Close
Skip to content

Evenementenlijst Sint Antoniusparochie

jun 2021

datum/tijd evenement

14 jun - maandag

Hele dag Feestdag H. Lidwina van Schiedam, maagd & mystica

Lidwina (ook Lidia, Liduina, Lidwiga, Lidwine, Lidwyna, Ludwiga, Ludwina, Lydie, Lydwina of Lydwine) van Schiedam, Nederland; maagd en mystica; † 1433.

Afbeelding H. Lidwina van Schiedam
1498. Houtsnede door Joannes Brugman.  Lidwina valt op het ijs.

http://www.heiligen.net/afb/06/14/06-14-1433-lidwina_1.jpg

Feest 14 juni.

Zij werd in 1380 te Schiedam uit arme ouders geboren. In 1395 kwam zij bij het schaatsen op het ijs ten val. Dat was het begin van een ongeneeslijk en zeer pijnlijk ziekteproces. Zij at bijna niets en leefde nagenoeg alleen van de heilige communie die haar regelmatig door de kapelaan van de parochiekerk werd gebracht. Het schijnt dat zij haar pijn heldhaftig droeg en dat zij haar bezoekers vol liefde en aandacht te woord stond. Op die manier was zij een bron van inspiratie voor haar omgeving. Maar ze moest ook meemaken, dat zij als een zonderling of zelfs bedriegster werd beschouwd.

Zo logeerde op 10 oktober 1425 hertog Filips van Bourgondië in de stad Schiedam. Omdat Lidwina een beroemdheid was, gingen een aantal dienaren van de hertog in gezelschap van de plaatselijke pastoor, Jan Engel, bij haar langs. Het was na de maaltijd. Eenmaal binnen begonnen die knechten liederlijke taal uit te slaan; ze beschuldigden haar ervan dat ze een bedriegster was, dat ze net deed alsof ze streng vastte, maar intussen ‘s nachts stiekem at en dat ze de bijslaap van de pastoor was. De pastoor probeerde tussenbeide te komen, maar hij werd honend het huis uit gejaagd. Vervolgens staken ze een kaars aan, rukten de gordijnen van Lidwina’s bedstee opzij, en begonnen aan de dekens te trekken.
Lidwina’s nichtje Pieternel sprong ertussen om haar zieke tante te beschermen, maar de onverlaten smeten haar ruw opzij. Daarbij stootte zij zich pijnlijk tegen het bankje bij het altaar, dat in Lidwina’s kamer stond. Haar heupen en lendenen deden zo’n pijn, dat ze vanaf dat moment tot aan haar dood enkele maanden later mank liep en zich hinkend voortbewoog.
Deze Petronilla (of Pieternel) was een dochter van Sint Lidwina’s broer. Zij kwam haar tante op haar ziekbed geregeld verzorgen. Eind december, begin januari werd Pieternel ziek. Ze stierf op 14 januari 1426 ‘s avonds om een uur of tien. Lidwina heeft nog afscheid van haar kunnen nemen.
Na haar dood herinnerde Lidwina zich een soort droomvisioen van enkele dagen tevoren. Daarin had ze gezien, hoe een stoet aartsvaders, profeten, apostelen, martelaren, belijders, maagden, priesters en leken met kruisen en brandende kaarsen de kerk van Schiedam uit waren getrokken. Ze hadden hun schreden gericht naar een huisje in de stad, haalden daar een dode op en keerden plechtig weer terug. De overledene had drie kronen: een op haar hoofd en een in elke hand.
Nu – na Pieternels dood – besefte Lidwina, dat dit visioen een voorspelling geweest moest zijn van de dood van haar nichtje. Enerzijds was Lidwina gelukkig te weten, dat ze in de eeuwige zaligheid was opgenomen. Anderzijds had ze veel verdriet over het verlies van iemand die haar steeds met zoveel liefde en zorg terzijde had gestaan en die had gedeeld in al haar geestelijke gaven.
In de twee maanden die volgden op Pieternels dood maakte ze een tijd door waarin ze het gevoel had door God verlaten te zijn.

Reeds tijdens haar leven werd Lidwina als een heilige beschouwd. Op 14 april 1433 kwam er een eind aan haar lijdensweg.

Patronaten
Zij is patrones van de zieken en van het ziekenpastoraat.

Afgebeeld
Zij wordt afgebeeld met een krans van rozen rond haar hoofd. In de ene hand een kruisbeeld en in de andere een bloesemtak.

In 1946 publiceerden Gabriël Smit (rijmpjes) & Piet Worm (prentjes) een boekje over heiligen voor kinderen: ‘Roosjes uit de Hemeltuin’; Utrecht/Antwerpen, De Fontein. Het bevat ook een rijmpje voor Sint Lidwina:

Lidwina, na uw val op ’t ijs
Begon uw weg naar ’t paradijs,
Een weg van zwaar en bitter lijden
Die uitkwam bij ’t zoetst verblijden.
Leer mij een zelfde weg te gaan
Door steeds na ’t vallen op te staan.



14 jun - maandag

Sneek Hele dag I.v.m. Corona geen openbare viering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek

Wij steken een kaarsje op voor:

Mattie Janssen- Janssen,

Ernesto Andriol en overleden familie



15 jun - dinsdag

Hele dag Gedenkdag H. Germaine van Pibrac, herderin

Germaine Cousin (ook van Pibrac), Pibrac bij Toulouse, Frankrijk; herderin; † 1601.

Afbeelding H. Germaine van Pibrac
ca 1880. Glasschilderkunst.
Frankrijk, Bourgondië, St-Léger-sous-Beauvray, Église St-Léger.

http://www.heiligen.net/afb/06/15/06-15-1601-germaine_1.jpg

Feest 15 juni.

Zij werd in een straatarm boerengezin geboren rond het jaar 1579. Reeds bij de geboorte bleek dat zij niet helemaal in orde was. Zij was pokdalig, uitgesproken lelijk en haar rechterhandje vertoonde verlammingsverschijnselen. Kort na haar geboorte stierf haar moeder. Haar vader wist geen raad met zijn gehandicapte dochter en liet haar aan haar lot over. Hij hertrouwde, maar stiefmoeder had zo mogelijk een nog groter hekel aan het kind dan vader. Welbeschouwd kregen de beesten een betere behandeling dan zij. Ze moest in de stal slapen of onder de trap; haar bed bestond uit wijnstokken. Meer dan droog brood kreeg ze niet te eten en het was haar verboden om met de kinderen van haar stiefmoeder te praten, want deze was bang dat haar mismaaktheid het boze oog zou aantrekken. Vanaf haar negende sleet zij haar dagen als herderinnetje: ze moest op haar vader’s schapen passen. Lezen kon ze niet; de hele dag door bad ze haar rozenhoedje. En iedere ochtend ging ze naar de kerk. Als het de tijd was voor de mis, pootte ze haar herdersstaf en haar spinrokken in de grond – aldus een oude levensbeschrijving – en ze liet het toezicht op haar schapen over aan Gods voorzienigheid: dat werkte, want nooit is er een vos geweest die ook maar één schaap te pakken heeft weten te krijgen. Voor ze ging, verbood ze de beesten uitdrukkelijk voorbij haar staf te gaan om op het land van de buurman te grazen. Dat is dan ook inderdaad nooit gebeurd.

Als ze kon gaf ze heel haar hebben en houden weg aan mensen die het nog slechter hadden dan zij. Dat maakte wel dat zij ook van de dorpelingen veel pesterijen te verduren had: ze werd voor gek versleten of voor heilig boontje uitgemaakt of nonnetje. Niemand die haar in bescherming nam, en zelf zei ze nooit iets terug.

Waar haalde ze die aalmoezen vandaan? Haar stiefmoeder verdacht haar ervan dat ze stiekem voedsel wegpakte uit de keuken. Zo stevende ze een keer in alle vroegte op haar stiefdochter af die zich met de beesten op het veld bevond. Twee manen die toevallig in de buurt waren, vreesden dat ze het kind een ongeluk zou aandoen en renden er achter aan om haar tegen te houden. Zo werden zij getuigen van het wonder dat zich voltrok. Scheldend en tierend had stiefmoeder het kind bereikt. Ze rukte het schort open waar ze altijd haar hompen brood in bewaarde. Maar deze keer vielen er geen broodbrokken uit, maar verse bloemen van een soort die nergens in de omgeving te vinden waren. Trouwens het was winter: er bloeiden helemaal geen bloemen!

Dit voorval maakte dat er ook andere verhalen over haar verteld werden. Zij was een heilige. Zelfs haar vader begon spijt te krijgen van zijn onmenselijke behandeling en hij verbood zijn vrouw al te hard tegen haar op te treden. Zelfs nodigde hij haar aan tafel uit tussen de andere kinderen. Maar zij vroeg zelf om alles te laten zoals het was.

Zo kwam het dat zij in grote verlatenheid stierf, 22 jaar oud. Haar vader vond haar op een ochtend dood op haar bed onder de trap.

Cultuur & verering
Ze werd begraven in het kerkje van Pibrac. Meteen na haar dood kwamen er mensen bidden op haar graf. Ze werden steevast verhoord. Zodat paus Pius IX haar tenslotte eerst zalig en vervolgens heilig verklaarde, respectievelijk in 1854 en 1867.

Patronaten
Zij is patrones van de herderinnen.



15 jun - dinsdag

Sneek 08:45 - 09:15 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


16 jun - woensdag

Hele dag Gedenkdag H. Lutgardis van Tongeren, mystica

Lutgardis van Tongeren o.cist., Aywières, België; mystica; † 1246.

Afbeelding H. Lutgardis van Tongeren
1670, schilderij. België, Brugge, St-Godelieveabdij.
Christus en Lutgardis wisselen hun harten uit.

http://www.heiligen.net/afb/06/16/06-16-1246-lutgardis_2.jpg

Feest 16 juni.

Zij werd in 1182 in Tongeren geboren. Haar vader was een rijke koopman en had voor zijn dochter een gunstig huwelijk in gedachten. Haar moeder daarentegen bracht haar de liefde voor het geestelijk leven bij en wees haar erop, dat zij eventueel ook in het klooster kon gaan. Voorlopig won moeder. Zij trad in bij de benedictinessen van het St.-Catharinaklooster te Sint-Truiden, 1194. Maar er kwamen huwelijkskandidaten tot in het klooster. En Lutgart bleek er niet ongevoelig voor. Toen zij eens met een knappe jongeman in gesprek was, verscheen haar Christus naast hem, zoals Hij er aan het eind van zijn lijdensweg aan toe was: het bloed stroomde uit zijn wonden. Op dat moment van keuze werd het haar duidelijk, dat haar liefde voor haar Heer groter was dan voor welke aardse bruidegom ook. En zij koos er voor van nu af Christus te beminnen en te omhelzen als een bruid.

Zij leidde een intensief mystiek leven, waarin zij een bijzondere omgang had met Christus. Haar huisgenotes dachten aanvankelijk, dat de gestrenge levenswijze die zij zich nu oplegde, het vasten en al de onthoudingen en boetedoeningen, het vuur waren van een beginnende novice: het zou strakjes wel weer overgaan. Maar haar verlangen naar nog intiemere gebedsomgang met haar Heer werd almaar groter. Uit deze tijd stamt het verhaal, dat zij eens ondanks heftige migraineaanvallen aan het nachtelijk koorgebed deelnam. Bij terugkomst op haar kamer, toen zij nog even voor het kruisbeeld verwijlde, maakte Christus zijn arm los van het kruis en sloeg die om haar heen. Dit moment is in veel afbeeldingen van haar terug te vinden.

In 1205 werd zij priorin van het klooster. Maar zij verlangde naar een klooster met een strengere levenswijze. Zij verhuisde een jaar later, 1206, naar Aywières, dat juist de hernieuwde en verstrengde regel van Cîteaux had aangenomen. Een recente Vlaamse levensbeschrijving vermeldt uitdrukkelijk, dat zij op voorspraak van Maria de gave(!) ontving om nooit Frans te leren, zodat zij gespaard bleef voor de zware verantwoordelijkheid van abdis.

Zij kende zelfs te weinig Frans om in de Franstalige omgeving waar het klooster stond, brood te bedelen. Toch werd ze om raad gevraagd door vele kerkelijke en maatschappelijke functionarissen en hoogwaardigheidsbekleders. Een kroniek uit de zeventiende eeuw – dus van ver vóór de taalstrijd – weet te vermelden: ‘Als sy in de duytsche tale eenighe persoonen aen-sprack/ die de duytsche tale niet en konden / wiert sy van hen mirakuleuselijck verstaen.’

Haar hele leven werd getekend door een strenge vasten en onthouding. Zij legde zichzelf boetes op vanwege eigen onvolmaaktheid, maar ook voor de bekering van zondaars van die tijd. Herhaaldelijk kwam het voor, dat de zieken die zij verpleegde, genezen werden door haar aanraking. De laatste elf jaren van haar leven was zij blind. Dat bracht haar nog meer in de gelegenheid om in de gebedsstilte te leven waarin zij haar Heer op intieme wijze ontmoette.

Zij stierf in 1246, 64 jaar oud. De oude kronieken weten nog te vertellen, dat er vele zieken waren die door aanraking met haar dode lichaam, genezen werden.

Patronaten
Zij is patrones van Vlaanderen en van de stad Tongeren; van de Vlaamse Beweging (op grond van haar gebed geen Frans te hoeven leren!); en van Taal en Letteren; alsmede van blinden. Haar voorspraak wordt ingeroepen om een voorspoedige geboorte.

Afgebeeld
Zij wordt afgebeeld voor het kruisbeeld, waarbij Jezus een arm naar haar uitstrekt; met doornenkroon en spijkers in haar handen (haar devotie voor Jezus’ lijden).



16 jun - woensdag

Sneek 00:00 I.v.m. Corona geen openbare viering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek

Wij steken een kaarsje op voor:

Johan Kodde,

Sjoerd en Riek Hamersma- van der Horst,

Nel Rentmeester



17 jun - donderdag

Hele dag Gedenkdag H. Alena van Dilbeek, maagd & martelares

Alena van Dilbeek, België; maagd & martelares; † ca 640.

Afbeelding van H. Alena van Dilbeek
ca 1970,plafondschildering.
België, Lier, St-Pieter.

http://www.heiligen.net/afb/06/17/06-17-0640-alena-dilbeek_12.jpg

Feest 17 juni.

Haar verhaal werd opgetekend in de 12e of 13e eeuw, ruim zeshonderd jaar dus na haar dood. De schrijver beweert zich echter te baseren op oudere documenten. Waar die documenten hem in de steek lieten, vulde hij het verhaal aan met zijn eigen ideeën over hoe een heiligenleven volgens hem moest klinken.

Alena een dochter van de heidense heer Levold te Dilbeek. Het was de tijd dat Amandus († 675; feest 6 februari) door de streek rondtrok om het evangelie te verkondigen. In Vorst nabij Brussel was er zelfs al een kerkje. Tijdens een van zijn jachtpartijen trof heer Levold Amandus tijdens een preek voor de toegestroomde mensen. Hij bleef staan luisteren en vertelde thuis gekomen aan zijn huisgenoten welke onzin hij had gehoord. Allen maakten zich vrolijk over die dwaze nieuwe leer, behalve zijn dochter Alena. Zij was geraakt door zijn woorden, zelfs al waren ze ironisch uitgesproken. Ze zocht Amandus op, liet zich door hem vertrouwd maken met Christus en ontving tenslotte het doopsel. Dit alles natuurlijk buiten medeweten van haar vader.

Vanaf dat moment bezocht ze met regelmaat het kerkje te Vorst. Haar vader kreeg er lucht van en driegde haar met de strengste straffen als ze zich verder met die onzin van Christus bleef bezig houden. Alena meende dat ze meer aan God dan aan haar vader moest gehoorzamen. Telkens als zij haar kans schoon zag, glipte zij het ouderlijk huis uit om naar de kerk te gaan. Haar vader had echter zijn personeel op de hoogte gebracht. Toen zij dan weer eens naar de kerk was gegaan, brachten dienaren dat bericht over aan vader. Die stuurde er een paar gewapende dienaren achteraan. Zij achtervolgden Alena, maar moesten hun poging opgeven, toen zij over het water wandelend een goed heenkomen zocht. Bij een volgende gelegenheid wachtten ze haar op in het bos. Ze grepen haar vast, draaiden haar arm zo hard uit de kom dat hij afbrak en doodden haar. Dit tegen de uitdrukkelijke wens in van vader.

Vader had zielsveel van zijn dochter gehouden, en kreeg wroeging. In wanhoop zocht hij zijn toevlucht tenslotte bij Amandus. Deze leerde hem dat de God van Christus een God van vergeving is. Hij riep hem op boete te doen, zich te laten dopen en een nieuw leven te beginnen.

Verering & Cultuur
Haar nagedachtenis wordt nog steeds in ere gehouden in Dilbeek en in de St-Denijskerk te Vorst.

Afgebeeld
Ze wordt afgebeeld als een jong meisje; ze heeft een losse arm bij zich; soms met een tak of boomstronk: daaraan hield ze zich vast toen haar arm werd afgerukt.



17 jun - donderdag

Sneek 08:45 - 09:15 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


18 jun - vrijdag

Hele dag Gedenkdag HH Marcellinus van Rome en Marcus, martelaren

20Marcellinus van Rome, martelaar met Marcus, Italië; † ca 287.

Afbeelding HH Marcellinus en Marcus
ca 1500, muurschildering. Roemenië, klooster Voronet.
Marteldood van Marcellinus en Marcus.

http://www.heiligen.net/afb/06/18/06-18-0287-marcellinus_1.jpg

Feest 18 juni

Van hun marteldood wordt melding gemaakt in de legende van de heilige Sebastianus:

[naar Jacobus de Voragine Legenda Aurea & Mrs JAMESON ‘Sacred and Legendary Art’ ]

Sebastianus was afkomstig uit Narbonne en woonde in Milaan. Hij was een vurig christengelovige. De heidense keizers, Maximianus en Diocletianus mochten hem echter zo graag, dat zij hem tot aanvoerder hadden aangesteld over het eerste cohort; zo stond hij onmiddellijk onder hen persoonlijk. Hij daarentegen droeg het soldatenzwaard alleen maar om er vervolgde christenen mee te helpen en bij te staan.

Op een dag zouden er twee broers, Marcellinus en Markus, een tweeling, worden onthoofd, omdat zij geweigerd hadden het geloof in Christus af te zweren. Hun ouders kwamen hen opzoeken om hen tot andere gedachten te brengen. Eerst kwam hun moeder voor hen staan; haar haren hingen los, haar kleren waren gescheurd, de borst had zij ontbloot, en ze sprak: ‘Oh mijn lieve kinderen, wat treft mij hier een ontzaglijk afschuwelijk verdriet. Ik ga straks allebei mijn kinderen verliezen, en nog wel op hun eigen verzoek. Als nu bv. de vijand ze mij had afgepakt, dan zou ik er op af gegaan zijn, als het moest in het heetst van de strijd, en ik zou ze hebben teruggekregen. Of als nu een rechter ze tot de cel had veroordeeld, zou ik er de dood voor over hebben gehad om ze vrij te krijgen. Maar dit is weer iets geheel nieuws. Hier wordt de beul door het slachtoffer zelf gesmeekt om hem de hersens in te slaan, de levende weigert verder te leven en roept de dood over zich af in plaats van hem verre van zich te houden. Dit is weer iets helemaal nieuws waar de jeugd van de kinderen ten onder gaat en de ouderen moeten blijven leven!’

Toen kwam daar hun vader aan; hij werd op de armen van zijn slaven gedragen. De grijsaard schreeuwde met zijn hoofd onder de as: ‘Ik ben gekomen om afscheid te nemen van mijn kinderen die ons geheel uit vrije wil gaan verlaten. Ach kinderen van mij: jullie waren de stok van mijn oude dag, het bloed van mijn hart: waarom zijn jullie zo tuk op de dood? Laat alle jongeren hierheen komen om deze twee die zo nodig dood willen, te bewenen. Laat alle bejaarden hierheen komen om met mij de dood van mijn zonen te betreuren. Ik bid mijn ogen zich te sluiten achter mijn tranen, zodat ik tenminste mijn zonen niet hoef te zien vallen onder het zwaard!’ Daarna kwamen ook nog de beide echtgenotes van de jongemannen; zij droegen hun kleine kinderen op de arm en huilden: ‘Aan wie gaan jullie ons nu toevertrouwen? Wie zal er voor onze kinderen zorgen? Wie ontfermt zich straks over jullie goederen? Hebben jullie dan een hart van staal, dat je je ouders veracht, je vrouwen wegduwt en je kinderen verstoot?’

De moed begon de twee al in de schoenen te zakken, toen Sebastianus zich erin mengde; hij had het hele schouwspel mee aangezien: ‘Dappere christensoldaten, pas op dat deze verzuchtingen en smeekbeden jullie niet beroven van de eeuwige kroon.’ Toen keerde hij zich tot hun ouders met de woorden: ‘Vreest niet; ze zullen niet van u worden gescheiden; juist integendeel, ze gaan u vooruit om voor u in de hemel een blijvende plaats te bereiden.’ Op het moment dat Sebastianus zo sprak omstraalde hem een hemels licht van omhoog, en plotseling zag men hem staan in een schitterend wit gewaad, met zeven engelen die om hem heen stonden.

Zoé was de vrouw van Nicostratus; in diens huis werden de twee vastgehouden. Zij wierp zich voor Sebastianus’ voeten en smeekte hem middels gebaren, omdat zij het vermogen tot spreken had verloren. Daarop bad de heilige hardop: ‘Als ik werkelijk een dienaar van Christus ben, en als de dingen waar zijn die ik zojuist heb gezegd, open dan de mond van deze vrouw op dezelfde juist zoals u ook de mond van de profeet Zacharias hebt geopend.’ Op hetzelfde moment kon de vrouw weer spreken en riep uit: ‘Gezegend uw woorden, en gezegend wie gelooft wat u zegt, want ik zag een engel vlak voor u staan met een boek in zijn handen waarin hij al uw woorden opschreef.’ Daarop wierp haar echtgenoot zich voor de voeten van de heilige en smeekte om vergiffenis. Onmiddellijk braken de boeien van de beide gevangenen stuk; en hij nodigde ze uit om in alle vrijheid heen te gaan. Maar zij op hun beurt verklaarden dat ze zich voor niets ter wereld de overwinning die zij onder handbereik hadden, zouden laten ontgaan. Zo sterk werkte de goddelijke genadekracht in de woorden van de heilige Sebastianus dat hij niet alleen Marcellinus en Markus bevestigde in hun standvastigheid om het martelaarschap te ondergaan, maar ook hun vader Tranquilinus en hun moeder en nog andere aanwezigen tot bekering wist te brengen; allen werden ter plaatse gedoopt door de priester Polycarpus.

De oude Tranquilinus leed aan een ernstige ziekte; maar op het moment van zijn doopsel genas hij prompt. Dat kwam de stadsprefect van Rome ter ore. Deze was juist zelf ernstig ziek. Hij liet Tranquilinus vragen om de man die hem genezen had, bij zich te brengen. Toen de bejaarde man dan Sebastianus en Polycarpus bij hem had gebracht, vroeg hij hem zijn gezondheid terug te geven. Maar Sebastianus antwoordde dat hij hem alleen maar zou kunnen genezen, wanneer hij aan Polycarpus en hemzelf zou toestaan in zijn bijzijn de afgodsbeelden in stukken te breken. De prefect – Chromatius heette hij – stemde er tenslotte mee in. De beide heiligen verbrijzelden bij die gelegenheid meer dan tweehonderd afgodsbeelden.

Vervolgens zeiden ze tot Chromatius: ‘Omdat deze daad je niet je gezondheid heeft teruggegeven, blijkt daaruit dat je ofwel je dwalingen niet hebt opgegeven, ofwel nog één of andere afgod overeind houdt.’ Daarop gaf hij toe dat hij in zijn huis een kamer had waarin hij de sterrenwereld had uitgebeeld die hem in staat stelde de toekomst te voorspellen; en hij voegde er aan toe dat zijn vader indertijd meer dan tweehonderd gouden ponden had uitgegeven voor de inrichting van deze kamer. Waarop Sebastianus reageerde: ‘Zolang die kamer niet is vernietigd, zul je je gezondheid niet terugkrijgen.’ Daarop vond Chromatius het goed dat de kamer zou worden vernietigd. Maar zijn zoon Tiburtius, toch al een opmerkelijke jongeman, riep uit: ‘Ik zal niet dulden dat zo’n schitterend werk ongestraft wordt vernietigd. Van de andere kant wens ik mijn vader van harte zijn gezondheid toe. Daarom stel ik voor dat er twee ovens worden opgestookt. Als mijn vader na de vernietiging van deze kamer niet is genezen, zullen de twee christenen levend worden worden verbrand.’ Sebastianus antwoordde: ‘Laat maar gebeuren zoals jij zegt.’ Toen hij bezig was met de vernietiging van de kamer, verscheen er een engel aan de prefekt met de boodschap dat de Heer Jezus hem zijn gezondheid had teruggegeven. Daarop ontvingen de prefect, diens zoon Tiburtius en nog vierduizend anderen van zijn huishouding het doopsel. Zoé was de eerste die zich had bekeerd. Zij werd door de ongelovigen opgepakt en stierf na een lange reeks folteringen. Toen Tranquilius dat hoorde, riep hij uit: ‘Nu zijn de vrouwen ons nog voor in het martelaarschap.’ Hij zou enkele dagen later worden doodgestenigd.

Nu kreeg Tiburtius de opdracht om wierook te offeren voor de goden; anders zou hij met blote voeten over gloeiende kolen moeten lopen. Hij maakte een kruisteken en begon aan zijn wandeling over de gloeiende kolen met de woorden: ‘Het lijkt wel of ik over een bed van rozen loop.’ Daarop sprak de prefect Fabianus: ‘Ja ik weet wel dat die Christus van jullie aan jullie tovertrucjes heeft geleerd.’ Maar Tiburtius merkte op: ‘Houd je mond, stuk ongeluk. Want je bent het niet waard die heilige naam ook maar uit te spreken.’ De prefect onstak in woede, en liet hem het hoofd afslaan.

Marcellinus en Marcus werden aan een paal gebonden; daar begonnen zij de psalm te zingen: ‘Zie toch hoe goed is het als broeders samen te zijn…’ De prefect voegde hun toe: ‘Stelletje zielenpoten, laat die dwaasheid toch varen; dan ben je weer vrij.’ Maar zij antwoordden: ‘We zijn nog nooit zo gelukkig geweest, en we smeken je dan ook uitdrukkelijk om ons hier te houden totdat onze ziel bevrijd is uit het stoffelijk omhulsel van ons lichaam.’ Daarop liet de prefect hun zijde doorboren met een lans. Zo voltooiden zij hun martelaarschap.



18 jun - vrijdag

Sneek 19:00 - 19:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


19 jun - zaterdag

Hele dag Feestdag H. Romuald van Ravenna, stichter

Romuald van Ravenna, Val di Castro di Fabriano, Italië; stichter; † 1027.

Afbeelding H. Romuald van Ravenna
1497, Da Congliano,paneelschildering (detail). Duitsland, Berlijn, Gemäldegalerie.
Romualdus van Ravenna.

http://www.heiligen.net/afb/06/19/06-19-1027-romuald_1.jpg

Feest 19 juni.

Hij werd rond 952 geboren in de Noord-Italiaanse stad Ravenna. Hij besloot kluizenaar te worden nadat hij zijn vader een moord had zien plegen.

Aanvankelijk werd hij monnik in de abdij van St-Apollinare-in-Classe in zijn woonplaats. Maar al gauw zwierf hij rusteloos door het Alpengebied op zoek naar stilteplekken. Liet overal kernen van kluizenaars achter, die later vaak uitgroeiden tot kloosters. Zo stond hij in 1012 aan de basis van de camalduenzer orde.

De camalduenzer martelaren van Gniezno († 1003; feest 12 november) die vanuit Italië als missionaris naar Polen waren gekomen en Bruno van Querfurt († 1004; feest 14 februari), hadden vroeger tot zijn leerlingen behoord.



19 jun - zaterdag

Sneek 00:00 I.v.m. Corona geen openbare viering

Ielânen, woonzorgcentrum Sneek Ielânen, woonzorgcentrum, Sneek

Wij steken een kaarsje op voor:

een jarige,

Pier Ruiter,

Jogemien Huitema,

Yvonne van Schagen-Paddenburg,

alle bewoners en allen die werken in de zorg,

Jan en Corry Bouma-van Gool,

Truus Visser-Weitenberg



19 jun - zaterdag

Heeg 19:30 - 20:30 Eucharistieviering, Pastoor P. v.d. Weide

Sint Josephkerk – Heeg, Heeg

voor Jitte en Tietsje Flapper – Jellesma;
voor Jelle en Marie Jellesma – Jongstra;
voor Dolf en Ida Eilers – Tekstra.



19 jun - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Woord- en Communieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastor Foekema

M.m.v. het Ceacilliakoor



20 jun - zondag

Hele dag Gedenkdag H. Florentina van Sevilla, kloosterlinge

Florentina (ook Florence of Florentine) van Sevilla (of van Cartagena of van Ecya), Spanje: kloosterlinge; † 636 (andere veronderstellingen: 610 of 633).

Afbeelding H. Florentina van Sevilla
ca 1990. Vaantje. Schilderij op linnen.
Frankrijk, Fismes, Église Ste.-Macre.

http://www.heiligen.net/afb/06/20/06-20-0636-florentina_1.jpg

Feest 20 juni.

Zij was afkomstig uit de Spaanse plaats Cartagena; volgens de overlevering heetten haar vader en moeder Severianus en Turtur (verbastering van Theodora?).

Zij had drie broers die net als zij als heiligen worden vereerd: Leander, die later bisschop zou worden van Sevilla, Fulgentius, de latere bisschop van Ecija en Isidorus van Sevilla, de beroemde kerkvader.

Op jonge leeftijd wees geworden, werd zij gehuisvest in het klooster van Astigi, waarover zij later abdis werd.

Haar broer Leander schreef er een regel voor. Zij stierf op hoge leeftijd. Zij werd begraven in de kathedraal van Sevilla, vlakbij haar geliefde broer Leander.



20 jun - zondag

Sneek 11:00 - 12:15 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

M.m.v. het Caeciliakoor o.l.v. F. Haaze

Onder voorbehoud van coronamaatregelen zullen zij voor u zingen:

  • Kleine Barokmis van C. van Haperen
  • Cantate Domino van A. Gretchaninov


21 jun - maandag

Hele dag Feestdag H. Aloysius Gonzaga, kloosterling

Aloysius van Gonzaga sj, Rome Italië; jezuïetenstudent & verpleger pestlijders; † 1591.

Afbeelding H. Aloysius van Gonzaga

1902. Glasschilderkunst door Otto Mengelberg. Nederland, Amsterdam, Krijtberg.
Aloysius, knielend voor madonnabeeld, legt (op 9-jarige leeftijd) de gelofte van zuiverheid af.

http://www.heiligen.net/afb/06/21/06-21-1591-aloysius_2.jpg

Feest 21 juni.

Aloysius werd op 9 maart 1568 in het Italiaanse Castiglione bij Mantua geboren, als oudste zoon en erfgenaam van de hertog van Castiglione.

Reeds op zijn vierde jaar werd hij door zijn trotse vader overal mee naartoe genomen, of het nu diplomatieke missies waren of jachtpartijen.

Maar toen hij op een keer met malaria thuiskwam, was het afgelopen. Op zevenjarige leeftijd onderging de jongen een gevoelige verandering: hij werd meer teruggetrokken en in zichzelf gekeerd.

Toen zijn vader na twee jaar terugkeerde van een zendingsreis naar Spanje, was hij trots op zijn zoon: de jongen zou straks een wijze en bedachtzame opvolger zijn.

Aan het hof  van De’Medici’s

Tezamen met zijn broer Rudolf werd de jonge Aloysius naar Milaan gestuurd om aan het hof van hertog Francesco de’ Medici zijn opleiding te krijgen in alle vaardigheden die hij straks als man van adel nodig had. Deze vriend van zijn vader behoorde tot de hoogste kringen van zijn tijd. Hij had omgang met alle machtigen der aarde. Hoe oogverblindend het leven daar ook was, de ruim tienjarige Aloysius had een bijzonder fijn gevoel voor wat echt en niet echt was. Hij keek door de mooie aankleding en rijke façades,  het gekonkel en geroddel, de vleierijen en pluimstrijkerijen heen; proefde bij velen de opgeschroefde onechtheid en trok zich van dit alles zoveel mogelijk terug. Wel ridderlijk opkomen voor Christus en zijn kerk, en het intussen houden met een of meerdere maîtresses. Hij walgde ervan en zocht zijn toevlucht in de huiskapel, de enige plek die veilig was. In zijn persoonlijk gebed beloofde hij plechtig nooit met opzet een zonde te bedrijven en niet mee te doen met het holle vertoon van de meesten hier aan het hof. In zijn eentje las hij vrome en theologische boeken. Natuurlijk kwam ook de kardinaal van Milaan zo nu en dan eens langs, Carolus Borromeus, die zelf later heilig verklaard zou worden. Deze was getroffen door de heilige ernst van het twaalfjarige kereltje. Door zijn toedoen mocht Aloysius ook de eerste communie ontvangen, want dat was nog altijd niet gebeurd. Vanaf dat moment begon het jongetje als een kloosterling te leven; ‘s nachts bleef hij lang op om te bidden; hij vastte drie keer per week en hij bracht veel tijd door met bidden, lezen en mediteren.

Spaanse en Italiaanse hoven

Toen Maria van Oostenrijk na de dood van haar man, keizer Maximiliaan II, naar haar vaderland Spanje terugkeerde, bood vader Di Castiglione aan dat zijn familie haar zou vergezellen. In Madrid zocht Aloysius een pater jezuïet als biechtvader. Hem maakte hij zijn verlangen bekend om bij de jezuïeten in te treden. Hij was nu vijftien. Zijn biechtvader zei dat hij nog te jong was, en dat zoiets nooit zou kunnen zonder de toestemming van zijn vader.

Voorzichtig bracht hij zijn verlangen bij zijn vader ter sprake. Dat doorkruiste de toekomstplannen van de hertog volkomen. In zijn woede probeerde hij hemel en aarde te bewegen om zijn zoon op andere gedachten te brengen. Daarom stuurde hij hem in gezelschap van zijn jongere broer Rudolf langs de Italiaanse hoven in de hoop dat die bevlieging wel zou overgaan. Maar de jongen die het hof van de Medici’s in Milaan had meegemaakt, zag alleen maar meer van hetzelfde. Bij thuiskomst was hij des te vaster besloten om zijn leven aan wezenlijker dingen te wijden. Nu zag zijn vader in dat niets hielp en gaf tenslotte in arren moede zijn toestemming. Aloysius trad in bij de jezuïeten te Rome op 25 november 1585. Hij was op dat moment ruim zeventien jaar oud.

Jezuïet

Zijn geestelijk leidsman leerde hem nu zich te matigen in de strenge religieuze praktijken waaraan hij in de afgelopen jaren zo gewend was geraakt. De jonge novice zei van zichzelf: “Ik ben een stuk kronkelig metaal en ben ingetreden om gladgeschaafd te worden.” Vanaf nu leidde hij het leven van elke jezuïet in het begin van zijn opleiding: hij legde na afloop van het tweejarige noviciaat de drie religieuze geloften af, studeerde filosofie en deed zijn examens. In 1589 werd hij naar zijn ouderlijk huis teruggestuurd om een ruzie bij te leggen tussen zijn vader en zijn broer Rudolf. Daar had hij een flinke tijd voor nodig en pas in mei 1590 keerde hij naar Rome terug.

De pest

In 1591 werd Italië getroffen door allerhande rampen en ziektes. Aloysius ging uit bedelen om aalmoezen in te zamelen voor de pestlijders. Stuitte hij op straat op een stervende patiënt, dan droeg hij hem in zijn armen naar een hospitaaltje, waste de zieke, gaf hem te eten en deed alles wat nodig was. Hij walgde van de stank en de afzichtelijke goorheid van de zieken met hun wonden, de hospitalen met hun gebrek aan hygiëne en de ziekenzalen met hun smerige bedden en vuiligheid. Maar zijn overste maande hem tot voorzichtigheid. Er waren al genoeg jonge jezuïeten in opleiding het slachtoffer geworden van hun heldhaftigheid; ze raakten zelf besmet en stierven meestal niet lang daarna. Vandaar dat Aloysius’ overste hem opdroeg alleen naar het hospitaaltje te gaan van Maria van Altijddurende Bijstand. Daar werden namelijk geen pestlijders of andere gevallen van besmettelijke ziekten heengebracht. Aloysius gehoorzaamde. Maar de eerste de beste patiënt die hij er verzorgde, bleek achteraf wel degelijk besmet te zijn. Op 3 maart 1591 bleef de jonge jezuïet met hoge koorts in bed. Uiteindelijk kwam hij er wel weer bovenop, maar hij was intussen zo verzwakt dat hij tenslotte toch bezweek aan de gevolgen ervan. In de late avond van 21 juni 1591 blies hij zijn laatste adem uit; drieëntwintig jaar oud.

Cultuur & verering

Op 19 oktober 1605 werd hij door paus Paulus V zalig verklaard. Paus Benedictus XIII verklaarde hem heilig op 31 december 1726 tegelijk met Stanislas Kostka, die in 1568 op achttienjarige leeftijd was gestorven.

Patronaten
Hij is patroon van Castiglione delle Stiviere en Mantua; van de jeugd, studerende jeugd, van studenten; zijn voorspraak wordt ingeroepen tegen oogkwalen en de pest; patroon van beroepskeuze.

In feite zouden de jezuïeten hem ook mogen vereren als de patroon van de Onderscheiding der Geesten.

Afgebeeld
Hij wordt afgebeeld in toog en superplie; met een witte lelietak (kuisheid); stralenkrans om het omlaag kijkend hoofd (volgens de overlevering zou hij steeds met neergeslagen hebben gelopen om te vermijden de blikken te kruisen van vrouwen); in zwijm vallend aan de voeten van zijn biechtvader; de eerste communie ontvangend uit handen van Sint Carolus Borromeus; met  kruisbeeld; doodshoofd en kroon aan zijn voeten; vorstelijke onderscheidingstekens; gesel bij hem of in zijn handen (de kwellingen die hij zich aandeed).



21 jun - maandag

Sneek Hele dag I.v.m. Corona geen openbare viering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek

Wij steken een kaarsje op voor:

Joje Langendijk- Verhoeven,

Mily Clerkx



22 jun - dinsdag

Hele dag Feestdag H. Thomas More, anglicaans martelaar

20Thomas More, Londen/Canterbury; martelaar onder anglicanen; † 1535.

Afbeelding H. Thomas More
ca 1900, devotiebeeldje.
België, Essen, Privécollectie / Thomas More.

http://www.heiligen.net/afb/06/22/06-22-1535-thomas_1.jpg

Feest 22 juni

Hij werd in 1480 geboren te Londen en studeerde rechten aan de universiteit van Oxford. Hij wordt gerekend tot de Humanisten.

Een mooi voorbeeld van de denkwereld der Humanisten vormt Thomas’ beroemde boekje ‘Utopia’ (letterlijk ‘Nergensland’, 1516). Daarin beschrijft hij een ideale maatschappijvorm. Dat gaf hem de mogelijkheid heimelijk kritiek uit te oefenen op de vorsten van zijn tijd, en op gebruiken waar hij het niet mee eens was.

Op het eiland Utopia werken zowel mannen als vrouwen maximaal zes uur per dag. Afgezien van de landbouw, waaraan allen deelnemen, ontvangt elke Utopiër – man en vrouw – in groepsverband praktijkgericht onderwijs in één der ambachten, sommigen naar wens in twee. De syphogranten (door dertig families gekozen functionarissen) zien erop toe dat iedereen zonder uitzondering ijverig aan het werk blijft gedurende niet meer dan zes uur per dag, wat meer dan voldoende blijkt om in het nodige te voorzien. De overige uren, afgezien van de acht uur slaap, besteedt eenieder naar eigen zin, de meesten aan de ontwikkeling van de geest en het spel en de muziek natuurlijk.

Juist omdat geld niet de maatstaf is, zoals in de ganse maatschappij, vervalt men niet in een volslagen zinloze productie ten dienste van weelde en genotzucht van enkelingen en armoede van anderen. Bovendien blijkt zes uren werken per dag meer dan voldoende. Zo kan het dat nog heel wat mensen, die door de gemeenschap zijn vrijgesteld, zich uitsluitend aan geestelijk werk kunnen wijden. Uit eindelijk gaat het immers om de vrijheid en de ontplooiing van de geest van ieder.

Citaat

Maar nu is er één punt waarop ik hier uitvoeriger in moet gaan, want anders zouden jullie licht een verkeerde indruk krijgen. Waar maar zes uur gewerkt wordt, daar moet, zou je mogelijk kunnen denken, aan allerlei noodzakelijke dingen een tekort ontstaan. Maar het tegendeel is het geval. Niet alleen dat die zes uren voldoende blijken om alles in overvloed te produceren wat men nodig heeft of nuttig acht, maar het komt zelfs voor dat men er teveel aan heeft. Dat kun je trouwens best begrijpen, wanneer je eens wilt nagaan hoe ‘n groot deel van de bevolking in andere landen niets doet. In de eerste plaats vrijwel alle vrouwen; dat is al de helft (en waar de vrouwen werken, daar liggen dan meestal weer de mannen op hun luie rug); dan priesters en alles wat zich ‘geestelijken’ noemt, dat zijn er ook heel wat, en allemaal improductief. Voeg daarbij de rijkelui, speciaal de grondbezitters, die men in de wandeling als ‘heren’ en ‘edelen’ betitelt; dan hun knechtentroep, heel dat grondsop van geüniformeerde drukteschoppers. En tenslotte alle valide bedelaars, die de een of andere kwaal simuleren om niet te hoeven werken! Als je dat nagaat, zul je merken dat het veel minder mensen zijn dan je dàcht, van wier werk het in de wereld allemaal komen moest.

En reken dan eens na, hoe weinigen daarvan echt nodig werk doen. Immers, waar geld de enige maatstaf is, zoals in onze maatschappij, daar vervalt men onvermijdelijk in een volslagen zinloze productie: niet in dienst van de behoefte, maar van weelde en genotzucht. Want ging men het aantal mensen dat nu aan het productieproces deel heeft, verdelen over die weinige beroepen, die voor een redelijke exploitatie van de gaven der natuur nodig zijn, dan zou er al heel gauw overproductie ontstaan. Een dérgelijke overproductie, en als consequentie daarvan een zodanige prijsdaling, dat de arbeiders er geen bestaan meer uit konden halen. Maar zou het mogelijk zijn die beide categorieën aan productief werk te zetten: de uitgebuiten die werken zonder iets wezenlijks bij te dragen, en al dat volk dat niets presteert en omhangt (maar van de goederen die een ander in het zweet zijn aanschijns produceert, per hoofd meer verbruikt dan twee nuttige werkers bij elkaar!), nu is het wel duidelijk hoe weinig tijd daarmee gemoeid zou zijn. Een paar uur werken zouden veel meer dan genoeg zijn om alles te fourneren wat noodzakelijk en wat praktisch is.

In zijn Utopia was het gebruikelijk dat twee mensen die aan elkaar werden uitgehuwelijkt, de tijd kregen elkaar te leren kennen, ook seksueel. Dat ging in tegen de kerkelijke en maatschappelijke gewoonte van zijn tijd. Een jongeman kreeg van zijn toekomstige bruid bij het voorstellen alleen het gezichtje en de handen te zien. De rest zat zorgvuldig ingepakt in dikke lagen kleding. Maar Thomas’ redenering was: wanneer je op de markt iets duurs koopt, pak je het uit, bekijkt het aan alle kanten, en probeert uit of het deugt. Pas wanneer blijkt dat het de hoge prijs waard is, betaal je. En dat zou je dan niet doen bij iets wat nog belangrijker is: de keuze van een partner voor het leven?

Hij was bevriend met een andere befaamde humanist, Erasmus van Rotterdam († 1536). Deze koesterde een grote bewondering voor Thomas. Aan hem droeg hij zijn beroemde boekje op ‘Lof der Zotheid’; de oorspronkelijke Griekse titel luidde ‘Moriae Enchomion’; daarin klinkt de toespeling op de naam van Thomas More duidelijk door.

Erasmus geeft ons in zijn brieven herhaaldelijk een inkijkje in het privé-leven van Thomas. Hij had vier dochters die hij alle vier liet studeren, een zeldzaamheid in die dagen. Om ‘oom’ Erasmus op de hoogte te houden van hun vorderingen dwong hij ze herhaaldelijk hem een brief in het Latijn te schrijven. Op hun aandringen beloofde hij dan dat hij ze zou corrigeren zodat ze geen domme fouten maakten. Maar hij stuurde ze altijd ongecorrigeerd op, waardoor de bewondering van Erasmus voor hun elegante Latijn nog beter uitkwam.

Thomas was niet alleen een liefhebbende, tedere echtgenoot (ook dat was een zeldzaamheid in die tijd!), maar ook een tactvolle zoon. Zijn al wat oudere vader, die weduwnaar was, nam het niet zo nauw met de geboden van de kerk, en kwam herhaaldelijk met een nieuwe vrouw aanzetten. Thomas was het er niet mee eens, maar zag in dat ruzie niet zou helpen. Daarom prees hij de deugden en de kwaliteiten van de stiefmoeder die aan hem werd voorgesteld. “Wat hij – aldus Erasmus – bij de vorige ook steeds had gedaan.”

Hij was uiterst scherpzinnig en oprecht. In 1529 werd hij door koning Hendrik VIII († 1547) benoemd tot opvolger van kardinaal Wolsey als rijkskanselier (Lord Chancellor) van Engeland. Daarmee was hij de eerste leek die dat ambt bekleedde. Aanvankelijk had Hendrik grote waardering voor zijn trouwe, principevaste kanselier. Maar dat veranderde, toen Sir Thomas zijn steun weigerde op het moment dat koning Hendrik van zijn wettige vrouw, Catharina van Aragon († 1536), wilde scheiden ten gunste van haar hofdame Anna Boleyn († 1536). Dat was tegen de kerkelijke geboden. Hierop verklaarde de koning dat hij het gezag van de paus in het verre Rome niet langer erkende, en dwong zijn onderdanen de paus af te zweren en de koning te beschouwen als hoofd van de Nationale Kerk. Hier ligt het begin van de Anglicaanse Kerk.

Sir Thomas weigerde, werd van al zijn functies ontheven, beschuldigd van hoogverraad, ter dood veroordeeld en na negentien maanden gevangenschap op het schavot terechtgesteld. Door de kerk wordt hij beschouwd als martelaar, gestorven vanwege zijn trouw aan de paus als hoofd van de geloofsgemeenschap.

Hetzelfde verging het kardinaal John Fisher († 1535; feest 22 juni), die twee weken vóór Sir Thomas in de beruchte Tyburn gevangenis gestorven was; beiden worden op dezelfde dag herdacht.

Vlak voor zijn dood zou Thomas nog een staaltje van zijn fijnzinnige humor hebben getoond. Bij het beklimmen van het schavot struikelde hij over de laatste tree. De beul, die al klaar stond, schoot toe om hem op te vangen en overeind te helpen. Waarop Thomas opgemerkt moet hebben: “Ja, daar zag je bijna je beulsloon aan je neus voorbijgaan…’

Verering & cultuur.
Zijn hoofd bevindt zich in St Dunstan’s Church te Canterbury; de rest van zijn stoffelijk overschot in de kerk van St-Petrus-Banden in de Tower van Londen. Hij werd in 1935 door paus Pius XI († 1939) heilig verklaard.

Patronaten
Hij is patroonheilige van juristen, advocaten en rechters.

Afgebeeld
In de jaren zeventig van de 20e eeuw is er een mooie film over zijn leven gemaakt onder de titel ‘A man for all seasons’.



22 jun - dinsdag

Sneek 08:45 - 09:15 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


23 jun - woensdag

Hele dag Gedenkdag H. H. Giuseppe Cafasso, theoloog

Giuseppe (ook Jozef) Cafasso, Turijn, Italië; theoloog; † 1860.

Afbeelding H. Guiseppe Cafasso

Portret als illustratie.

http://www.heiligen.net/afb/06/23/06-23-1860-giuseppe_1.jpg

Feest 23 [Vat.2001] juni.

Hij werd in 1811 in Castelnuovo d’Asti in Italië geboren. Na zijn wijding tot priester zette hij zich in voor jongeren, arbeiders en gevangenen. Hij was betrokken bij het werk van Don Bosco die Guiseppe ‘een toonbeeld van priesterlijk leven’ noemde.

Hij was professor in de moraaltheologie op het kerkelijk college. Bovendien werd hij tot rector aangesteld. Hij leidde een inspirerend en vroom leven en was een veel gezocht biechtvader. Daarnaast was hij gevangenispastor. Vooral de ter dood veroordeelden gingen hem ter harte. Met als gevolg dat hij de bijnaam ‘galgenpriester’ kreeg.

Patronaten
Paus Pius XII benoemde hem in 1948 tot patroon van de gevangenispastores.

Gebed tot Sint Guiseppe.
God, Guiseppe Cafasso bleef mensen nabij die gevangen zaten, zelfs diegenen die tegen het leven zelf gezondigd hadden.
Geef dat wij in navolging van hem niet oordelen, maar mensen die gevangen zijn nabij blijven. Dat wij Uw licht en evangelie aan alle mensen, in wat voor omstandigheden ook, blijven brengen.
Amen.


23 jun - woensdag

Sneek Hele dag I.v.m. Corona geen openbare viering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek

Wij steken een kaarsje op voor:

Regina van der Meer-Gaarman,

Arnold en Folkert Terveer,

Siepie van der Hoek- Foekema,

overleden ouders en familie



24 jun - donderdag

Hele dag Hoogfeest Geboorte H. Johannes de Doper

Johannes de Doper (ook Baptista), Jerusalem, Palestina; voorloper van Jezus & martelaar; † ca 30.

Afbeelding Geboorte H. Johannes de Doper

1531. Steenreliëf.
Frankrijk, Armiens, kathedraal Notre Dame.
Geboorte van Johannes de Doper (Lukas 1, 57).

http://www.heiligen.net/afb/06/24/06-24-0000-johannes_9.jpg

Feest 24 juni.

Johannes wordt beschouwd als de voorloper van Jezus de Messias. Hij doopte in de Jordaan een doopsel van bekering en kondigde aan: “Na mij komt iemand die groter is dan ik; ik ben zelfs niet waard de riem van zijn sandaal los te maken” (dat was nederig slavenwerk!). Hij zag zijn optreden zelf als baanbrekend werk voor de Messias. Deze herkende hij in Jezus op het moment dat hij Hem doopte. Althans zo zeggen de drie evangelisten Matteüs, Markus en Lukas. Want de vierde, Johannes, suggereert dat Johannes Jezus al eerder kende. Immers, toen Jezus voorbijging, duidde hij hem aan als het Lam Gods.

Johannes’ geboorte en kindertijd
Er is ook wel iets voor te zeggen dat Johannes Jezus al kende, want bij Lukas lezen we, dat Johannes’ moeder, Elisabeth, een bejaarde nicht van Jezus’ moeder was. Toen Maria van de engel Gabriël de boodschap ontving dat zij van Gods Geest een kind zou krijgen en vroeg hoe dat mogelijk was daar ze geen omgang had met een man, antwoordde de engel: “Bij God is alles mogelijk. Zelfs uw nicht Elisabeth, die onvruchtbaar heette, is al in haar zesde maand.” Daarop snelde Maria naar Elisabeth toe om haar in de laatste maanden voor de geboorte ter zijde te staan. Bij de begroeting tussen beide vrouwen – zo schrijft Lukas diepzinnig en prachtig – sprong het kind op in de schoot van Elisabeth; dat was voor Elisabeth voldoende om te beseffen dat zij hier te doen had met de aanstaande moeder van de Messias…  [Lukas 01,26-45]

Ook Johannes’ geboorte was aangekondigd door de engel Gabriël, en wel aan zijn vader Zacharias op het moment dat hij zich als priester in het heilige vertrek van de tempel bevond en aan het oog van het volk onttrokken was. Ook hij vroeg hoe zoiets kon, daar hij en zijn vrouw onvruchtbaar waren gebleken. Ook hij had als antwoord gekregen dat voor God niets onmogelijk is; hij kreeg bovendien een teken van de waarheid mee: hij zou niet kunnen spreken tot aan de geboorte van het kind, dat hij Johannes moest noemen. Want dit kind zou zijn naam meer dan waarmaken.

Toen het kind geboren was en men aan Zacharias vroeg hoe het moest heten, moest hij gebruik maken van een schrijftabletje om te antwoorden: “Johannes moet het heten.” Op dat moment werd hem het vermogen tot spreken teruggegeven; alsof de schrijver hiermee wil zeggen, dat de negen maanden van verwachting welsprekender waren voor God dan het functioneren van de vader als priester. De buren stonden verbaasd, want er was niemand in de familie die zo heette. [Lukas 01,05-25.57-66]

Van Johannes’ jeugd weten we verder niets. Wel is er een legende bekend.

Legende
Tijdens de regeringsperiode van koning Herodes, de kindermoordenaar, was Zacharias aan de beurt voor de dienst in de tempel te Jeruzalem. Daar verscheen op het altaar een engel van de Heer, zodat Zacharias versteld stond van schrik. Maar de engel sprak tot hem: “Vrees niet, Zacharias.” Hij vertelde hem, dat de gebeden van hem en zijn vrouw Elisabeth verhoord waren, en dat zijn vrouw een zoon zou baren, ondanks het feit, dat zij beiden al oud waren. Toen Zacharias twijfelde aan de woorden van de hemelse boodschapper, zei de engel tot hem: “Ik ben Gabriël, en sta voortdurend voor Gods aangezicht.” Zacharias was met stomheid geslagen, en kon geen woord uitbrengen tot de geboorte van zijn zoon aan toe. Toen het eenmaal zover was, en men hem vroeg hoe het kind moest heten, moest hij zelfs om een schrijftafeltje vragen; daarop schreef hij: “Johannes moet hij heten.” Op dat moment hervond hij zijn spraak, en het eerste wat hij deed was God hulde en dank brengen.

Toen enige tijd later ook Christus was geboren, begon Herodes alle kinderen van Bethlehem ter dood te laten brengen. Hij zond dus ook manschappen op het kind van Zacharias en Elisabeth af; want hij had gehoord van de wonderlijke omstandigheden waaronder dit kind ter wereld was gekomen. Bij het zien van de soldaten nam Elisabeth Johannes in haar armen – het kind was op dat moment 18 maanden – en vluchtte haar huis uit de bergen en de woestijn in die je in de omgeving van de stad daar hebt. Toen drong het tot haar door in wat voor benarde positie zij door Herodes’ soldaten gedreven was, en ze schreeuwde tegen de bergen: “Alsjeblieft berg van God, neem deze moeder met kind in je op!” En werkelijk, de rots opende zich en verborg moeder en kind in zijn binnenste. Herodes was woedend dat Johannes niet gedood was. Hij beval dat Zacharias voor het altaar moest worden neergestoken. Diens bloed vloeide over het marmer en werd meteen zo hard als steen; daarmee bleef het voor altijd een stille getuige van Herodes’ verdorvenheid.

Op de plaats waar Elisabeth met Johannes verborgen zat, opende zich de rotsbodem, waaruit een bron ontsprong. Bovendien bloeide er – door Gods wonderkracht – een palm op die heerlijke vruchten droeg. Veertig dagen na de dood van Zacharias ging ook Elisabeth de eeuwige rust binnen.

Het kind Johannes echter bleef in de wildernis wonen en werd gevoed door een engel en bewaakt door Gods voorzienigheid, tot op de dag dat hij in de openbaarheid trad nabij de Jordaan.

De volksvroomheid, voor zover ze zich niet liet leiden door bovenstaande legende – heeft gefantaseerd aangaande bezoekjes over en weer tussen de ouders van Johannes en Jezus, toen dezen nog klein waren; op afbeeldingen zie je ze samen spelen als kinderen.

Johannes de Doper in de Evangelies
Wat daar verder ook van zij, wij horen pas weer van Johannes, wanneer hij optreedt als doper bij de Jordaan en de nabijheid van het Rijk Gods aankondigt. Hij roept op tot bekering van het hart; en wijst zijn gelovige toehoorders erop dat geloven niet erfelijk is, maar bestaat in een relatie tussen God en ieder persoonlijk, waar ieder ook zijn of haar eigen antwoord op moet geven door middel van een passende levenswijze.

Herodes laat Johannes arresteren, wanneer hij kritiek levert op diens relatie met Herodias, de vrouw van zijn broer. Vanuit zijn gevangenis laat Johannes een keer aan Jezus vragen of Hij nu werkelijk de Messias is. Spreekt daar twijfel of zelfs vertwijfeling uit? Had Johannes gehoopt dat Jezus als Messias hem zou komen bevrijden? Jezus laat aan Johannes antwoorden, dat hij op de tekenen van de Messiaanse tijd moet letten: doven horen, blinden zien, zieken worden genezen en aan armen wordt het Koninkrijk gegeven. En aan zijn toehoorders zegt Jezus, dat Hij in Johannes de Voorloper ziet. Het volk meende dat de Messias niet zou verschijnen, zonder dat Elia eerst zou terugkeren om voor Hem uit te gaan. Welnu, aldus Jezus, Elia ís teruggekeerd… En we herinneren ons dat Johannes destijds bij zijn optreden aan de Jordaan werd getekend, zoals Elia getekend wordt in de oude boeken: verblijvend in de woestijn; gehuld in een kleed van kameelhaar; een leren riem om zijn gordel; zich voedend met sprinkhanen en wilde honing.

Herodes luisterde graag naar hem. Kennelijk liet hij hem geregeld uit zijn gevangenis halen en voor zich optreden? Of schreeuwde Johannes van onder uit zijn kerker zo hard dat het door het paleis schalde? Dat alles zal Herodias extra verontrust hebben. Zij grijpt dan ook de eerste de beste kans die haar geboden wordt. Als hun dochter Salome een verleidelijke dans opvoert bij een banket waar een aantal grootmogende heren bij aanliggen, belooft haar vader haar elke beloning die ze vraagt. Op aandringen van haar moeder vraagt ze het hoofd van Johannes de Doper op een schotel. Herodes zit ermee in, maar kan niet meer terug. Als Johannes’ leerlingen ervan horen komen ze zijn lijk halen voor een eerbiedige begrafenis.

Terugvinding van Johannes’ hoofd
In de oosterse kerk wordt er een feest gevierd van de terugvinding van Johannes’ hoofd.

350 Tweede terugvinding van Johannes’ hoofd. Feest 24 februari.
Lang nadat Johannes’ door Herodes was gedood en door zijn leerlingen eerbiedig begraven, nam een hoge regeringsambtenaar het geloof aan, verliet zijn hoge positie in de wereld en werd monnik. Hij noemde zich voortaan Innocentius en ging wonen aan de voet van de Olijfberg; precies op de plaats waar destijds Johannes’ hoofd was begraven. Omdat hij voor zichzelf een cel wilde bouwen, stak hij zijn spade diep de grond in en stootte op een aarden pot. Er zat een hoofd in. Op geheimnisvolle wijze werd hem duidelijk gemaakt dat dit het hoofd van Johannes de Doper was. Hij bracht het hulde en begroef het weer op dezelfde plaats.

850 Derde Terugvinding van Johannes’ hoofd. Feest 25 mei.
Door Gods voorzienigheid ging het wonderbare hoofd later van hand tot hand; het verdween weer in de duisternis van de vergetelheid tot het uiteindelijk in de 9e eeuw naar Constantinopel kwam. Dat was in de tijd van patriarch Ignatius en de godvrezende keizerin Theodora, moeder van Michaël en echtgenote van Theofilus. Het hoofd van de Voorloper bewerkte vele wonderen. En dan te bedenken dat Johannes tijdens zijn leven geen enkel wonder heeft verricht! Des te meer heeft hij er gedaan na zijn dood.

Patronaten
Hij is patroon van het eiland Malta; in Frankrijk van Bourgondië en de Provence, en van de stad Amiens; in Italië van Florence. Daarnaast is hij patroon van de vasters; van architecten, metselaars, timmerlieden, kuipers en tonnenmakers, van schoorsteenvegers; van leerlooiers, laarzen- en zadelmakers; van wevers, stoffenververs en kleermakers en van de bont- en pelswerkers; van herders; smeden en hoefsmeden[113p:42]; muzikanten en zangers, herbergiers en restaurateurs, bioscoophouders en -exploitanten; wijnbouwers.

Afgebeeld
Er bestaan oneindig veel afbeeldingen van het tafereel dat hij Jezus doopt in de Jordaan. Ook zijn hoofd op de schotel keert dikwijls terug als gegeven. Wordt hij als heilige afgebeeld, dan is hij herkenbaar aan een lam, vaak met een heiligenkrans (of een schaal) eromheen.

In Nederland zijn er kerken aan hem aan gewijd in Amsterdam, Arnhem, Baexem, Balgoij, Beusichem, Boskoop, Breda, Breukelen, Burg/Texel (Geboorte), Culemborg (kapel), De-Kwakel (Geboorte), Deinum, Den-Burg/Texel, Duizel (Geboorte), Echteld (Geld.), Eslawald, Ewijk, Exmorra, Eygelshoven (kapel), Gassel, Gemert (Onthoofding), Goirle (Onthoofding), Grootebroek, Haarlem, Hoeven, Hommerts, Hoofddorp, Hoogwoud (Geboorte), Hoorn (Cyriacus & Jan-Batist), Huizum, Indoornik, Jutrijp, Kaatsheuvel (Onthoofding), Katwijk/Rijn (Geboorte), Keienburg, Kilder, Klundert, Kraggenburg, Kudelstaart (Geboorte), Lage-Zwaluwe, Laren (N-H), Leeuwarden, Leimuiden, Liempde (Onthoofding), Limmel, Loon-op-Zand (Onthoofding), Maastricht, Mechelen, Meddo, Merselo, Mijdrecht, Moergestel (Onthoofding), Montfoort (Geboorte), Moordrecht (Onthoofding), Nes/Ameland, Nieuw-Vossemeer, Nieuwkuijk (Geboorte), Nieuwstadt, Noord-Scharwoude, Nuland (Onthoofding), Oerle (Geboorte & Johannes-Evangelist), Oosteind, Oosterhout (N-B), Oosthem, Oppenhuizen, Ottersum, Oud-Valkenburg, Pijnacker, Puiflijk, Raard, Randwijk, Roosendaal, Rotstebergaast, Sambeek, Sandfirden, Schiedam, Schiermonnikoog (?), Schoorl, Sloten/Friesland, Sluis, Soerendonk (Onthoofding), Sprundel, St.-Jansteen, Standdaarbuiten, Uithoorn (Onthoofding), Utrecht, Venlo-Blerick, Vlaardingen, Vlijmen (Geboorte), Waalwijk, Wageningen (Geboorte), Wateringen, West-Beemster, Wierden, Wijk-bij-Duurstede, Zeist, Zevenhoven (Geboorte), Zoeterwoude (Onthoofding), Zutphen. In Eygelshoven is een straat naar hem vbernoemd; in Waaxens een klok.

In België is de kapel van het begijnhof te Brussel aan hem toegewijd. In Duitsland heeft Keulen een Johannes de Doperkerk; in Engeland is hij patroon van de plaats Cambray. In Frankrijk heeft Parijs een Johannes de Doperkerk.

In de oosterse kerk wordt hij vaak als een engel afgebeeld (met vleugels), omdat hij in de evangelies wordt omschreven als ‘bode of boodschapper’ voor de Heer uit: welnu het Griekse woord voor bode of boodschapper luidt ‘aggelos’; Latijn: ‘angelus’; Nederlands: ‘engel’.

Naast Johannes staat op oosterse afbeeldingen vaak nog een eretitel neergeschreven ‘prodromos’ = ‘voorloper’: hij was immers de voorloper van Christus; zo sterk zelfs, dat je aan het lot van Johannes kunt aflezen wat straks het lot van Jezus zal zijn: geboorte aangekondigd door engel Gabriël – prediking van het Rijk Gods – gevangenname – dood… en Herodes meent zelfs even dat hij uit de doden is opgestaan: wanneer hij namelijk over Jezus hoort vertellen; zo sterk moeten die twee op elkaar geleken hebben.

Zijn geboorte wordt gevierd op 24 juni, nl. 6 maanden vóór Jezus. Jezus wordt door zijn volgelingen beschouwd als het licht in deze wereld. De komst van het licht is midden in de winter geplaatst, op 25 december. Omdat de engel Gabriël aan Maria zegt dat haar nicht Elisabeth al in haar zesde maand is (Lukas 01,36), moet Johannes dus zes maanden eerder geboren zijn: 24 juni!

In 1946 publiceerden Gabriël Smit (rijmpjes) & Piet Worm (prentjes) een boekje over heiligen voor kinderen: ‘Roosjes uit de Hemeltuin’; Utrecht/Antwerpen, De Fontein. Het bevat ook een rijmpje voor Sint Jan:
Sint Jan, die ver in de woestijn
Sprinkhanen at en wilde honing,
Om aan geen mens verplicht te zijn,
Alleen aan God, als enig Koning,
Wees mij een sterk en machtig vrind
Wanneer de wereld mij verblindt.



24 jun - donderdag

Sneek 08:45 - 09:15 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


24 jun - donderdag

19:30 - 21:00 Leesgroep over Anselm Grün

De Leesgroep over Anselm Grün komt voor het eerst weer bijeen na de lockdown.

We lezen momenteel uit diens boek “Grenzen stellen”.

 



25 jun - vrijdag

Hele dag Feestdag H. Adelbert van Egmond diaken & geloofsverkondiger

Adelbert van Egmond, Nederland; diaken & geloofsverkondiger; † 740 of 741.

Afbeelding H. Adelbert van Egmond
1510. Miniatuur door een monnik van Egmond op verzoekschrift aan paus Julius II.

http://www.heiligen.net/afb/06/25/06-25-0741-adelbert_1.jpg

Feest 25 juni.

De legende wil dat hij een prins was van den bloede die afstand had gedaan van zijn koninklijke rechten en privileges om in dienst van Christus te treden. Zijn vader zou Edilbert geheten hebben en als koning van Sussex geheerst hebben over de Deïren. Het heet dat deze vorst geliefd was omdat hij betrouwbaar de wetten naleefde.

De opvoeding van Adelbert zou zijn toevertrouwd aan abt Egbert van het Ierse klooster Rathmelsigi. Deze Egbert verlangde ernaar een ascetisch leven te leiden, zoals dat indertijd veel voorkwam onder de Ierse monniken. Hun ideaal bestond erin de wijde wereld in te trekken, en steeds verder van huis weg te gaan. Zo konden zij vormgeven aan hun gelovige overtuiging dat het vaderland van de ware gelovige op deze wereld nergens te vinden is en pas bereikt wordt in het hiernamaals bij God.

Reeds honderd jaar tevoren was zo’n tocht ondernomen door Columbanus. Deze had overal op zijn route zichtbare bewijzen van zijn aanwezigheid nagelaten in de vorm van kloostervestigingen, waar jongemannen uit de buurt zich geheel en al toewijdden aan een leven in dienst van God door gebed, verbreiding van het christendom onder de heidenen en de vorming van een christelijke cultuur door het bouwen van kerken, kloosters en kloosterscholen, door het afschrijven en versieren van heilige boeken en door onontgonnen gebied in cultuur te brengen. Aan het ideaal van de ascese werd recht gedaan, zolang de levensomstandigheden van de monniken gebrekkig waren.

Ook abt Egbert heeft in het kader van zijn ascetische idealen een poging gewaagd om per schip over te steken naar het vasteland. Dat moet tegen het jaar 690 geweest zijn. Door een storm was hij echter op de kust teruggeslagen. Hem was te verstaan gegeven dat hij dat moest beschouwen als een vingerwijzing Gods: niet hijzelf zou op zwerftocht gaan, maar de leerlingen die hij in hetzelfde ideaal had gevormd. Met lede ogen heeft hij dan ook toegezien hoe tenslotte in 690 Willibrordus met twaalf gezellen, onder wie Adelbert, de oversteek waagde naar het vasteland, het onbekende tegemoet.

De overeenkomst met Jezus van wie in de evangelies meer dan eens verteld wordt dat hij in gezelschap van zijn twaalf apostelen in een boot naar de overkant van de zee voer, is uitdrukkelijk bedoeld!

Zoals gebruikelijk onder de eerste missionarissen in onze streken, begaf Willibrord zich met zijn volgelingen eerst naar de vorst ter plaatse. In dit geval was dat Pepijn van Herstal teneinde van hem de toestemming te verkrijgen om onder de Friezen het evangelie te mogen verkondigen. Zo’n bezoek aan de vorst was op zich al onderdeel van de missionering. De vorst moest onder de indruk worden gebracht. Wie weet heeft Willibrord de kunst hiervan afgekeken van Augustinus, toen deze zich in 597 voor het eerst presenteerde aan de koning van Kent. Hij had zijn veertig metgezellen in een statige rij opgesteld. Een zilveren kruis ging als een banier voorop, alsmede een geschilderd portret van Christus. Terwijl de monniken met rustige stap naderkwamen, zongen zij litanieën waarin zij baden om het behoud van zichzelf en van hun gastheren. Waarschijnlijk werden er ook relieken meegedragen. Ieder was natuurlijk gekleed in vol ornaat. Zou Willibrord zich op soortgelijke wijze hebben gepresenteerd aan Pepijn? Hoe dan ook, hij kreeg de toestemming waarop hij had gehoopt.

Terwijl Willibrord doorreisde naar Rome om van de paus geloofsbrieven te ontvangen, verspreidden zich zijn twaalf gezellen over het Friese land. Adelberts werkterrein lag vooral in Kennemerland en West-Friesland. We kunnen ons maar nauwelijks een voorstelling maken van zijn levensomstandigheden. Daarom ontlenen wij links en rechts gegevens van metgezellen en tijdgenoten om ons een beeld te kunnen vormen.

Op welke wijze preekte hij het evangelie? Immers de Friese taal mocht dan verwant zijn aan het Angelsaksisch en heel in de verte aan het Iers, maar waarschijnlijk zal hij toch een tolk nodig gehad hebben. Hoe wist hij de plaatselijke notabelen te overtuigen? Heeft hij hun ontzag ingeboezemd met zijn heilige boeken? Las hij eruit voor, zoals Germaanse runenpriesters mysterievolle teksten lazen uit geheimzinnige tekens? Maakte hij indruk door het gouden kruis dat hij altijd bij zich droeg ? Door de imposante boeken, soms rijk versierd? Of kwamen de Kennemers onder de betovering als hij in de eenzaamheid langdurig zijn gebeden zei en psalmen zong, zoals hij dat in zijn klooster thuis had geleerd. Dat zal immers toch altijd wel luidop gebeurd zijn, naar de gewoonte van die tijd?

Of herkenden zij in hem toch de vechter; de strijdlust en de ontberingen die de heilige man zich getroostte om zijn idealen te verwezenlijken?

Van Bonifatius en Livinus weten wij hoe zij leden onder de eenzaamheid; hoe zij verlangden naar gezelschap waarmee zij van gedachten konden wisselen, naar boeken van niveau, naar eten van thuis en komfortabeler kleding. Hoe zal dat Adelbert vergaan zijn onder zijn Kennemers?

Hoe dan ook hij weet de bewoners van de streek zover te krijgen dat ze hun Germaanse goden verlaten omwille van Christus. Hij bouwt een kerkhut en zuivert het hele gebied van alle herinneringen aan de afgoderij. Na zo’n vijftien jaar kan hij met tevredenheid konstateren dat het gebied ‘gezuiverd’ is: “Ecce haec munda sunt”. Sommigen menen dat hier de oorsprong ligt van de plaatsnaam Egmond: ‘Haec munda’ zou later gespeld zijn als ‘Haegemunda’. Anderen beweren dat hier vroeger een watertje, ‘Y’, ‘Ic’ of ‘Ec’ geheten (verbastering van het Latijnse ‘aqua’), uitmondde in de zee. Nog weer anderen leggen verband met de persoonsnaam Eggo, met wie Adelbert allengs bevriend raakte. Zou hem het land hier hebben toebehoord? Adelbert zou Eggo’s zoon hebben gedoopt, waarop Eggo hem de zorg had opgedragen voor zijn opvoeding. Juist zo was Adelbert destijds zelf opgevoed door abt Egbert. Tijdens een maaltijd bij Eggo thuis geeft Adelbert aan zijn vriend te kennen dat hij voor enige tijd naar Engeland terug moet. Eggo’s droefheid is groot: “Zullen we u dan nooit meer terug zien, vader?” Adelbert die juist aan een appel is begonnen, snijdt de vrucht in vieren en verzamelt de pitten. Hij werpt ze in de richting van het haardvuur en zegt: “Op het moment dat uit deze pitten een nieuw boompje is gegroeid, zal ik in jullie midden terugkeren.”

Niet lang daarna brandt het huisje van Eggo af. Enige tijd later blijkt er op die plek een appelboompje opgeschoten te zijn. Vijf jaar na al deze gebeurtenissen, juist in de tijd dat het boompje in volle bloei staat, verschijnt Adelbert weer op het strand. Hij hernieuwt de vriendschap met Eggo en zijn zoon en hervat het bekeringswerk.

Opvallend aan dit verhaal is echter dat niemand zich afvraagt of weet te vertellen wat Adelbert thuis in Engeland is gaan doen.

Verering & Cultuur
Hij zou op tamelijk hoge leeftijd gestorven zijn in het jaar 740 of 741. Op de plaats waar men hem begroef, verrees later de Benedictijner abdij. Een monnik uit de 12e eeuw heeft een hele reeks wonderverhalen opgetekend die op zijn graf gebeurd zouden zijn. Tijdens de Reformatie wordt het klooster verwoest en de relieken van Adelbert gaan verloren. In de jaren vijftig van de 20 eeuw wordt er op de oude plaats weer een nieuwe Adelbert abdij opgericht.

Toen in de jaren zestig een groepering kritische katholieken een passende patroonheilige zocht, viel hun keuze op Adelbert, een krachtige persoon die pioniersgeest bezat en initiatieven ontplooide, en die met woord en daad van het evangelie wist te getuigen in een wereld die daar niet vanzelfsprekend ontvankelijk voor was.

Patronaten
Hij is patroon van de plaats Egmond.
 
Afgebeeld
Hij wordt afgebeeld als aartsdiaken (met een tuniek); vaak heeft hij het evangelieboek bij zich. Soms draagt hij een lelietak (symbool van de zuiverheid of de maagdelijkheid). Aan zijn voeten liggen kroon en scepter (symbolen van koninklijke waardigheid waarvan hij afstand heeft gedaan).

Wat leert ons Adelbert?
Wat kunnen wij vandaag de dag van Adelbert leren? Mensen van gebed te worden. Gebed dat ons maakt tot vriendelijke, hartelijke mensen voor wie naastenliefde het belangrijkste is. Zingende mensen. Mensen die de durf hebben Christus te brengen waar Christus niet is; de dingen van Christus brengen waar ze niet zijn; liefde te brengen waar geen liefde is. Het is soms al lastig liefde te brengen waar al wel liefde is, maar waar geen liefde is… Jezus zelf heeft het er behoorlijk mee moeilijk mee gehad. Hij noemt het: ‘Je kruis opnemen, elke dag.’ Pijn, onbegrip, belachelijk gemaakt en als meelijwekkend weggezet worden: en dat toch beantwoorden met naastenliefde, barmhartigheid, vergevingsgezindheid. Dat is twee. En ten derde: mensen worden die bereid zijn hun kennis en kunde in te zetten ten dienste van anderen. Zo heeft Adelbert hier – volgens mij – Christus gebracht.

Dat is geheel in overeenstemming met het aloude gebed dat in de Mis van Sint-Adelbert gebeden wordt:
Goede God
Wek bij uw gelovigen dezelfde Geest op waarmee u Sint Adelbert van dienst was.
Dan zullen wij, vervuld van diezelfde geest,
ons best doen te beminnen wat hij beminde,
en uit te voeren wat hij ons leerde.
Amen



25 jun - vrijdag

Sneek 19:00 - 19:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


26 jun - zaterdag

Hele dag Gedenkdag H. Vigilius van Trente, bisschop & martelaar

Vigilius van Trente, Italië; bisschop & martelaar; † 405.

Afbeelding H. Vigilius van Trente

< 1800. Steensculptuur.
oostenrijk, Wenen, St-Stefansdom.

http://www.heiligen.net/afb/06/26/06-26-0405-vigilius_2.jpg

Feest 26 juni.

Volgens zeggen stamde hij af van een oud Romeins geslacht. Zijn scholing ontving hij in Rome en Athene. Op twintigjarige leeftijd zou hij al bisschop van de Noord-Italiaanse stad Trente geworden zijn.

Hij stond in hoog aanzien niet alleen vanwege zijn kennis en wijsheid, maar ook om zijn nederigheid. Intussen begaf hij zich onvermoeibaar onder de heidenen om hen tot Christus te bekeren. In de taltijke gebieden waar hem dit lukte, bouwde hij overal kerkjes.

De kerk in zijn bisschopsstad Trente wijdde hij toe aan de Milanese martelaren Gervasius en Protasius. Daar zullen de betrekkingen die hij onderhield met bisschop Ambrosius van Milaan wel niet vreemd aan geweest zijn.

Een van zijn missiereizen onder de heidenen werd hem noodlottig. Aan de bovenloop van de Sarca in het Rendenadal weigerde de bevolking naar hem te luisteren.

Toen hij desondanks zover ging om hun Saturnusbeeld voor hun ogen in stukken te slaan, stormde de menigte op hem af en bracht hem ter dood met stenen, die daar op de berghelling in groten getale voorhanden waren. Volgens sommigen deden ze het met hun klompen.

Hij is patroon van de bisdommen Trente en Bolsano-Bressanone (Bozen-Brixen)

Hij wordt afgebeeld als bisschop (mijter, tabberd, staf); soms met een kerkmodel, of met een klomp.



26 jun - zaterdag

Sneek Hele dag I.v.m. Corona geen openbare viering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek

Wij steken een kaarsje op voor:

een jarige,

Jan Brouwer, overleden familie Brouwer-Palsma,

alle bewoners en allen die werken in de zorg



26 jun - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Woord- en Communieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met Liturgiegroep Blauwhuis

M.m.v. het Ceacilliakoor



27 jun - zondag

Hele dag Feestdag H. Cyrillus van Alexandrië, bisschop & kerkleraar

Cyrillus van Alexandrië, Egypte; bisschop & kerkleraar; † 444.

Afbeelding H. Cyrillus van Alexandrië
1883. Glasvenster door Hezenmans Nederland, Den Bosch, St-Janskathedraal
Van links naar rechts: Efrem, Gregorius, Cyprianus, Cyrillus.

http://www.heiligen.net/afb/06/27/06-27-0444-cyrillus_2.jpg

Feest 27 juni.
Cyrillus volgde zijn oom Theofilus op als bisschop van de stad Alexandrië in Egypte.  In die tijd heerste er groet onenigheid in de Kerk over de vraag welke de plaats was van Maria in de heilsgeschiedenis. Als Jezus werkelijk God én mens was, zoals honderd jaar eerder op het Eerste Oecumenische Concilie van Nicea was vastgesteld, moest je van Maria dan niet zeggen dat zij niet alleen de méns Jezus had gebaard, maar ook de Gód Jezus. Immers, de goddelijke natuur van Jezus was hem niet op enig moment tijdens zijn leven komen aanwaaien, maar die bezat hij van de moederschoot af. Aldus de zogeheten Alexandrijnse school; hun woordvoerder was dus bisschop Cyrillus.
 
Daartegenover stonden de gelovigen die zich hadden aangesloten bij de opvatting van patriarch Johannes van Antiochië. Zij werden kortweg de Antiochenen genoemd. Zij hadden zich laten inspireren door patriarch Nestorius van Constantinopel (428-431). Deze meende dat je van Jezus niet kon zeggen dat hij én God én mens was. Het was eenvoudig ondenkbaar dat God mens kon worden; nog minder dan dat hout water kon worden of ijs ijzer. Hooguit kon je zeggend dat de goddelijke natuur enige tijd bezit had genomen van de mens Jezus. Bijgevolg kon je helemaal niet besluiten dat Maria aangeduid zou kunnen worden met de titel ‘God-barende’, of ‘Moeder van God’.

Het was keizer Theodosius die in 431 hoogst persoonlijk het Derde Oecumenische Concilie bijeen riep. De vergadering zou plaats vinden te Efese, de stad waar vanouds de heidenen de liefdesgodin Artemis hadden vereerd.

Cyrillus was vanuit Alexandrië eerder in Efese aangekomen dan de tegenstanders uit Antiochië. Hij maakte hiervan gebruik door alvast de vergadering plechtig te openen. Bij de aanvang van de vergadering kregen de aanwezigen de brief voorgelegd, welke Cyrillus enige tijd terug aan Nestorius had geschreven en waarin hij onverkort vasthield aan ‘Nicea’. Praktisch eenstemmig werd de opvatting van Cyrillus aangemerkt als de ware leer, inclusief de conclusie dat Maria terecht de titel ‘Theo-tokos’ werd toegekend. Nestorius werd veroordeeld en afgezet als patriarch van Constantinopel.

Cyrillus zou op dat moment een hymne hebben voorgebeden op Maria in de geest van het Concilie [naar Groot Gebedenboek]:

‘Gegroet, Maria,
Moeder van God,
Maagd en Moeder,
Draagster van Licht,
Ongeschonden Vat.

Gegroet, Maagd Maria,
Moeder en Slavin,
Maagd omwille van Hem
die uit uw maagdelijkheid is geboren;
Moeder omwille van Hem,
die gij in uw armen hebt gedragen
en met uw melk hebt gevoed;
Slavin omwille van Hem,
die de gedaante van een slaaf heeft aangenomen.
Want binnengegaan is de Koning in zijn stad,
of liever in uw schoot,
en Hij is weer uitgegaan overeenkomstig zijn wil,
terwijl uw poort gesloten bleef.
Zonder wil van een man immers
hebt gij Hem ontvangen,
en op goddelijke wijze hebt gij Hem gebaard.

Gegroet Maria,
tempel waar God zijn intrek neemt,
heilige tempel,
gelijk de profeet David uitriep:
‘Heilig is uw tempel,
wonderbaar in gerechtigheid.’

Gegroet Maria,
sieraad van de gehele wereld.

Gegroet Maria,
ongerepte duif.

Gegroet Maria,
onblusbare lamp.
Want uit u is geboren de Zon der Gerechtigheid.

Gegroet Maria,
plaats van Hem,
die door geen plaats wordt omvat;
gij, die de eniggeborene,
het Woord van God,
hebt omsloten;
die zonder ploeg of zaaisel
de onverwelkbare aar hebt gedragen.

Gegroet Maria,
die de profeten bezingen
en omwille van wie de herders
met de engelen de ontzagwekkende lofzang aanheffen:
“Ere zij God in de hoge
en op aarde welgevallen aan de mensen.”

Gegroet Maria, Moeder Gods,
om wie de engelen zich verheugen
en de aartsengelen jubelen
in dreunende zangen.

Gegroet Maria, Moeder Gods,
om wie de magiërs komen aanbidden,
geleid door een lichtende ster.

Gegroet Maria, Moeder Gods,
om wie de twaalfvoudige tooi der apostelen werd verkozen.

Gegroet Maria, Moeder Gods,
om wie Johannes, nog in de schoot van zijn moeder,
is opgesprongen;
om wie de kandelaar het eeuwige licht heeft aanbeden.

Gegroet Maria, Moeder Gods,
door wie de onzegbare genade is voortgekomen
waarvan de Apostel zei:
“De genade Gods is tot heil aan alle mensen verschenen.”

Gegroet Maria, Moeder Gods,
uit wie is voortgekomen het waarachtige Licht,
onze Heer Jezus Christus,
die spreekt in de evangeliën:
Ik ben het Licht van de wereld.”

Gegroet Maria, Moeder Gods,
uit wie het licht is opgegaan
voor wie in het donker
en de schaduw des doods waren gezeten;
want het volk dat in de schaduw was gezeten,
heeft een groot licht gezien.
Wat anders is dit licht
dan onze Heer Jezus Christus,
het waarachtige licht
dat elke mens verlicht die in de wereld komt?

Gegroet Maria, Moeder Gods,
door wie in de evangeliën geboodschapt wordt:
“Gezegend Hij die komt in de Naam des Heren”;
door wie in steden, in dorpen en op eilanden
de kerken der rechtgelovigen zijn gegrondvest.

Gegroet Maria, Moeder Gods,
uit wie de overwinnaar van de dood is voortgekomen,
die zijn maaksel uit de zonde heeft opgericht
en het leidt naar het koningschap in de hemel.

Gegroet Maria, Moeder Gods,
ui wie is opgebloeid en opgelicht
de luister der verrijzenis.

Gegroet Maria, Moeder Gods,
uit wie het ontzagwekkende doopsel
van heiliging in de Jordaan is gevloeid.

Gegroet Maria, Moeder Gods,
door wie zowel Johannes als de Jordaan zijn geheiligd,
en de duivel met smaad is getroffen.

Gegroet Maria, Moeder Gods,
door wie alle geest die gelooft
wordt behouden.’

Toen de Antiochenen arriveerden, hoorden zij, dat de belangrijkste beslissing al was genomen. In een aparte zitting verklaarden zij de buiten hen om genomen besluiten ongeldig en sloten Cyrillus uit van de geloofsgemeenschap (excommunicatie). Intussen bleek dat de afgezanten van Paus Celestinus I († 432; feest 6 april), de bisschop van Rome, aan de kant stonden van Cyrillus. Ook de invloedrijke zus van keizer Theodosius sympathiseerde met deze opvatting. Zij wist haar broer geleidelijk aan te overtuigen van de juistheid van Cyrillus’ opvattingen. Hij bekrachtigde daarop de besluiten van de eerste vergadering: Nestorius werd veroordeeld en afgezet. Waarop de keizer de vergadering ontbond en de bisschoppen weer naar huis stuurde.

De verzoening tussen beide groepen werd een kwestie van twee jaar lang delicaat onderhandelen. In 433 sloten de Antiochenen zich tenslotte bij Cyrillus’ opvatting aan.

Verering & Cultuur
Om zijn onvermoeibaar ijveren voor het ware geloof in woord en geschrift wordt Cyrillus betiteld als ‘Verdediger van Katholieke Geloof’ en ‘Verdediger van de Waarheid’ en ook wel als ‘Sluitstuk van de Kerkvaders’ of als ‘Vurig Aanhanger van Nauwkeurige Formuleringen’. Dit laatste vooral vanwege zijn scherpzinnige redeneringen en argumentaties.

Door toedoen van zijn tegenstanders heeft hij nog een tijdje gevangen gezeten in Constantinopel. Maar door bemoeienis van paus Celestinus kon hij weer gauw naar zijn Alexandrië terug. Daar is hij tenslotte overleden.

Afgebeeld
Hij wordt afgebeeld als bisschop zonder mijter met een boek in de hand; een duif op zijn schouder (symbool van inspiratie door Gods Heilige Geest, die hem de waarheid influistert); soms verschijnt hem de Moeder Gods, in het Grieks ‘Theotokos’ geheten = ‘godbarend’).



27 jun - zondag

Heeg 09:30 - 10:30 Woord- en Communieviering, Dhr. J. Mulder

Sint Josephkerk – Heeg, Heeg

voor Herman Miedema;
voor overleden dierbaren;
voor Piet en Thea de Jong – Lenes.



27 jun - zondag

Sneek 11:00 - 12:15 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

M.m.v. het Intermezzo koor o.l.v. F. Haaze

Onder voorbehoud van coronamaatregelen zullen zij o.m. voor u zingen:

  • De Sint Gummarus mis
  • Laudate Domino


28 jun - maandag

Hele dag Feestdag H. Ireneus van Lyon, kerkvader & martelaar

Ireneus (ook Eirenaios of Irénée) van Lyon, Frankrijk; 2e bisschop, kerkvader & martelaar; † 202.

Afbeelding H. Ireneus van Lyon
ca 1920, glasschilderkunst.  Frankrijk, Parijs, Notre Dame.

http://www.heiligen.net/afb/06/28/06-28-0202-ireneus_7.jpg

Feest 28 juni & 3 juli (van 1960-1970) & 23 augustus (oosterse kerk).

Hij moet rond 130 geboren zijn in de stad Smyrna in Klein-Azië (= tegenwoordig Izmir, West-Turkije). Waarschijnlijk was hij een leerling van Sint Polycarpus († 155; feest 23 februari), die zelf weer leerling was geweest van Sint Johannes, de apostel († ca 100; feest 27 december). Ten tijde van keizer Marcus Aurelius (161-180) ontving Ireneus de priesterwijding in de stad Lugdunum in Gallië (= de huidige stad Lyon, Frankrijk) en werd er in 177/78 de tweede bisschop. Hij volgde Fotinus op, die kort daarvoor met 47 medechristenen onder heldhaftige omstandigheden de marteldood was gestorven.

Op 2 juni van het jaar 177, onder de regering van keizer Marcus Aurelius, onderging een groep van acht-en-veertig christenen in de stad Lugdunum (= de huidige Franse stad Lyon) de marteldood. Daarvan is een indrukwekkend ooggetuigeverslag bewaard gebleven, na de vervolgingen opgetekend door medechristenen uit Lyon en Vienne in een brief aan de christengemeenten van Frygië in Klein-Azië. De brief bleef bewaard, omdat de kerkhistoricus Eusebius van Cesarea (264-340) haar opnam in zijn kerkgeschiedenis. Er wordt in verteld hoe zelfs de meest eenvoudige gelovigen de Romeinse autoriteiten in hun gezicht durfden te weerstaan. Ze weigerden aan de Romeinse goden te offferen, omdat ze trouw wilden blijven aan hun eigen god. Daarom werden ze allen tot de marteldood veroordeeld. Met name Vettius Epagathus, Sanctus, Maturus, Attalus, Blandina, Fotinus en Alexander treden op de voorgrond. Bijzondere indruk maakte vooral het slavinnetje Blandina. Hoewel zij tenger was en zwak leek, en tot een maatschappelijke klasse behoorde, die geen eigen stem had, stond zij erop zelf de vragen te beantwoorden die de onderzoeksrechter haar stelde. Persoonlijk wilde zij instaan voor haar geloof in Christus.

Ireneus ijverde krachtig voor de kerstening van de Kelten in Zuid-Gallië. Daarnaast speelde hij een belangrijke rol bij de kwestie van de paasdatum, die erop uit dreigde te lopen, dat de christenen van Klein-Azië, waar hij zelf vandaan kwam, van de moederkerk dreigden losgescheurd te worden.

Hoezeer jodendom en christendom reeds tegen het eind van de 2e eeuw uit elkaar waren gegroeid, moge blijken uit een brief van rond het jaar 190 van de hand van bisschop Polycratus van Efese, gericht aan bisschop Victor van Rome. († 197; feest 28 juli. Het zou een anachronisme zijn hier reeds te spreken over ‘de paus’. Weliswaar werd hem als opvolger van de apostel Petrus op alle bisschoppenvergadering een uiterst belangrijke stem toegekend, maar hij was nog altijd de eerste onder zijns gelijken). Er is onrust gerezen over de berekening van de paasdatum. De christengemeenten van Asia vierden vanouds Pasen op de dag van het Joodse paasfeest, de veertiende dag van de maan, de dag waarop het Joodse paaslam moest worden geslacht: de zogeheten quartodecimaanse praktijk. Maar de rest van de toenmalige christenheid zei zich te baseren op een traditie die terugging op de apostelen zelf. Die hield in, dat het ongepast was, wanneer de grote vasten beëindigd zou worden op een gewone door-de-weekse dag in plaats van een zondag, de dag waarop de Heer uit de dood was opgestaan. (Nog altijd heet de zondag in de Latijns sprekende landen ‘Dag des Heren’: Domenico, Domingo, Dimanche).

Polycrates drukt collega Victor van Rome op het hart niet om deze reden aan te dringen op een uitsluiting van de christengemeenten in de gehele provincie Asia. Ten eerste hebben ze uit onwetendheid gehandeld. Bovendien wijst hij op de eerbiedwaardige traditie waarop deze kerken kunnen bogen. Zij hebben het graf in hun midden van diaken (hij zegt abusievelijk ‘apostel’) Filippus te Hiërapolis, alsmede dat van twee van zijn dochters; een derde dochter rust in Efese zelf, evenals de apostel Johannes; daarnaast nog Polycarpus te Smyrna, evenals bisschop Thraseas van Eumenea, die te Smyrna de marteldood stierf; bisschop-martelaar Sagaris in Laodicea; Papirius en Melito te Sardes. (Vooral deze laatste is van belang, want hij had in de jaren 166/67 een boek geschreven over het paasfeest, waarin hij de quartodecimaanse praktijk verdedigt!). Zij allen, zo benadrukt Polycrates, onderhielden hun Pasen op de veertiende dag…

Mede door toedoen van de vredelievende bisschop Ireneus van Lyon zal paus Victor afzien van drastische maatregelen en zullen de kerken van Asia zich aansluiten bij de apostolische traditie. Daarmee was de kloof tussen joden en christenen weer dieper geworden.

Hij heeft een aantal theologische werken nagelaten, die van zulke grote waarde zijn, dat hij de eretitel heeft gekregen van ‘vader van de katholieke dogmatiek’ (= ‘geloofsleer’). Zijn belangrijkste boek is het vijfdelige werk ‘Adversus Hereticos’ (= ‘Tegen de Ketters’). Daarin zet hij uiteen, da bij meningsverschil binnen de geloofsgemeenschap de traditie als bron en norm van geloof de doorslag geeft. Onder de traditie verstaat hij wat in de kerk altijd van de ene op de andere geberatie is verkondigd. In deze uiteenzetting ruimt hij ook de eerste plaats in voor het gezag van de kerk van Rome: “Elke kerkgemeenschap moet zich aansluiten bij de kerk van Rme omwille van haar hogere gezag.” Ook is Ireneus de uitvinder van het idee, dat de geschiedenis van het Oude Testament verstaan moet worden als Gods plan om de mensen voor te bereiden op het hoogtepunt van de heilsgeschiedenis: de komst van Jezus.

Hij is het ook, die bedacht heeft, dat de vier diersymbolen uit het Oude Testament – de gevleugelde mens, de gevleugelde leeuw, het gevleugelde rund en de gevleugelde arend of adelaar – op de vier evangelisten toegepast kunnen worden. Zo werd Matteüs vereenzelvigd met de gevleugelde mens, Markus met de gevleugelde leeuw, Lukas met het gevleugelde rund en Johannes met de gevleugelde arend of adelaar.

Verering & Cultuur.
Hij zou de marteldood gestorven zijn ten tijde van keizer Septimius Severus (193-211), maar dat is historisch gesproken niet zeker. Sint Zacharias van Lyon († 3e eeuw) volgde hem op. Met behulp van enkele medegelovigen die aan de vervolgingen ontkomen waren, begroef deze zijn voorganger Sint Irenaeus van Lyon met grote liefde en verzamelde de stoffelijke resten van de martelaren in een massagraf. De kerk die op deze plaats verrees werd toegewijd aan Ireneus. Ireneus is patroon van het bisdom Lyon.
 
Afgebeeld
Hij wordt afgebeeld met een zwaard (martelwerktuig) of met boek of boekrol (als grondlegger van de christelijke theologie).


28 jun - maandag

Sneek Hele dag I.v.m. Corona geen openbare viering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek

Wij steken een kaarsje op voor:

Sofia Teters-Vunderinck,

Annie Werkman- Pennekamp,

familie Flapper-Brouwer



28 jun - maandag

Sneek 20:00 - 21:30 Orgelconcert in de serie Zomerconcerten in Sneek

Grote of Martinikerk, Sneek

M.m.v. Gerwin Hoekstra

Klik hier. voor het algemeen bericht over de serie Zomerconcerten 2021.



29 jun - dinsdag

Sneek 00:00 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


29 jun - dinsdag

Hele dag Hoogfeest HH Petrus en Paulus, apostelen

Petrus en Paulus, apostelen en martelaren

_______________________________________________

Petrus (ook Kefas) Apostel, Rome, Italië; martelaar; † 67.

Afbeelding H. Petrus
Boekillustratie.
Apostel Petrus, gekruisigd met het hoofd naar beneden.

http://www.heiligen.net/afb/06/29/06-29-0067-petrus_15.jpg

Feest 29 juni.

Petrus heette aanvankelijk Simon, zoon van Jona (of Johannes). Zijn broer heette Andreas. Zij waren vissers op het moment dat Jezus hen vroeg Hem te volgen (Markus 01,16-20). Van Jezus kreeg hij de bijnaam Petrus (‘rots’: Matteüs 16,18; Johannes 01,42). Hij was getrouwd. Dat mogen we afleiden uit het feit dat hij een schoonmoeder had. Zij wordt door Jezus genezen (Markus 01,29-31). Via Paulus weten we dat Petrus zijn vrouw meenam op zijn missiereizen: ‘Zouden wij niet het recht hebben een vrouw mee te nemen op onze reizen, zoals de andere apostelen en de broeders des Heren en Kefas…?’ (1 Korinte 09,05). Met Kefas wordt met zeer grote waarschijnlijkheid Petrus bedoeld.

In de oude Sint-Stevenskerk te Nijmegen bevindt zich een middeleeuwse wandschildering waarop Sint Petrus’ vrouw wordt afgebeeld. De kunstenaar heeft er de naam Perpetua onder geplaatst. Waarop hij (zij?) dat baseerde…? Wellicht was hij in de war met Petronilla † 1e eeuw; feest 31 mei), die van oudsher met Petrus in verband wordt gebracht?

Uit de evangelies krijgt men de indruk dat hij een spontaan, hartelijk karakter had, ook met alle fouten van dien. Zo wilde hij niet dat Jezus hem de voeten waste, omdat het slavenwerk was. Toen Jezus zei dat ze dan niet langer bij elkaar zouden horen, wou hij ineens helemaal gewassen worden (Johannes 13,06-09). Van de andere kant hield hij glashard vol Jezus niet te kennen, toen het hem te benauwd werd en hij tijdens Jezus’ verhoor door omstanders werd herkend als een van zijn leerlingen. Jezus had het hem in de vooravond nog voorzegd: “Eer de haan kraait, zul je me driemaal verloochend hebben” Toen er een haan kraaide, herinnerde Petrus zich Jezus’ woorden en huilde bitter om zijn lafhartigheid (Matteüs 26,69-75). Als de leerlingen na Jezus’ heengaan weer zijn gaan vissen en Hem herkennen op het strand, bedenkt Petrus zich geen moment, trekt zijn kleed aan (!), springt overboord en zwemt voor de boten uit naar Jezus toe (Johannes 21,01-09). Deze Petrus is de prins der apostelen geworden (Johannes 21,15-32).

In de eerste tien hoofdstukken van het bijbelboek ‘Handelingen van de Apostelen’ wordt verteld hoe Jezus’ leerlingen, en Petrus in het bijzonder, steeds meer bezield werden door zijn Heilige Geest, en dus steeds meer op Jezus gingen lijken.

Petrus met Tabita

Eens kwam Petrus op een grote rondreis ook bij de leerlingen die in Lydda woonden, en trof daar een zekere Enéas aan, die reeds acht jaar wegens verlamming het bed moest houden. Petrus sprak tot hem: “Enéas, Jezus Christus geneest u, sta op en maak zelf uw bed in orde.” Onmiddellijk stond hij op. Alle inwoners van Lydda en van de Saronvlakte zagen hem en bekeerden zich tot de Heer.

Dit verhaal doet denken aan de genezingen van lammen in de evangelies: bv. Markus 02,01-12, de lamme door het dak: Petrus’ aanmaning hier “Maak uw bed in orde” herinnert enigszins aan Jezus’ aanbeveling aan de lamme daar: “Neem uw bed op…” Het verhaal hier herinnert ons ook aan Johannes 05,01-09, de genezing van de lamme in Betsaïda, doordat het aantal jaren van de verlamming uitdrukkelijk wordt genoemd: hier 8 jaar bij Johannes 38 jaar.

Er leefde destijds in Joppe een leerlinge met name Tabita, wat in vertaling Dorkas, Gazelle, betekent. Zij was onuitputtelijk in het doen van goede werken en het geven van aalmoezen. Juist in die dagen was zij echter na een ziekte gestorven. Men waste haar en legde haar in een bovenvertrek. Omdat Lydda dichtbij Joppe ligt, stuurden de leerlingen, die gehoord hadden dat Petrus daar verbleef, twee mannen naar hem toe met het verzoek: “Kom zonder uitstel naar ons toe.” Petrus ging aanstonds met hen mee. Bij zijn aankomst brachten ze hem in het bovenvertrek, waar alle weduwen wenend hem omringden en al de kleren en mantels lieten zien die Dorkas gemaakt had toen ze nog in hun midden was. Petrus deed allen naar buiten gaan, knielde neer en bad. Toen sprak hij, zich kerend naar het lijk: “Tabita, sta op.” Zij opende de ogen, zag Petrus en ging overeind zitten. Hij reikte haar de hand en hielp haar opstaan. Vervolgens riep hij de heiligen en de weduwen en gaf haar levend aan hen terug.

Dit werd bekend in heel Joppe, zodat velen het geloof in de Heer aannamen.

[Handelingen v.d. Apostelen: 9,32-42]

Dit verhaal doet sterk denken aan Jezus’ opwekking van Jaïrus’ dochtertje: Markus 5,21-24.35-43. De belangrijkste overeenkomst is natuurlijk dat een vrouw uit de dood wordt opgewekt. Maar er zijn nog enkele details. Net als Jezus stuurt Petrus allen naar buiten. Ze spreken bijna dezelfde woorden. Waar Jezus zei: “Talita koemi, sta op!”, horen we Petrus zeggen: “Tabita, sta op!” Net als Jezus pakt Petrus de vrouw bij de hand om haar op te richten.

De conclusie moet bijna wel zijn, dat in Petrus Jezus zelf aan het werk is; in Petrus zijn de tijden van het evangelie teruggekeerd. Een echte heiligenlegende.

Het tweede deel van de Handelingen van de Apostelen vertelt voornamelijk hoe Paulus het christendom onder de heidenen verkondigt. Toch is het Petrus die het eerst een heiden, Cornelius, tot Christus brengt (Handelingen 10). Na de verhuizing uit Jeruzalem vestigde hij zijn zetel in de Syrische stad Antiochië; weer later ging hij naar de hoofdstad van het Romeinse Rijk, Rome.

‘Quo vadis?’

Beroemd is de legende ‘Quo vadis?’ Tijdens de christenvervolgingen onder keizer Nero, drongen de gelovigen erop aan dat Petrus de stad zou ontvluchten. Uiteindelijk gaf hij gehoor aan hun dringende bede. Aan de rand van de stad kwam hij echter Jezus zelf tegen; Hij droeg zijn kruis in de richting van Rome. Verbijsterd vroeg Petrus “Quo vadis? Waar gaat U heen, meester?” Waarop Jezus antwoordde: “Ik ga naar Rome om opnieuw gekruisigd te worden.” Toen begreep Petrus dat hij er verkeerd aan deed de stad te ontvluchten; hij moest bij zijn mensen blijven. Hij keerde terug, en werd inderdaad enige tijd latere gearresteerd en net als zijn Heer tot de kruisdood veroordeeld. Hij vond van zichzelf dat hij maar weinig op Jezus geleek. Daarom vroeg hij de gunst om met het hoofd naar beneden gekruisigd te worden.

Petrus’ Marteldood

Nero liet de twee kopstukken onder de christenen, de apostelen Petrus en Paulus arresteren door een zekere Paulinus. Deze wierp de twee in de gevangenis en droeg de bewaking op aan Processus en Martinianus. Maar Petrus wist deze wachters tot Christus te bekeren. Omdat er in de gevangenis geen water voorhanden was om hen te dopen, keerde Petrus in tot gebed en op hetzelfde moment sprong er een fontein op uit de stenen vloer. Nu openden de voormalige bewakers de deuren van de gevangenis voor hen en gaven hun de vrijheid terug. Later, na de marteldood van Petrus en Paulus, kwam hun dat eveneens op de doodstraf te staan: op last van Nero werd hun met het zwaard het hoofd afgehakt († 69?; feest 2 juli).

Op uitdrukkelijk aandringen van zijn medegelovigen nam Petrus de vlucht en ging op weg om de stad Rome te verlaten. Maar bij één van de stadspoorten aangekomen – op die plaats staat nu de Kerk van Maria Onderweg – kwam Christus hem tegemoet. Hij sprak: “Maar Heer, waar gaat u heen (Quo vadis)?” Waarop de Heer antwoordde: “Ik ga naar Rome om opnieuw gekruisigd te worden.” Petrus herhaalde: “Opnieuw gekruisigd?” “Ja”. Daarop hernam Petrus: “Maar dan ga ik terug, Heer, om samen met u gekruisigd te worden.” Daarop steeg de Heer weer ten hemel. Petrus bleef in tranen achter.

Hij begreep dat het uur van zijn marteldood geslagen had. Hij ging terug de stad in. Daar werd hij onmiddellijk gegrepen door de politie van Nero. Hij werd voor de stadhouder, Agrippa, geleid. Linus vertelde later dat Petrus’ gelaat straalde van vreugde.

Linus was één van Petrus’ leerlingen: hij zou hem opvolgen als bisschop van Rome, de belangrijkste van alle bisschoppen; † 76; 23 september.

De stadhouder zei tot hem: “Dus u bent die man die er vreugde in vindt om temidden van het lagere volk te wonen? En die de vrouwen van de achterbuurten weghoudt van hun man in bed?” Waarop Petrus ten antwoord gaf: “Mijn enige vreugde vind ik in het kruis van mijn Heer.” Omdat hij vreemdeling was, werd hij veroordeeld tot de doodstraf aan het kruis. Paulus daarentegen was Romeins staatsburger: hij werd veroordeeld tot onthoofding door het zwaard.

Dionysius (bijgenaamd ‘de Areopagiet’; † 1e eeuw; feest 9 oktober) schrijft een brief aan Paulus’ leerling Timotheus over Paulus’ dood. Daarin vertelt hij hoe de menigte, bestaande uit heidenen en joden, niet moe werd hen beiden, Petrus en Paulus, in het gezicht te spuwen en te slaan waar ze hen maar raken konden.

Op het moment dat ze van elkaar gescheiden werden, zei Paulus tegen Petrus: “De vrede zij met jou; jij bent de rots waarop de kerk gebouwd is; jij bent herder van Jezus’ schapen.” En Petrus zei tegen Paulus: “Ga in vrede, jij bent de verkondiger van de waarheid en van de blijde boodschap; jij bent de doorgever van het heil aan alle rechtvaardigen.”

Deze passage roept allerlei teksten uit het evangelie op. Ten eerste worden we herinnerd aan de gebeurtenis dat Petrus tegen Jezus zegt: “Jij bent de Christus (Messias), de Zoon van de levende God.” Jezus had toen op zijn beurt gereageerd: “En jij, Simon, jij bent Petrus, rots, en op deze steenrots zal Ik mijn kerk bouwen.” Jezus en Petrus hebben elkaar toen over en weer ‘bevestigd’ in wat ze ten diepste waren: een soort van liefdesverklaring.

Nu doen Petrus en Paulus hetzelfde t.a.v. elkaar. Dat is des te pikanter, omdat er een stroming is in de traditie die volhoudt dat het tussen beide kopstukken niet echt geboterd heeft. (Onder sommige historici leeft zelfs de veronderstelling dat hun leerlingen over en weer hun meesters hebben verraden en aangegeven bij de Romeinse overheid!). Daarvan is ook iets terecht gekomen in de Handelingen van de Apostelen (hoofdstuk 15). Deze legende suggereert dus uitdrukkelijk dat Petrus en Paulus elkaar hebben bewonderd en bevestigd.

De woorden waarmee ze dat doen, slaan op eerdere gebeurtenissen. Na zijn verrijzenis is Jezus eens aan Petrus en Johannes verschenen. Jezus vroeg bij die gelegenheid aan Petrus tot drie keer toe of hij Hem beminde. Dat maakte Petrus bedroefd, want het herinnerde hem aan zijn drievoudige verloochening, in de nacht van Jezus’ arrestatie en veroordeling: “Simon, bemin je mij?” Tot drie keer toe. Telkens als Petrus geantwoord had “Ja Heer u weet dat ik u bemin” zei Jezus “Hoed mijn schapen!” Naar die woorden van Jezus verwijzen nu Paulus’ woorden: “Jij bent de herder.”

Op dezelfde manier bevestigt Paulus in het feit dat hij Gods woord heeft verkondigd onder de heidenen. Daarover was destijds het meningsverschil gegaan.

Daarop ging Dionysius met zijn meester Paulus mee. De twee apostelen zijn immers op gescheiden plaatsen ter dood gebracht. Toen Petrus geconfronteerd werd met het kruis waaraan hij zou komen te hangen, zei hij: “Mijn meester is vanuit de hemel op aarde neergedaald; vervolgens is Hij verheven aan het kruis. Mij heeft hij geroepen om van de aarde op te gaan naar de hemel. Daarom wil ik gekruisigd worden met mijn hoofd naar de aarde en mijn voeten naar de hemel. Kruisig mij dus met mijn hoofd omlaag, want ik ben niet waardig op dezelfde manier te sterven als mijn meester, Jezus.” Dat gebeurde. Men draaide het kruis ondersteboven, zodat hij met zijn hoofd naar beneden kwam te hangen en met zijn voeten naar de hemel.

De medegelovigen waren woedend op Nero; ze riepen dat ze zijn dood wilden, van hem en van zijn stadhouder. Maar Petrus smeekte hun zijn martelaarschap niet tegen te houden. Daarom opende God de ogen van al degenen die hem beweenden. En zie, nu zagen zi j engelen staan met kronen van rozen en lelies in de hand; en Petrus stond erbij; Christus reikte hem een boek over en hardop las hij wat er in stond. De apostel aan het kruis bemerkte dat zij al zijn heerlijkheid aanschouwden. Voor een laatste maal beval hij zichzelf aan in hun gebeden. Daarop gaf hij de geest. Twee van zijn leerlingen, Marcellus en Apuleus († 1e eeuw; feest 7 oktober), haalden hem van het kruis af en begroeven hem na hem met geurige kruiden gebalsemd te hebben.

Petrus’ Banden (ca 40) Feest 1 augustus (westerse kerk).

Het betreft hier de ijzeren kettingen waarin Petrus geboeid zou hebben gezeten toen hij door Herodes gevangen was genomen (Hand.12,07). Deze kettingen werden door vrome christenen bewaard en vereerd; ze zouden zelfs wondermacht bezitten. Later werden ze door patriarch Juvenalis van Jeruzalem geschonken aan de verbannen keizerin Eudokia.

Deze verdeelde ze in twee in stukken, waarvan ze de ene helft stuurde naar Constantinopel en de andere naar Rome; destijds de hoofdsteden van het Romeinse Rijk. In Rome werden erbij gevoegd de boeien waarin Petrus ten tijde van Nero op zijn marteldood had zitten wachten; er werd ook een aparte kerk van Sint-Petrus’ Banden gebouwd om de relieken te bewaren en vereren.

Bekering Quirinus

Sint Petrus’ banden spelen ook een rol in de bekeringsgeschiedenis van de martelaar Quirinus, die te Neuss in Duitsland wordt vereerd.

“Alexander I, de zesde paus die sinds Petrus aan het hoofd van de Kerk stond, werd gevangen gehouden door de tribuun Quirinus, en met hem de stadsprefect van Rome, Hermes; deze laatste was door Alexander tot Christus gebracht.

Alexander: † 115; feest 3 mei; Hermes: † 115; feest 28 augustus.

Quirinus raakte in gesprek met Hermes: ‘Gek eigenlijk dat een weldenkend man als u afziet van alle voordelen van het ambt van prefect om te dromen van een of ander vaag ander leven.’ Waarop Hermes antwoordde: ‘Ook ik heb me daarover destijds bij anderen vrolijk gemaakt, omdat ik net als u dacht dat alles met ons aardse leven wel allemaal afgelopen was.’ Quirinus reageerde: ‘Als je mij bewijst dat er inderdaad nog een ander leven is, kun je mij als leerling bijschrijven!’ Waarop Hermes zei: ‘Dat kun je beter aan je andere gevangene vragen, de Heilige Alexander: want die kan zoiets beter dan ik.’ Daarop werd Quirinus woedend: ‘Nu vraag ik je om een bewijs, en dan stuur je me door naar Alexander, die bij mij in de gevangenis zit omdat hij een misdadiger is. Weet je wat: ik zal jullie allebei apart zetten en een dubbele bewaking geven. En dan zullen we eens zien. Als ik jou dan toch bij hem aantref, of hem bij jou, dan ben ik bereid me te bekeren en naar jullie te luisteren!’

Op het moment dat Alexander in gebed was, kwam er een engel naar hem toe en bracht hem in de gevangenis van Hermes, zodat Quirinus hen inderdaad tot zijn verbijstering in elkaars gezelschap aantrof. Daarop vertelde Hermes, hoe Alexander zijn zoon tot het leven had weten terug te brengen. Quirinus richtte zich meteen tot Alexander: ‘Mijn dochter Balbina heeft iets ergs aan haar keel. Als u haar genezing weet te bewerkstelligen, beloof ik mij te zullen bekeren tot uw geloof.’ Waarop Alexander zei: ‘Nou ga haar dan vlug halen en breng haar maar in mijn cel.’ En Quirinus weer: ‘Maar u zit toch hier? Hoe kan ik u dan straks vinden in uw cel?’ Alexander antwoordde: ‘Ga nu maar gauw; degene die me hier heeft gebracht, zal me zo meteen ook weer terugbrengen.’

Alexander was dus inderdaad in zijn cel op het moment dat Quirinus’ dochter daar binnenkwam; zij wierp zich voor hem neer en maakte aanstalten om zijn voetboeien te gaan kussen. Maar Alexander zei: ‘Maar meisje, je moet niet míjn boeien kussen, maar die waarin Petrus gevangen heeft gezeten. Laat er nasporingen naar doen, druk er een kus van verering op en je zult je gezondheid terughebben.’ Onverwijld liet Quirinus die boeien van Sint Petrus opzoeken. En toen hij ze eenmaal gevonden had, bracht hij ze bij zijn dochter. Op het moment dat zij er een kus van verering op drukte, bleek ze genezen. Nu kreeg Quirinus ontzettende spijt. Hij hergaf Alexander de vrijheid en liet zich met heel zijn huishouding dopen.

Ook hij zal later de marteldood sterven († ca 130; feest 30 maart) met zijn dochter Balbina († 130; feest 31 maart).

De geschiedenis besluit dat Paus Alexander naar aanleiding van deze gebeurtenis het feest instelde van Sint-Petrus’ Banden, dat elk jaar gevierd wordt op 1 augustus. Hij liet zelfs een kerk bouwen waar Sint Petrus’ Banden nog altijd worden bewaard.

Sint Petrus’ Stoel te Rome. Feest 22 februari
Sinds de 4e eeuw vieren de christenen het feit dat de bisschop van Rome zetelt op de stoel van Petrus, de eerste der apostelen.

Verering & Cultuur

In de kunst wordt Petrus afgebeeld met kaal hoofd en haarkransje (zo wordt hij beschreven in de Legenda Aurea), met rond gezicht en een korte, krullerige baard. Herkenbaar aan de twee sleutels; Jezus had immers tegen hem gezegd: “Ik zal je de sleutels van het Koninkrijk geven…” (Matteüs 16,19). Ook vaak voorgesteld als paus met driekroon(tiara). Soms met haan (herinnert aan zijn verloochening).

Hij is patroon van de vissers. Behalve Rome zijn de steden over de wreldniet te tellen die aan hem zijn toegewijd; vaak vindt men in het stadswapen zijn sleutels, zoals bv. in dat van Leiden (Nederland) of Trier (Duitsland).

_______________________________________________________

Paulus Apostel, Rome, Italië; martelaar; † 67

Afbeelding H. Apostel Paulus
ca 1600. Schilderij door Rembrant van Rijn.
Paulus schrijvend aan zijn brieven vanuit de gevangenis.

http://www.heiligen.net/afb/06/29/06-29-0067-paulus_1.jpg

Feest 29 juni.

Geschiedenis

Met Petrus is hij één van de kopstukken van de Kerk. Beiden worden dan ook op dezelfde dag gevierd: 29 juni. Paulus heeft zoveel gereisd in dienst van het evangelie, dat hij de eretitel van ‘De Apostel’ heeft meegekregen. Toch heeft hij Jezus niet persoonlijk gekend. Pas na diens heengaan heeft hij zich bij zijn leerlingen gevoegd. Dat ging niet vanzelf. Paulus kwam uit Tarsis en moet als jongen reeds naar Jeruzalem zijn verhuisd. Hij had nog als leerling aan de voeten gezeten van de beroemde leermeester Gamaliël. Zo was hij uitgegroeid tot een vurige, wetgetrouwe jood, die niets moest hebben van de vrijzinnige sekte van Jezus van Nazareth. We horen voor het eerst van hem, als Stefanus, de diaken, op last van de Joodse overheden wordt gestenigd.

Dan leggen de beulen hun mantels neer aan de voeten van Saulus. Hem was er dan ook alles aan gelegen om ze uit te roeien. Daartoe had hij zelfs volmachten gekregen van de Hoge Raad te Jeruzalem. Ze gaven hem het recht om huizen van verdachten binnen te dringen en te controleren of er geen volgelingen van Jezus woonden…

Paulus’ Bekering Feest 25 januari.

Vóór zijn bekering heette hij Saul. Gedreven door fanatieke christenhaat ging hij zelfs naar Damascus om christenen te pakken te krijgen. Onderweg werd hij als een donderslag bij heldere hemel getroffen en op de grond geworpen. Verblind door fel licht tastte hij hulpeloos in het duister. Een stem vroeg hem: ‘Saul, Saul waarom vervolg je mij?’ Een leerling van Jezus, Ananias, overwon zijn weerzin en nam hem bij zich in huis. Aldus Handelingen 09,01-19.

Paulus was omgedraaid als een blad aan een boom. Van nu af was hij de meeste fanatieke verdediger van Jezus’ leer: het evangelie was er voor ieder die ernaar verlangde, ongeacht of men er – menselijkerwijs gesproken – voor in aanmerking kwam of niet.

… Op weg naar Damascus werd hij als een donderslag bij heldere hemel getroffen en op de grond geworpen. Verblind door het felle licht tastte hij hulpeloos in het duister. Een stem vroeg hem: ‘Saul, Saul waarom vervolg je mij?’ Een leerling van Jezus, Ananias, overwon zijn weerzin en nam hem bij zich in huis. Paulus was omgedraaid als een blad aan een boom. Van nu af zou hij de meeste fanatieke verdediger van Jezus’ leer: het evangelie was er voor ieder die hulpeloos in het duister rondtastte, ongeacht of men tot het uitverkoren volk van de joden behoorde of niet.

Drie jaar lang bereidde hij zich in het verborgene voor op zijn zending. Toen trad hij uit de schaduw en ondernam minstens vier grote reizen. Intussen schreef hij een onbekend aantal brieven, waarvan er veertien in het Nieuwe Testament in de bijbel zijn opgenomen.

Paulus doet Efese aan tijdens tweede missiereis (ca 50/52)

Op de terugweg van zijn tweede zendingsreis doet Paulus Efese aan.

Die tweede reis was een mijlpaal geweest. Nadat hij op zijn eerste zendingsreis alleen nog maar synagoges van Joodse broeders en geloofsgenoten had aangedaan op het vasteland van Turkije, had zijn tweede reis hem gevoerd naar de overkant van de Egeïsche Zee, naar Griekenland, de bakermat van de heidens (= niet-joodse) cultuur. Paulus had zelfs een redevoering gehouden op de Areopaag in Athene, waar filosofen en praatjesmakers de tijd doodden met spitsvondige redeneringen en beschouwingen. Hij had er nauwelijks succes gehad. In de mondaine havenstad was hij Aquila tegengekomen, een tentenmaker net als hijzelf. Hij kreeg er onderdak, en van daaruit ging hij iedere sabbat naar de synagoge om er zijn Joodse broeders van te overtuigen, dat de weg van Jezus de enige was die tot het heil voerde zoals God dat in de Wet (het Oude Testament) aan zijn mensen in het vooruitzicht had gesteld. Maar de Korintische joden wilden er niets van weten. Voortaan verzamelde Paulus zijn mensen in het huis van een zeker Titius Justus, dat naast de synagoge woonde. De overste van de synagoge, Crispus, liep met zijn hele gezin naar de godsdienst van Christus over. Ook een groot aantal Grieken, dat aanvankelijk aansluiting had gezocht bij de godsdienst der joden. Die beschouwden hen toch altijd als buitenstaanders, terwijl de christenen juist zeiden, dat hun boodschap op de eerste plaats voor de buitenstaanders bestemd was. Jezus had zelf gezegd: “De laatsten zullen de eersten zijn.” Tenslotte werd het de joden van Korinte te bar. Zij ontketenden een opstand en voerden de zaak tot voor de rechter, Gallio geheten. Toen deze in de gaten had, dat de ruzie handelde over het verstaan van de Heilige Schriften van de mensen die hij voor zich had, verklaarde hij zich incompetent en seponeerde de zaak. Toen molesteerden ze voor de ogen van Gallio de overste van de synagoge. Maar de rechter trok er zich niets van aan (Handelingen 18,01-17).

“Paulus bleef er nog vele dagen, nam toen afscheid van de broeders en ging in gezelschap van Priscilla en Aquila scheep naar Syrië. [-]. Zij kwamen te Efese en daar verliet hij hen. Zelf ging hij naar de synagoge om er te disputeren met de joden. Toen zij hem vroegen wat langer te blijven, ging hij daar niet op in, maar bij het afscheid zei hij: ‘Als God het wil, kom ik nog eens bij u terug.’ Hij voer weg van Efese en kwam in Cesarea, ging naar de stad, begroette de gemeente en begaf zich op weg naar Antiochië” sinds de vervolgingen in Jeruzalem de thuishaven van de christenen (Handelingen 18,18-22).

“Hij verbleef daar enige tijd, vertrok toen weer en maakte een rondreis achtereenvolgens door de landstreek Galatië en door Frygië om er alle leerlingen te sterken. Intussen was in Efese een jood aangekomen, Apollos, een Alexandrijn van afkomst en een welsprekend man, die doorkneed was in de Schriften. Hij had onderricht ontvangen in de weg des Heren, sprak vol geestdrift en gaf in bijzonderheden onderricht over alles wat Jezus betrof, hoewel hij alleen het doopsel van Johannes kende. Ook begon hij vrijmoedig in de synagoge op te treden. Nadat Priscilla en Aquila hem gehoord hadden, namen ze hem mee en legden hem de weg van God nauwkeuriger uit. Toen hij wilde doorreizen naar Achaïa, zonden de broeders aan de leerlingen een brief met het verzoek hem goed te ontvangen. Daar aangekomen was hij door zijn genadegaven van veel nut voor de gelovigen, want krachtig weerlegde hij in het openbaar de joden door aan de hand van de Schriften te bewijzen, dat Jezus de Messias was” (Handelingen 18,23-28).

Zeer waarschijnlijk is dit dezelfde Apollos waar Paulus over schrijft in zijn eerste brief aan de christengemeente te Korinte: “Broeders, ieder van u schijnt zijn eigen leus te hebben: ‘Ik ben van Paulus. Ik van Apollos. Ik van Kefas (= Petrus). Ik van Christus.’ Is Christus dan in stukken verdeeld?” (1 Korinte 1,12-13). Dan vergelijkt Paulus de prediking en het bekeringswerk met de arbeid van een boer of tuinder: “Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God gaf de groei” (1 Korinte 3,6). Het is vanuit Efese dat Paulus deze woorden aan zijn medegelovigen van Korinte schreef. Waarschijnlijk vanuit de gevangenis. Het lijkt erop dat Apollos op dat moment bij hem was (1 Korinte 4,6).

Paulus te Efese tijdens 3e missiereis (ca 52/56)

“Terwijl Apollos in Korinte was, kwam Paulus na zijn reis door het binnenland in Efese. Daar ontmoette hij enige leerlingen, aan wie hij vroeg: ‘Hebt gij de Heilige Geest ontvangen, toen ge het geloof hebt aangenomen?’ Zij antwoordden: ‘Wij hebben niet eens gehoord, dat er een Heilige Geest bestaat.’ Toen zei hij: ‘Hoe zijt ge dan gedoopt?’ Zij antwoordden hem: ‘Met het doopsel van Johannes.'” (Handelingen 19,01-03)

Dit is volkomen in overeenstemming met wat er zojuist over Apollos werd verteld. Toen hij in Efese over Jezus preekte, deed hij dat als leerling van Johannes de Doper. Het waren Aquila en Priscilla geweest, die hem de weg van God nauwkeuriger hadden uitgelegd…

Dit is heel interessant. In de Handelingen wordt er maar heel zelden teruggegrepen op verhalen over of van Jezus. Maar hier lijkt het wel, alsof het begin van Jezus’ openbaar leven werkelijk onlosmakelijk is gekoppeld aan het optreden van Johannes de Doper. Blijkbaar was de bekering die hij preekte in de ogen van Jezus’ eerste leerlingen voorwaarde om het hart ontvankelijk te maken voor Jezus’ Heilige Geest!?

“Paulus hernam: ‘Johannes diende een doopsel toe ten teken van bekering, maar zei aan het volk, dat ze moesten geloven in wie na hem kwam, dat is Jezus.’ Toen zij dit gehoord hadden, lieten zij zich dopen in de naam van de Heer Jezus. Nadat Paulus hun de handen had opgelegd, kwam de Heilige Geest over hen; ze spraken in talen en profeteerden. Bij elkaar waren het een man of twaalf.” (Handelingen 19,04-07)

Ongelooflijk. Paulus is hier bijna een evenbeeld van Jezus. Immers, zoals Jezus twaalf leerlingen had aan wie Hij zijn Geest bij uitstek had doorgegeven, zo deed Paulus dat nu op zijn beurt aan… twaalf leerlingen. De verschijnselen die met de overdracht van de Geest gepaard gaan, lijken op die van Pinksteren, zoals dat verteld wordt in het tweede hoofdstuk van de Handelingen: ‘in tongen spreken’ en ‘profeteren’ (= profetische woorden uitspreken).

“Hij [= Paulus] ging naar de synagoge, waar hij gedurende drie maanden vrijmoedig optrad en hen door zijn uiteenzetting over het Koninkrijk Gods trachtte te overtuigen.” (Handelingen 19,8)

Zo was Paulus overal te werk gegaan, als hij ergens voor het eerst kwam. Als vrome jood bezocht hij op sabbatdag de synagoge. Naar goed gebruik werd een vreemdeling vaak uitgenodigd om voor te lezen uit de schrift of een opwekkend woord uit te spreken naar aanleiding van de schriftlezing. Van die gelegenheid maakte Paulus steevast gebruik om uit te leggen dat Jezus de ware vervulling was van de Schriften. Vaak wilden de joden er niet van weten, want zij konden niet geloven, dat Gods woord ook was bestemd voor onreinen en heidenen (= niet-joden). Zij waren immers het volk waarmee God een verbond had gesloten.

Zulke bijeenkomsten op de sabbat werden vaak ook bijgewoond door geïnteresseerde buitenstaanders, die zich aangetrokken voelden tot de Joodse godsdienst (proselieten). In hun ogen was het geloof, dat er één God aan de basis van de schepping moest staan, een veel voor de hand liggender beginsel, dan bijvoorbeeld een godenwereld, waar allerlei goden een eigen levensdomein hadden, waar zij de zorg voor hadden: een god voor de oogst, een god van de onderwereld, een god van de vruchtbaarheid, een god van enz. Bovendien vertelden de godsdienstige mythen dat die goden vaak onderling met elkaar overhoop lagen en op de meest klein-menselijke manier elkaars eer betwistten, ruzie maakten, enz. Vele weldenkende mensen konden niet geloven dat zulke godsdiensten waarheid bevatten. Die zochten het dan bij de ene God van het jodendom. Maar de joden zelf lieten hen goed voelen, dat zij buitenstaanders waren en nooit tot de echte kring van gelovigen konden behoren.

Voor hen was de christelijke visie een uitkomst. Christenen preekten immers dat Christus was komen laten zien, dat die God van het jodendom er was voor iedereen, voor de onreinen het eerst: “De laatsten zullen de eersten zijn.” Juist onder die groep vonden de eerste predikers het meest gehoor en wierven zij de meeste aanhangers… tot ergernis van de traditionele joden, wie deze opvatting een doorn in het oog was. Telkens opnieuw loopt Paulus hier tegen op.

Hijzelf had tot hen behoord. Van zichzelf merkt hij op, dat er op het punt van traditionele Joodse wetsbetrachting waarschijnlijk niemand in zijn schaduw kon staan: “In wettische heiligheid volmaakt” (Filippenzen 3,6). Maar die opvatting is hij als vuilnis gaan beschouwen sinds hij Christus kende. Wat was ‘Christus’ dan voor Paulus?

Om dat te begrijpen moeten we voor ogen houden, dat in de ogen van wetgetrouwe joden de mensheid verdeeld is in twee groepen: reinen en onreinen. Rein ben je, wanneer je alle geboden van de Wet onberispelijk en stipt naleeft. Wie daar – om welke reden dan ook – niet aan toekomt, is onrein, en moet uit de geloofsgemeenschap geweerd worden, anders zou hij of zij door die onreinheid de hele gemeenschap verontreinigen. Tot de onreinen behoorden ook degenen, die getroffen werden door ongeluk. Zo’n ongeluk werd gezien als straf van God. God had blijkbaar reden zo iemand te straffen met narigheid. Weliswaar kennen wij die reden niet, maar we kunnen het afleiden uit de concrete omstandigheden. Ook zulke mensen werden geweerd. Juist op het moment dat ze eigenlijk hulp, liefde en barmhartigheid, God zelf dus, het meeste nodig hadden. Voor die mensen was Jezus opgekomen. Dat was zijn ‘Weg’. Zijn leerlingen heetten aanvankelijk ‘aanhangers van de Weg’, later werden ze naar Jezus’ eretitel Christus ‘christenen’ genoemd.

Paulus had aanvankelijk de Jezus-gelovigen krachtig bestreden en vervolgd. Totdat hijzelf tijdens zo’n christenvervolging op klaarlichte dag met blindheid werd geslagen. Nu behoorde hij opeens zelf tot de hulpbehoevenden en onreinen! Op dat moment waren er Jezus-leerlingen die zich van zijn onreinheid niets hadden aangetrokken en hem barmhartigheid bewezen hadden door hem bij de hand te nemen en te verzorgen tot zijn blindheid genezen was… en hij zich op slag bekeerde tot Jezus’ opvatting, dat het uiteindelijk in de godsdienst alleen maar draait om barmhartigheid en naastenliefde en niet om wetsbetrachting die juist deze twee belangrijke eigenschappen van God uit het oog verliest. Als puntje bij paaltje kwam was naastenliefde belangrijker dan zelfheiliging en offers in de tempel.

“Daar sommigen hardnekkig weigerden te geloven en ten overstaan van het volk de Weg belasterden, brak hij met hen en scheidde zich met zijn leerlingen af. Voortaan hield hij dagelijks zijn toespraken in de school van een zekere Tyrannus” (Handelingen 19,09).

In een van de handschriften staat erbij, dat hij er lesgaf van “het vijfde tot het tiende uur”. Dat zou dus betekenen van elf uur ‘s morgens tot vier uur ‘s middags; op het moment dat vanwege de middaghitte het sociale leven zo goed als stil lag en de meeste mensen het middagmaal namen en een siësta hielden. Misschien lag die school van Tyrannus wel aan de hoofdstraat, zoals die intussen door archeologen is blootgelegd?

Intussen merken we op, dat het weer precies hetzelfde gaat als in Korinte. Paulus begint met zijn prediking bij zijn Joodse broeders, totdat hij merkt dat hij bij hen geen stap verder komt; dan breekt hij met hen en richt het woord tot de heidenen (= niet-joden), de proselieten. Zo zal het telkens en telkens gaan; het is een refrein in het boek der Handelingen, tot en met het laatste hoofdstuk, wanneer het Paulus weer net zo vergaat in Rome.

“Dit duurde twee jaar (volgens Handelingen 20,31 zelfs drie!), zodat alle bewoners van Asia, Joden en Grieken, het woord des Heren hoorden.

God deed door Paulus ook buitengewone wonderen en men bracht zelfs de hoofddoeken en het lijfgoed dat hij gedragen had, mee naar de zieken, waardoor de kwalen van hen werden weggenomen en de boze geesten hen verlieten.” (Handelingen 19,10-12)

Over Paulus wordt stilaan in dezelfde termen gepraat als destijds over Jezus zelf. Hij maakt zijn roeping waar: een ‘andere Christus’ te worden.

“Ook een paar rondtrekkende Joodse duivelbezweerders probeerden over hen, die door boze geesten bezeten waren, de naam van de Heer Jezus uit te spreken door te zeggen: ‘Ik bezweer u bij de Jezus die Paulus predikt…’ Het waren de zeven zonen van een zekere Skevas, een Joodse hogepriester die dit deden. Maar de boze geest gaf hun ten antwoord: ‘Jezus ken ik. Wie Paulus is weet ik ook. Maar gij? Wie zijt gij?’ Toen sprong de man, waarin de boze geest huisde, op hen toe, overweldigde hen allen en zijn kracht was zo groot, dat ze naakt en overdekt met wonden uit het huis moesten wegvluchten. Dit werd bekend aan alle Joden en Grieken die in Efese woonden. Vrees overviel hen allen en de naam van de Heer Jezus werd hoog geprezen. Ook vele van de gelovigen kwamen openlijk hun toverpraktijken belijden” (Handelingen 19,13-18)

Zou het hier gaan om religieuze praktijken die verband hielden met de eredienst van de godin Artemis, waarvan Efese destijds het centrum was? Uit het vervolg zouden we dat misschien mogen concluderen.

“Verscheidenen die zich hadden afgegeven met toverij, brachten hun boeken bijeen en verbrandden ze voor aller ogen. Men berekende de waarde ervan, en kwam tot een bedrag van vijftigduizend zilverstukken. Zo nam het woord des Heren onweerstaanbaar toe in kracht.

Na al deze gebeurtenissen vatte Paulus het plan op om over Macedonië en Achaïa (= het huidige Griekenland; daar was hij op zijn vorige reis geweest!) naar Jeruzalem te reizen. ‘Wanneer ik daar geweest ben, zei hij, moet ik ook Rome bezoeken.’ Hij zond twee van zijn medehelpers, Timotheus en Erastus, vooruit naar Macedonië en bleef zelf nog een tijd in Asia.

In die tijd werd de Weg aanleiding tot grote opschudding. Een zekere Demetrius namelijk, een zilversmid die zilveren Artemistempeltjes maakte, verschafte daarmee aan de vaklui ruime verdienste” (Handelingen 19,23-24).

Waarschijnlijk gaat het hier om mini-Artemistempeltjes, compleet met Artemisafbeeldinkje, die dienst deden als souvenir of amulet juist zoals ook nog in onze tijd in bedevaartplaatsen allerlei devotionalia te koop worden aangeboden). Blijkbaar was het een industrie die aan velen in de stad een goede boterham bezorgde.

“Hij riep dezen en alwie verder in dat bedrijf werkzaam waren, bijeen en zei: ‘Mannen, gij weet dat onze welvaart van dit bedrijf afhangt, maar gij ziet en hoort dat die Paulus niet alleen in Efese, maar in bijna heel Asia veel mensen heeft weten om te praten door te zeggen: Goden, die door mensenhanden worden gemaakt, zijn geen goden. Daardoor dreigt niet alleen het gevaar dat ons bedrijf gaat verlopen, maar dat ook de tempel van de grote godin Artemis alle achting verliest, en zij, die door heel Asia, ja door heel de wereld vereerd wordt, van haar grootheid wordt beroofd.’ Toen zij dit hoorden, werden zij woedend en schreeuwden: ‘Groot is de Artemis van de Efesiërs!’ Heel de stad kwam in beroering en ze stormden als één man naar het theater, waarbij ze de Macedoniërs Gaius en Aristarchus, Paulus’ reisgezellen, meesleurden.

Toen Paulus zich naar de volksvergadering wilde begeven, lieten de leerlingen hem niet gaan. Ook enige Asiarchen die met hem bevriend waren, zonden hem een waarschuwing zich niet in het theater te wagen” (Handelingen 19,25-31).

Aan het hoofd van de stedenbond, die voor alles een religieus doel had, nl. de cultus van de regerende keizer en van de godin Roma te bevorderen, alsmede aan het hoofd van iedere bij die bond aangesloten stad, stond een asiarch (noot overgenomen uit de Willibrordvertaling).

“Ondertussen verkeerde de vergadering in volslagen wanorde. Allen stonden door elkaar te schreeuwen, want de meesten wisten niet eens waarom ze bijeengekomen waren. Maar sommige joden uit de menigte vertelden Alexander wat er gaande was en duwden hem naar voren. Alexander gaf met de hand een teken dat hij voor het volk een pleidooi wilde houden. Maar toen ze merkten, dat het een jood was, steeg uit aller mond één kreet op en ze schreeuwden twee uur lang: ‘Groot is de Artemis van de Efeziërs!'” (Handelingen 19,32-34).

Alexander blijkt dus een jood. Waarom werd hij door zijn geloofsgenoten naar voren geduwd? Moest hij de menigte duidelijk maken, dat zij niet tot de christenen behoorden? Dat zou dan interessant zijn. Dat zou betekenen, dat buitenstaanders het verschil tussen traditionele joden en Jezus’ leerlingen nog niet zagen. In hun ogen waren ze dus – oneerbiedig gezegd – één pot nat. De buitenstaanders hadden in zoverre gelijk, dat joden zowel als christenen niets van Artemis moesten hebben!

“De stadsschrijver bracht het volk tot bedaren en zei toen: ‘Mannen van Efese, wie ter wereld weet niet dat de stad Efese de behoedster is van de tempel van de grote Artemis en van haar uit de hemel gevallen beeld? Omdat dit niet te bestrijden valt, moet ge u rustig houden en niets voorbarigs ondernemen. Ge hebt deze mannen hier gebracht ofschoon ze geen tempelschenners zijn en evenmin onze godin gelasterd hebben. Als Demetrius en zijn vakgenoten dus een aanklacht tegen iemand hebben, welnu: er worden rechtszittingen gehouden en er zijn proconsuls; laten beide partijen daar hun aanklacht indienen. Gaat uw eis nog verder, dan zal daarover in de wettige volksvergadering worden beslist. Wij lopen toch al gevaar van oproer beschuldigd te worden wegens die oploop van vandaag, waarvoor geen enkele reden bestond, en die wij niet kunnen verantwoorden.’ Na deze woorden ontbond hij de volksvergadering” (Handelingen 19,35-40).

Daarna vervolgt de tekst: “Toen de opschudding voorbij was, ontbood Paulus de leerlingen en sprak een opwekkend woord. Daarna nam hij afscheid en ging op reis naar Macedonië” (Handelingen 20,01).

Uit deze woorden krijgen wij de indruk dat Paulus een paar dagen na al deze verwikkelingen de stad verlaten heeft. Uit opmerkingen elders kunnen wij opmaken, dat hij er wellicht twee of drie jaar gevangen heeft gezeten. Zo zou de zijdelingse opmerking aan het eind van de brief aan de Romeinen slaan op zijn arrestatie te Efese: ‘Groet Prisca en Aquila, mijn mede-arbeiders in Christus, die voor mij hun leven op het spel hebben gezet (Romeinen 16,3-4). In zijn Tweede Brief aan de Korintiërs zegt hij: ‘Wij willen u namelijk niet onkundig laten, broeders en zusters, van de moeilijkheden die ons in Asia overkomen zijn. We hebben het zwaar te verduren gehad, boven onze krachten, zodat we zelfs wanhoopten aan ons leven’ (2 Korintiërs 1,8). Aan het eind van zijn Eerste Korintiërsbrief schreef hij al: ‘[Als de doden niet verrijzen, wat baat het mij dan, dat ik in Efese om zo te zeggen, met wilde beesten gevochten heb?’ (1 Korintiërs 15,32). Wellicht slaat op diezelfde moeilijkheden Paulus’ geheimzinnige woord aan Timotheus, de leerling die hij in Efese als bisschop had achtergelaten: ‘Ik werd verlost uit de muil van de leeuw’ (1 Timotheus 4,17).

Tijdens die gevangenschap zou hij een aantal van de ons uit het Nieuwe Testament bekende brieven hebben geschreven, zoals de twee aan de Korintiërs, die aan de Galaten(?) en Filippenzen(?) en de Kolossenzen(?) en zeer waarschijnlijk ook die aan Filemon over Onesimus? Zie verderop bij Onesimus.

Paulus’ Brief aan de Efesiërs (ca 60)

Paulus’ brief aan de Efesiërs zou geschreven zijn vanuit zijn gevangenschap uit Rome. Sommigen geleerden nemen zelfs aan, dat hij niet van Paulus’ hand is, maar van een leerling, die hem vlak na zijn dood in zijn naam schreef.

Niet zozeer een brief waaruit wij meer te weten komen over de kerk te Efese. Waarschijnlijk betreft het hier een rondzendbrief die voor meerdere kerken bestemd was. De brief beschrijft in grootse stijl Paulus’ theologie: hoe God van in het begin van plan was in Christus de wereld te verlossen. Wie gelooft, heeft er deel aan!

Paulus voor zijn aanklagers

[Handelingen 23,23 – 26,32]

[Paulus is te Jeruzalem wegens volksoproer gevangen genomen en wordt voor nader verhoor in voorarrest gehouden. Een veertigtal aanzienlijke joden zweren de dure eed dat zij niet zullen eten of drinken, zolang Paulus niet is gedood. Zij beramen een aanslag maar dat komt de Romeinse bevelhebber ter ore. Deze neemt zijn voorzorgsmaatregelen.]

Alleen al uit deze korte samenvatting van de voorafgaande gebeurtenissen blijkt, hoezeer Paulus’ lotgevallen lijken op die van Jezus op de avond van zijn lijden. De lezer zou zelf kunnen zoeken naar nog meer gelijkenissen tussen Paulus en Jezus in dit verhaal. Op dit gegeven komen we nog uitvoerig terug, wanneer we een aantal martelarenverhalen zullen bespreken (zie hoofdstuk 05).

Hij ontbood daarop twee officieren en zei :”Houdt tweehonderd soldaten klaar om naar Cesarea te gaan en ook zeventig ruiters en tweehonderd slingeraars, op het derde uur van de nacht; en zorgt voor rijdieren om Paulus daarop veilig bij de landvoogd Felix te brengen.” Ook schreef hij een brief van de volgende inhoud: “Claudius Lysias aan de hoogedele landvoogd Felix, heil! Deze man was door de joden gegrepen en werd al bijna door hen vermoord, toen ik met mijn troepen ter plaatse kwam en hem ontzette, omdat ik hoorde dat hij een Romein was. Daar ik te weten wilde komen, waarvan zij hem beschuldigden, heb ik hem voor hun Sanhedrin gebracht. Ik kwam tot de bevinding dat de aanklacht tegen hem over twistpunten van hun Wet ging en dat hem niets ten laste werd gelegd waarop doodstraf of gevangenschap staat.

Paulus had uitgeroepen: “Om de verwachting en de opstanding der doden sta ik terecht.” Daarop ontstond er twist tussen de Farizeeën en de Sadduceeën en de vergadering was verdeeld geraakt.

Omdat er bij mij aangifte gedaan is, dat er een aanslag op de man gepleegd zal worden, zend ik hem onverwijld naar u toe, en ook zijn aanklagers verwijs ik naar u voor wat zij tegen hem in te brengen hebben. Vaarwel!”

[Felix zet Paulus gevangen (in het pretorium van Herodes) in afwachting van diens aanklagers. Zij komen vijf dagen later en brengen hun beschuldigingen in. Paulus verdedigt zich in een vurige toespraak. Er volgt geen uitspraak. De zaak wordt op de lange baan geschoven. Na twee jaar wordt Felix vervangen door Festus. Als Festus Paulus voorstelt zijn zaak weer in Jeruzalem te behandelen, beroept hij zich als Romeins staatsburger op de keizer. Dat betekent dat hij in Rome verder berecht zal worden. Juist in die dagen brengt de koning van Palestina, Agrippa, in gezelschap van zijn vrouw Bereníce en een heel gevolg, een bezoek aan Festus. Ze komen te spreken over het geval Paulus. Agrippa vraagt of hij Paulus mag zien. Paulus wordt voor hem geleid en andermaal bepleit hij zijn zaak, nu voor de koning… Midden onder Paulus’ woorden roept de koning uit: “Ge zijt krankzinnig, Paulus, uw grote geleerdheid brengt uw hoofd op hol.” En even later:] “Bijna zoudt gij mij door uw overtuigende woorden christen maken.” Daarop sprak Paulus: “Ik zou God willen bidden dat vroeg of laat niet alleen gij, maar allen die mij heden aanhoren, zouden worden als ik ben, afgezien dan van deze boeien.” Nu stond de koning op en eveneens de landvoogd met Bereníce en het hele gezelschap. Bij het heengaan zeiden ze tot elkaar: “Die man doet niets wat dood of gevangenis verdient.” En Agrippa zei tot Festus: “Die man had al vrij kunnen zijn, als hij zich niet had beroepen op de keizer.”

De laatste reis bracht hem als gevangene naar Rome. Daar had hij huisarrest, maar mocht er ieder ontvangen. Hij hield veel twistgesprekken met de joden en kon maar niet begrijpen dat zij op hun beurt niet Jezus erkenden als Gods zoon. Te oordelen naar de Handelingen van de Apostelen, een Nieuw-Testamentisch boek waar vooral over zijn zendingswerk wordt bericht, verbrak hij officieel de banden met de godsdienst die hij van huis uit had meegekregen en waar hij destijds zo ijverig voor had gestreden, en wendde zich tot de niet-joden, de heidenen.

Hij zou onder keizer Nero de marteldood gestorven zijn

Legende: Paulus’ dood

Paulus was zo briljant in kennis en vroomheid dat hij zelfs leerlingen en vrienden had in de kringen van de keizer. Ja, Nero zelf liet uit zijn geschriften aan zich voorlezen. Op een avond was hij op een binnenplaats aan het preken. Een jongeman, Patroclus geheten en zeer geliefd bij keizer Nero, klom in een raam om beter te kunnen toehoren. Maar hij viel naar beneden: dood. Nero was behoorlijk ontdaan over zijn dood. Nu moest hij op zoek naar een nieuw vriendje. Maar Paulus liet het lijk van Patroclus bij zich brengen, wekte hem op uit de dood en stuurde hem met zijn kornuiten naar Nero terug. Maar Nero vond dat griezelig: iemand aan de paleispoort aan te treffen van wie hij wist dat hij dood was. Hij weigerde hem binnen te laten. Toen hij hem tenslotte toch ontving, vroeg hij: “Patroclus, ben jij het echt, levend en wel?”
“Jawel, keizer.”
Daarop vroeg Nero: “Maar wie heeft je dan weer levend gemaakt?”
“Jezus Christus, de eeuwige koning.”
Nu schoot Nero woedend uit zijn slof: “Dus voortaan bied je zeker alleen nog maar díe koning je diensten aan?”
Waarop hij verzuchtte: “Kon ik dat maar: diegene dienen die mij uit de doden heeft opgewekt!”
Toen mengden zich vijf vrienden uit de kringen van de keizer in het gesprek: “Keizer, waarom bent u kwaad op deze jongeman: hij zegt toch de waarheid? Weet dan bij deze, dat ook wij in dienst zijn getreden van die onzichtbare koning.”

Daarop liet Nero het hele stel opsluiten, in weerwil van alle vriendschap die er tussen hem en hen bestond. Hij liet razzia’s houden om alle christenen op te sporen. Zonder vorm van proces werden ze onderworpen aan de gruwelijkste martelingen. Zo verscheen tenslotte ook Paulus voor hem, geboeid en al; Nero vroeg: “Je mag dan in dienst staan van een groot koning, je bent toch maar mooi mijn gevangene: waarom probeer je mijn officieren van hun plicht af te houden?”
“U moet niet denken dat ik alleen maar soldaten voor onze koning zoek bij u aan het hof, ik werf ze aan over de hele wereld. Dat geldt ook voor u: als u zich onderwerpt aan onze wetten, zult u gered worden. Onze koning is zo machtig dat Hij zal komen om alle mensen te oordelen en de wereld te doen verbranden.”
Deze woorden maakten Nero zo woedend dat hij alle christenen liet verbranden, met uitzondering van Paulus. Hem veroordeelde hij tot de dood door het zwaard op grond van majesteitsschennis. De slachtpartij onder de christenen nam zulke grote vormen aan dat het volk te hoop liep tegen het paleis en dreigde in opstand te komen. Het riep:
“Keizer, maak hier een eind aan, want de mensen die u laat ombrengen, zijn onze familieleden; het zijn de beste steunpilaren van uw Rijk.”
Geschrokken kwam de keizer terug op zijn besluit; hij trok zijn bevelen in, maar hij behield zich het recht voor de christenen voor de rechter te slepen.

Nu verscheen Paulus andermaal voor hem. Bij het zien alleen al, spuwde Nero weer gal: “Breng hem weg en laat hem onthoofden.”
Paulus reageerde: “Mijn beste Nero, wat ik krijg te verduren, is in een oogwenk voorbij; om daarna voor altijd in de nabijheid van mijn Meester Jezus te zijn.”
Maar Nero brulde: “Sla hem zijn hoofd af; dan zal hij weten dat ik meer te vertellen heb dan zijn meester. Daarna zullen we nog wel eens zien hoe levend hij is!”
“Ik zal u een teken geven dat ik na de dood van mijn lichaam toch voortleef: nadat mijn hoofd zal zijn afgeslagen, zal ik levend en wel voor u verschijnen. Dan zult u moeten toegeven dat Christus de God van het leven is, niet van de dood.”
Daarop liet hij zich gewillig naar de plaats van terechtstelling leiden.

Onderweg zeiden de drie soldaten die zijn escorte vormden, tegen hem: “Wie is nu eigenlijk precies die koning van wie u zoveel houdt? En welke beloning denkt u van hem te ontvangen?”
Paulus begon nu zo mooi te spreken over het koninkrijk der hemelen dat hij hen wist te bekeren. Vervolgens suggereerden zij hem dat hij de vlucht moest nemen. Maar hij zei: “Nee, broeders, ik ben geen lafaard, maar een soldaat van Christus. Als ik dood ben, zullen er broeders komen om mijn stoffelijk overschot te bergen en naar een bepaalde plaats te brengen. Komen jullie daar morgen ook naartoe. Je zult er twee mannen aantreffen in gebed: Titus en Lukas. Dan leg je hun uit waarom ik je naar hen heb toegestuurd. Zij zullen jullie dopen en op dat moment ben je toegelaten tot het koninkrijk der hemelen.”
Op dat moment arriveerden er twee andere soldaten. Die had Nero achter aan gestuurd om te zien of Paulus inderdaad zijn straf had ondergaan. Onmiddellijk maakte hij aanstalten om ook hen tot bekering te bewegen. Maar zij antwoordden: “Als je opstaat uit de dood, zullen we je geloven. Nu zien we liever dat je doorloopt om je gerechte straf te ondergaan.”
Even verderop kwam hem een christenvrouw tegemoet; zij heette Plautilla; zij wordt ook wel Lemobia genoemd. In tranen beval zij zich aan in zijn gebeden. Paulus vroeg haar: “Plautilla, lief kind van me, kun je me de sjaal lenen die je over je hoofd hebt geslagen? Die wil ik straks voor mijn ogen binden. Maar ik zorg dat je hem terug krijgt.”
Maar zijn begeleiders dreven de spot met haar: “Hoe kun je zo stom zijn kostbaar ding aan die man te geven!”
Op de plaats van zijn lijden aangekomen, wendde Paulus zich naar het oosten, hij hief zijn ogen ten hemel en bleef lang bidden. Vervolgens nam hij afscheid van zijn broeders. Hij bond de sjaal van Plautilla voor zijn ogen, knielde neer, strekte zijn hals uit en werd onthoofd. En hoewel zijn hoofd al van de romp gescheiden was, spraken zijn lippen in het Hebreeuws nog de naam van Jezus uit. Juist zoals hij het bij zijn leven ontelbare malen had gedaan. Uit zijn wond kwam eerst een guts melk tevoorschijn die zelfs tot op de mantel van één der soldaten spatte; toen begon er bloed te vloeien en tegelijk kwam er een heerlijke geur uit zijn lichaam. Een ander verhaal weet nog te vertellen dat Paulus’ hoofd drie keer op de grond stuiterde, en dat op die drie plaatsen bronnen ontsprongen van het helderste water.

Diezelfde dag verschenen Petrus en Paulus aan Dionysius: deze zag hen met zijn tweeën, hand in hand, de poort van de stad binnengaan, gekleed in het licht, hun hoofd gekroond door een stralenkrans.
Toen Nero van al deze wonderlijke gebeurtenissen hoorde, kreeg hij de schrik te pakken. Hij sloot zich op in zijn vertrekken tesamen met zijn vertrouwelingen. Plotseling kwam Paulus door al die gesloten deuren toch gewoon binnen en zei:
“Kijk keizer, daar ben ik dan: soldaat van de eeuwige en onoverwinnelijke koning! Jij bent er nu ongelukkig aan toe, want je zult een ellende eeuwige dood sterven, omdat je zoveel dienaren van deze koning de dood hebt ingejaagd.”
Daarop verdween hij. Nero was nu geheel buiten zichzelf; hij wist niet meer wat hij deed. Op aandringen van zijn vrienden liet hij Patroclus, Barnabas en de andere christenen in vrijheid stellen. De soldaten die Paulus hadden begeleid kwamen de volgende morgen naar zijn graf. Ze troffen er Titus en Lukas in gebed en temidden van hen stond Paulus zelf. Toen Titus en Lukas de soldaten opmerkten, namen ze meteen de benen. Ook Paulus verdween. Maar de soldaten begonnen te roepen naar de twee leerlingen:
“Wij komen helemaal niet om u te vervolgen; wij komen om door u gedoopt te worden, want dat heeft Paulus ons opgedragen. Daarnet stond hij nog tussen jullie in.”
Daarop keerden de beide leerlingen op hun schreden terug en doopten de twee met grote vreugde.

Verering & Cultuur
Hoewel hij Jezus dus nooit persoonlijk gekend heeft, en niet tot de kring van de eerste Twaalf behoorde, wordt hij toch vanwege zijn onvermoeibare apostolische arbeid kortweg ‘De Apostel’ genoemd. In de 4e eeuw werd Paulus’ gebeente aangetroffen in een wijnberg even buiten de stad Rome. Op die plek werd ter ere van hem een basiliek gebouwd, welke wij nu kennen als de Sint-Paulus-buiten-de-Muren.

In Nederland is hij o.a. (mede-)patroon van Utrecht; Pauluskerken o.a. in Almelo, Amsterdam, Boxmeer, Capelle-IJssel (Paulus’ Bekering), Den Haag, Dongen, Eindhoven, Emmen, Enschede, Epen, Gorredijk, Hardinxveld-Gies-sendam, Heerlen, Helmond, Hoevelaken, IJsselstein, Landhorst, Loosdrecht, Oosterhout-Noord-Brabant (abdij), Oss, Oudenbosch, Oudkerk (voorheen), Purmerend, Raalte, Rotterdam (de inmiddels afgebroken Protestantse Pauluskerk bij het Centraakl Station genoot landelijke bekendheid vanwege haar opvang voor daklozen en zwervers o.l.v. dominee Hans Visser), Schijndel, Sittard, Someren, Uden, Utrecht, Vaals (Paulus’ Bekering), Valkenswaard, Vught (met Antonius).
Een Petrus & Pauluskerk o.a. in Aarlanderveen, Amsterdam, Arcen, Bergen (N-H), Boschkapelle-Vogelwaard, Breda, Breedenbroek, Cothen, Den-Helder, Dinteloord, Dinxperloo, Everdingen, Goor, Haarlem, Hengevelde, Hoog-Keppel, Leidschendam, Maassluis (met Andreas), Maastricht, Middelburg, Nijmegen-Hatert, Oud-Vroenhoven, Papenhoven-Grevenbricht, Reeuwijk, Schaesberg, Sittard, Soest, Tilburg, Ulft, Varik-Neerijnen, Wegdam, Winssen.
In België is hij o.a. (mede-)patroon van de bisschopskerk te Luik. De Vlaamse plaats Galmaarden is een Paulusbedevaartoord. Op zijn feestdag worden er door een groep mensen die Sint Paulus en zijn leerlingen uitbeeldt, broodjes gestrooid over de menigte. In Opwijk kent men een paardenommegang.
In Duitsland is hij o.a. (mede-)patroon van Berlijn, Bremen, Corvey, Frankfurt am Main, Frankfurt an der Oder, Osnabrück, Weimar. Pauluskerken o.a. in Worms.
In Engeland is hij o.a. (mede-)patroon van Canterbury, Londen.
In Frankrijk is hij o.a. (mede-)patroon van Avignon, Metz, Narbonne.
In Italië is hij o.a. (mede-)patroon van Ancona, Bologna, Rome.
Hij is patroon van het eiland Malta.
In Spanje is hij o.a. (mede-)patroon van Valladolid, Zaragoza.
In Turkije is hij o.a. (mede-)patroon van Constantinopel (= het huidige Istanbul) en natuurlijk vn zijn geboorteplaats Tarsus.
In Zuid-Amerika van São Paulo (Brazilië).

Patronaten
Hij is patroon van de theologen; allicht! Misschien op basis daarvan ook wel van diamantslijpers. Dientengevolge ook van de katholieke pers. En natuurlijk van tentenmakers en aanverwante beroepen als textielarbeiders, tapijtknopers, wevers, touwslagers, leerbewerkers; van korf- en manden- en zadelmakers; ook van vissers, hoewel dat beroep nooit heeft uitgeoefend. Vervolgens van arbeiders en arbeidsters in het algemeen, waarschijnlijk mede op basis van zijn uitspraak: ‘Wie niet werkt zal ook niet eten’ (2 Thessalonicenzen 03,10). Daarnaast is hij patroon van overheidspersoneel. Wellicht op basis van wat hij schrijft in de Brief aan de Romeinen: ‘Ieder mens moet zich onderwerpen aan de gezagdragers die boven hem staan. Want er is geen gezag dan van God. Ook het bestaande gezag is door God ingesteld.’ Hij is ook patroon van ruiters. Dat heeft hij waarschijnlijk te danken aan de uitbeelding van zijn bekeringsverhaal. Meestal wordt dat voorgesteld alsof Paulus van zijn paard was gevallen, hoewel er over een paard in geen van de drie bekeringsverhalen wordt gesproken; alleen van het feit dat Paulus in het stof bijt. In tal van plaatsen worden rond Paulus’ feestdagen ruiterprocessies gehouden. Mogelijk om een soortgelijke reden is hij patroon van wapensmeden: hij wordt immers meestal afgebeeld met zijn martelwerktuig, het zwaard. Daarnaast is hij patroonheilige van de duiven. Waarschijnlijk vanwege de brieven die hij verstuurd heeft!?

Zijn voorspraak wordt ingeroepen om angst tegen te gaan; bij kramp en oorziekten: houdt verband met de legenden rond Nero. Sommigen legenden vertellen dat Nero’s vriendje in het venster klom om Paulus in de verte beter te kunnen horen, maar dat hij er geen wijs uit kon worden. Later zou Patroclus genezen worden… Tegen oogkwalen: dat houdt verband met zijn verblinding tijdens zijn bekering en dat hij door de handoplegging van Ananias werd genezen. Voorts tegen paardenverwondingen en paardenziekten. Ook tegen slangenbeten. Dat gaat terug op het volgende voorval. De boot waarop Paulus als gevangene werd meegevoerd naar Rome, leed schipbreuk bij Malta. Met veel moeite werden alle opvarenden gered. Op het strand probeerde men een vuurtje aan te leggen: ‘Toen Paulus een hoop dor hout had bijeen geraapt en op het vuur wierp, kwam er ten gevolge van de hitte een adder uit te voorschijn, die zich in zijn hand vastbeet. Toen de eilandbewoners het beest aan zijn hand zagen hangen, zeiden ze tot elkaar: “Die man is vast en zeker een moordenaar, want zelfs na zijn redding uit de zee wil de Gerechtigheid hem niet in leven laten.” Maar hij schudde het beest in het vuur en ondervond geen nadelige gevolgen.’

Vanwege zijn plotselinge bekering is hij patroon van de plotselinge weersomslag. Verder wordt zijn voorspraak ingeroepen om vruchtbaarheid van het land; om regen en tegen hagel. Uit een opmerking van Erasmus in diens Enchiridion (66) kunnen we opmaken dat Paulus bij de Fransen van zijn tijd patroon was van de verloren voorwerpen. Tenslotte kan men zijn voorspraak inroepen tegen overdreven luxe…

Afgebeeld
In de christelijke kunst wordt hij tot en met de middeleeuwen meestal afgebeeld met een kaal hoofd; vanaf de Renaissance ook met haren op zijn hoofd; hij heeft steeds een weelderige baard: dat alles zijn symbolen van wijsheid en eerbiedwaardigheid. Daarnaast wordt hij afgebeeld met een zwaard (daarmee werd hij onthoofd) en met boek (de bijbel).



30 jun - woensdag

Hele dag Feestdag HH Eerste Christenmartelaren van Rome

Eerste Christenmartelaren van Rome, Italië; † ca 64.

Afbeelding H. Eerste Christenmartelaren van Rome
1877, Siemiradzki, schilderij.
Christenmartelaren onder Nero.

http://www.heiligen.net/afb/06/30/06-30-0064-martelaren-eersterome_1.jpg

Feest 30 juni.

Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1969) voerde naast vele andere veranderingen ook vernieuwingen door op het gebied van de liturgie en de heiligenkalender. Zo staat nu daags na het feest van Petrus en Paulus de gedachtenis op de kalender aan de eerste christenmartelaren die vielen ten tijde van keizer Nero.

Hoewel Rome in de eerste eeuw van de jaartelling een smeltkroes was van allerhande godsdiensten, religies en sektes, namen de christenen toch een aparte plaats in. Men kende ze alleen bij geruchte. Omdat de christenen aanvankelijk het Joodse gebruik overnamen dat God niet bij name werd genoemd, meenden de Romeinen dat zijn atheïsten waren, een onmogelijkheid in die dagen. Dat idee werd nog versterkt door het feit dat zij geen afbeeldingen kenden. Anderen wisten echter te vertellen dat er kinderoffers werden gebracht, dat hun vlees werd gegeten en bloed gedronken…
Weer anderen wisten dat zij er een geheel andere seksuele moraal op na hielden dan de Romeinen, en dat ze vrouwen ertoe brachten liever maagd te blijven dan te trouwen.

Intussen hielden christenen zich afzijdig van het openbare maatschappelijke leven. Bij alle openbare gelegenheden en gebeurtenissen moest een wierookoffer worden gebracht aan de Romeinse goden, aan de goddelijkheid van de staat en van de keizer. Dat hield in dat er voor een godenbeeld een bak met gloeiend houtskool klaarstond, met daarnaast een bak wierookkorrels. In het voorbijgaan wierp men meestal zonder nadenken een enkele korrel op het vuur. Voor christenen botste dat met hun overtuiging dat God alleen eer moest worden gebracht. Zij voelden dergelijke offers hoe nietszeggend en routineus ze soms ook waren geworden – als verraad aan God.
Hoe dan ook, in de eerste jaren van hun verblijf te Rome, kenden men ze eigenlijk alleen bij geruchte. Een uitstekende voedingsbodem voor verdachtmaking als je een zondebok nodig hebt.

Dat was het geval na de beruchte brand van Rome in 64. Tot op de dag van vandaag gaat men er meestal van uit dat de keizer ze zelf heeft laten aansteken. Hij hield ervan op zijn bordes dat uitkeek over arme krottenwijken van de stad, Homerus te declameren. Hij wilde zo levendig mogelijk de brand van Troje voor zich zien die uiteindelijk zou leiden tot de stichting van de stad Rome. Daarom had hij de krottenwijk beneden zich in brand laten steken… Bovendien maakte hij zo meteen meer ruimte om zijn gouden paleis uit te breiden. Er vielen honderden slachtoffers. Om de geruchten de kop in te drukken die naar hem als schuldige wezen, liet hij christenen arresteren en op geraffineerde manieren doodmartelen.

Zo was er een groep die gekruisigd werd; anderen werden in dierenvellen genaaid en voor de wilde beesten geworpen, waardoor ze wreed werden verscheurd; een derde groep werd eveneens in dierenvellen genaaid, maar vervolgens met pek en olie overgoten om als fakkels te dienen en zo de tuinen van de keizer te verlichten. Hoewel hun sterfdata meestal enkele jaren later worden geschat, zijn er nog steeds onderzoekers die menen dat zowel Petrus als Paulus behoord hebben tot deze slachtoffers van de eerste generatie.

Deze eerste vervolgingen vormden achteraf gezien een opmaat voor meerdere periodes van christenvervolging in de eerste drie à vier eeuwen van onze jaartelling.
De meest beruchte periodes waren onder:

1 keizer Nero (54-68; m.n. 64)
2 keizer Domitianus (81-98; m.n. 95)
3 keizer Trajanus (98-117; m.n. 107)
4 keizer Marcus Aurelius (161-180; m.n.166)
5 keizer Septimius Severus (193-211; m.n. 199)
6 keizer Maximinus Thracius (235-240; m.n.236)
7 keizer Decius (249-251)
8 keizer Valerianus (253-260; m.n. 257)
9 keizer Aurelianus (270-275; m.n. 275)
10 de keizers Diocletianus & Maximianus (284-305; m.n.303-304)



30 jun - woensdag

Sneek Hele dag I.v.m. Corona geen openbare viering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek

Wij steken een kaarsje op voor:

Lize Hooghiemstra,

Vera Mooij-Dam


jul 2021

datum/tijd evenement

01 jul - donderdag

Hele dag Gedenkdag Aäron, aartsvader & hogepriester

Aaron Aartsvader, Hor, Sinaï-woestijn; hogepriester; † ca 1200 vóór Christus.

Afbeelding Aaron, aartsvader en hogepriester

< 1800. Houtreliëf.
België, Leuven, St-Michielskerk.

http://www.heiligen.net/afb/07/01/07-01-00--1200-aaron_2.jpg

Feest 1 juli.

Aäron staat te boek als een zoon van Amram en Jokebed, uit de stam van Levi. Volgens sommige teksten was hij een oudere broer van Mozes (Exodus 04,14.27-29). Op andere plaatsen van de bijbel lijkt dat te worden tegengesproken. Immers, als na de wonderbare doortocht door de Rode Zee een lied wordt aangeheven, zet Mirjam het in, ‘de zuster van Aäron’. Waarom staat er niet ‘de zus van Mozes en Aäron?’ Telkens als er tegen Mozes wordt gesproken over ‘Aäron, uw broeder’, moeten we waarschijnlijk veeleer denken aan ‘volksgenoot’ of ‘degene die solidair is’.

Aäron begeleidde Mozes van Midjan naar Egypte (Exodus 05) en voerde voor hem het woord tegenover farao (Exodus 07). In de loop van het verhaal blijkt, dat Aäron de priesterfuncties vervult. Eens was Mozes de berg opgegaan om van God de Wet te ontvangen. Maar hij bleef zo lang weg, dat het volk eraan begon te twijfelen of hij nog wel in leven was. Ze dwongen Aäron een beeld te maken. Dat zou dan de god voorstellen die verder met hen mee zou trekken.

Daarop liet de hogepriester alle sieraden verzamelen. Er werd een gouden kalf gegoten. Toen het volk luidruchtig feest vierde rond het afgodsbeeld, kwam Mozes met de stenen platen de berg af. Uit pure woede smeet hij ze stuk en overlaadde zijn broer met de heftigste verwijten. Deze verdedigde zich met de woorden, dat hij niet tegen de druk van het volk was opgewassen geweest (Exodus 32). Een doorzichtige uitvlucht, want hij was immers zelf betrokken geweest bij de vervaardiging van het gouden kalf.

Een andere keer probeerden enkele leden van het volk zich de waardigheid en rituelen van het priesterschap toe te eigenen. Zij werden gestraft met de dood (Numeri 16). Vervolgens beval de Heer dat de leiders van elke stam een staf naar de tent van de samenkomst moesten brengen. Op iedere staf moest de naam van de leider geschreven worden. Voor de stam Levi kwam er de naam van Aäron op te staan. De staven werden voor de Heer neergelegd. God zou zijn voorkeur uitspreken en dat kenbaar maken door de staf van de uitverkorene te laten bloeien. De volgende morgen bleek, dat Aäron’s staf was gaan bloeien: er zaten blad, bloemen en amandelen aan. Zo bleek dat God Aäron in zijn functie als hogepriester bekrachtigde.

Hij stierf – honderddrieëntwintig jaar oud – op weg naar het Beloofde Land op de berg Hor in het veertigste jaar na de uittocht uit Egypte. Volgens Lukas 01,05-13 zou Johannes de Doper van hem afstammen.

Afgebeeld
Hij wordt afgebeeld met een bloeiende stok en een wierookvat.


01 jul - donderdag

Sneek 08:45 - 09:15 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


02 jul - vrijdag

Hele dag Gedenkdag H. Bernardinus Realino, religieus & pastor

Bernardinus Realino sj, Lecce, Italië; religieus & pastor; † 1616.

Afbeelding H. Bernardino Realino

ca 1920. Devotieprentje.
Duitsland, Mönchen-Gladbach, B. Kühlen.

http://www.heiligen.net/afb/07/02/07-02-1616-bernardino_1.jpg

Feest 2 juli.

Hij werd in 1530 geboren in de Italiaanse stad Modena. Aanvankelijk oefende hij daar het beroep uit van advocaat.

Op zijn 34e trad hij toe tot de jezuïetenorde. Eenmaal gevormd werkte hij tien jaar in Napels.

Vervolgens werd hij aangesteld als rector van het college in Lecce. Daar is hij gestorven.

Verering & cultuur

Hij is heilig verklaard in 1947 door paus Pius XII.



02 jul - vrijdag

Sneek 19:00 - 19:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


04 jul - zondag

Blauwhuis 09:30 Eucharistieviering met Kinder Woord Dienst

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastoor van der Weide

In de pastorie is er tijdens viering een Kinder Woord Dienst in de pastorie, verzorgd door de werkgroep Kind en Kerk

M.m.v. het Ceacilliakoor



07 jul - woensdag

Sneek 13:30 - 14:30 Leerhuis

Sint Martinushuis, Sneek

Elke eerste woensdagmiddag van de maand is er in het Martinushuis in Sneek van 13.30 – 14.30 uur
leerhuis rond de H. Schrift. Pastoor Peter van der Weide verzorgt deze bijeenkomsten.

Aan de hand van de lezingen van afgelopen zondag of van de komende zondag gaan we met elkaar in gesprek.
Hoe leest u een Bijbelverhaal?
Wat staat er nu precies?
En al sprekend met elkaar ontstaat er zo Geloofscommunicatie.



10 jul - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Woord- en Communieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastor Foekema

M.m.v. het Ceacilliakoor



12 jul - maandag

Sneek 20:00 - 21:30 Orgelconcert in de serie Zomerconcerten in Sneek

Doopsgezinde kerk aan de Singel, Sneek

Organisten : Bob van der Linden, Frits Haaze en Peter van der Weide

Klik hier. voor het algemeen bericht over de serie Zomerconcerten 2021.



18 jul - zondag

Blauwhuis 09:30 - 10:30 Woord- en Communieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met Liturgiegroep Heeg

M.m.v. het Ceacilliakoor



19 jul - maandag

Sneek 20:00 - 21:30 Orgelconcert in de serie Zomerconcerten in Sneek

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

Organist: Peter van der Zwaag

Klik hier. voor het algemeen bericht over de serie Zomerconcerten 2021.



24 jul - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Eucharistieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastoor van der Weide

M.m.v. het Ceacilliakoor



26 jul - maandag

Sneek 20:00 - 21:30 Orgelconcert in de serie Zomerconcerten in Sneek

Grote of Martinikerk, Sneek

Organist: Gerben Maurik

Klik hier. voor het algemeen bericht over de serie Zomerconcerten 2021.


aug 2021

datum/tijd evenement

01 aug - zondag

Blauwhuis 09:30 - 10:30 Woord- en Communieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastor Foekema

M.m.v. het Ceacilliakoor



07 aug - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Woord- en Communieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met Liturgiegroep Blauwhuis

M.m.v. het Ceacilliakoor



09 aug - maandag

Sneek 20:00 - 21:30 Orgelconcert in de serie Zomerconcerten (Sneekweek)

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

Organisten: Peter van der Weide en Frits Haaze

Toegang gratis.

Klik hier. voor het algemeen bericht over de serie Zomerconcerten 2021.



15 aug - zondag

Blauwhuis 19:00 - 20:00 Eucharistieviering Maria ten Hemelopneming

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastoor van der  Weide

M.m.v. het Ceacilliakoor



22 aug - zondag

Blauwhuis 09:30 - 10:30 Eucharistieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastoor van der Weide

M.m.v. het Ceacilliakoor



23 aug - maandag

Sneek 20:00 - 21:30 Orgelconcert in de serie Zomerconcerten in Sneek

Grote of Martinikerk, Sneek

Organist: Bob van der Linde

Klik hier. voor het algemeen bericht over de serie Zomerconcerten 2021.



28 aug - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Woord- en Communieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastor Foekema

M.m.v. het Ceacilliakoor

Deurcollecte: MIVA



30 aug - maandag

Sneek 20:00 - 21:30 Orgelconcert in de serie Zomerconcerten in Sneek

Grote of Martinikerk, Sneek

Organist: Jochem Schuurman

Klik hier. voor het algemeen bericht over de serie Zomerconcerten 2021.


sep 2021

datum/tijd evenement

05 sep - zondag

Blauwhuis 09:30 Eucharistieviering met Kinder Woord Dienst

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastoor van der Weide

In de pastorie is er tijdens viering een Kinder Woord Dienst in de pastorie, verzorgd door de werkgroep Kind en Kerk

M.m.v. het Ceacilliakoor



06 sep - maandag

Sneek 20:00 - 21:30 Orgelconcert in de serie Zomerconcerten in Sneek

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

Organist: Carl Visser

Klik hier. voor het algemeen bericht over de serie Zomerconcerten 2021.



11 sep - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Woord- en Communieviering Open Monumenten Dag/UIT festival

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastor Foekema

M.m.v. het Ceacilliakoor



13 sep - maandag

Sneek 20:00 - 21:30 Orgelconcert in de serie Zomerconcerten in Sneek

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

Organist: Leo van Doeselaar

Slotconcert van de serie 2021

Klik hier. voor het algemeen bericht over de serie Zomerconcerten 2021.



19 sep - zondag

Blauwhuis 09:30 - 10:30 Eucharistieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastoor van der Weide

M.m.v. het Ceacilliakoor



25 sep - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Woord- en Communieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastor Foekema

M.m.v. het Ceacilliakoor


okt 2021

datum/tijd evenement

03 okt - zondag

Blauwhuis 09:30 Eucharistieviering met Kinder Woord Dienst

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastoor van der Weide

In de pastorie is er tijdens viering een Kinder Woord Dienst in de pastorie, verzorgd door de werkgroep Kind en Kerk

M.m.v. het Ceacilliakoor



09 okt - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Woord- en Communieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastor Foekema

M.m.v. het Ceacilliakoor



17 okt - zondag

Blauwhuis 09:30 - 10:30 Wereld Missie Dag Gezinsviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastoor van der Weide

M.m.v. het Gelegenheidskoor

Deurcollecte: Wereld Missie Dag



23 okt - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Woord- en Communieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastor Foekema

M.m.v. het Ceacilliakoor



30 okt - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Woord- en Communieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastor Foekema

M.m.v. het Ceacilliakoor


feb 2024

datum/tijd evenement

29 feb - donderdag

Hele dag Gedenkdag Zalige Antonia van Florence

Antonia van Florence ofm.ter, Aquila, Italië; abdis; † 1472.

Afbeelding H. Antonia van Florence  ca 1900. Glasschilderkunst. Nederland, Delft, Maria van Jessekerk.

Feest 29 februari.

Zij werd in 1401 geboren in de Italiaanse stad Florence. Op zeer jonge leeftijd werd ze al weduwe en sloot zich aan bij de tertiarissen van St-Franciscus.

Antonia sloot zich aan bij een vrouwengemeenschap in de stad Foligno; daar werd zij tot overste benoemd. In 1433 werd zij overgeplaatst naar Aquila, niet ver van Venetië om er de leiding van de vrouwengemeenschap op zich te nemen. Dertien jaar lang oefende zij deze functie uit. Maar tenslotte begon zij toch te verlangen naar een meer strenge levenswijze in dienst van de Heer. Zij trad in bij de clarissen van klooster Corpus Christi in Aquila, en werd prompt na enige tijd tot abdis benoemd. Getroffen door een ongeneeslijke ziekte, moest ze verschrikkelijke pijnen doorstaan. Ze ondervond daarbij grote steun van haar geestelijk leidsman, de heilige Johannes van Capistrano (+ 1456; feest 23 oktober). Ze stierf op 29 februari 1472.

In 1847, een jaar na zijn pauskeuze, verklaarde Pius IX haar zalig.


Powered by Events Manager