de San-Francescokerk gebouwd (1228 -1253). Ze werd fantastisch versierd met afbeeldingen uit zijn leven door de beste Italiaanse kunstenaars van die tijd. Hoe mooi en kunstzinnig ook, eigenlijk was dit alles in tegenspraak met zijn geest van eenvoud.
De talrijke anekdotes die er over zijn leven de ronde deden, werden verzameld in het boekje ‘Fioretti’ (‘Bloempjes van Franciscus’). Zijn medebroeder Thomas van Celano schreef twee levensbeschrijvingen.

1449 Opgraving relieken
En dan is er nog die griezelige legende van ruim tweehonderd jaar na zijn dood. Paus Nicolaas v besloot onderzoek te doen naar Franciscus’ relieken. Hij liet ze opgraven en men trof Franciscus aan rechtop staande in gebedshouding. Volgens het verhaal waren er enkele hoge geestelijken bij als getuigen. [Wim Vroom ‘Een lugubere legende’ in ‘Catherijne’ 2016.1]

In 1946 publiceerden Gabriël Smit (rijmpjes) & Piet Worm (prentjes) een boekje over heiligen voor kinderen: ‘Roosjes uit de Hemeltuin’; Utrecht/Antwerpen, De Fontein. Het bevat ook een rijmpje voor Franciscus:
Franciscus, die de dieren riep
Tot lof van Hem, die alles schiep,
De duif, de uil, de pelikaan,
Zij hoorden u gelukkig aan,
Hun hart vol liefde, onbevreesd.
O was ik er toch bij geweest!

Patronaten
Hij is hoofdpatroon van Italië; daarnaast van de kerkelijke Staat en de landstreek Umbrië en van de Italiaanse steden Assisi, Bologna, Borgo Val di Taro, Castiglione, Ferrara, Gubbio, Livorno, Mantua, Modena, Palermo, Pesaro, Piacenza, Urbino.
In Zwitserland van het bisdom Basel en in de Verenigde Staten van San Francisco (Californië) en Santa Fe (New Mexico; oorspronkelijk La Villa Real de la Sante Fe de San Francis de Asis).
Verder is hij patroon van de franciscanen, van de armen, van de Katholieke Actie en van de sociale arbeid; van kooplieden, stoffen- en lakenhandelaren, vlashandelaren, kleermakers en wevers; van behanghandelaren en correspondenten in vreemde talen.
Toen in 1931 een geschikte datum werd gezocht voor werelddierendag, koos men voor zijn feestdag, 4 oktober. Sinds 1979 is hij ook patroon van het milieu, van milieubeschermers en ecologen. Zo is hij ook patroon van vogels en andere dieren.
Zijn voorspraak wordt ingeroepen tegen hoofdpijn en de pest.

Afgebeeld
Hij wordt afgebeeld in het kleed van zijn orde (bruine pij met wit koord; in het afhangende gedeelte van het koord zijn drie knopen gelegd; bruine capuce, rond en stijf met kraagvormige schoudermantel; sandalen). Verder is hij altijd te herkennen aan Christus’ wonden in handen en voeten. Vaak heeft hij een kruis, een boek en een doodskop (teken dat alles op deze wereld voorbijgaat en dat men zich dus consequent op het hiernamaals richt). Soms ziet men hem afgebeeld in gebed, de armen gespreid; vaak krijgt hij vanuit de hemel door een cherubs (rood gekleurde zesvleugelige engel) Christus’ wondentekenen toegestuurd.

Muziek
Van het Zonnelied werden in de loop van de muziekgeschiedenis herhaaldelijk toonzettingen gemaakt: Davies, 1912; Sowerby, 1944 enz. Olivier Messiaen componeerde een Franciscusopera.
Frans Liszt (R17) componeerde in 1865 ‘Saint François d’Assise: La prédication aux oiseaux’.

In de Sint Martinuskerk van Sneek wordt elk jaar op het feest Sint Franciscus een speciale 4-stemmige versie van het zonnelied in het oud-Umbrisch gezongen door het Franciscus-vrijwilligerskoor.



04 okt - maandag

Sneek 09:15 - 09:45 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek


04 okt - maandag

Sneek 14:30 - 15:30 Catechese

Sint Martinushuis, Sneek


05 okt - dinsdag

- Hele dag Gedenkdag H. Anna Schäffer, dulderes & mystica

– Geen, -

Anna Schäffer, Mindelstetten, Beieren, Duitsland; dulderes & mystica; † 1925.

Afbeelding Anna Schäffer

Feest 5 oktober.

Geschiedenis
Zij werd op 18 februari 1882 geboren in de Beierse plaats Mindelstetten, niet ver van Ingolstadt. Haar vader Michael was schrijnwerker en muzikant; haar moeder Theresia was een vrome vrouw, die haar acht kinderen een diepgelovige opvoeding meegaf. Anna was de derde in de rij. Toen zij op dertienjarige leeftijd naar Regensburg ging om als dienstmeisje werk te zoeken, hoopte zij genoeg geld te verdienen om in te kunnen te treden bij een missiecongregatie.

In juni 1898 treffen we haar in dienst bij een familie te Landshut. Ze neemt er de vlucht onder vreemde omstandigheden, die niet verder uit de doeken worden gedaan en vindt een nieuwe betrekking in het huis van de boswachter te Stammham. Op 4 februari 1901 probeert zij boven een wasketel met kokend water een kleine reparatie uit te voeren; zij glijdt uit en komt met beide benen in het kokende water terecht. Vanaf dat moment begint een lijdensweg langs artsen en ziekenhuizen, die niet in staat zijn haar benen te genezen. Pas in mei 1902 keert zij naar huis terug. Ze kan zich nog slechts met de grootste moeite voortbewegen. Al spoedig blijkt, dat haar voeten steeds slechter worden en uiteindelijk kan zij niet meer van bed opstaan. Het wordt haar duidelijk, dat zij haar missie-ideaal voorgoed moet opgeven.

Met haar moeder bewoont zij een armzalig hutje; beide vrouwen moeten zien rond te komen van een uiterst bescheiden invaliditeitstoelage. Uit liefde voor Christus draagt Anna haar lijden op als een verzoening voor de zonden van de mensheid. Zij wordt daarbij zowel geestelijk als materieel geholpen door haar pastoor Karl Rieger, die een toegewijd leidsman blijkt. In haar gebedsleven ontvangt zij mystieke genadegaven; zo is haar lichaam vanaf 1910 getekend met de stigmata (= de wondetekenen aan handen, voeten en zij, precies zoals Jezus die had opgelopen bij zijn kruisdood). Zij krijgt de eretitel mee van ‘De Grote Dulderes van Mindelstetten’: zij had namelijk op Franciscus’ feestdag, 4 oktober, in een visioen (“Droom”, zei zij zelf) de heilige gezien, die uit liefde voor Christus zijn wondetekenen in zijn lichaam droeg. Vanaf dat moment begint zij aan een merkwaardige vorm van apostolaat. Vanaf haar bed staat zij mensen te woord met troost en goede raad. Zij schrijft brieven en vervaardigt eenvoudige handwerken, die zij gebruikt als kleine aardigheidjes om er mensen mee te verrassen.

Niemand weet hoeveel honderden of misschien wel duizenden mensen zij op die manier heeft geholpen. Maar eind 1922 komt ook daaraan een eind. Haar toestand wordt almaar slechter. Ze lijdt aan totale verlamming aan de benen, waar uiterst pijnlijke krampen doorheen jagen; daar komt ook nog darmkanker bij. Vijf weken voor haar dood valt zij uit bed. Sindsdien lijdt zij aan snerpende hoofdpijn, kan zij nauwelijks nog zien en is spreken uiterst moeizaam geworden. Mensen die haar in die tijd hebben gezien, spreken met intens medelijden hun verbazing uit, dat een mens zulke pijnen kon uithouden. Op 5 oktober 1925 komt er een eind aan haar lijden. Alle mensen die haar kenden waren ervan overtuigd, dat zij met een heilige te doen hadden gehad.

Zalig- en heiligverklaring
Het proces van haar zaligverklaring werd in 1972 op gang gebracht.
Zij werd op 7 maart 1999 door paus Johannes Paulus zalig verklaard en op 21 oktober 2012 door paus Benedictus XVI heilig verklaard.


05 okt - dinsdag

Sneek 08:45 - 09:15 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


05 okt - dinsdag

Sneek 09:15 Koffieochtend

Sint Martinushuis, Sneek

Dinsdag 5 oktober is weer een koffieochtend.
Na de H.Mis van 8.45 uur staat er weer een kopje koffie/thee voor u klaar in het Martinushuis.
Wilt u een praatje maken of alleen luisteren ? U bent van harte welkom.
Wij zijn er ook!!
Betty en Lenie



05 okt - dinsdag

Sneek 15:00 - 16:00 PKN Viering

Noorderhoek, woonzorgcentrum, Sneek

Voorganger: dhr. Jan Brandsma



05 okt - dinsdag

Sneek 16:00 Rozenkransgebed

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


06 okt - woensdag

- Hele dag Gedenkdag van H. Ivy van Pontivy, kluizenaar en abt; en H. Bruno de Kartuizer

– Geen, -

Ivy (ook Divagius, Divy, Evy, Ivagius, Ivi, Yvi, Yvy of Ywi) van Pontivy, Morbihan, Bretagne, Frankrijk; kluizenaar & stichter; † eind 7e eeuw.

Afbeelding van Ivy van Pontivy

ca 1900(?), processievaandel. Frankrijk, Bretagne, Loguivy, St-Ivy.

http://www.heiligen.net/afb/10/06/10-06-0700-ivy_3.jpg

Feest 6 oktober.

Afkomstig uit het noorden van Wales is hij enige tijd monnik in klooster Lindisfarne aan de oostkust van Engeland, vlak ten zuiden van Schotland; het staat op dat moment nog onder leiding van zijn stichter Sint Cuthbert († 687; feest 20 maart). In 685 verlaat hij het klooster, naar men aanneemt uit protest tegen de aanpassingen van de Keltische gebruiken aan de Romeinse.

Als hij dezelfde is als Iwy van Lindisfarne († 690; feest 6 oktober), dan geeft diens verhaal een heel andere reden voor zijn vertrek: door zijn wonderen en genezingen was er zo’n toeloop op hem ontstaan dat het voor hem onmogelijk was zijn geliefde leven van een teruggetrokken kluizenaar te leiden.

Hij steekt over naar het vasteland en komt waarschijnlijk terecht bij het sindsdien naar hem genoemde Loguivy-lès-Lannion (= ‘Ivyplek’, Côtes-du-Nord). Na verloop van tijd trekt hij verder naar het zuiden, en verblijft enige tijd in Loguivy-Plougras, totdat hij zich vestigt niet ver van de bronnen van de Blavet. Iets verder stroomafwaarts bouwt hij de brug die naar hem is genoemd: ‘Pont-Ivy’. Al gauw groeit de plek uit tot een welvarend dorp en overvleugelt de nabijgelegen oversteekplaatsen in belangrijkheid.

Nog heeft hij geen rust. Hij sticht een klooster tussen Rosporden en Quimper: het huidige St-Yvi. Daar sterft hij op een 6e oktober tegen het eind van de 7e eeuw.

Verering & Cultuur

Zijn naam leeft voort in een aantal Bretonse plaatsjes:
1 Lésivy (= ‘kasteel van Sint Ivy’: te Saint-Divy, gem. Landerneau, Finistère): ligt op één kilometer van het dorp St-Divy (zie nr.09 van deze opsomming): de oorsponkelijke plek van het plaatselijke St-Ivyklooster(tje)?
2 Loc-Yvi (te Tremeven, gem. Quimperlé, Finistère). De plaatselijke kapel is toegewijd aan Sint Diboan. Er is nog een St-Ivybron, weliswaar gesierd met een beeltenis van Sint Diboan.
3 Loguivy (te Plouguerneau, gem. Lannilis, Finistère).
4 Loguivy (te Rosnoen, gem. Le Faou, Finistère).
5 Loguivy-de-la-mer (te Ploubazlanec, gem. Paimpol, Côtes-du-Nord): er is een St-Ivykapel uit 1759.
6 Loguivy-lès-Lannion (= ‘heilige plek van Sint Ivy bij Lannion’).
7 Loguivy-Plougras. De kerk is tegenwoordig toegewijd aan Sint Émilion († 767; feest 16 november), maar een kapelletje herinnert er nog aan de oorspronkelijke patroonheilige. Hij wordt er gevierd op de eerste zondag van mei.
8 Pontivy (Morbihan).
9 Saint-Divy (gem. Landerneau, Finistère): in 1531 heette het hier nog Sainct Ivy: daaruit blijkt dat hier niet sprake is van een heilige Divi (verbastering wellicht van David), maar wel degelijk van Sint Ivy. Moeders doopten de kleren van zieke kinderen in het water van de plaatselijke bron, en legden ze vervolgens op hun kind waarbij ze om hun genezing baden.
10 Saint-Évy (te St-Jean-Trolimon, gem. Pont l’Abbé): kapel en nabijgelegen bron stammen uit 1660.
11 Saint-Yvi (gem. Rosporden, Finistère). Hij is er nog steeds patroonheilige, ook van de kerk. Een zogeheten ‘pardon’ (boetprocessie) had plaats op de maandag na Beloken Pasen te St-Yvi en elke laatste zondag van juli in Moreac bij Locminé, Morbihan.

Patronaten

Hij is patroon van jonge kinderen. Men roept zijn voorspraak in voor kansarme kinderen, om pasgeboren kinderen te behoeden voor alle kwaad, om genezing te verkrijgen van diarrhee, buik- en maagkwalen, hoofdpijn en ontstoken ogen (‘de ziekte van Sint-Ivi’).
In het Bretonse plaatsje Tréméven (Morbihan) wordt hij in het bijzonder nog aangeroepen om voorspraak bij hopeloze gevallen en met name voor stervenden.

Is hij dezelfde als Iwy van Lindisfarne?

_________________________________________________________________________________________________________

Bruno de Kartuizer, La Torre, Italië; grondlegger kartuizers; † 1101.

Afbeelding H. Bruno

Sint Bruno in gebed verzonken.
1655, Eustache le Sueuer, schilderij. Duitsland, Berlijn, Gemäldegalerie.

https://www.google.com/images/cleardot.gifFeest 6 oktober.

Bruno voelde zich sterk aangetrokken tot de eenzaamheid: hij verlangde ernaar God te zoeken in een leven van gestrengheid en gebed.
Er is een legende die probeert te verklaren hoe dat gekomen is:

Toen Bruno in Parijs een glanzende kerkelijke carrière tegemoet leek te gaan, stierf een beroemde professor aan de universiteit; volgens een oude verhalencyclus over het leven van Bruno heette deze geleerde Diocres. Bruno woonde de dodenwake bij. De overledene lag opgebaard in een open kist. Toen de lector in de kerk de woorden voorlas: “Responde mihi!” (= “Antwoord mij!”), ging de overledene plotseling rechtop zitten en riep met luide stem: “Ik ben voor Gods rechterstoel geroepen.” Daarop zonk hij weer zielloos terug. De aanwezigen waren verlamd van schrik. De volgende morgen werd het ochtendofficie voor de overledene gebeden. Toen men bij de woorden was aangekomen “Responde mihi!”, hief de overledene wederom zijn hoofd rechtop en riep: “Over mij is voor Gods rechterstoel een oordeel uitgesproken.!” En weer stoven de aanwezigen uiteen naar alle kanten. Op de derde dag had zich een grote menigte verzameld voor de uitvaart; men was afgekomen op de griezelige verhalen. Voor de derde maal richtte de dode zich op, en sprak wanhopig: “Ik ben voor Gods rechterstoel verdoemd.” Daarop werd hij in ongewijde aarde begraven.

Na deze gebeurtenis zou Bruno zijn studenten hebben gewezen op het kluizenaarsbestaan; zelf heeft hij alle wereldse zaken eraan gegeven hebben om als kluizenaar God te zoeken.

Naar aanleiding van deze legende vervaardigden de gebroeders van Limburg(?) in het gebedenboek ‘Belles Heures’, bestemd voor hertog Jean Duc de Berry, begin 15e eeuw, een afbeeldingenserie.

Hoewel bovenstaande legende zich waarschijnlijk niet heeft voorgedaan in het leven van de H. Bruno, karakteriseert ze toch heel goed zijn levenshouding. Hij was geboren rond het jaar 1030 in een vooraanstaande Keulse familie. Al tijdens zijn opleiding tot een geestelijk ambt vestigde hij de aandacht op zich door zijn talent en zijn houding van recht-door-zee. Door de bisschop van Reims werd hij benoemd tot directeur van de domschool aldaar. Hij bleek een voortreffelijk docent. Onder zijn leerlingen bevond zich o.a. Hugo van Grenoble († 1132; feest 1 april) die verderop in het leven van Bruno een belangrijke rol zou spelen. Toen de paus aan Bruno vroeg de kanselier van de bisschop van Reims te worden, vluchtte hij. Hij had een afschuw van de hardvochtige en praalzieke levenswijze van de kerkvorst die bovendien zijn ambt voor geld gekocht had.

Aanvankelijk trok hij zich terug in de benedictijner abdij van Molesme. Maar ook hier vond hij de strenge geest te zeer verziekt door welvaart, spil- en speelzucht. Met zes gelijkgezinde monniken verliet hij het klooster en begaf zich naar zijn oudleerling Hugo (de latere heilige bisschop Hugo van Grenoble, bijgenaamd ‘de Kartuizer’); deze had hem in een nachtelijk visioen al naar hem toe zien komen, ontving hem met zijn gezellen hartelijk, kleedde hen met een nieuw ordesgewaad en schonk hun een woest stuk grond in de eenzaamheid van de Alpen. Daar aangekomen bouwden de zeven zich een onderkomen: ieder bewoonde een eigen hutje en zorgde voor zijn eigen onderhoud. Eenmaal per dag kwam men in een kapelruimte bij elkaar voor gezamenlijk gebed. Eens per week maakte men een korte wandeling waarin men elkaar geestelijk voedsel toediende. Het heette daar: “La Chartreuse”. De beweging van de kartuizers was geboren. Het was 1084. De heilige bisschop Hugo kwam herhaaldelijk voor enige tijd naar de chartreuse om er te bidden; dat hield hij dan zo lang vol dat Bruno zich genoodzaakt zag hem in zijn gebed te storen om hem eraan te herinneren dat hij naar zijn mensen terug moest.

Bruno mocht hopen dat men hem zou vergeten, en dat hij zijn geliefde leven van God-zoeken-in-de-eenzaamheid onbekommerd zou kunnen voortzetten. Maar paus Urbanus II († 1099; feest 29 juli) had een vroom en wijs raadsman naast zich nodig en zijn keus viel op Bruno. Deze kon niet weigeren, en begaf zich tot zijn verdriet in het jaar 1090 naar zijn nieuwe taak. Onophoudelijk heeft hij de paus gevraagd om te mogen terugkeren naar de eenzaamheid.
Tenslotte stond deze het hem toe: 1091. Hem werd een stuk grond in Calabrië geschonken, en wederom trok hij zich met zes gelijkgezinden in de stilte terug. Pogingen om kontakten te leggen met zijn eerste vestiging mislukten. Na tien jaar aan het hoofd te hebben gestaan van de Calabrische chartreuse, stierf hij. Hij werd ter plaatse begraven. Toen men vierhonderd jaar later zijn lichaam opgroef, bevond het zich nog in ongeschonden staat.

Verering & Cultuur
Hij is één van de patroons tegen de pest.
Hij wordt afgebeeld in kartuizer habijt (lang wit gewaad met capuchon), een vinger aan de lippen; soms een mijter aan zijn voeten (omdat hij in 1090-1091 een aanbod van Urbanus II afsloeg om bisschop van Reggio te worden; vaak houdt hij de blik gevestigd op een kruisbeeld; soms valt er ook een schedel te zien, symbool voor versterving; hetzelfde symboliseert de voorstelling dat hij op een aardbol staat: wereldverzaking; ook wordt hij wel afgebeeld met een ster op de borst of een krans van sterren om zich heen.

Weerspreuk(en)
‘Wie Bruno tart,
zijn koren wordt er zwart.’



06 okt - woensdag

Sneek 09:15 - 09:45 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek


06 okt - woensdag

Sneek 13:30 - 14:30 Leerhuis

Pastorie Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


06 okt - woensdag

Sneek 14:30 - 15:30 1e Communicantjes

Sint Martinushuis, Sneek


07 okt - donderdag

- Hele dag Feestdag H. Maagd Maria van de Rozenkrans

– Geen, -

Maria van de Rozenkrans; 1571

Afbeelding van H. Maria van de Rozenkrans
1619. Altaarretabel door Johannes de Pay. Duitsland, Heiligkreuztal, klooster
De vijftien geheimen van de rozenkrans.

http://www.heiligen.net/afb/10/07/10-07-1571-maria_2.jpg

Feest 7 oktober

Rond 1570 bedreigden de oprukkende Turken het christelijke westen. Met de grootst mogelijke moeite wist paus Pius V († 1572; feest 5 mei) de christenstaten te bewegen de krachten te bundelen en een gezamenlijk leger op de been te brengen. Zo voer op 7 oktober 1571 een Spaans-Italiaanse vloot, onder leiding van Don Juan van Oostenrijk († 1578) de Turken tegemoet voor een beslissend treffen. Deze zeeslag is de geschiedenis ingegaan als de Slag bij Lepanto (= het huidige Navpaktos, ten noorden van de Griekse stad Patras aan de Golf van Korinte).

Intussen had de paus de christenen opgeroepen het gebed van de heilige rozenkrans te bidden en daarbij Maria’s voorspraak af te smeken. Als de christenen zouden winnen – zo beloofde hij – zou hij een officieel feest van de rozenkrans instellen. En zo geschiedde.

Het feest werd nog eens door paus Clemens XI († 1721) voor de hele kerk bekrachtigd, toen Prins Eugen op 5 augustus 1716 nogmaals een schitterende overwinning behaalde op de Turken bij Peterwardein (bij Neusatz aan de Donau ten noordwesten van Belgrado); hij plaatste het op de eerste zondag van de maand oktober.

Paus Pius X († 1914; feest 21 augustus) plaatste het feest op 7 oktober. Op aanraden van de heilige karmelietes en mystica Katharina Filtjung († 1915; feest 4 augustus) wijdde paus Leo XIII († 1903) de maand oktober toe aan Maria als Koningin van de Heilige Rozenkrans.

Overigens was de rozenkrans als gebedssnoer al veel ouder. Het waren vooral de dominicanen die de devotie voor de rozenkrans verspreidden. Bekend is de afbeelding dat Maria vanuit de hemel het gebedssnoer toevertrouwt aan Sint Dominicus († 1221; feest 8 augustus), vaak tegelijk ook aan Sint Catharina van Siena († 1380; feest 29 april). Zo behoorde de dominicaan Alanus a Rupe († 1475; feest 8 september) tot de bevorderaars van het rozenkransgebed.

De Rozenkrans

De volledige rozenkrans is een gebedssnoer, samengesteld uit vijftien keer tien kralen, telkens afgewisseld met één aparte, meestal grotere kraal. De series van tien kralen noemt men ‘tientjes’. Terwijl men de kralen door de vingers laat glijden, bidt men telkens een Wees-gegroet; bij de grotere kraal tussen de tientjes in bidt men een Onze Vader en een Eer aan de Vader. Aan het begin van elk tientje wordt een geloofsgeheim uitgesproken om tijdens het ritmische bidden van de Weesgegroeten te overwegen.

Van oudsher zijn er drie series geheimen: de blijde, droevige en glorievolle geheimen.

De Blijde Geheimen
1 De engel Gabriël brengt de Blijde Boodschap aan Maria
2 Maria bezoekt haar nicht Elisabeth
3 Jezus wordt geboren in een stal van Bethlehem
4 Jezus wordt in de tempel opgedragen
5 Jezus wordt in de tempel wedergevonden

De Droevige Geheimen

1 Jezus bidt in doodsangst tot zijn hemelse Vader
2 Jezus wordt gegeseld
3 Jezus wordt met doornen gekroond
4 Jezus draagt zijn kruis naar de berg van Calvarië
5 Jezus sterft aan het kruis

De Glorievolle Geheimen
1 Jezus verrijst uit de doden
2 Jezus stijgt op ten hemel
3 De Heilige Geest daalt neer over zijn apostelen
4 Maria wordt in de hemel opgenomen
5 Maria wordt in de hemel gekroond

Het was Josemaría Escriva, grondlegger van Opus Dei († 1975; feest 16 juni), die vijf geheimen samenstelde, ontleend aan het openbaar leven van Jezus. Hij noemde ze de Geheimen van het Licht. Paus Johannes Paulus II nam ze over en beval ze aan in de devotie van de rozenkransbidders.

Geheimen van het Licht
1 Jezus wordt gedoopt in de Jordaan
2 Jezus openbaart zich op de bruiloft van Kana
3 Jezus verkondigt het Rijk Gods en roept op tot bekering
4 Jezus verandert van gedaante op de berg Tabor
5 Jezus stelt de eucharistie in

Het Rozenhoedje
In het dagelijks gebruik van de gelovigen werd meestal niet een complete rozenkrans van 150 Weesgegroeten gebeden, maar een derde ervan: 50 Weesgegroeten: het ‘rozenhoedje’.

Er bestaat ook een rozenkrans die is opgebouwd uit zeven keer zeven wees-gegroeten, de zogeheten franciscaanse rozenkrans van zeven vreugden:

De geloofsgemeenschap viert in Maria’s leven zeven ‘vreugde’, zeven momenten van (intens grote) vreugde’, zeven keer een ‘Laetitia’:
1 De aankondiging van de engel Gabriël, dat zij de moeder zal worden van onze Heer Jezus Christus
2 Het bezoek dat zij brengt aan haar bejaarde nicht Elisabeth over wie zij van de engel Gabriël verneemt dat zij op haar oude dag al zes maanden in verwachting is, terwijl zij eigenlijk geen kinderen kon krijgen
3 Jezus’ geboorte in Bethlehem
4 De aanbidding van de wijzen uit het oosten
5 De terugvinding van de 12-jarige Jezus in de tempel na drie dagen smartelijk zoeken
6 De verrijzenis of opstanding van Jezus uit de doden
7 Maria’s ten hemel opneming

Zo horen we van de franciscaan Gabriele Ferretti († 1456; feest 12 november) dat hij de devotie tot de franciscaanse rozenkrans van de zeven vreugden verspreidde.



07 okt - donderdag

Sneek 08:45 - 09:15 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


07 okt - donderdag

Sneek 16:00 Rozenkransgebed

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


08 okt - vrijdag

- Hele dag Gedenkdag H. Reginfrida van Ostrevant, abdis

– Geen, -

Reginfrida (ook Raginfredis, Rainfroye, Reginfrida of Reine) van Ostrevant (ook van Arras, van Denain of van Donon), Frankrijk; abdis; † ca 800.

Afbeelding van Reginfrida
< 1900. Houtsnijwerk. Frankrijk, Denain, kerk.

http://www.heiligen.net/afb/10/08/10-08-0800-reginfrida_1.jpg

Feest 8 oktober & 20 november.

Haar vader en moeder graaf Aldebert van Ostrevant († begin 9e eeuw; feest 22 april) en gravin Reina stichtten halverwege de 8e eeuw klooster Donon of Denain bij Valenciennes in Frankrijk.

Ze plaatsten er hun dochter Reginfrida als abdis aan het hoofd.

Na haar dood ontstond er rond haar graf een bedevaartsoord.

Want in de loop van de volgende eeuw kwam een blinde vrouw, Awa (of Ava) uit Henegouwen, genezing zoeken. Haar gebed werd verhoord. Toen is ze maar meteen in het klooster getreden. Enige tijd later werd zij tot abdis gekozen.

Ook deze Awa wordt als heilige vereerd († 9e eeuw; feest 29 april)



08 okt - vrijdag

Sneek 19:00 - 19:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


09 okt - zaterdag

- Hele dag Gedenkdag H. Dionysius, bisschop & martelaar

– Geen, -

Dionysius (ook Denis) van St-Denis bij Parijs, Frankrijk; bisschop & martelaar met Rusticus & Eleutherius; † ca 250.

Afbeelding H. Dionysius van St-Denis

< 1800. Wandschildering. Frankrijk, Parijs, St-Sulpice
Dionysius, Rusticus en Eleutherius ter dood veroordeeld.

http://www.heiligen.net/afb/10/09/10-09-0250-dionysius_2.jpg

Feest 9 oktober.

Voor onze beschrijving van Sint Dionysius citeren we Luce Pietri in Plongereon [319]. Eigen opmerkingen zullen we er met niet-cursieve letters tussen voegen.

‘Onze kennis van Dionysius steunt alleen maar op berichten, die later geschreven zijn dan de gebeurtenissen zelf. Een extra moeilijkheid is het feit, dat sommige teksten zeer lastig te dateren zijn. Op basis van die datering zijn die teksten in de loop van de geschiedenis dan ook zeer verschillend gewaardeerd.
Het eerste getuigenis vormt waarschijnlijk Het Leven van Sint Geneviève, aangenomen dat het inderdaad – zoals de schrijver zegt en zoals de meeste geschiedkundigen tegenwoordig veronderstellen – rond het jaar 520 werd samengesteld. Daarbij is het nog altijd niet duidelijk of het oudste exemplaar, de zogeheten Recensie A, niet een latere invoeging heeft meegekregen, die juist het gedeelte over Dionysius betreft.

De schrijver zegt te beschikken over een Lijdensverhaal (‘Passio’) van Dionysius. Hij toont ons Dionysius als de eerste bisschop van Parijs en als een martelaar zonder daaraan ook maar een historisch aanknopingspunt te verbinden. Uit zijn verhaal wordt alleen duidelijk, dat het graf van de heilige op de begraafplaats van de versterking Catuliacus reeds enige verering genoot, toen Sint Geneviève daar rond 475 een basiliek liet bouwen.

De naam van de begraafplaats is afgeleid van Catula, de vrouw, die volgens de legende Dionysius begroef (zie verderop in de legenden).

Pas tegen het eind van de 6e eeuw horen we weer nieuwe informatie. Op dat moment staat de verering van Dionysius aan het begin van een bloeiperiode. Dat kunnen we opmaken uit getuigenissen van de dichter (Venantius) Fortunatus van Poitiers († ca 610; feest 14 december) en de geschiedschrijver Gregorius van Tours († 594; feest 17 november). Beiden vieren de liturgische gedachtenis van de Parijse martelaar. Niet lang daarna, rond 600, wordt Dionysius vermeld in het exemplaar van het Martelarenboek van Hiëronymus, dat in Auxerre werd gebruikt. Gregorius van Tours is de eerste die Dionysius situeert in een historische context. Hij maakt hem tot een van de zeven bisschoppen, die rond 250 door de paus naar Gallië werden gezonden om er het evangelie te gaan verkondigen.

Bij Gregorius van Tours lezen wij: ‘In de tijd van keizer Decius (249-251) werden zeven mannen, die zojuist tot bisschop waren gewijd, naar de Galliërs gezonden. Zo horen we in de geschiedenis van de heilige martelaar Saturninus († ca 257; feest 29 november), waar we het volgende lezen: ‘Zorgvuldig is bewaard gebleven hoe de stad Toulouse ten tijde van de consuls Decius en Gratus Sint Saturninus ontving als haar eerste en grootste priester.’ De zeven bisschoppen werden gezonden naar de volgende zetels: bisschop Gatianus († 310; feest 18 december) naar de inwoners van Tours; bisschop Trofimus († ca 280; feest 9 december) naar de inwoners van Arles; bisschop Paulus († ca 250; feest 22 maart) naar Narbonne; bisschop Saturninus naar Toulouse; bisschop Dionysius naar de inwoners van Parijs; bisschop Stremonius (ook Austremonius; † ca 250; feest 1 november) naar de inwoners van Clermont-Ferrant en Martialis († ca 250; feest 30 juni) werd bisschop van Limoges. Van hen onderging Sint Dionysius, bisschop van Parijs, meerdere folteringen omwille van Christus’ naam; hij werd om het leven gebracht door het zwaard.’
Tot zover Gregorius in zijn Geschiedenis der Franken I,30.

Zo kwam Dionysius naar Parijs. Het Martelarenboek van Hieronymus geeft de bisschop twee gezellen: de priester Eleutherius en de diaken Rusticus.
Tenslotte beschikken we over een aantal Lijdensverhalen (‘Passies’) van Dionysius. Op de eerste plaats het ‘Gloriosae’, genoemd naar het openingswoord. Hoewel er nog altijd geschiedkundigen zijn die het plaatsen in de 6e eeuw – sommigen veronderstellen zelfs dat de schrijver van het Leven van Sint Geneviève naar dit document verwijst – moet het toch van recenter datum zijn. Het ‘Gloriosae’ maakt van Dionysius een bisschop die leerling is van de paus Sint Clemens († 97; feest 23 november). Na met suscces in de buurt van Parijs gepreekt te hebben, wordt hij gevangen genomen en met zijn beide gezellen onthoofd. Opvallend is dat de functies van de beide gezellen zijn omgewisseld: nu is Rusticus priester en Eleutherius diaken. Een vrome vrouwe slaagt erin beslag te leggen op de lijken van de martelaren. Zij laat ze begraven in een of ander veld. Als de vervolgingen voorbij zijn, laat zij op de plek van hun graf een gedenkteken oprichten, later door de christengelovigen vervangen door een basiliek, waarbij nergens de naam van Sint Geneviève valt.

Het tweede lijdensverhaal van Dionysius, het zogeheten ‘Post beatam et gloriosam’, werd geschreven begin 9e eeuw en het derde door abt Hildwin van St-Denis tussen 835 en 840. Daarmee krijgt Dionysius’ heiligenleven zijn definitieve vorm. Nu is Dionysius van Parijs dezelfde als Dionysius de Areopagiet, die door Paulus tijdens zijn bezoek aan Athene werd bekeerd (Handelingen 17,34). Hij wordt ook gelijkgesteld met de schrijver van een aantal mystieke werken, die overigens van veel recenter datum moeten zijn en daarom op naam staan van de zogeheten Pseudo-Dionysius. Eerst is hij bisschop van Athene. Maar als hij hoort dat Petrus en Paulus zijn gearresteerd, besluit hij hen in Rome te gaan opzoeken. Bij zijn komst blijken de twee reeds de marteldood gestorven te zijn. Nu hoort hij dat Gallië nog in de duisternis van het heidendom is gehuld. Hij vraagt aan paus Clemens toestemming om er het evangelie te preken. De bekeringen die hij in Parijs weet te bewerkstelligen, wekken de woede van Domitianus. Op last van een speciale gezant van de keizer wordt hij voor de rechter gedaagd en met zijn beide gezellen op een berg buiten de stad, de Mercuriusberg, ter dood gebracht. Sindsdien heet die berg de Martelarenberg (‘Mons Martyrum’ wordt Montmartre). Maar Dionysius richt zich op en met zijn hoofd in de handen loopt hij twee mijl verder tot hij stilhoudt op de plek waar hij begraven wenst te worden. Daar draagt vrouwe Catula zorg voor. Op die plek bevindt zich nu de basiliek van St-Denis.
Gaandeweg deze verschillende versies is duidelijk te zien hoe de legende zich steeds meer ontwikkelt; er komen steeds meer bijzonderheden en mensen bij, steeds preciezer plaatsaanduidingen en steeds meer wonderbaarlijke gebeurtenissen. Ook valt het op dat Dionysius steeds verder terug in de geschiedenis wordt geplaatst: voor Gregorius is hij een tijdgenoot van Saturninus; later wordt hij in verband gebracht met paus en apostelleerling Clemens en tenslotte met de apostel Paulus zelf. Daar hoeven we ons niet over te verbazen. Parijs was in de middeleeuwen zeker niet de enige Gallische stad die zich tegen elke waarschijnlijkheid in probeerde te onderscheiden door een fundament dat op de apostelen zelf teruggaat.
Wat in ieder geval overblijft is het feit dat minstens reeds in de 5e eeuw Dionysius in Parijs werd vereerd; daar bewaarden de gelovigen waarschijnlijk op goede gronden de herinnering aan zijn martelaarschap dat plaats moet hebben gevonden tijdens een van de christenvervolgingen in de tweede helft van de derde eeuw.’

Alle elementen die we in bovenstaand overzicht aantreffen komen bij elkaar in Dionysius’ verhaal zoals het uiteindelijk werd opgetekend door Jacobus de Voragine († 1298; feest 13 juli) in zijn beroemde Legenda Aurea. Hieronder volgt de vertaling.

Legende
‘Dionysius de Areopagiet werd bekeerd tot het geloof in Christus door de heilige apostel Paulus. Zijn bijnaam ‘Areopagiet’ komt van de naam van een buitenwijk van Athene, waar hij woonde: de Areopaag, dat wil zeggen ‘stadswijk van Mars’, want er stond een tempel waar Mars vereerd werd. Die wijk was de favoriete woonplaats der wijsgeren. Dionysius deed er aan de studie van de filosofie. Vandaar dat hij ook nog een andere bijnaam had: ‘de theosoof’, dat betekent ‘de man die zich vooral toelegt op de kennis van God’. Hij had een collega die Apollófanes heette.

Op de dag dat Christus stierf viel er een dikke duisternis over heel de wereld, dus ook over de stad Athene. De wijsgeren konden er maar niet achter komen, welke de natuurlijke oorzaak was van dit opmerkelijke verschijnsel, want het was heel anders dan andere zonsverduisteringen. Wij merken hier nog op dat talloze getuigen bevestigen hoe wereldomvattend die plotselinge duisternis was.
Zij werd waargenomen in Griekenland, Rome en Klein-Azië.

Volgens andere bronnen verbleef Dionysius op dat moment in de Egyptische stad Heliopolis, waar zijn collega Apollofanes woonde, aldus bv. Mrs. Jameson ‘Sacred and Legendary Art. Volume II containing legends of angels and archangels, the evangelists, the apostles, the doctors of the church and St. Mary Magdalene as represented in fine arts’ London, Longmans & Green & Co, 1890 p.713. In dat geval wordt er gespeeld met de naam van die stad Heliopolis, want die betekent ‘Zonnestad’. De legende wil dat Dionysius daar verblijft, als het zonlicht wordt verduisterd. En die stad ligt nu eenmaal in Egypte.

Geconfronteerd met dit verschijnsel zou Dionysius volgens de verhalen aan zijn landgenoten gezegd hebben: “Deze ongehoorde nacht kondigt vast en zeker de komst aan van een ongehoord nieuw licht, dat de hele wereld zal verlichten.”
Op grond daarvan hadden de Atheners een nieuw altaar opgericht met het opschrift ‘Aan een onbekende God’.

De legende brengt meesterlijk een aantal gegevens uit het Nieuwe Testament bij elkaar: de duisternis van Jezus’ sterfdag (Markus 15,33: “Vanaf het zesde uur [= 12 uur op de middag] viel er een duisternis over het hele land, tot aan het negende uur toe.”) is voor Dionysius aanleiding een nieuw licht te verwachten. Op die manier wordt hij geplaatst in de traditie van de Wijzen uit het Oosten (zie Mattheus 02,01-12) die op soortgelijke wijze in Jezus’ geboortenacht door de ster van Bethlehem tot het ware licht werden gebracht. Het altaar voor de onbekende God is voor Paulus de uitdaging om Christus te verkondigen aan de wijsgeren van de Areopaag te Athene (Handelingen 17,22-33). Zonder succes overigens. Dat verhaal eindigt aldus: “Toch sloten zich sommigen bij hen aan en kwamen tot het geloof, onder wie Dionysius de Areopagiet en een vrouw die Dámaris heette en nog anderen.” Aldus wordt de latere Dionysius van Parijs vereenzelvigd met Dionysius de Areopagiet. Een gebruikelijk procédé in legendes. De bedoeling ervan lijkt duidelijk. Wie die van Parijs meemaakte kon niet anders dan opmerken: “Onze Dionysius is zo heilig en staat zo dicht bij het Nieuwe Testament: hij moet wel dezelfde zijn. De tijden van de het Nieuwe Testament zijn in ons midden teruggekeerd!”

Bij zijn bezoek aan Athene viel Paulus’ oog op dat altaar en hij riep uit: “De God die jullie vereren zonder Hem te kennen, kom ik jullie openbaren.” Daarop richtte hij zich tot Dionysius, omdat hij de knapste wijsgeer was van allemaal met de vraag wie die onbekende God wel was. Dionysius antwoordde: “Het is de enige ware God, maar Hij houdt zich voor ons verborgen; wij kennen Hem niet.” Sint Paulus hernam: “Het is die God die ik jullie kom openbaren. Hij heeft hemel en aarde geschapen; Hij heeft zich bekleed met de gestalte van een mens, heeft de dood ondergaan en is opgestaan op de derde dag.” Hierover bleven Dionysius en Paulus met elkaar van gedachten wisselen. Op een goed moment kwam er een blinde voorbij. Nu zei Dionysius tegen Paulus: “Als u aan deze blinde zegt dat hij in naam van uw God ziende wordt, en het gebeurt, dan bekeer ik me ogenblikkelijk tot uw geloof. Maar ik wil niet dat u één of andere geheimzinnige onnavolgbare toverformule gebruikt. Daarom zal ik u de woorden ingeven waarmee u deze blinde moet genezen in naam van uw Jezus.” Paulus was bereid elke vorm van verdenking te vermijden en nodigde dus Dionysius uit hem de woorden voor te zeggen. Zij luidden aldus: “In naam van Jezus Christus, uit een maagd geboren, gekruisigd, verrezen uit de doden en opgestegen naar de hemel, geef deze man hier het gezichtsvermogen.”

In feite spreekt Dionysius hier een korte geloofsbelijdenis uit. De legende suggereert drie dingen tegelijk: dat Paulus hem in de discussie deze dingen heeft voorgehouden en dat Dionysius ze op hun waarheid wil toetsen; hij neemt dus letterlijk Paulus’ formulering over; tenslotte dat Dionysius eigenlijk al zonder het te weten een gelovige is. Schreef immers Paulus niet in één van zijn brieven:
“Niemand kan zeggen ‘Jezus is de Heer’ tenzij door de Heilige Geest.” (1 Korintiërs 12,03). Dionysius is dus eigenlijk zelf ook een beetje die blinde die ernaar verlangt te zien, juist zoals hij destijds in de duisternis een nieuw licht verwachtte.

Dionysius had die woorden nog niet uitgesproken of de blinde was genezen. Nu ontving Dionysius het doopsel, tegelijk met zijn vrouw Dámaris en heel zijn huishouding.

Nu blijkt Dámaris Dionysius’ vrouw te zijn; zo stond het niet in de Handelingen; de gegevens worden zo veel mogelijk met elkaar verweven.

In de drie jaren daarna bracht Sint Paulus hem de waarheden van het geloof bij. Tenslotte wijdde hij hem tot bisschop van Athene. De prediking van Dionysius was zo enthousiast en overtuigd dat hij zijn hele geboortestad tot het christelijk geloof wist te bekeren, met nog een flink stuk van de omgeving erbij.
In zijn boeken geeft hij te kennen dat Paulus hem heeft verteld wat hij had gezien toen hij tot in de derde hemel werd opgenomen.

Paulus verwijst daarnaar in zijn Tweede Brief aan de Korintiërs: “Ik ken een mens in Christus, die veertien jaar geleden, in het lichaam of buiten het lichaam, ik weet het niet, God weet het… die mens werd weggerukt naar de derde hemel.” (2 Korintiërs 12,02).

Hoe dan ook wij moeten in ieder geval toegeven dat Dionysius ons helder en tot in de kleinste details weet te beschrijven hoe de machtsverhoudingen, de volmachten en dienstwerken onder de engelenkoren verdeeld zijn. Hij vertelt er zo over dat je bijna niet kunt geloven dat hij het uit de mond van een ander heeft opgetekend; je zou bijna zeggen dat hij met eigen ogen in de derde hemel moet hebben geschouwd. Daarnaast bezat hij ook de gave van de profetie. Dat bewijst ons zijn brief aan de apostel Johannes, toen deze verbannen was naar het eiland Patmos.
Daarin schreef hij: “Ik heb een goed bericht voor je, veelgeliefde broeder, want je zult bevrijd worden van je ballingschap op Patmos, en je zult kunnen terugkeren naar je eigen gebied in Azië. Daar zul je voortleven in de gedachtenis van degenen die na je komen door de manier waarop jij het voorbeeld van Christus hebt nagevolgd.” Daarnaast leert hij ons ook nog in zijn boek over de namen van God, dat hij aanwezig was bij het afsterven van de Heilige Maagd.

De schrijver van de Legenda Aurea, Jacobus de Voragine, pronkt hier een beetje met zijn kennis. Hij noemt een aantal boeken op van de hand van Dionysius de Areopagiet: 1. Over de Hemelse Hiërarchie, 2. Over de Namen van God, en 3. Een bundel brieven, waarvan er een aantal gericht zijn aan de apostel Johannes.

Die boeken stammen volgens het historisch onderzoek uit de 5e eeuw, en staan tegenwoordig op naam van Pseudo-Dionysius. De schrijver van deze boeken presenteert zichzelf als de Dionysius die door de apostel Paulus werd bekeerd; hij beweert in één van zijn brieven (nr.7,2) dat hij te Heliopolis de duisternis van Christus’ sterfdag heeft aanschouwd. Ook geeft hij ons te kennen, zoals de legende vertelt, dat hij bij het afsterven van Maria aanwezig geweest zou zijn tezamen met Petrus en Jakobus (Over de Goddelijke Namen 3,2). Zijn werk ‘Over de Hemelse Hiërarchie’ handelt over de rangorde der engelen in de hemel. Dit boek zou teruggaan op wat Paulus hem had verteld over zijn visioen in de derde hemel. Zie Berthold Altaner ‘Patrologie. Leben, Schriften und Lehre der Kirchenväter’ Freiburg/Basel/Wien 1960 Sechste Auflage p.238.

Eens te meer merken wij op dat de middeleeuwer er geen moeite mee heeft dit alles met elkaar in verband te brengen zonder zich te storen aan de vraag of het historisch klopt. Zijn kennis en wetenschap diende ertoe God dichterbij te brengen.

Toen hij hoorde dat Petrus en Paulus onder Nero te Rome in de gevangenis waren geworpen, benoemde hij een ander op zijn plaats en ging op weg om de twee heilige mannen te kunnen ontmoeten. Nadat zij hun ziel aan God hadden teruggegeven, stuurde paus Clemens Dionysius naar Frankrijk, en gaf hem als gezellen mee Rusticus en Eleutherius.

Historisch gesproken werd Paus Clemens I in 88 tot bisschop van Rome gewijd; hij stierf in 97. Petrus en Paulus stierven te Rome rond de jaren 64 en/of 67. Het verhaal slaat dus de pausen Linus en Cletus over, die tussen 67 en 88 Petrus’ stoel te Rome hebben bezet. Onze Dionysius sterft rond het jaar 250 in Parijs. Deze aantekeningen dienen er alleen maar toe om ons voor ogen te houden dat de legende geen geschiedenis vertelt, maar een actueel evangelieverhaal. Zou er gespeeld worden met de naamsbetekenis van Clemens: ‘zachtmoedige’?

Kimpel merkt op dat de namen Rusticus en Eleutherius in de Griekse mythologie eretitels waren voor de wijngod Dionysius: Rusticus = ‘bij het platteland behorend’ en Eleutherius = ‘bevrijder’. Volgens hem moest het verhaal over drie personen gaan, omdat aldus het beeld van de Drievuldigheid werd opgeroepen.
[In: Engelbert Kirschbaum (begründet), Herausgegeben von Wolfgang Braunfels ‘Lexikon der christlichen Ikonographie’ Rom/Freiburg/Basel/Wien, Herder, 1990 ISBN 3-451-21806-2, Sechster Band kol.62.]

Dionysius begaf zich dus naar Parijs. Daar wist hij vele bekeringen te bewerkstelligen. Hij stichtte er een aantal kerken en wijdde een flink aantal priesters. De hemelse genade was op zeer bijzondere wijze met hem. Vaak stormde het volk na opgestookt te zijn door de afgodspriesters als één man op hem af om hem onschadelijk te maken; maar als ze dan bij hem in de buurt kwamen, voelden zij hoe al hun agressie wegvloeide. Dan waren er die zich aan zijn voeten voor hem neerwierpen, terwijl anderen met de schrik in de benen de vlucht namen.
Zo zag de duivel zijn eredienst van dag tot dag verminderen. Hij gaf daarom aan keizer Domitianus de onmenselijke gedachte in dat ieder die een christen tegen het lijf liep, deze moest dwingen om aan de goden te offeren, anders zouden hem zelf de strengste straffen te wachten staan. Het was prefect Fescennius die vanuit Rome naar Parijs gezonden werd om tegen de christenen op te treden. Toen deze prefect Dionysius aantrof juist op het moment dat hij aan het preken was voor het volk, gaf hij bevel hem te arresteren, vast te binden met de ruwst mogelijk touwen en hem aan hem voor te geleiden in zijn pretorium, tegelijk met de andere twee heiligen, Rusticus en Eleutherius.
Ook staande voor de prefect getuigden de drie onverschrokken van hun geloof, tot er een edelvrouw kwam opdagen met de beschuldiging dat ook haar echtgenoot door deze drie verleid was. De prefect liet ogenblikkelijk die echtgenoot aan zich voorgeleiden. Maar deze bleef standvastig in zijn geloof, en werd op staande voet ter dood gebracht. De drie heilige mannen werden daarop door twaalf soldaten gegeseld, met loodzware kettingen omhangen en in de gevangenis geworpen. De volgende dag werd Dionysius geheel naakt op een rooster uitgestrekt. En temidden van de vlammen bracht hij dank aan God.

Herinnering aan de drie jongemannen in de vuuroven (zie: Daniël 03)?

Vervolgens werd hij te vreten gegeven aan de wilde beesten die apart voor dit doel geruime tijd niet gevoederd waren. Maar op het moment dat de dieren zich op hem wilden storten, maakte hij er een kruisteken over. Nu legden ze zich braaf als makke lammetjes naast hem neer.

Dit verhaal herinnert al evenzeer aan een verhaal uit het boek Daniël: Daniël in de leeuwenkuil (Daniël 06). Ook daar blijft de man Gods ongedeerd.

De prefect gaf bevel hem te kruisigen. Na tal van folteringen liet hij hem naar de andere christenen in de gevangenis terugbrengen. Terwijl Dionysius daar de mis opdroeg, verscheen hem Jezus zelf, gehuld in een fantastisch licht; Hij reikte hem een stuk brood aan met de woorden:
“Neemt en eet, mijn zoon, als teken van de dankbaarheid die velen je verschuldigd zijn.”
De volgende dag ondergingen de drie heiligen weer de ene foltering na de andere tot hun hoofd werd afgeslagen met een hakbijl; dat gebeurde voor het beeld van Mercurius. Het lichaam van Dionysius richtte zich onmiddellijk weer op, nam het afgeslagen hoofd in zijn handen en wandelde onder de hoede van een engel wel twee mijlen verder, namelijk vanaf Montmartre, dat wil zeggen de Martelarenberg (Mons Martyrum) tot aan de plaats waar het stoffelijk overschot volgens eigen beschikking en door inwerking van de goddelijke voorzienigheid te rusten is gelegd; het bevindt zich er nog tot op de dag van vandaag.

Het beeld van een onthoofde die het eigen hoofd oppakt, komt in legenden meer voor. Het vormt een krachtig getuigenis voor het geloof in de verrijzenis. Want de dode wordt niet tot dit leven teruggeroepen, nee de dode handelt als dode, in trance, om zo te zeggen! Hij leeft bij God; de dood heeft geen macht meer over hem en “bij God is alles mogelijk” zoals we herhaaldelijk in de bijbel horen.

Vandaar dat alle aandacht zich richt op dat hoofd op die ongebruikelijke plaats: in de handen van de onthoofde. We horen hoe de martelaar met het hoofd in de handen naar het altaar of de kerk van de Heer loopt: zo wordt gesuggereerd dat hij zijn gaven aandraagt om ze aan de Heer aan te bieden, de gave van zijn leven. (Deze gedachte vinden wij ook bij Mrs Jameson in ‘Sacred and Legendary Art. Volume II containing legends of angels and archangels, the evangelists, the apostles, the doctors of the church and St. Mary Magdalene as represented in fine arts’ London, Longmans & Green & Co, 1890 pp.715-716). Merk op dat allen op de een of andere manier tot de opstanding van Christus komen.

In de kunst is dit de afbeelding bij uitstek geworden waaraan Dionysius wordt herkend .

Dionysius heeft zijn laatste rustplaats zelf uitgezocht. Op die plaats is de beroemde kerk van St-Denis verrezen in de nabijheid van Parijs. In de middeleeuwen was het klooster van St-Denis wereldberoemd.

Op hetzelfde moment weerklonk er op die plek zulk een harmonieuze engelenmuziek dat vanuit de omstanders een vrouw haar stem verhief, het was Laërtia, de vrouw van de prefect zelf: zij riep uit dat ze voortaan christen wilde zijn. Dat kwam haar op de doodstraf door onthoofding te staan. Aldus ontving zij het doopsel van het bloed. De zoon van deze vrouw, Vibius, had in Rome onder drie keizers gediend. Toen hij in Parijs terugkeerde, liet hij zich dopen en nam de religieuze levensstaat aan.
De ongelovigen waren intussen bang dat de andere christenen de lijken van de heilige Rusticus en Eleutherius zouden komen begraven; daarom staken zij de koppen bij elkaar en kwamen tot de slotsom dat ze in de Seine gegooid moesten worden. Maar een edelvrouw nodigde de dragers van de beide lijken bij zich aan tafel. Tijdens de maaltijd wist zij de lijken weg te moffelen om ze tenslotte ergens op haar land netjes te begraven. Daar zijn ze gebleven tot de vervolgingen waren uitgewoed. Toen zijn ze bijgezet bij de heilige Dionysius. De drie heiligen ondergingen de marteldood tijdens de regering van Domitianus in het jaar 96. Dionysius was op dat moment negentig jaar oud.’



09 okt - zaterdag

- Hele dag Gedenkdag H. Johannes Leonardi, stichter

– Geen, -

Johannes Leonardi, Rome, Italië; † 1609.

Afbeelding van Johannes Leonardi
ca 1980, devotieprentje. Italië.

http://www.heiligen.net/afb/10/09/10-09-1609-johannes_1.jpg

Feest 9 oktober.

Hij werd in 1541 geboren in het Italiaanse plaatsje Diecimo, niet ver van Lucca. Hij begon zijn loopbaan als apothekersassistent.

Op zijn tweeëndertigste ontving hij de priesterwijding. Een jaar later al stichtte hij een religieuze congregatie die tot doel had de jeugd les te geven en op te voeden.

Daarnaast legde hij de basis voor een congregatie van ‘hervormde priesters’: zij werkten aan de heiliging van hun ziel door aan zielzorg en opvoeding te doen, met name bij de armen.  Hij verhuisde van Lucca naar Rome waar hij gasthuizen en scholen aanpaste aan de eisen van de nieuwe tijd.

Paus Clemens VIII († 1605) vroeg hem hetzelfde te doen met een aantal kloosterordes van kluizenaars. In 1603 stichtte hij in Rome een college om missionarissen op te leiden.

Paus Pius XI († 1939) verklaarde hem heilig in 1938



09 okt - zaterdag

Sneek 10:00 - 10:45 Eucharistieviering

Ielânen, woonzorgcentrum Sneek Ielânen, woonzorgcentrum, Sneek


09 okt - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Woord- en Communieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastor Foekema

M.m.v. het Ceacilliakoor



10 okt - zondag

- Hele dag Gedenkdag H. Daniel Comboni, stichter en bisschop

– Geen, -

Daniel Comboni, Khartoem, Soedan; stichter & bisschop; † 1881.

Afbeelding Daniel Comboni

http://www.heiligen.net/afb/10/10/10-10-1881-daniel-combini_1.jpg

Feest 10 oktober.

Hij werd op 15 maart 1831 in het Italiaanse plaatsje Limone geboren.

In 1867 stichtte hij te Verona de missiecongregatie van de Goede Herder. Nog in datzelfde jaar opende hij een vestiging in de Egyptische stad Cairo. Het was zijn ideaal om heel Afrika voor Christus te winnen.

Hij stichtte ook een afdeling voor zusters. Daarnaast richtte hij een tijdschrift op. In 1877 werd hij benoemd tot Apostolisch Vicaris voor Centraal-Afrika. Vier jaar later stierf hij.

Hij wordt beschouwd als de redder van de missie in Centraal-Afrika. Hoewel ze in zijn dagen nagenoeg was opgegeven, werken er tot op de dag van vandaag honderden Comboni-missionarissen in Afrika en Midden-Amerika.

Hij werd door paus Johannes Paulus II op 17 maart 1996 zalig en op 5 oktober 2003 heilig verklaard.



10 okt - zondag

Heeg 09:30 - 10:30 Eucharistieviering, Pastoor P. v.d. Weide

Sint Josephkerk – Heeg, Heeg


10 okt - zondag

Sneek 10:00 - 11:00 PKN Viering

Antonius Ziekenhuis, kerkzaal, Sneek

Voorganger: mw. Jelly Hania



10 okt - zondag

Sneek 11:00 - 12:15 Eucharistieviering - Lourdeszondag

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

M.m.v. het Caeciliakoor o.l.v. F. Haaze

Onder voorbehoud zullen zij voor ons o.m. zingen:

  • Te Lourdes op de Bergen
  • De Bernadettemis van Daniël Clement


11 okt - maandag

- Hele dag Gedenkdag H. Gummarus van Lier, kluizenaar en Johannes XXIII, paus

– Geen, -

Gummarus (ook Goemer, Gommaar, Gommaer, Gomarus of Gommarus) van Lier, België; kluizenaar; † ca 770.

Afbeelding Gummarus van Lier
< 1500. Handschrift. Nederland, Rotterdam, Museum Boymans-Van Beuningen.

http://www.heiligen.net/afb/10/11/10-11-0770-gummarus_1.jpg

Feest 11 oktober.

Gummarus was afkomstig uit Emblehem (het tegenwoordige Emblem) bij Lier. Hij was als ridder verbonden aan het hof van Pepijn de Korte († 768). Hij begeleidde zijn vorst op menige veldtocht en was zoveel als zijn rechterarm. Maar hij wist zich aan het mondaine leven te onttrekken door vasten en gebed. Hij sloot een gelukkig huwelijk. Na de dood van zijn vrouw ging hij op pelgrimstocht naar Rome en trok zich na thuiskomst terug in de eenzaamheid ergens in de omgeving van Lier en bouwde er een bidplaats. Daaruit ontstond geleidelijk aan de stad Lier.

Legende
Op de eerste dag van zijn reis naar Rome sloeg hij zijn tent op aan het riviertje de Nete. Om ruimte te maken moest hij wel een boom omhakken. Maar de man aan wie die boom toebehoorde was hier woedend over. Toen heeft Gummarus in de daarop volgende nacht de boom weer rechtop gezet en met zijn gordel stevigheid gegeven.

Een andere versie vertelt dat het niet Gummarus zelf was, maar zijn soldaten die een boom hadden omgezaagd op privé-terrein. Gummarus zou die boom weer op zijn schouders hebben genomen en op zijn plaats hebben teruggezet. Vervolgens bond hij zijn riem eromheen en de boom was weer de oude en groeide als kool.

Tegenwoordig bevindt zich ter plaatse een gedachteniskapel. Vroeger stond daarnaast een zeer kunstig in ijzer uitgebeelde boom. Dat kunstwerk staat thans in de St.-Gumaruskerk zelf.
Een andere legende vertelt nog dat Sint Gummarus een bron liet ontspringen door zijn pelgrimsstaf in de grond te steken.

Verering & Cultuur
Na Gummarus’ dood werd zijn heilig lichaam in een boot geheel vanzelf zonder riem of schipper van Emblem naar Lier overgebracht.
Om de 25 jaar staan de Sint-Gummarusfeesten in het teken van de Grote Ommegang. Daarin wordt de zilveren reliekschrijn van Gummarus rondgedragen onder begeleiding van de zogeheten Reuzentrein. Die bestaat uit een aantal praalwagens waarop reusachtig groot zijn afgebeeld o.a.: de Dolfijn, de Kameel, de Olifant, het Ros Beiaard, Cor de Kluts, Pallieter, de Leeuw met de Maagd, het Schip van ’s Lands Welvaren enz.

Patronaten
Vanwege het voorval met de boom werd Gummarus in vroeger tijden aangeroepen bij arm- en beenbreuken.
Omdat er vooralsnog geen patroonheilige van de spoorwegen is, zou Gummarus kunnen worden aangeroepen vanwege zijn trein!


Paus Johannes XXIII, geboren als Giuseppe Angelo Roncalli

Afbeelding H. paus Johannes XXIII

Feestdag: 11 oktober

Afkomst, roeping en kerkelijke carrière

Angelo Giuseppe Roncalli was het vierde kind van de dertien kinderen van Giovanni Battista Roncalli (1854-1935) en Marianna Giulia Mazzolla (1854-1939). Zijn vader was landarbeider. De jonge Roncalli had een bijzondere band met zijn oudoom Zaverio, die vooral op de religieuze ontwikkeling van zijn achterneef veel invloed had. De dorpspastoor van Sotto il Monte onderkende de bijzondere intelligentie van Angelo en liet hem – tegen de zin van diens vader, die zijn zoon liever zag bijdragen aan het gezinsinkomen – in zijn vrije tijd Latijn leren. Met financiële hulp van een oom ging hij vervolgens naar het kleinseminarie van Bergamo. In 1901 vervulde Roncalli zijn militaire dienstplicht. Als priesterstudent kreeg hij in 1901 een beurs voor verdere studie in Rome, aan de Pauselijke Lateraanse Universiteit. Roncalli specialiseerde zich in de kerkgeschiedenis. Hij werd in 1903 tot diaken gewijd en in 1904 promoveerde hij in de theologie.

Priester

Op 10 augustus 1904 werd hij tot priester gewijd. Hij werd secretaris van Giacomo Radini-Tedeschi, de net benoemde nieuwe bisschop van Bergamo, en doceerde kerkgeschiedenis aan het seminarie aldaar. Met Radini maakte hij verschillende buitenlandse reizen, waaronder naar Palestina. Samen met Radini zette Roncalli zich in voor de verbetering van de positie van textielarbeiders in Ranica. De textielarbeiders aldaar werden zwaar onderbetaald, en waren – nadat ze al maandenlang geen loon meer gekregen hadden – in september 1909 in staking gegaan. Veel stakers werden door de politie opgepakt, maar de staking hield stand. Radini en zijn secretaris Roncalli waren solidair met de stakers, zowel in geschrift als in daad. Zo schonk Radini zijn bisschopsring ter verkoop aan de stakingsleiding, toen de stakingskas leeg geraakt was. Roncalli bezocht gevangengenomen stakers. Toen hij op het politiebureau van Ranica een vrouw ontmoette die daar samen met haar baby gevangen was gezet, gaf deze vrouw hem de baby, die de onthutste Roncalli vervolgens meenam naar het bisschoppelijk paleis.[1] Na het overlijden van Radini raakte Roncalli zijn positie als secretaris kwijt. In Bergamo schreef hij een aantal werken over enkele Italiaanse figuren uit de Katholieke Reformatie. In de Eerste Wereldoorlog was hij eerst hospitaalsoldaat, later aalmoezenier. Paus Benedictus XV benoemde hem in 1921 tot landelijk directeur voor Italië bij de congregatie van de Propaganda Fide. Als lid van de Centrale Raad voor de Pauselijke Missiewerken bracht hij in die tijd onder andere een bezoek aan Nederland.

Bisschop

Angelo Roncalli werd door kardinaal van Rossum voorgedragen als apostolisch visitator voor Bulgarije. Op 19 maart 1925 volgde zijn bisschopswijding door Giovanni kardinaal Tacci Porcelli en werd hij titulair aartsbisschop van Areópoli.

Door zijn studie op het gebied van de kerkgeschiedenis, met name naar de Milanese aartsbisschop en heilige Carolus Borromeüs (1538–1584), kwam Roncalli in contact met Achille Ratti, die hem later als paus Pius XI jarenlang op diplomatieke missies in Europa en Klein-Azië zou sturen. Hij resideerde achtereenvolgens in Sofia (1925-1934), Istanboel (1934-1937) en Athene (1937-1944). Gedurende de Tweede Wereldoorlog zette hij zich in voor de redding van Joden in Griekenland. Pius XII benoemde hem op 23 december 1944 tot nuntius in Parijs, nadat diens voorganger Valerio Valeri naar het oordeel van de paus (die hierover was bericht door De Gaulle) te veel had ingelaten met het Vichy-regime.

Met zijn vriend en medewerker Bruno Bernard Heim hervormde Roncalli al sinds de jaren 1940 de kerkelijke heraldiek. Met Heim zou hij ook later zijn wapen als paus ontwerpen.

Kardinaal en patriarch van Venetië

Op 24 november 1952 ontving Roncalli een brief van het Staatssecretariaat waarin stond dat paus Pius overwoog hem te benoemen tot opvolger van de ernstig zieke patriarch van Venetië, Carlo Agostini. Deze overleed inderdaad kort na kerstmis. Op 9 januari 1953 volgde Roncalli’s benoeming in Venetië en drie dagen later werd hij kardinaal-priester gecreëerd. De Santa Prisca werd zijn titelkerk.

Paus

Toen hij op 28 oktober 1958 na een conclaaf van vier dagen op 77-jarige leeftijd tot paus gekozen werd, beschouwde men hem vanwege zijn vrij hoge leeftijd als “tussenpaus“.[2] Overigens moet hierbij worden bedacht dat de kardinalen die in conclaaf bijeengekomen waren allemaal relatief oud waren. Van de 53 aanwezigen kardinalen waren er 24 ouder dan Roncalli. Paus Pius XII had tijdens zijn nochtans lange pontificaat slechts twee consistories gehouden, en ten gevolge daarvan was het College van Kardinalen klein en waren de leden ervan bijna allemaal behoorlijk op leeftijd. Op 4 november volgde zijn pauskroning. We weten wat de reden is van de naamkeuze van deze paus, omdat hij zich hierover zelf, meteen na de verkiezing, heeft uitgelaten:

Ik zal Johannes heten. Deze naam is me dierbaar, omdat het de naam is van mijn vader. Hij is dierbaar ook omdat het de naam is van de nederige parochie, waar ik werd gedoopt. Het is de plechtige naam van ontelbare kathedralen, verspreid over de gehele wereld, en in de eerste plaats van de gezegende en heilige basiliek van Sint-Jan van Lateranen, onze kathedraal. Het is de naam die in de lange lijst van pausen het meest gebruikt is. Inderdaad, er zijn tweeëntwintig – zonder enige twijfel – legitieme pausen geweest, die Johannes genaamd waren. Bijna allemaal hadden ze een kortdurend pontificaat. Ik heb ervoor gekozen om de nederigheid van mijn eigen naam te schutten achter deze schitterende opeenvolging van Pontifices. Was het niet Marcus, de Evangelist, de glorie en beschermer van mijn geliefde Venetië, die door Petrus, de prins van de apostelen en de eerste bisschop van Rome, geliefd werd als zijn eigen zoon en door hem Johannes werd genoemd? Ik hou van de naam Johannes, dierbaar voor mij als de gehele Kerk, omdat hij gedragen werd door twee mannen die Christus het meest nabij waren, Johannes de Doper en Johannes de Evangelist.[3]

Johannes XXIII riep tot algemene verrassing[4] op 25 januari 1959 het Tweede Vaticaans Concilie bijeen, dat tot vele veranderingen in de Katholieke Kerk zou leiden. Johannes XXIII riep het concilie uit met de woorden “aggiornamento”, wat ‘bij de tijd brengen’ betekent.

Johannes XXIII riep in 1960 voor het eerst in de geschiedenis van Rome een diocesane synode bijeen. Deze diocesane synode leidde echter, tot teleurstelling van vele (neo-)modernisten en veranderingsgezinden, tot een bekrachtiging van de oude pastorale aanpak. Johannes XXIII reageerde door de schemata van deze synode later te verwerpen en aan veranderingsgezinden de mogelijkheid te bieden nieuwe schemata aan te dragen.

Hij vergrootte het kardinalencollege tot 87 kardinalen, waaronder Mgr. Montini, die later Paus Paulus VI werd. Hij stelde ook een commissie in tot herziening van de Codex Iuris Canonici, het kerkelijke wetboek uit 1917, wat in 1983 onder Johannes-Paulus II tot de publicatie van een nieuwe codex van canoniek recht leidde.

Encyclieken en geschriften

Hij schreef acht encyclieken, waaronder:

Zijn laatste encycliek, Pacem in terris, verscheen in zijn sterfjaar en werd van grote betekenis voor de ontwikkeling van de internationale katholieke vredesbeweging Pax Christi.

Minder bekend is de Apostolische constitutie Veterum Sapientia (Ter bevordering van de studie van de Latijnse taal, 22 februari 1962)[5], waarin Johannes XXIII met het oog op toenemende experimenten met de volkstaal in de katholieke liturgie, die toen nog uitsluitend in het Latijn werd gevierd, erop aandrong het Latijn en de gebruiken te behouden. Verder wordt in deze constitutie opgeroepen tot een grondige studie van het Latijn, Grieks en Hebreeuws tijdens de priesteropleidingen in de verschillende bisdommen.

Vernieuwing

In 1962 en 1963 werd onder zijn pontificaat de constitutie Sacrosanctum Concilium van het Tweede Vaticaans Concilie voorbereid. De constitutie zou later aanleiding geven tot aanzienlijke liturgische veranderingen.

Hij kreeg dankzij zijn humor en spontaniteit al snel de bijnaam “de goede paus” en hij wist zich tijdens zijn korte pontificaat – mede dankzij de media en zijn politiek van aggiornamento – uitermate geliefd te maken, wat ook tot uiting komt in zijn graf onder de Sint-Pieterskerk: het is een van de rijkst gedecoreerde praalgraven; zijn lichaam is bewaard in een grote reliekhouder. Een bekende uitspraak van hem was: “Hoeveel mensen er in het Vaticaan werken? Ik hoop de helft.”

Ziekte en dood

Bij paus Johannes werd op 23 september 1962 door middel van röntgenfoto‘s een ver gevorderd stadium van maagkanker geconstateerd. Anders dan dat later – bij bijvoorbeeld Johannes Paulus II – het geval was, was het in die tijd nog ongebruikelijk dat er uitgebreide mededelingen werden gedaan over de gezondheidstoestand van de paus. Het publiek zou dus nog lange tijd onwetend blijven van Johannes’ ziekte, waaraan hij in de laatste negen maanden van zijn leven erg heeft geleden. Hij had vaak verschrikkelijke maagkrampen en maagbloedingen en moest een aantal keren verplichtingen afzeggen. Ook werd opgemerkt dat hij er bij sommige publieke optredens moe en afgemat uitzag. Op 25 mei 1963 kreeg hij een maagbloeding. Hij werd opgenomen in het ziekenhuis en kreeg bloedtransfusies. Pas toen werd een persbericht opgesteld, waarin duidelijk werd dat de paus terminaal ziek was. Enkele dagen daarna overleed hij.

Zalig- en heiligverklaring

Paulus VI opende in 1970 het proces tot zaligverklaring van zijn voorganger. Op 28 januari 2000 erkende het Vaticaan het wonder dat aan paus Johannes XXIII werd toegeschreven. Het ging hierbij om een Italiaanse zuster, die genas van ernstige maagbloedingen, nadat zij een afbeelding van de overleden paus op haar buik had gelegd.[6] Op 3 september van dat jaar volgde de officiële zaligverklaring door paus Johannes Paulus II. Tegelijkertijd werden – de door Johannes zeer bewonderde – paus Pius IX en drie anderen zalig verklaard. In zijn homilie benadrukte Johannes Paulus dat Johannes, met het uitroepen van het Concilie een seizoen van hoop voor christenen en de gehele mensheid had geopend.[7] Na de zaligverklaring werd zijn stoffelijk overschot naar de boven de crypte liggende kerk overgebracht en rechts voorin geplaatst. Dit werd gedaan opdat bedevaarders de mogelijkheid zouden hebben om Johannes te vereren. Tot op de dag van vandaag leggen bedevaarders verse bloemen bij zijn reliekhouder en vereren zijn gedachtenis. Johannes XXIII werd op 27 april 2014 heilig verklaard door Franciscus, tegelijk met een van zijn opvolgers, Johannes Paulus II, de paus die hem zalig verklaard had.[8]

Overige feiten

  • Als er na het conclaaf een nieuwe paus was verkozen, lag er voor de nieuwe paus een witte toog klaar. Deze witte toog paste de grote Johannes XXIII echter totaal niet, zodat men in allerijl de toog van achteren moest openknippen en met spelden vastzetten. Sindsdien liggen er voor een nieuwe paus drie witte togen klaar: een kleine, een middelmaat en een grote.
  • Johannes XXIII vertelde eens aan journalisten dat zijn broer hem in het Vaticaan bezocht had. De paus had weinig tijd om hem te ontvangen. Zijn broer bekeek hem, en zei: “Gij zijt hier een rijke gevangene”.
  • Er heeft ook een andere Johannes XXIII bestaan. Hij was een tegenpaus tijdens het Concilie van Konstanz van 14141418, dat een einde moest maken aan het Westers Schisma. Deze tegenpaus werd echter nooit door de Katholieke Kerk erkend, en daarom kon Roncalli zich later ook zo noemen.

Werken

  • Il cardinale C. Baronio (1908)
  • Gli atti della visita apostolica de s. C. Borromeo a Bergamo 1575 (twee delen, 1936-1959)
  • Gli inizi del seminario de Bergamo e s. C. Borromeo (1939)
  • Il giornale dell’ anima e altri scritti di pietà (Storia et Letteratura) (1966)

Ondanks zijn vrij korte pontificaat is de invloed van Johannes XXIII op de RK kerk enorm geweest.



11 okt - maandag

Sneek 09:15 - 09:45 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek


12 okt - dinsdag

- Hele dag Gedenkdag H. Herlindis van Aldeneyk, abdis

– Geen, -

Herlindis (ook Gerlindis[108], Harlind[111a], Harlindis[106;108], Herlind[111a], Herlinde[138]) van Aldeneyk osb, België; abdis; † tussen 745(?) en 755.

Afbeelding Herlindis van Aldeneyk
1640. Houtsnede

http://www.heiligen.net/afb/10/12/10-12-0750-herlindis_1.jpg

Feest 12 oktober (Herlindis’ sterfdag).

Zij was van Frankische adel en moet geboren zijn in het laatste kwart van de 7e eeuw. Haar vader heette Adelhard en haar moeder Grinnara of Grinware. Ze had nog een jongere zus, Relindis, en een jonger broertje Erlwin; hij zou later priester worden, althans volgens de legende. Hun ouders waren overtuigd christen. Dat was in deze streken toen nog een nieuwe godsdienst.

Om hun dochters een opvoeding te geven, die door en door christelijk was, stuurden de ouders de twee naar het zusterklooster te Valenciennes in Noord-Frankrijk. Na terugkomst bouwden zij met steun van hun ouders op het familiedomein aan de Maas een zusterklooster. Het schijnt zelfs dat de beide jonge vrouwen eigenhandig stenen aansjouwden. Dat is daarom zo opmerkelijk, omdat arbeid toen alleen iets voor slaven was, voor een lager soort mensen; edelen werkten niet; daar stonden ze boven!

Op die manier lieten de beide zusters zien dat ze Jezus in zijn eenvoud wilden navolgen. Hij was immers ook slaaf geworden.

Zo wordt er verteld dat de twee vrouwen in de rivier keien en steentjes zochten om er op de vloer van de kloosterkerk een mozaïek van te maken. Hun schort gebruikten ze als draagtas. Allebei een zware vracht aan stenen en kiezels torsend kwamen ze op een smal bruggetje hun vader tegen, die liever niet zag dat zijn dochters zich met dergelijke laag-bij-de-grondse arbeid bezighielden. “Wat sjouwen jullie daar met zoveel moeite?” vroeg hij. “Rozen” gaven ze allebei ten antwoord. Daarbij dachten ze misschien aan het kunstwerk dat ze ervan zouden gaan maken in de kerk. Maar toen Herlindis haar schort opende om het aan haar vader te laten zien, zag hij inderdaad alleen maar een enorme bos rozen. Vandaar dat het bruggetje sindsdien ‘t leugenbrugske’ wordt genoemd.

De eerste groep telde twaalf zusters; een symbolisch getal. Herlindis werd de eerste abdis. Onder haar bezielende leiding groeide het klooster snel uit: steeds meer vrouwen sloten zich aan.

Oude verhalen vertellen graag dat de grondlegger van het christendom in onze streken, Willibrord († 739; feest 7 november), graag in het klooster kwam logeren. Later was ook Bonifatius († 754; feest 5 juni), Willibrords opvolger, een regelmatige gast. Hij schijnt er zelfs gelogeerd te hebben, toen hij in 754 op weg was naar Friesland. Het zou zijn laatste tocht worden, want hij werd er in de buurt van Dokkum vermoord.

Over Herlindis’ sterfjaar zijn de bronnen het niet eens: ze verschillen van 745(?) tot 755. Zij werd als abdis opgevolgd door haar jongere zus Relindis.
Hun graf in de Catharinakerk van Maaseik wordt in ere gehouden tot op dit moment.



12 okt - dinsdag

Sneek 08:45 - 09:15 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


12 okt - dinsdag

Sneek 14:30 - 15:30 KBO Sneek - Ledenvergadering

Sint Martinushuis, Sneek


12 okt - dinsdag

Sneek 16:00 Rozenkransgebed

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


12 okt - dinsdag

Sneek 19:15 - 20:15 Budgetmaatjes

Sint Martinushuis, Sneek


13 okt - woensdag

- Hele dag Gedenkdag H. Coloman van Melk, pelgrim

– Geen, -

Coloman (ook Colman, Koloman of Kolomann) van Melk (ook van Oostenrijk, van Stockerau of van Wenen); † 1012.

Afbeelding Coloman van Melk
Paneel. Duitsland, Füssen, Wallfahrtskirche St-Koloman
Coloman besluit zijn koninkrijk te verlaten.

http://www.heiligen.net/afb/10/13/10-13-1012-coloman_1.jpg

Feest 13 oktober

Hij was vanuit Ierland als pelgrim onderweg naar Heilige Land, toen hij in het Oostenrijkse plaatsje Stockerau, vlakbij Wenen, werd aangehouden, omdat men hem hield voor een Hongaarse spion.

Aan afschuwelijke martelingen blootgesteld, stierf hij opgehangen aan een boomtak en doorboord met een spies.

Toen er op de plek waar hij begraven lag, wonderen en genezingen begonnen te gebeuren, begon men hem als een heilige te vereren. Op 13 oktober 1014 werden zijn relieken door landgraaf Heinrich II van Oostenrijk naar klooster Melk overgebracht.

 

Verering & Cultuur

Hij geldt als een van de patroonheiligen van Oostenrijk; daarnaast is hij beschermheilige van klooster Melk; en van de tot de strop veroordeelden. Zijn voorspraak wordt ingeroepen tegen pest, hoofdpijn en allerhande andere ziekten; bovendien vraagt men zijn bemiddeling voor een goed huwelijk; tegen muizen- en rattenplagen, onweer en andere schade; hij is ook patroon van het vee.

Bekend is het lieflijk gelegen pelgrimskerkje Sankt-Koloman bij Füssen, Zuid-Duitsland.



13 okt - woensdag

Sneek 09:15 - 09:45 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek


13 okt - woensdag

Sneek 14:30 - 15:30 1e Communicantjes

Sint Martinushuis, Sneek


14 okt - donderdag

- Hele dag Gedenkdag H. Callixtus I, paus en martelaar

– Geen, -

Callixtus (ook Callistus) I, paus & martelaar; Rome, Italië; † 222.

Afbeelding Callixtus I
Zoals afgebeeld in de gaanderij van heilige pausen.
17e eeuw, marmer-reliëfwerk. Italië, Rome, Sint-Pieter.

http://www.heiligen.net/afb/10/14/10-14-0222-callixtus_2.jpg

Feest 14 oktober.

Hij was een vrijgelaten slaaf en werkte als diaken bij de naar hem genoemde Callixtuscatacombe.

In 217 volgde hij Zephyrinus (feest 26 augustus) op als bisschop van Rome.

Vanwege zijn geringe afkomst wierp zich een zekere Hippolytus (de latere heilige?) op als tegenpaus. Deze beschuldigde hem ervan niet voldoende naar Christus’ leer te leven. Bovendien werd hem verweten dat hij te gemakkelijk was in de boetepraktijk: men vond namelijk dat hij plegers van ontucht regelrecht uit de kerk moest zetten wat hij niet deed. Daarenboven zat het zijn tegenstanders dwars dat hij het huwelijk tussen een slaaf en adellijke dame rechtsgeldig verklaarde.

Hij zou door een heidense bende uit zijn raam in de Tiber zijn gegooid.
Hij werd opgevolgd door Urbanus I († 230; feest 25 mei).



14 okt - donderdag

Sneek 08:45 - 09:15 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


14 okt - donderdag

Sneek 16:00 Rozenkransgebed

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


15 okt - vrijdag

- Hele dag Gedenkdag H. Teresa van Avila, kerklerares & mystica

– Geen, -

Teresa (ook Theresia) van Avila ocd., Spanje; mystica & kerklerares; † 1582.

Afbeelding van Teresa van Avila

< 1800. Schilderij. België, Brussel, karmelklooster
Sint Petrus en Sint Paulus waren mijn eigen beschermers.

http://www.heiligen.net/afb/10/15/10-15-1582-teresa_1.jpg

Feest 15 oktober.

Teresa van Avila werd op 28 maart 1515 geboren als dochter van een Spaans edelman. Zij groeide uit tot  een knap en ijdel meisje. Zonder veel enthousiasme trad ze toe tot de orde der karmelietessen.

Na ongeveer 20 jaar kreeg ze visioenen waarin ze het lijden van Jezus Christus zo intens meebeleefde dat ze besloot ogenblikkelijk haar leven te veranderen en zich geheel in dienst van God te stellen. Ze oefende zich in stil-zijn en bidden. Ze kon zo verzonken zijn in Gods aanwezigheid dat ze in extase raakte en visioenen zag. Toch werd ze niet levensvreemd. Zelf schrijft ze: “De liefde tot God bestaat niet uit tranen en dierbare gevoelens, maar dat men God dient in gerechtigheid en deemoed.”

Teresa had een actieve natuur en zij gebruikte haar verhouding tot God als een bron voor goede werken. Zij hervormde de orde der karmelietessen ondanks enorme tegenstand en stichtte meer dan 30 nieuwe kloosters die ze met haar groot organisatietalent leidde.

Ze schreef verschillende boeken die voor de theologie zo belangrijk zijn dat zij in 1970 werd benoemd tot kerkleraar. Haar boek ‘Het kasteel der ziel’ leert de lezer bidden op eenvoudige en tegelijk diepzinnige manier. Elke nieuwe ontwikkeling in het gebedsleven wordt voorgesteld als een kamer in een kasteel: overbodig te zeggen dat men tenslotte uitkomt in de schatkamer, waar God woont en daar de bidder met liefde opwacht en ontvangt.

Enkele beroemde uitspraken van haar zijn: “Als je danst, dans dan; als je bidt, bid dan.” Zo was ze eens uitgenodigd bij de rijke weldoener Miguel de Marabès. Bij het eten werd er patrijs opgediend, toen ook al een uiterst verfijnde en luxueuze spijs. Eén van de dienstmeisjes had al de hele tijd moeder Teresa in de gaten gehouden. Nu kon ze zich niet langer bedwingen en zei met iets van afkeuring in haar stem: “Gôh, dat een kloostervrouw als u mee-eet van zo’n rijke schotel!” Waarop Teresa antwoordde: “Luister, mijn kind: als men u patrijs voorzet, eet dan patrijs; en als het de tijd van vasten is, houd je dan aan de vasten.”

Eens was ze onderweg met de Heilige Johannes van het Kruis († 1591; feest 14 december), een uiterst sobere monnik, die een scherp oog had voor de tekortkomingen van de mensen. En daar ook veel onder leed. Bij het eten werden hun overheerlijke druiven voorgezet. Vader Johannes riep uit: “Als je denkt aan het komende oordeel Gods, zou je er geen één meer door je keel kunnen krijgen.” Waarop Teresa antwoordde: “Dat mag zo zijn, vader Johannes, maar als je denkt aan Gods goedheid, zou je er altijd wel van willen blijven eten!”

Teresa was een uitgesproken aardige vrouw, vrolijk, vriendelijk, open en betrouwbaar. Een verhaal vertelt hoe zij eens per kar op weg was naar een nieuwe kloosterstichting. Het weer was slecht en het pad dat langs een riviertje liep, was een modderpoel geworden. Moeizaam kwam de kar vooruit. Tenslotte bleef ze steken en kantelde. Teresa kwam met bagage en al in het water en de modder terecht. Zij zou toen een stem uit de hemel hebben gehoord: “Zo doet God met al zijn vrienden” (om hun geloof en hart op de proef te stellen?). Teresa had haar antwoord onmiddellijk klaar: “Daarom hebt u er ook zo weinig!”

Andere markante uitspraken van haar: “De mogelijkheid om te bidden onderscheidt een mens van een dier.” Of: “Slechts door genade is het mogelijk om met God te spreken.” Toen een edelman haar eens vol bewondering zei dat hij in haar een groot heilige zag, moet ze geantwoord hebben: ‘Maar u houdt uw mond erover. Want u weet net hoe dat gaat als ze je een groot heilige vinden. Ze gaan wel met je botten slepen, maar ze hebben geen enkele boodschap aan wat je ze voorhoudt.’

Teresa stierf in de nacht van 4 op 15 oktober van het jaar 1582, precies de nacht dat de kalenderhervorming van paus Gregorius XIII († 1585) werd doorgevoerd en er tien dagen werden overgeslagen.

Verering & Cultuur
Zij is onder meer geportretteerd door Rubens, Velasquez en Murillo, meestal als karmelietes in bruin habijt met witte mantel en zwarte sluier. Ze heeft soms een duif boven haar hoofd (symbool van de Heilige Geest); soms een gesel in de hand (om boete te doen) of ook een brandend hart (symbool van liefde).

Haar voorspraak wordt gevraagd bij geestelijke nood, voor een vruchtbaar gebedsleven, bij hartziekten en hoofdpijn.

Zij wordt ‘De Grote Teresia’ genoemd om haar te onderscheiden van ‘De Kleine Theresia” (= Theresia van het Kindje Jezus van Lisieux: † 1897; feest 1 oktober).



15 okt - vrijdag

Sneek 19:00 - 19:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


16 okt - zaterdag

- Hele dag Gedenkdag H. Gerardus Majella, kloosterling

– Geen, -

Gerardus Majella cssr, Caposele bij Napels, Italië; kloosterling; † 1755.

Afbeelding van Gerardus Majella

> 1900(?). Gips
Frankrijk, Bretagne, Hénon, Église St-Pierre.

http://www.heiligen.net/afb/10/16/10-16-1755-gerardus-majella_1.jpg

Feest 16 oktober.

Hij werd op 23 april 1726 te Muro Lucano bij Napels geboren als zoon van een eenvoudige kleermaker. Hij verlangde ernaar om in het klooster te gaan, maar daar had hij naar de mening van degenen die hem moesten beoordelen te weinig capaciteiten voor.

Toch bleef hij hopen en vragen, terwijl hij bij zijn vader het vak van kleermaker uitoefende. Na lang aandringen mocht hij in 1749 alsnog lekenbroeder worden bij de redemptoristen.

Naast de gewone kloostergeloften legde hij ook de gelofte af dat hij in elke omstandigheid zou kiezen voor het volmaaktste.

Hij leidde een leven van gebed en onderdanige gehoorzaamheid. Hij kreeg achtereenvolgens de functie van portier, kleermaker en tuinman.

Het was de heilige Alphonsus Maria de’ Liguori (†1787; feest 1 augustus), die in deze ijverige, bescheiden kloosterling een heilige ontdekte. Ook bij de mensen buiten het klooster was hij zeer geliefd; als hij ergens verscheen werd er geroepen: “Daar is de heilige!”.

Hij stond niet alleen bekend om zijn apostolisch en charitatief werk, maar vooral om een aantal bovennatuurlijke verschijnselen, zoals bilocatie, gedachtelezen, helderziendheid, voorspellingen, broodvermenigvuldiging en wonderbaarlijke genezingen.

Ook zou hij tijdens een storm even buiten Napels de zee op zijn gerend om een schip in moeilijkheden te redden: hij trok het aan twee vingers naar de wal.

Verering & Cultuur
Hij werd heilig verklaard in 1904. Hij is een echte volksheilige en geniet een grote verering. Nog altijd trekt zijn graf talrijke pelgrims.

In Nederland heeft hij een bedevaartsoord bij de paters redemptoristen te Wittem, Zuid-Limburg. Daarnaast zijn er bedevaarten in Barger Oosterveld, Hulten, Overdinkel en Weebosch.
Hij is patroon van kleermakers; van communiecantjes; van moeders en zwangere vrouwen. Zij voorspraak wordt ingeroepen voor een voorspoedige bevalling en bij hopeloze zaken.
Hij wordt afgebeeld mediterend met een kruis in de hand; brood uitdelend aan kinderen; met een schip (vanwege het wonder).



16 okt - zaterdag

Sneek Hele dag Geen eucharistie - wel een kaarsje

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek

Wij steken een kaarsje op voor:

Jan Brouwer, familie Brouwer-Palsma,

Wies Hooijschuur,

Ester Haarsma-Konst,

Fimme Folmer



17 okt - zondag

- Hele dag Gedenkdag H. Ignatius van Antiochië, martelaar

– Geen, -

Ignatius van Antiochië (ook Godsdrager of Theoforos), Syrië; bisschop & martelaar; † ca 107.

Afbeelding Ignatius

Ignatius afgebeeld als jonge kerkvader.
5e eeuw, mozaïek. Turkije, Istanbul, Aya Sofia.

http://www.heiligen.net/afb/10/17/10-17-0107-ignatius_2.jpg

Feest 17 oktober

Na de apostel Petrus († ca 67; feest 29 juni) en diens opvolger Evodius († 1e eeuw; feest 6 mei) was hij de derde bisschop van Antiochië in Syrië. Aldus Eusebius († 337) in zijn Kerkgeschiedenis (III,22). Hiëronymus († 420; feest 30 september) weet in zijn boek over Beroemde Mannen (nr.16) te vertellen dat hij rond het jaar 110 werd veroordeeld ‘om de naam’. In die tijd was het op sommige plaatsen in het Romeinse Rijk al voldoende veroordeeld te worden op basis van het feit dat men als ‘christen’ werd aangebracht. Het lijkt erop dat dat in Antiochië korte tijd het geval is geweest. Immers als Ignatius straks in Rome de marteldood sterft, is die vervolging in zijn thuisstad alweer achter de rug. Antiochië was na de stad waar de eerste christenen een goed heenkomen hadden gezocht, toen in Jeruzalem vervolgingen uit waren gebroken (Handelingen 11,19). Het was ook in Antiochië dat Jezus’ volgelingen voor het eerst ‘christenen’ werden genoemd.

Over Ignatius is verder niet veel bekend. We weten niet waar hij geboren is, noch hoe oud hij was, toen hij de marteldood stierf. Volgens de overlevering was hij nog een leerling geweest van de apostel Johannes. Jacobus de Voragine († 1298; feest 13 juli) vertelt in zijn gouden legendeboek dat Ignatius als geloofsleerling een brief zou hebben geschreven aan de heilige Maagd Maria. Hij zou daarin hebben gevraagd of alle wonderen die Johannes over Jezus vertelde echt waar waren. In een antwoordbrief zou Maria hem op het hart hebben gedrukt dat hij geloof kon hechten aan alles wat Johannes over Jezus zei.

Ignatius werd dus het slachtoffer van de christenvervolgingen ten tijde van keizer Trajanus (98-117). Hij werd ter dood veroordeeld en naar Rome overgebracht. Die tocht liep via Tarsis in Cilicië dwars door Klein-Azië (= nagenoeg het huidige Turkije). Hij kwam langs Fildelfia, Sardes en Smyrna. In elk van die steden zocht hij contact met de plaatselijke christengemeente. In Smyrna ontving hij delegaties van christenbroeders uit naburige steden als Efese, Magnesia en Tralles. Na hun bezoek schrijft hij aan die gemeenschappen een brief om hun geloof te versterken. Hadden die afgevaardigden daarom gevraagd? Vanuit Smyrna schrijft hij ook alvast naar Rome. Hij vertelt dat hij vastgebonden zit aan tien Romeinse soldaten. Hij vergelijkt ze met luipaarden en zegt dat ze al maar woester en onbehouwener worden naarmate hij zich vriendelijker jegens hen gedraagt. Hij drukt de geloofsgenoten daar op het hart niets in het werk te stellen om zijn marteldood te verhinderen. Hij ziet zijn aanstaande dood als een waardig offer voor God. Zo zal hij pas een echte leerling, volgeling van Christus zijn. Als hij tussen de tanden van de leeuwen vermalen wordt, zal hij lijken op het tarwe waarvan het eucharistisch brood is gemaakt. Eenmaal doorgereisd naar Troas, de Noord-Macedonische stad die we ook uit de brieven van Paulus kennen, schrijft hij brieven naar Filadelfia en Smyrna en met name een aparte brief naar de bisschop daar, Polycarpus († 155 of 167(?); feest 23 februari). Aan Polycarpus vertrouwt hij de benoeming toe van een waardig opvolger voor hem in Antiochië. Uit Eusebius’ Kerkgeschiedenis weten we dat hij werd opgevolgd door een zekere Heros. Over hem is – voor zover ik weet – verder niets bekend.

In zijn brieven legt Ignatius de nadruk op de eenheid. De onderlinge eenheid van de christenen is een verwijzing, nee maakt deel uit van de veel grotere eenheid die God tussen zichzelf en ons mensen tot stand heeft gebracht door de menswording van Jezus Christus. Zo heeft God ons allen opgenomen in de eenheid die er binnen Hem bestaat. Er kan dus geen plaats zijn voor scheurmakers en ketterijen.

In elk van zijn brieven stelt hij zich voor als Ignatius, alias ‘god-drager’. Medechristenen noemt hij ook zo, soms ook ‘tempeldragers’ of ‘christusdragers’.

Eenmaal in Rome zou hij door keizer Trajanus aan een aantal folteringen onderworpen zijn geweest. Aldus het Gouden Legendeboek. De soldaten die de folteringen op hem uitvoerden, hoorden hem steeds de naam van Christus verzuchten. Ze vroegen waarom hij dat deed. ‘Omdat,’ zo antwoordde Ignatius, ‘die naam mij in het hart gegrift staat.’ Hij werd uiteindelijk in het circus voor de leeuwen gegooid. Hij hitste ze op om hem te doden, Dat deden de dieren, maar ze lieten hem verder ongemoeid. Tot verbazing van de toeschouwers op de volle tribunes. Toen de beulen zijn lijk ophaalden, wilden ze weten wat er waar was van het feit dat Christus’ naam geschreven zou staan in het hart van deze opmerkelijke man. Ze haalden zijn hart tevoorschijn en inderdaad stond er met gouden letters in gegrift de naam van Christus.

Verering & Cultuur
Hij was een van de eerste heiligen van wie het gebeente werd bewaard in een schrijn. Zijn relieken bevinden zich in de San-Clemente te Rome.
Naar het schijnt werd zijn feestdag al in de 4e eeuw gevierd op 17 oktober.

Patronaten
Zijn voorspraak wordt ingeroepen tegen hoofduitslag en keelpijn.



17 okt - zondag

Blauwhuis 09:30 - 10:30 Wereld Missie Dag Gezinsviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastoor van der Weide

M.m.v. het Gelegenheidskoor

Deurcollecte: Wereld Missie Dag



17 okt - zondag

Sneek 10:00 - 11:00 PKN Viering

Antonius Ziekenhuis, kerkzaal, Sneek

Voorganger: mw. Siny te Nieuwenhuis



17 okt - zondag

Sneek 11:00 - 12:15 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

M.m.v. het Intermezzo koor o.l.v. F. Haaze



18 okt - maandag

- Hele dag Feestdag H. Lukas, evangelist

– Geen, -

Lukas (ook Lucas) Evangelist (ook van Achaia), Boeothië, Griekenland; † 1e eeuw.

Afbeelding H. Lukas

Lukas schrijft zijn evangelie onder het toeziend oog van de Madonna.
1484, Rode, paneelschildering. Duitsland, Lübeck, Museum für Kunst und Kultur.

http://www.heiligen.net/afb/10/18/10-18-0100-lukas_8.jpg

Feest 18 oktober

Persoonsgegevens
Lukas is de naam die van oudsher wordt gegeven aan de schrijver van het derde evangelie. Blijkens de eerste zin is het opgedragen aan een zekere Theófilus. Omdat het boek van de Handelingen der Apostelen is opgedragen aan diezelfde Theófilus, wordt Lukas ook beschouwd als de schrijver van dat bijbelboek.

Over Lukas zelf is weinig bekend. Volgens de overlevering was hij afkomstig uit de Syrische stad Antiochië, waarschijnlijk van heidense afkomst. Dat baseert men niet alleen op het feit dat zijn evangelie bestemd was voor Jezus’ leerlingen die van niet-joodse afkomst waren, maar ook op het feit dat Paulus hem uitdrukkelijk niet noemt als een leerling uit de besnedenen. Men neemt aan dat hij de Lukas was die in het gezelschap van Paulus meereisde. De grote apostel noemt hem in zijn brieven drie keer. Hij houdt Paulus gezelschap tijdens diens eerste gevangenschap: “U groet Epafras, mijn medegevangene in Christus, alsmede Markus, Aristarchus, Demas en Lukas, allen medewerkers van mij” (Filemon 24). In zijn brief aan de christengemeente te Kolosse noemt Paulus hem weer, nu alleen met Demas: “U groet mijn vriend Lukas, de arts, en Demas” (Kolossenzen 04,14). Zou hij ook Paulus’ lijfarts geweest zijn? Ook als de grote apostel in Rome gevangen zit, is Lukas in zijn buurt te vinden: “Demas heeft mij in de steek gelaten. [-] Alleen Lukas is bij me” (2 Timotheus 04,10.11).

Dat Lukas een trouwe metgezel was, wordt nog eens versterkt door het feit dat sommige stukken in de Handelingen, waarin Paulus een hoofdrol vertolkt, in de wij-vorm geschreven zijn. Alsof Lukas er zelf bij was.

Latere tradities veronderstellen, dat hij behoorde tot de (twee-en)zeventig leerlingen die Jezus voor zich uit zond naar alle plaatsen waarheen Hij zelf dacht te gaan (Lukas 10,01). Gezien zijn Griekse naam, menen anderen dat hij een van de Grieken was die zich tot Filippus wendden met de vraag om Jezus te spreken te krijgen (Johannes 12,20-22). Weer anderen nemen aan dat hij naast Kleopas de tweede Emmausganger was, die op de avond van de eerste dag van de week ontgoocheld naar huis terugwandelde en onderweg gezelschap kreeg van de verrezen Heer zelf, zonder dat ze het in de gaten hadden. Ze herkenden Hem pas bij het breken van het brood, en dát, terwijl hun hart onderweg brandde bij de uitleg van de schriften die Hij hun had gegeven (Lukas 24,13-35). Deze veronderstelling wordt gevoed door de omstandigheid dat Lukas de enige evangelist is, die dit verhaal vertelt; bovendien noemt hij wel de naam van de ene leerling, Kleofas, maar niet die van de andere. Zou hij dat dus zelf geweest kunnen zijn? Daar staat tegenover dat Lukas uitdrukkelijk aan het begin van zijn evangelie zegt dat hij naspeuringen moest verrichten om de gebeurtenissen rond Jezus te achterhalen. Daaruit kan men de conclusie trekken, dat hij ze niet persoonlijk heeft meegemaakt.

Historisch gesproken echter is er over de evangelist verder niets met zekerheid bekend. Na Paulus’ marteldood in Rome zou hij het evangelie hebben verkondigd in Italië, Dalmatië (= het huidige Joego-Slavië) en Macedonië. Op zijn oude dag trok hij nog naar Noord-Afrika, waar hij in Lybië en Zuid-Egypte christengemeenten visiteerde. Uiteindelijk keerde hij terug naar Boeothië, een Griekse landstreek ten noord-westen van Athene. Daar zou hij tenslotte zijn beide boeken, het Evangelie en de Handelingen, hebben geschreven op bestelling van Theofilus, de gouverneur van de Griekse landstreek Achaia.

Karakteristieke teksten bij Lukas
Hij is de evangelist, die schrijft over de engel die aan Maria Jezus’ geboorte komt aankondigen (01,26-38). Hij heeft ons het ‘Magnificat’ overgeleverd, Maria’s dankhymne: ‘Mijn ziel prijst hoog de Heer’, waarin zij zingt: “Arme en kleine mensen maakt Hij groot!” (01,46-56). Bij hem lezen we over de geboorte van Johannes de Doper bij Maria’s bejaarde nicht Elisabeth (01,05-25.57-80). Het is Lukas die ons vertelt over de volkstelling en dat Maria vlak voor Jezus’ geboorte op reis moest; dat er voor haar geen plaats was in de herberg, en dat het kind dus in een kribbe werd geboren; herders uit de omgeving komen het aanbidden (02,01-21). Via hem weten we over de 12-jarige Jezus die ongemerkt in de tempel achterblijft om met de schriftgeleerden de debatteren; zij staan versteld van zijn wijsheid. Zijn ouders vonden Hem pas na drie dagen terug. Op de bezorgde vraag van zijn moeder waarom Hij hun dat had aangedaan, antwoordde Hij: “Wist u dan niet dat ik in het huis van mijn vader moest zijn?” (Lukas 02,41-52).

Lukas’ evangelie toont ons een biddende Jezus, die heel veel hart heeft voor armen en verschoppelingen. Hij kent Jezus’ verhalen over de Barmhartige Samaritaan (10,25-37), de Verloren Zoon (15,11-32), de arme Lazarus en de rijke vrek (16,19-31) en de farizeeër en de tollenaar die beiden opgaan naar de tempel om te bidden (18,09-14)). Hij vertelt over Jezus’ opmerkelijke bezoek bij Marta en Maria (10,38-42), de tollenaar Zacheus (19,01-10), de genezing van het kromgegroeide vrouwtje (13,10-17), de nieuwsberichten over de ingestorte toren en de moord van Pilatus’ soldaten op offeraars in de tempel (13,01-05). Hij heeft opgetekend hoe Jezus, stervend aan het kruis, om vergeving bad voor zijn geweldenaars (23,34), en hoe hij de goede moordenaar de toegang tot het paradijs toezegde (23,43). Aan hem hebben we het prachtige verhaal van de Emmausgangers te danken (24,13-35). In zijn Handelingen heeft hij ons het verhaal nagelaten van Jezus’ hemelvaart (06,01-11) en van de nederdaling van de Heilige Geest op zijn leerlingen met Pinksteren (02,01-12).

Zijn geneeskundige achtergrond horen we uit de bijzonderheid dat Jezus aan het hoofdeinde van het bed van Petrus’ zieke schoonmoeder gaat staan (04,39): dat is veel nabijer dan aan het voeteneinde. Lukas merkt met nadruk op dat Jezus bij al de zieken die naar Hem toe werden gebracht, één voor één de handen oplegde (04,40). We horen hoe de Barmhartige Samaritaan wijn en olie op de wonden van het slachtoffer giet (10,34). Wanneer Jezus preekt in zijn vaderstad, gebruikt Hij het spreekwoord: “Geneesheer, genees uzelf” (04,23). Wordt Jezus aangevallen op zijn omgang met zondaars en verkeerde mensen, dan antwoordt Hij: “Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken” (05,31).

Lukas’ dood
Hij zou op 84-jarige leeftijd gestorven zijn in een onbekende plaats in Boeothië. Over de omstandigheden waaronder hij gestorven is, doen verschillende lezingen de ronde. Zo zou hij één van de weinige christenen zijn uit de begintijd die niet door een marteldood aan zijn eind is gekomen. Maar in de oosterse kerk weet men te vertellen, dat hij wel degelijk door toedoen van afgodenvereerders de marteldood gestorven is. Zij zouden hem aan een olijfboom hebben opgehangen in de stad Thebe, Boeothië.

Verering & Cultuur
In het jaar 357 bracht keizer Constantius († 361), de zoon van de heilige keizer Constanijn († 337; feest 21 mei), zijn relieken over naar Constantinopel. In de 5e eeuw kwamen er naar Orthosias bij Arca. Tijdens de veroveringstochten van de westerse christenen in het oosten werd zijn stoffelijk overschot in Constantinopel buitgemaakt en overgebracht naar de Santa-Giustinakerk in de Italiaanse stad Padua. Ook Rome (het Vaticaan, de Sint-Pieter en de kerk van Sint Martinus) en Venetië (1464, San Giobbe) beroemen zich erop relieken van Lukas binnen de muren te hebben.

Lukas als schilder
Sinds de zesde eeuw heeft de overtuiging postgevat, dat Lukas ook schilder was. Zo zou hij portreticonen hebben vervaardigd van de apostelen Petrus en Paulus. Bovendien staan er drie iconen van de Moeder Gods op zijn naam. Dat verklaart meteen waarom Lukas zo veel weet van de omstandigheden waaronder Jezus geboren is en opgroeide: hij heeft het uit Maria’s eigen mond gehoord, terwijl zij voor hem poseerde. Dat tafereel is dan ook vooral in de middeleeuwse kunst vaak afgebeeld. Daarnaast wordt hij vaak schrijvend afgebeeld, meestal vergezeld van zijn evangelistensymbool: het rund of de os.

Een van zijn vermeende Mariaportretten wordt vereerd in de Santa-Maria-Maggiore te Rome. Daarnaast wordt hij ook beschouwd als de maker van het in feite 12de-eeuwse beeld van de Zwarte Madonna (La Moreneta, La Morena de la Serra) in de benedictijnenabdij van Montserrat (bij Barcelona).

Lukas’ patronaten
De Belgische plaats Antwerpen-Ekeren heeft een Sint-Lucasziekenhuis; Brussel-Anderlecht een Sint-Lucaskerk.
Hij is patroon van de Duitse stad Reutlingen.
In Italië is hij beschermheilige van de steden Bologna en Padua.
In Nederland zijn er Sint-Lukaskerken in Amsterdam-Osdorp, Arnhem, Eindhoven, Elden, Hem, ‘s Hertogenbosch, Tilburg en Venhuizen. Amsterdam heeft ook een Sint-Lukasziekenhuis. Voorschoten heeft een Sint-Lukasschool. Een groot katholieke scholen in de Randstad is ondergebracht in de Sint-Lucasstichting.
Hij is patroon van dokters, chirurgen, apothekers en alle beroepen die met artsenij te maken hebben; zeer vaak zijn en werden R.K. doktersgilden naar hem genoemd. Hij is ook patroon van alle beroepen die met boeken te maken hebben, zoals schrijvers, notarissen, boekhandelaren, drukkers, boekbinders, papierbewerkers; op grond van de traditie dat hij Maria heeft geschilderd werd hij natuurlijk ook patroon van kunstschilders, beeldhouwers en alle andere beeldende kunstenaars, zoals glasschilders, glasblazers, graveurs, borduurders, en in het bijzonder boekverluchters. Het 16e/17e eeuwse schildersgilde van de stad Delft was dan ook naar hem genoemd. Ook is hij patroonheilige van het vee vanwege zijn evangelistensymbool, het rund; zo kon hij ook patroon worden van slagers.
Hij is ook patroon van bierbrouwers en van vrijgezellen



18 okt - maandag

Sneek 09:15 - 09:45 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek


19 okt - dinsdag

- Hele dag Gedenkdag H. Joël, profeet

– Geen, -

Joël Profeet; Jeruzalem, Israël; † 5e eeuw vóór Christus.

Afbeelding profeet Joël

ca 1900(?), paneelschildering (onderdeel van kruisweg).
Nederland, ‘s Heerenberg, St-Pancratius.

http://www.heiligen.net/afb/10/19/10-19-00--0500-joel_1.jpg

Feest 19 oktober.

Hij is de tweede van de twaalf Kleine Profeten. Dezen worden zo genoemd, omdat zij slechts korte geschriften hebben nagelaten.
Joël was afkomstig uit de stam Ruben. Men neemt aan dat hij leefde na de Babylonische Ballingschap, toen de Tweede Tempel alweer herbouwd was.
Zijn boek valt in twee grote delen uiteen: het eerste voorspelt onheil, omdat de mensen Gods woorden niet in praktijk brengen. En wie zo leven, zullen uiteindelijk naar de bliksem gaan. Aldus de gedachtegang van de profeet.
In het tweede gedeelte wordt juist een lieflijke, paradijselijke toekomst in het vooruitzicht gesteld voor al degenen die in de barre tijden Gods woord zijn trouw gebleven.
Hij zegt in hoofdstuk 3:

‘Daarna zal het gebeuren:
Ik zal mijn Geest uitstorten over alle mensen,
uw zonen en uw dochters zullen zich als profeten gedragen;
uw grijsaards zullen droomgezichten zien
en uw jonge mannen krijgen visioenen.
Zelfs over de slaven en de slavinnen
stort Ik mijn geest uit in die dagen.’

Aldus roept de profeet namens God.
Vijfhonderd jaar later zeiden Jezus’ volgelingen (= christenen), dat deze profetie in vervulling ging op het Pinksterfeest, toen de Heilige Geest in de gedaante van vurige tongen op ieder van hen neerdaalde. En inderdaad waren er onder hen zonen en dochters, slaven en slavinnen. Daarop begonnen zij met vurige tongen over Jezus te spreken. Zij waren zo enthousiast dat elke vreemdeling hen verstond in zijn eigen taal. En er waren op dat moment heel veel vreemdelingen onder hun gehoor…

Het boekje van Joël eindigt met een hemels visioen:
‘Voor zijn volk is de Heer een toevlucht,
voor de zonen van Israël een vesting.
“Dan zul je erkennen,
dat ik, JHWH, uw God ben.
Ik die woon op de Sion [= berg waarop tempel van Jeruzalem stond]
mijn heilige berg;
dan zal Jeruzalem heilige grond zijn,
geen vreemde overheersers trekken er meer door.”
En het zal gebeuren op die dag,
dat de bergen van druivennat druipen,
dat de heuvelen stromen van melk,
dat al de waterlopen van Juda
een overvloed aan water hebben,
want uit de tempel van JHWH
zal een bron ontspringen,
die het dal van de acacia’s bevloeit.’


19 okt - dinsdag

- Hele dag Gedenkdag HH Jean de Brébeuf en Isaac Jogues, martelaren van Canada

– Geen, -

Jean de Brébeuf sj, Québec † 1649, en Isaac Jogues, martelaren van Canada; † 1646.

Afbeelding van martelaren van Canada

Marteldood Canadese Martelaren.
1652, Sallaert, schilderij. België, Drongen, Oude Abdij.

http://www.heiligen.net/afb/10/19/10-19-1649-jean-debrebeuf_4.jpg

Feest 19 oktober (met andere Canadese martelaren).

Jean de Brébeuf

Pater Jean was geboren in de buurt van Bayeux in het Franse Normandië op 25 maart 1593. Op 24-jarige leeftijd trad hij in de orde der jezuïeten. Tijdens zijn studies gaf hij les aan de jongens op het college te Rouen. Op 19 februari 1622 ontving hij de priesterwijding.

Hij behoorde tot de eerste lichting Franse jezuïeten die overstak naar La Nouvelle France (= Nieuw-Frankrijk: nagenoeg het huidige Noord-Amerikaanse continent), om te gaan missioneren onder de inlandse bevolking. De overtocht, die plaats had in 1625, duurde twee maanden. Vanuit de standplaats Québec zou hij 800 mijl over water moeten afleggen om de mensen te bereiken voor wie hij bestemd was: de Huronen-indianen. In afwachting van de handelsdelegatie leerde hij het smakeloze voedsel van de indianen verdragen, op de grond slapen en allerlei ontberingen doorstaan zonder te klagen, want zielensterkte was de allerbelangrijkste deugd bij de indianen.

Bij de eerste kennismaking maakte hij diepe indruk op ze: met zijn grote gestalte torende hij hoog boven de kleine indianen uit; vandaar dat ze hem aanvankelijk niet in hun kano’s wilden meenemen uit angst dat ze zouden omslaan. Toen ze tenslotte toch toegaven, was dat vanwege de vette prijs die ervoor betaald werd, en onder voorwaarde dat hij doodstil zou blijven zitten, zolang ze op het water waren. De tocht duurde 30 dagen. Als ze vanwege de watervallen niet konden varen, moest alles, inclusief de kano’s gedragen worden. Pater de Brébeuf deed hun versteld staan, zulke zware lasten als hij kon dragen.

Aangekomen in ‘zijn’ dorp, deed hij de eerste twee jaar niets anders dan de taal en de gewoonten leren van de Huronen. Vanuit zijn christelijke achtergrond was er veel wat hem met afschuw vervulde: hun bijgeloof, hun arrogantie en minachting voor niet-Huronen, hun wraakzucht en wreedheid, hun gebrek aan seksuele moraal. In 1628 kon hij een begin maken met het eigenlijke missiewerk. Maar behalve enkele stervenden kon hij niemand dopen.

Toen kwam het bericht dat de Engelse oorlogsvloot de toegang tot Québec had afgesloten en dat de Fransen er dreigden te verhongeren. Pater de Brébeuf rustte een aantal kano’s uit met graan, en zette koers naar Québec. Het eten was welkom, maar twee dagen na aankomst gaven de Fransen zich over. Pater Jean kon niet meer naar zijn missie terug, en kreeg opdracht naar Frankrijk over te steken. Hij werd weer collegepater nu in de stad Eu. Dat was in 1629.

Maar drie jaar later sloten Engeland en Frankrijk een verdrag waarbij Canada weer aan de Fransen toeviel. De missie kon hervat worden, en Pater Jean behoorde weer tot de eerste lichting die de overtocht waagde. Na veel ontberingen keerde hij in de late zomer van 1634 op zijn oude standplaats terug. Het vroegere dorp was verhuisd, en de bevolking leed aan allerhande ziektes. De mensen waren blij hem en de anderen die bij hem waren, terug te zien. Maar toch wist hij niemand tot Christus te brengen, behalve de stervenden. Dat waren er velen. Toen niet lang daarna de regen ook nog uitbleef, en de tovenaars machteloos bleken, gaven zij de blanken de schuld voor alle ellende die de afgelopen jaren over hen heen was gekomen. Weliswaar begon er op de laatste dag van een negendaagse gebedsperiode die door de paters was uitgeroepen, inderdaad regen te vallen, maar dat nam het wantrouwen niet weg.
Terwijl de missionarissen in de omliggende dorpen nieuwe huizen openden, besloten de Huronen op hun stammenvergadering dat alle blanke zwartrokken dood moesten. Alleen dan zou de rust van vroeger kunnen worden hersteld.
De missionarissen verzamelden zich in een kleine, versterkte Franse nederzetting midden in het huronengebied, Sainte-Marie-parmi-les-Hurons.

Deze is geheel hersteld en een prachtig openluchtmuseum geworden. Bezoekers krijgen er een indrukwekkend beeld van de omstandigheden waaronder de missie toen plaatsvond.

Vandaar trok hij de dorpen rond om Christus te preken aan de kinderen, en waar nodig sacramenten toe te dienen. Intussen roerden zich ook de aartsvijanden van de Huronen, de Irokezen. Het gerucht werd verspreid dat de zwartrokken de Huronen in handen van de Irokezen wilden spelen. De eerste berichten van martelingen kwamen binnen. Het is 1644.
Pater de Brébeuf weigert in te gaan op de goede raad van anderen om zich in veiligheid te brengen, bv. in de stad Québec. Ook de anderen blijven. Als zij in 1649 tijdens een rondrit vertoeven op de hulppost Saint-Louis wordt de nederzetting overvallen door de Irokezen. Alle mensen die in hun ogen zonder waarde zijn, worden zonder meer afgemaakt: vrouwen, kinderen en bejaarden. De zwartrokken worden gevangen genomen en gemarteld. De gruwelijkste martelingen worden voorbehouden aan de dappersten onder wie Pater Jean de Brébeuf: ze moeten naakt door de sneeuw en de vrieskou lopen; hun worden roodgloeiende ijzeren bladen op de schouders gelegd; kinderen mogen hun vingertopjes afkluiven; en nog andere folteringen, de één al gruwelijker dan de ander. Pater Jean geeft geen kik; hij probeert zoveel nog in zijn krachten ligt de anderen te bemoedigen door hun Paulus’ woorden in herinnering te brengen: dat het lijden van dit moment niet opweegt tegen de hemelse heerlijkheid die ons straks te wachten staat.

Hoe vreemd het ook klinkt, toch zat er een vorm van eerbetoon achter die wreedheden. Hoe meer een martelaar bleek te kunnen verduren, hoe krachtiger zijn zielensterkte; en die zielsterkte zou men straks zelf in zich opnemen, wanneer de folteraars het bloed van hun slachtoffers zouden drinken en het hart zouden eten.
Pater Jean de Brébeuf stierf op 16 maart 1649 ‘s morgen om vier uur; hij was op dat moment 56 jaar oud.

Tezamen met de andere zeven Canadese jezuïetenmartelaren werd hij op 21 juni 1925 door paus Pius XI zalig en op 29 juni 1930 heilig verklaard. Hem werd bij zijn zaligverklaring de eretitel gegeven van ‘Apostel der Huronen’.

___________________________________________________________________________

Isaac Jogues

Isaac werd op 10 januari 1607 in de Franse stad Orléans geboren. Op zijn zeventiende trad hij in bij de jezuïeten te Rouen. In het vroege voorjaar van 1636 ontving hij de priesterwijding, en op 8 april vertrok hij uit Frankrijk op weg naar de missie in Nieuw-Frankrijk (= nagenoeg het hele Noord-Amerikaanse continent). Op 2 juli meerde zijn schip af in de haven van Québec. Hij was bestemd voor de Huronenmissie. Spoedig reisde hij door naar Trois-Rivières, waar Huronen hun bont kwamen verhandelen. Hij sloot zich bij hen aan op hun terugtocht, achthonderd kilometer landinwaarts, in kano’s over water, en soms ook over land, waarbij de vaartuigen met bagage en al boven de hoofden moesten worden getild en enkele kilometers verder gedragen. Omdat de inlanders zijn naam onmogelijk konden uitspreken, noemden ze hem in zijn zwarte toog ‘Ondessonk’ (= ‘roofvogel’).

Pater Jogues werd ontvangen door pater Jean de Brébeuf († 1649; feest 19 oktober). Van hem leerde hij de indiaanse taal en gebruiken. Na enige tijd werd hij overgeplaatst naar Teanaustayé en van daar naar de belangrijke statie van Ste-Marie. Met Pasen 1642 smaakte hij het genoegen een groep van honderdtwintig volwassen Huronen te dopen, onder wie de grootste vechtersbaas van de stam.

René Goupil
In juni van hetzelfde jaar vergezelde hij de bonthandelaren naar Trois-Rivières om bij de jezuïeten van Québec medebroeders te vragen voor het vele en vaak moeizame bekeringswerk. Zij hadden niemand, behalve René Goupil († 1642; feest 19 oktober) een geassocieerd lid van de orde, een zogeheten ‘donné’, een leek die geheel volgens de regel van de Orde leefde, maar geen jezuïet was. Als jongeman had hij zich destijds in Parijs aangemeld om jezuïet te worden, maar om gezondheidsredenen was hij weer weggestuurd. Hij had medicijnen gestudeerd en zou van groot nut kunnen zijn bij het bestrijden van de besmettelijke ziektes die herhaaldelijk de inlanders teisterden.

Op de terugweg naar de Ste-Marie werd de expeditie overvallen door de Mohawk-Indianen. Een van de Fransen van het gezelschap werd gedood. Toen pater Jogues en René Goupil te hulp schoten, werden hun de nagels van de vingers gebeten en de vingertoppen afgekloven. Vervolgens werden ze meegenomen naar Ossernenon (= het huisdige Auriesville, New York), de thuisbasis van de Mohawks. Onderweg vroeg René Goupil aan pater Jogues hem alsnog in de jezuïetenorde op te nemen. Hij kende de gelofteformule nog uit het hoofd van de tijd dat hij zich daarop had voorbereid in Parijs. En zo legde hij in de kajak zijn geloften af in de verminkte handen van pater Jogues.

Bij aankomst in Ossernenon werden ze tot op het blote lijf uitgekleed en moesten ze spitsroede lopen tussen de Mohawks die met stokken stonden opgesteld, en hen probeerden te slaan waar ze maar konden. Daarna werden ze op een schavot opgesteld en mocht iedereen met stenen en stukken hout naar hen gooien. Na afloop moest pater Jogues de foltering ondergaan van een vrouw die hem de linkerduim afsneed met een botte schelp. Daarna werden ze overgebracht naar de gemeenschapstent en naakt op de grond uitgestrekt, zodat de kinderen gloeiend houtskool op hun blote lijf konden laten vallen. Uiteindelijk werden ze als slaven toegewezen aan het stamhoofd en moesten ze vrouwenwerk opknappen, zoals werken op het land, water halen en hout sprokkelen. Dit alles tot vermaak van de dorpsgenoten.

Op een goed moment was een van de kinderen in de grote tent ziek. Spontaan maakte René Goupil een kruistekentje over het kind. Twee strijders zagen het. Zij waren door een oude tovenaar gewaarschuwd dat dat teken juist dood en verderf zaaide. Frater René besefte dat hij in gevaar was, en vluchtte het bos in, naar de plek waarvan hij wist dat pater Jogues er regelmatig ging bidden. Hij bekende wat hij gedaan had, waarop zij samen de rozenkrans begonnen te bidden. Op hetzelfde moment kwamen de twee strijders eraan. De één dwong René op zijn knieën, waarop de ander hem met één houw het hoofd afsloeg: het was 29 september 1642.

Zo werd hij de eerste martelaar van de Noord-Amerikaanse staat New York.

Pater Jogues boog zich over hem heen, klaar om de genadeklap te ontvangen, maar wonderlijk genoeg bleef die uit. Hij werd gemaand naar het dorp terug te keren.

Terug in Europa
Er kwam geen verandering in zijn situatie tot september 1643. Toen werd pater Jogues meegenomen op een handelsmissie naar het Hollandse Fort Oranje (= het huidige Albany). De Hollanders hadden al eerder geprobeerd hem los te krijgen tegen een flinke vergoeding, maar dat hadden de Indianen steeds geweigerd. Nu kwam een Hollandse kapitein hem te hulp. Hij verborg de Franse priester in zijn schip en betaalde aan de Mohawks een schadevergoeding. Zes weken hield de pater zich verborgen in het ruim van het schip. Tenslotte zagen de Hollanders kans hem over te brengen naar de grote havenstad Nieuw-Amsterdam (= het huidige New York).

Op 5 november werd hij in staat gesteld een schip te nemen naar Europa. Via Cornwall, Engeland, bereikte hij tenslotte op kerstavond Bretagne. Het eerste wat hij deed was een kerk zoeken om er de mis bij te wonen. Vervolgens meldde hij zich bij zijn medebroeders in Rennes. Die waren er trots op een martelaar in hun midden te hebben. Via de koningin van Frankrijk moest de paus eraan te pas komen om hem toestemming te geven met verminkte handen de mis op te dragen. Hij kon immers niet zoals destijds voorgeschreven de hostie vasthouden tussen duim en wijsvinger. De paus liet in een brief weten: ‘Het zou beschamend zijn, als een martelaar van Christus werd verboden zijn heilig bloed te drinken.’

Mohawks
Zijn hart was bij de missie. Na een kort bezoek aan zijn moeder in Orléans nam pater Jogues in juni weer de boot naar Nieuw-Frankrijk en in juli nam hij te Trois-Rivières alweer deel aan de vredesbesprekingen tussen de Fransen en de Irokezen. Er kwam weliswaar een vredesverdrag, maar dat moest ook door de Mohawks ondertekend worden. Met twee Mohawks en vier Algonquin-Indianen werd Pater Jogues aangewezen om de Mohawks op te zoeken. Hij kende immers de situatie en zou diplomatieke onschendbaarheid genieten. Onderweg deden ze Fort Oranje aan waar pater Jogues de losprijs kon vergoeden die de Holanders destijds voor hem aan de Mohawks hadden betaald. Tenslotte arriveerde hij bij de hoofdman, nu niet als zwartrok, maar gekleed als Fransman. De vredesvoorwaarden werden geaccepteerd. Op 3 juli was hij terug in Québec.

Jean de la Lande
In de veronderstelling dat de Mohawks milder gestemd waren, nu ze zich bij de vrede hadden aangesloten, vroeg hij aan zijn oversten toestemming om onder hen missie te gaan bedrijven. Dat mocht. In september was hij met enkele Huronen en Jean de la Lande onderweg naar het gebied van de Mohawks. De la Lande was een ‘donné’, afkomstig uit Dieppe. In 1642 was hij vanuit Frankrijk overgestoken en bleek een kundig en handig bosbouwer; intelligent en dapper. Hij had zich uit eigen beweging aangemeld om pater Jogues te vergezellen. Deze had hem in alle ernst en openheid gewezen op de grote risico’s die aan deze missie verbonden waren. Het had hem niet afgeschrikt; integendeel. Hij nam de verminkte handen van pater Jogues in de zijne en zwoer plechtig hem overal te vergezellen, zelfs als dat zou leiden tot marteldood.

Op 27 september 1646 vertrok het gezelschap uit Trois-Rivières. Maar al spoedig kwam het bericht dat de Mohawks weer op het oorlogspad waren. Er was namelijk weer een besmettelijke ziekte uitgebroken, en de Mohawks dachten dat die veroorzaakt werd door het relatiegeschenk dat de vredesdelegeatie van pater Jogues destijds had meegebracht: een kist met dekens, boeken en snuisterijen. Dit bericht bracht de Huronen zo in paniek dat zij terugkeerden naar Trois-Rivières, zodat de hele missie nog slechts bestond uit de beide missionarissen en één indiaan. Op wraak beluste Mohawks die in de omgeving rondtrokken, stuitten al gauw op het driemanschap, en tot hun niet geringe blijdschap bleek een van hen de gehate ‘Ondessonk’ zelf te zijn. In triomf werden de drie meegenomen naar het dorp, waar ze weer spitsroede moesten lopen tussen Indianen die hen van alle kanten probeerden af te ranselen met stokken en knuppels en met messen happen vlees uit hun lijf sneden. De volgende dag werd Ondessonk door een strijder uitgenodigd op een feestmaal bij het dorpshoofd. Pater Jogues rook onraad, maar kon niet weigeren. Bij het binnengaan van de gemeenschapstent werd hij neergestoken door een indiaan. Zijn hoofd werd afgehakt en zijn lijk triomfantelijk door het dorp gesleept. Dat alles gebeurde op 18 oktober.

Jean de la Lande werd op het hart gedrukt zijn wigwam niet te verlaten. Zo lang hij daar zat zou niemand hem iets doen. Maar De la Lande vroeg zich intussen af wat er met het lijk van Pater Isaac Jogues gebeurde. Dat moest dus ergens in het dorp liggen. Hij besloot van het nachtelijk duister gebruik te maken en op zoek te gaan naar pater Jogues. Maar hij had zijn hoofd nog niet buiten zijn wigwam gestoken of het werd afgehakt door twee strijders die apart voor dat doel de wacht hadden gehouden. Dat was in de vroege morgen van 19 oktober.

Zij werden tezamen met de zes andere Canadese jezuïetenmartelaren op 21 juni 1925 door paus Pius XI zalig en op 29 juni 1930 heilig verklaard.



19 okt - dinsdag

Sneek 08:45 - 09:15 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


19 okt - dinsdag

Sneek 16:00 Rozenkransgebed

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


20 okt - woensdag

- Hele dag Gedenkdag H. Sindulfus van Reims, kluizenaar

– Geen, -

Sindulfus (ook Sandou, Sindulf, Syndulphe of Syndulphus) van Aussonce (ook van Reims), Frankrijk; kluizenaar; † ca 660.

Afbeelding van Sindulfus

ca 1900. Gips. Frankrijk, Hautvillers, abdijkerk.

http://www.heiligen.net/afb/10/20/10-20-0660-sindulfus_1.jpg

Feest 20 oktober.

Hij was afkomstig uit Zuid-Frankrijk (Gascogne of Aquitanië) en vestigde zich als kluizenaar te Aussonce, even ten oosten van Reims in de Franse Ardennen. Zo wijdde hij zich geheel en al toe aan de dienst van God. Maar op een goed moment verliet hij zijn cel en begon aan de mensen in de omgeving het evangelie te verkondigen, in woord en daad. Hij hielp de armen, troostte de bedroefden en genas de zieken. Zo leefde hij tot aan zijn dood.

Verering & Cultuur
Hij werd begraven op de plek van zijn cel. Boven zijn graf verrees een kerk, waar vele bedevaartgangers naartoe trokken om zijn voorspraak te vragen in hun noden en gebeden. Herhaaldelijk gebeurde het dat hun gebeden werden verhoord wat soms gepaard ging met opzienbarende wonderen. Vandaar dat bisschop Hincmar van Reims († 882; feest 21 december) zijn relieken liet opgraven en plaatste ze in een passende schrijn op het altaar, zodat ze door iedereen konden worden vereerd.

Dat stond in die tijd gelijk met een officiële, kerkelijke heiligverklaring. Een gedeelte van de kostbare relieken schonk hij aan het beroemde nabijgelegen klooster Hautvillers. Ook tijdens deze overbrenging zouden er vele wonderen gebeurd zijn: toen de stoet met de heilige voorwerpen was langsgetrokken, bleek dat een blinde vrouw weer kon zien, een stomme begon te spreken en iemand die vanaf zijn geboorte verlamd was geweest, kon lopen.



20 okt - woensdag

Sneek 09:15 - 09:45 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek


21 okt - donderdag

- Hele dag Gedenkdag H. Wulfilak van Trier, kluizenaar

– Geen, -

Wulfilak (ook Valfroy, Vulfilaicus, Vulflagius, Vulfolaic, Vulphy, Walfroy, Wulflagius, Wulflaicus, Wulflaik, Wulphy of Wulpy) van Trier (ook van Carignan of van Yvois); kluizenaar; † ca 594.

Afbeelding Wulfilak van Trier

< 1900. Devotieprentje. Frankrijk, Parijs.

http://www.heiligen.net/afb/10/21/10-21-0594-wulfilak_1.jpg

Feest 21 oktober (Metz & Trier).

Hij was afkomstig uit Lombardije. We kennen zijn verhaal uit zijn eigen mond. Hij vertelde het aan de heilige bisschop-geschiedschrijver Gregorius van Tours († 594; feest 17 november); deze tekende het op zijn Geschiedenis van de Franken VIII,15-16:

‘Toen ik verder trok, kwam ik in de stad Carignan [tot 1662 Yvois; sindsdien Carignan op last van Lodewijk XIV; zuidoostelijk van de Franse stad Sedan]; daar werd ik hartelijk verwelkomd door de diaken Wulfilak, die mij meenam naar zijn klooster. Dat ligt op een heuvel zo’n acht mijl buiten de stad. Wulfilak had er een ruime kerk gebouwd die algemeen bekend is vanwege haar relieken van Sint Martinus en andere heiligen. Ik maakte van de gelegenheid gebruik door hem te vragen naar zijn bekering: hoe hij, als geboren Longobard, ertoe gekomen was in dienst van de Kerk te treden. Eerst wilde hij er eigenlijk niet over beginnen; hij schuwde in alle oprechtheid elke vorm van bekendheid. Ik probeerde bij hoog en bij laag vol te houden dat hij juist wel op al mijn vragen in moest gaan en ik zwoer hem dat ik het aan geen levende ziel ooit zou doorvertellen. Het duurde nog een hele tijd voor hij overstag ging, maar uiteindelijk gaf hij gehoor aan mijn bidden en smeken.

“Toen ik nog een kleine jongen was, begon hij, hoorde ik vertellen over een zekere Sint Martinus [ook Sint Maarten: † 397; feest 11 november]. Ik wist toen zelfs niet eens of hij een beroemde martelaar was dan wel gewoon een bekende man van de kerk, wat voor goeds hij allemaal had gedaan tijdens zijn leven en welke plek bijzonder was geheiligd doordat zijn lichaam daar ter ruste was gelegd. Toch begon ik nachtwaken te houden in zijn naam, en elke cent die ik in handen kreeg, gaf ik weer weg als een aalmoes. Toen ik wat ouder werd heb ik erg mijn best gedaan om letters te leren schrijven. Eerst tekende ik ze zorgvuldig over en gaandeweg begon ik te ontdekken wat ze betekenden, als ze in een bepaalde volgorde stonden. Ik werd een leerling van abt Aredius [ook: Yrieux: † 591; feest 25 augustus], en hij moedigde mij aan met hem mee te gaan naar de kerk van Sint Martinus.

Toen het moment was aangebroken om weer vandaar weg te gaan, veegde hij bij wijze van een heilige relikwie wat stof bij elkaar van het gewijde graf. Hij stopte het in een klein doosje en hing dat aan mijn nek. Bij aankomst in zijn klooster bij Limoges borg hij het weg in zijn kapel. Die stof begon zich vanzelf te vermeerderen, zodat het tenslotte niet alleen het hele doosje tot de rand vulde, maar ook zijn uitweg begon te zoeken door alle spleetjes en kieren heen. Dat wonder vervulde mij met grote vreugde met als gevolg dat ik al mijn hoop voor de toekomst stelde op de wondermacht van Sint Martinus.

Vervolgens verhuisde ik naar de omgeving van Trier en op de heuvel waar we ons nu bevinden bouwde ik met mijn eigen handen het onderkomen dat je nu voor je ziet. Ik trof hier nog een beeld van Diana aan dat de bijgelovige bevolking van hier als een afgod vereerde. Ik richtte daartegenover een zuil op waarop ik aldoor met blote voeten bleef staan, hoeveel pijn het me ook ging doen. Toen de winter kwam, begon het zo vreselijk te vriezen dat de nagels van mijn tenen vielen, en dat niet één keer, maar bij herhaling; regen bevroor en hing in pegels van mijn baard zoals was van branden kaarsen druipt. Deze streek staat bekend om zijn koude winters.”

Ik was benieuwd wat hij at en dronk en hoe hij erin geslaagd was die afgodsbeelden op zijn heuvel te vernietigen. “Het enige wat ik had aan eten en drinken was een stuk brood, wat groenten en een beetje water,” antwoordde hij. “De mensen uit de omliggende boerderijen begonnen naar mij toe te stromen en ik vertelde ze telkens maar weer dat Diana niets voorstelde, dat haar beeld geen enkele macht bezat en dat de rituelen die zij rond haar uitvoerden niks uithaalden. Ik probeerde ze duidelijk te maken dat de liederen die zij daarbij in hun bezopen uitspattingen zongen, hun eigenlijk onwaardig waren. In plaats daarvan konden ze beter eer betuigen aan de almachtige God, die hemel en aarde gemaakt had. En ik bad dag en nacht dat de Heer zich zou verwaardigen het beeld naar beneden te laten kletteren en deze mensen te bevrijden van hun valse afgodsdiensten. Gods genade bracht inderdaad verandering te weeg in deze boerenharten, zodat ze stilaan begonnen te luisteren naar wat ik ze te zeggen had: ze keerden hun afgodsbeelden de rug toe en gingen de Heer volgen. Toen heb ik een aantal van hen bij elkaar geroepen en met hun hulp was ik in staat het afgodsbeeld omver te gooien.

Dat was overigens niet zo eenvoudig als het klinkt. Tevoren had ik al de kleinere afgodjes omver kunnen gooien: die gingen nog gemakkelijk. Maar voor Diana’s beeld kwam er een hele menigte samen; ze bonden er touwen omheen en begonnen eraan te trekken om het naar beneden te krijgen, maar ze kregen het met zijn allen niet voor elkaar. Ik was intussen naar de kerk gerend, had me voorover op de grond gegooid en huilde en bad God om hulp: dat Hij met zijn goddelijke macht zou vernietigen wat mensen op hun eigen houtje niet voor elkaar kregen. Na mijn gebed beëindigd te hebben, ben ik weer naar buiten gegaan, wendde mij tot de werklieden en greep het touw vast. Meteen bij de eerste ruk die we toen gaven, kletterde het beeld tegen de grond. Ik heb het verder met ijzeren hamers verbrijzeld en uiteindelijk tot stof geslagen.

Toen ik naar huis ging om iets te eten, zat mijn hele lichaam van top tot teen onder de kwaadaardige zweren; er was geen plekje meer op mijn hele lichaam te vinden waar ze niet zaten. Ik ging de kerk in en kleedde mij voor het altaar uit tot op het blote lijf. Ik had daar al die tijd een flesje met olie bewaard, dat ik destijds nog uit de St-Martinuskerk had meegebracht. Met eigen handen smeerde ik mijn hele lichaam in met die olie. Toen ben ik gaan slapen. Het was middernacht toen ik weer wakker werd. Toen ik opstond om de vaste gebeden te zeggen, ontdekte ik dat mijn hele lichaam weer gezond was, alsof er nooit ergens ook maar een zweer had gezeten. Toen werd het me duidelijk dat die gezwellen waren veroorzaakt door de haat van de duivel. Hij is zo jaloers dat hij alles in het werk stelt om degenen die God zoeken kwaad te doen.

Naderhand kwamen er een paar bisschoppen. Je zou verwachten dat zij mij eigenlijk met wijsheid en tact hadden moeten aanmoedigen en bevestigen in het goede werk dat ik daar begonnen was. Maar nee, ze kwamen zeggen: ‘Het is niet goed waar jij hier mee bezig bent! Zo’n duister figuur als jij is niet te vergelijken met Simeon de Pilaarheilige van Antiochië [Simeon de Styliet: † 460; feest 5 januari]. Het klimaat hier is niet geschikt om jezelf op deze manier geweld te blijven aandoen. Kom dus van die zuil af en leef samen met de broeders die je rond je verzameld hebt.’ Ik wist dat ik een ernstige zonde deed, wanneer ik niet aan bisschoppen gehoorzaamde; dus kwam ik naar beneden, trok mij terug met die broeders rondom mij en at voortaan met hen gemeenschappelijk. Op een dag wist een van die bisschoppen mij over te halen naar een wat verder weg gelegen hofstede te gaan. In de tussentijd stuurde hij werklui met breekijzers, hamers en bijlen die de zuil waarop ik al die tijd had doorgebracht in gruzelementen moesten slaan. Toen ik de volgende dag terugkwam, trof ik alleen nog maar brokstukken aan. Ik heb bitter gehuild, maar nooit heb ik het gewaagd die in stukken geslagen zuil weer op te bouwen, want dan zou ik ongehoorzaam zijn geweest aan een bisschoppelijk bevel. Met als gevolg dat ik mij er tevreden mee heb gesteld tussen mijn broeders te leven tot op deze dag.”

Vervolgens vroeg Gregorius aan Wulfilak nog een aantal wonderen te vertellen die er op het graf van Sint Martinus waren gebeurd.
Op 7 juli 979 werden zijn relieken overgebracht naar Yvoix.

Hij is noch identiek met de in Rue en in Montreuil-sur-Mer vereerde Sint Wulphy, noch met de in Welferdingen, Duitsland, vereerde Sint Walfridus.



21 okt - donderdag

Sneek 08:45 - 09:15 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


21 okt - donderdag

Sneek 16:00 Rozenkransgebed

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


22 okt - vrijdag

- Hele dag Gedenkdag H. Mello, 1e bisschop van Rouen

– Geen, -

Mello (ook Mallon, Malouen, Melanius, Mellon, Mellonus) van Rouen, Frankrijk; 1e bisschop; † ca 314.

Afbeelding van Mello van Rouen
Gravure.

http://www.heiligen.net/afb/10/22/10-22-0314-mello_1.jpg

Feest 22 oktober.

Mello staat te boek als de eerste bisschop van Rouen.

Newman neemt hem op in zijn kalender van heiligen van Engelse bodem. Volgens zijn levensbeschrijving was hij afkomstig uit ‘Cardiola’. Een plaats van deze naam is onbekend. Wordt hier bedoeld de plaats Carlisle? Of is het Cardiff in Wales, dat in de eigen Keltische taal Caerdydd heet? Of is hier sprake van het Schotse Cardes?

Hij zou vanuit zijn geboortestreek met een militaire missie naar Rome zijn gestuurd. Daar bracht hij, zoals het hoorde voor een soldaat, offers in de tempel van oorlogsgod Mars. Tijdens zijn rondgang door de stad trof hij paus Stefanus († 257; feest 2 augustus), die juist les gaf aan een handjevol christenen. Hij bleef staan luisteren en de paus nodigde hem uit te vertellen wie hij was en waar hij vandaan kwam. Mello bleek geïnteresseerd in Christus, werd geloofsleerling en liet zich uiteindelijk dopen. Daarbij werden hem met name Jezus’ woorden in herinnering gebracht: “Als je niet alles wegdoet wat je bezit om mijnentwil, kun je mijn leerling niet zijn.” Bij terugkomst in zijn herberg, bracht Mello onmiddellijk deze woorden in praktijk en verkocht alles wat hij bezat, zelfs zijn wapenrusting; de opbrengst verdeelde hij onder de armen. Mello bleek zo’n veelbelovende leerling van Christus, dat de paus hem tenslotte priester wijdde.

Toen hij eens de mis opdroeg, verscheen hem een engel aan de rechterkant van het altaar; deze reikte hem een herdersstaf over met de woorden: “Pak deze staf aan, want je zult straks Gods volk leiding moeten geven in de stad Rouen in Noord-Gallië.” Mello antwoordde: “Waarheen de goede God mij ook zendt, ik ben bereid er naar toe te gaan.” De paus bevestigde hem in zijn zending en gaf hem zijn zegen mee.

Op zijn reis naar Rouen kwam hij door de stad Autun. Daar kwam hem een groep mensen tegemoet die een man meedroegen aan wie een ongeluk was overkomen: zijn voet was finaal doormidden gespleten. Hij heette Lupillus. Zij vroegen Mello of hij iets van geneeskunst afwist. Deze antwoordde hun dat hij de man zou genezen, als zij eerst rustig naar hem wilden luisteren. Waarop zij zeiden: “Zeg maar wat u van ons wilt, en we zullen het doen. We zullen in uw God geloven en Hem aanbidden.” Daarop raakte hij het slachtoffer aan met de staf die hij van de engel gekregen had, met de woorden: “In de naam van Onze Heer Jezus Christus: word gezond!” Onmiddellijk kon de man op eigen benen staan en was er van de verwonding niets meer te zien. Hij ging terug de stad in en vertelde overal wat hem was overkomen.
Nu woonde er in die stad een vrouw, Veronica geheten, die zoveel had gehuild om de dood van haar man, dat ze er blind van was geworden. Toen zij hoorde wat er met Lupillus gebeurd was, stuurde zij haar beide zoons naar de man Gods met het verzoek dat hij haar het gezicht zou teruggeven. Op beide knieën gezeten bad Mello: “Heer Jezus Christus, u hebt de ogen geopend van de blindgeborene. Open nu ook de ogen van deze vrouw, zodat ze kan zien dat er geen andere God is dan u.” Hij raakte haar ogen aan en onmiddellijk kon zij zien. Hierna doopt hij Veronica met haar beide zonen, alsmede Lupillus. Deze zou later nog omwille van Christus de marteldood ondergaan.

In een andere stad wist hij een man met verkrampte ledematen te genezen; hij heette Quirinus. Hij leed al veertig jaar aan zijn ziekte en was aangewezen op een plankje met wieltjes om zich voort te bewegen. Bij het zien van Mello riep hij: “Als u wilt, kunt u mij genezen; dat zie ik zo!” Waarop de heilige man antwoordde: “Dat kan alleen maar, als je je valse goden wegdoet.” Waarop de stakker schreeuwde: “Ik geloof in de god die u verkondigt!” Daarop nam Mello hem bij de hand en zei: “Quirinus, ga recht op staan en wees gezond in de naam van de Heer.” Hij stond op en rende onmiddellijk naar zijn vader met het wielplankje onder de arm, en vertelde aan ieder die het horen wilde, hoe hij weer gezond was geworden.
Daarop bekeerden ook zijn bejaarde ouders zich tot Christus. In diezelfde stad gaf onze man Gods ook nog de spraak terug aan een doofstomme, waarop zich vele mensen lieten dopen. Met als gevolg dat zich drommen mensen rond Mello verzamelden, als hij hun over Christus wilde vertellen. Zo komt het dat er een jongen was, Praecordius, die op het dak van een huis klom om het allemaal beter te kunnen zien. Maar de preek duurde lang en hij viel in slaap, waardoor hij van het dak afgleed. Zo te zien had hij verscheidene ledematen gebroken, maar de wond aan zijn hoofd was zo erg dat hij ter plaatse stierf. Ook hier werd Mello te hulp geroepen. Hij raakte de dode jongen aan met de staf die hij van de engel had gekregen, met de woorden: “Praecordius, sta op in de naam van Onze Heer Jezus Christus.” Waarop de jongen de ogen opende, zijn redder boven zich zag en onmiddellijk vroeg om het doopsel. Deze Praecordius zou later priester worden en de eerste kerk voor Christus bouwen in die streek.

Mello gaf nog vele malen blijk van zijn heiligheid. Hij tuchtigde zijn lichaam met vasten en gebed; elke dag en elke nacht maakte hij driehonderd keer een kniebuiging uit eerbied voor Christus. Onafgebroken luisterde hij naar de noden van de mensen. Hij hield zo weinig tijd over dat hij soms rechtop in zijn stoel in slaap viel. Zijn dagelijks voedsel bestond uit verse kruiden en zijn drank was gewoon water. Door zijn eigen mensen werd hij ‘de vader van armen en weeskinderen’ genoemd, of ook ‘de rechter van weduwen’. Wat hij verkondigde aan zijn mensen, bracht hijzelf in praktijk.

Hij was op de lange duur zo beroemd dat van overal doofstommen, lammen, blinden en lijders aan allerhande kwalen en ongemakken naar hem toe kwamen om door hem te worden genezen. Toen hij tenslotte oud en moe was geworden, verscheen hem weer de engel van het begin. Deze zei: “Mello, je hebt de goede strijd voor Christus gestreden, je hebt zijn naam verkondigd aan de heidenen, je hebt in hun midden de Kerk van Christus opgebouwd en tegelijkertijd je ziel en lichaam in alle zuiverheid bewaard. Maak je klaar om de beloning van het eeuwig leven in ontvangst te nemen. Daarop riep de heilige bisschop zijn dienaren bijeen en droeg hun op ook in de toekomst het geloof in Christus zuiver te behoeden en te bewaren. Daarop stierf hij, omringd door de mensen van zijn stad. Dat was op de 22e oktober.

Zijn levensbeschrijving stamt pas uit de 9e eeuw. De schrijver was niet zozeer geïnteresseerd in de historische feiten en omstandigheden, als wel in de heiligheid van Mello. Vandaar dat hij een reeks anekdotes vertelt die sterk lijken op de verhalen van Jezus uit het Evangelie. Een heilige is immers iemand die bij uitstek aan Jezus doet denken.

Zijn gedachtenis leeft voort in de naam van de parochie van St. Mallon in het voormalige bisdom van St-Malo. (Deze Malo is niet dezelfde als Mallon!). Hij is ook terug te vinden in de naam van de voormalige abdij Coat-Malouen, wat Bretons is voor ‘Bos van Mallon’ en wat in het Latijn telkens wordt genoemd ‘Silva Mellonis’.



22 okt - vrijdag

Sneek 19:00 - 19:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


23 okt - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Woord- en Communieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastor Foekema

M.m.v. het Ceacilliakoor



30 okt - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Woord- en Communieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastor Foekema

M.m.v. het Ceacilliakoor


feb 2024

datum/tijd evenement

29 feb - donderdag

Hele dag Gedenkdag Zalige Antonia van Florence

Antonia van Florence ofm.ter, Aquila, Italië; abdis; † 1472.

Afbeelding H. Antonia van Florence  ca 1900. Glasschilderkunst. Nederland, Delft, Maria van Jessekerk.

Feest 29 februari.

Zij werd in 1401 geboren in de Italiaanse stad Florence. Op zeer jonge leeftijd werd ze al weduwe en sloot zich aan bij de tertiarissen van St-Franciscus.

Antonia sloot zich aan bij een vrouwengemeenschap in de stad Foligno; daar werd zij tot overste benoemd. In 1433 werd zij overgeplaatst naar Aquila, niet ver van Venetië om er de leiding van de vrouwengemeenschap op zich te nemen. Dertien jaar lang oefende zij deze functie uit. Maar tenslotte begon zij toch te verlangen naar een meer strenge levenswijze in dienst van de Heer. Zij trad in bij de clarissen van klooster Corpus Christi in Aquila, en werd prompt na enige tijd tot abdis benoemd. Getroffen door een ongeneeslijke ziekte, moest ze verschrikkelijke pijnen doorstaan. Ze ondervond daarbij grote steun van haar geestelijk leidsman, de heilige Johannes van Capistrano (+ 1456; feest 23 oktober). Ze stierf op 29 februari 1472.

In 1847, een jaar na zijn pauskeuze, verklaarde Pius IX haar zalig.


Powered by Events Manager