Skip to content

Evenementenlijst Sint Antoniusparochie

sep 2022

datum/tijdevenement

30 sep - vrijdag

- Hele dag Gedenkdag H. Hiëronymus, priester en kerkleraar

– Geen, -

Hiëronymus (Eusebius Hieronymus Sofronius) van Bethlehem, Palestina; monnik & kerkleraar; † 420.

Afbeelding van Hiëronymus
1875. Glasschilderkunst. Ontwerp Hezenmans, Glazenier: Capronnier
Twee westerse kerkvaders. Links: Hieronymus. Rechts: Augustinus.

http://www.heiligen.net/afb/09/30/09-30-0420-hieronymus_3.jpg

Feest30 september.

Hiëronymus was afkomstig uit Strido (of Stridon), gelegen in de landstreek Dalmatië, vlak bij het huidige Ljubljana; hij moet rond 341 geboren zijn; anderen menen 347. Hij studeerde in Rome; daar deed hij een grote liefde op voor de klassieke literatuur. Rusteloos zwierf hij door Italië en Gallië. In 367 verblijft hij in Trier. Daar raakt hij zo onder de indruk van het voorbeeld van de monniken dat hij besluit die levenswijze op zich te nemen en zich onverdeeld aan Christus toe te wijden. Zo verblijft hij enige tijd als monnik in Palestina en keert tenslotte weer naar Rome terug, waar hij tot priester wordt gewijd. Hij staat als secretaris in dienst van paus Damasus († 384; feest 11 december). Deze geeft hem de opdracht een Latijnse vertaling te maken van de hele bijbel.

Intussen leidt Hiëronymus een streng monnikenleven. In die geest geeft hij enige rijke Romeinse vrouwen geestelijke leiding. A;s één van hen sterft, gaat het gerucht dat de doodsoorzaak gezocht moet worden in de al te strenge verstervingen die Hieronymus haar had aangeraden. Dat geeft zoveel schandaal dat hij andermaal vertrekt naar Palestina in gezelschap van een aantal vrome vrouwen. Hij vestigt zich met enkele volgelingen als kluizenaar in Bethelehem, in de grot waar volgens de overlevering Jezus destijds geboren moest zijn.

Nu besteedt hij al zijn tijd aan de vertaling van de Heilige Schrift. Zo wordt hij één van de grootste geleerden van zijn tijd. Hij is één van de weinigen die Hebreeuws kent. Hij kan het dan ook niet hebben als een ander, zoals bijvoorbeeld de grote heilige Augustinus († 430; feest 28 augustus), het soms niet met zijn bijbelvertaling of uitleg eens is. Daar komt bij dat hij een nogal nurks karakter heeft, wellicht veroorzaakt door een maagzweer die hij had opgelopen door zijn extreme verstervingen in vroeger jaren? De Latijnse bijbelvertaling van Hieronymus gaat de geschiedenis in als de zogeheten Vulgaat en is in de katholieke geloofsgemeenschap in gebruik geweest tot in de 20e eeuw.

Over de tijd dat Hieronymus zich temidden van zijn medebroeders aan de bijbelstudie wijdde is een beroemde legende:

Op een avond zat de heilige Hiëronymus met zijn broeders te luisteren naar een lezing uit de Heilige Schrift. Ineens kwam er een leeuw kreupel het klooster binnenstrompelen. Alle broeders vluchtten weg bij het zien van het dier. Maar Hiëronymus ging hem tegemoet alsof hij een gast ontving. De leeuw gaf te kennen dat zijn poot gewond was. Toen riep Hiëronymus zijn broeders terug en beval hun die poot te wassen zodat ze de wond zouden kunnen opsporen. Ze gehoorzaamden en ontdekten tenslotte dat hij door een doorn gestoken was. Ze verzorgden hem met alle liefde, zodat die leeuw tenslotte volkomen mak was en met hen meeleefde als een gewoon huisdier.

Nu begon Hiëronymus te beseffen dat de Heer die leeuw niet alleen naar hen had toegestuurd om door hen genezen te worden, maar ook om het klooster van dienst te zijn. Hij overlegde met de broeders en besloot dat hij de ezel naar het weitje moest brengen en daar de wacht over hem houden. Die ezel werd gebruikt om het hakhout uit het bos naar huis te dragen. En zo begon die leeuw elke dag met pakezel naar het bos te lopen en hield de wacht op het weitje kortom, hij liep op die ezel te passen alsof hij nog nooit anders had gedaan. En elke avond als het etenstijd was keerde hij met het dier weer naar huis terug.

Nu gebeurde het eens dat het ezeltje op de wei liep en de leeuw zoetjesaan in slaap was gevallen. Juist op dat moment kwam er een karavaan kooplieden voorbij op kamelen. Zij zagen dat ezeltje daar zo helemaal alleen staan en pakten het mee. Toen de leeuw weer wakker werd miste hij zijn ezeltje en begon brullend heen en weer te lopen. Maar hij vond het nergens. Triest kwam hij bij het klooster terug. Hij durfde van schaamte niet naar binnen, terwijl hij dat anders altijd wel deed zonder mankeren. De broeders merkten dat hij later terug was dan anders en dat hij het ezeltje niet bij zich had en zij veronderstelden nu dat hij honger had gekregen en toen maar het ezeltje had opgevreten. Ze weigerden hem dus verder te voederen met de woorden: “Je gaat maar verder opmaken wat er van het ezeltje nog is overgebleven; misschien dat je dan genoeg hebt!” Toch twijfelden ze of die leeuw zoiets werkelijk gedaan zou hebben en ze gingen naar het weitje om te zien of ze een spoor van die moord konden vinden. Maar ze vonden niets en kwamen terug om dit alles aan Sint Hiëronymus te vertellen. Die gaf hun toen de raad dat ze voortaan de leeuw het werk van het ezeltje moesten laten doen. En zo stapelden zo voortaan het hout dat zij hakten op zijn rug. En de leeuw droeg dat gelaten.

Toen hij op een dag na zijn werk naar buiten ging en begon rond te lopen om te zien of hij een spoor van zijn gezel kon vinden, zag hij in de verte een karavaan kooplieden op kamelen aankomen. Voor hen uit liep een ezeltje. Want het is gebruik in dat land dat als je met kamelen een verre reis maakt je een ezeltje aan een touw om zijn hals vooruit laat lopen: want die weten heel goed de weg te vinden. De leeuw herkende onmiddellijk zijn ezeltje en liep luid brullend die kooplui tegemoet. Die namen onmiddellijk de vlucht. Hij brulde verschrikkelijk en sloeg vervaarlijk met zijn staart op de grond, zodat hij de kamelen opdreef in de richting van het klooster. Toen de broeders in de gaten kregen wat er gebeurde, gingen ze Sint Hiëronymus waarschuwen. Deze zei: “Mijn beminde broeders, gaat terug en wast al onze gasten met eerbied de voeten, maak voor hen iets te eten klaar en wacht verder af om te zien wat de wil van God is.” De leeuw sprong en huppelde van blijdschap sinds lange tijd weer het klooster binnen, ging voor elke broeder op de grond liggen en kwispelde met zijn staart. Het leek wel alsof hij om vergeving smeekte voor een misdaad die hij nooit had begaan. Maar Hiëronymus wist van binnen wel wat er precies gebeurd was. Daarom had hij tegen de broeders gezegd: “Breng alles in orde voor de gasten en zie wat ze nodig hebben.” Terwijl hij nog sprak verscheen er een bode in het klooster met de boodschap dat er gasten aan de deur stonden die vader abt wilden spreken. Meteen toen hij in de deuropening verscheen, vielen ze hem te voet en begonnen te jammeren om genade voor hun misdaad. Vriendelijk hielp hij ze weer overeind met de woorden dat ze hun spullen weer mee konden nemen maar dat ze zich nooit meer mochten bezondigen aan diefstal. Ze vroegen hem om zijn zegen en zeiden dat ze de reukolie die ze vervoerden voor de helft hier wilden laten. Dat weigerde hij. Maar ze drongen zo lang aan dat hij het tenslotte liet aannemen. Ze beloofden ook dat ze elk jaar terug zouden om zo’n zelfde hoeveelheid reukolie aan de broeders te schenken. En dat ook hun erfgenamen dit zouden volhouden.

Het schijnt dat deze legende is ontleend aan de woestijnvader Gerasimus († 475; feest 5 maart).

Verering & Cultuur
In de kunst wordt hij afgebeeld, gezeten aan een lessenaar of geknield voor een kruisbeeld; vaak met de leeuw bij zich; ook is er dikwijls een rode kardinaalshoed te vinden.
Hij is patroon van de bijbeluitleggers (exegeten).



30 sep - vrijdag

Sneek 19:00 Woord- en Communieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

okt 2022

datum/tijdevenement

01 okt - zaterdag

- Hele dag Gedenkdag H. Teresia van Lisieux

– Geen, -

Theresia van het Kindje Jezus (ook de l’Enfant Jésus, van het Heilig Gelaat van Christus of van Lisieux; geboren Thérèse Martin) ocd., Lisieux, Frankrijk; kloosterlinge; † 1897.

Afbeelding van Theresia
ca 1950. Steensculptuur. Frankrijk, Lisieux, Geboortehuis, Jardin des Buissonnets
Theresia smeekt haar vader te mogen intreden in de Karmel.

http://www.heiligen.net/afb/10/01/10-01-1897-theresia_1.jpg

Feest 1oktober.

Thérèse Martin werd op 2 januari 1873 geboren in de Normandische plaats Alençon. Op zeer jonge leeftijd verlangde ze al naar het kloosterleven. Als veertienjarig meisje maakte ze zich twee jaar ouder, daar ze wist dat ze anders nog te jong zou zijn om in te treden. Zo meldde ze zich bij het klooster. Maar ze werd doorzien en teruggestuurd. Nu wendde ze zich meteen maar tot de paus zelf. En deze gaf haar toestemming om nog op haar 15e aan het kloosterleven te beginnen bij de karmelietessen te Lisieux.
Ze was vastbesloten een heilige te worden. Op haar 21e werd ze al gekozen tot novicenmeesteres, een verantwoordelijke functie, want zij moest de nieuwelingen in het kloosterleven inwijden.
Ze was haar tijd ver vooruit. Ze wilde Hebreeuws leren, want dat was immers de taal die Jezus zelf gesproken had. Op die manier zou ze Hem nog beter leren kennen en nog meer kunnen beminnen. Ze leefde in haar gebed intens mee met de missionarissen in verre landen. Maar ze was ook modern door het feit dat ze herhaaldelijk werd overvallen door inktzwarte geloofstwijfels. Ze stierf al op 24-jarige leeftijd: 30 september 1897.

Verering & Cultuur
Ze is één van de beschermheiligen van Frankrijk, van Lisieux en van de missie. Haar hulp wordt ingeroepen bij allerhande noden. In het begin van onze eeuw breidde haar verering zich razend snel uit over heel de Katholieke wereld. Tot op de dag van vandaag treft men in talrijke kerken een beeldje van haar aan.
Ze wordt afgebeeld als karmelietes met rozen in haar armen. Ze had namelijk op haar sterfbed beloofd dat zij het uit de hemel rozen zou laten regenen: dat is dan ook volgens het getuigenis van vele aanwezigen gebeurd.
Zij wordt ‘De Kleine Theresia” genoemd om haar te onderscheiden van ‘De Grote Theresia” (= Theresia van Avila).

De kleine leer over de kleine weg van de kleine Theresia
Wat had die bisschop anders kunnen doen? Op een goede dag vraagt een vader in gezelschap van zijn jongste dochter audiëntie bij hem aan. Het meisje is nog geen vijftien, maar wil toch met alle geweld karmelietes worden. Meteen. Ze heeft haar haren opgestoken om wat ouder te lijken.
Bij navraag was gebleken, dat het kind van haar tiende tot haar dertiende flink ziek was geweest: een vorm van hysterie. Op vierjarige leeftijd had ze haar moeder verloren. Haar op een na oudste zus – toen vijftien – was zo’n beetje haar tweede moeder geworden. Vijf jaar later trad zij in bij de karmelietessen, zodat het kind voor de tweede keer een moeder verloor. Tragisch. Van toen af was haar ziekte begonnen. Ze bleek een geweldige dwingeland. Wat ze in haar kop had, kreeg niemand er meer uit. Geen middel liet ze onbeproefd om haar zin door te drijven. Vertederd vertelde men het voorval dat zij en haar zusje eens uit een mandje een cadeautje hadden mogen kiezen. De een had iets met linten genomen, maar de jongste had na enig nadenken geroepen: “Ik kies alles”, waarbij ze het hele mandje naar zich toe had gehaald. Het was bedoeld als grappig, maar de bisschop had het in het hele patroon eerder verontrustend gevonden.
Hij liet het meisje plaatsnemen in een enorme fauteuil, waar ze wel vier keer in had gekund. Hijzelf en haar vader zaten op een eenvoudige stoel. Vader liet zijn dochter zelf het verhaal doen. Zou ze de bisschop hebben verteld wat we uit haar latere geschriften weten? Dat ze ernaar verlangde een groot heilige te worden, even groot als haar patrones van Avila; dat ze maar één hartenwens had: Jezus te beminnen met heel haar hart, met brandende liefde, en dat ze voor Hem ook pijn wou doorstaan? Dan moet het allemaal dweperig en bakvisachtig geklonken hebben. Eigenlijk – zo besloot ze – had ze altijd al het allerliefste naar een karmelklooster gewild. “Althans – kwam de bisschop er even tussen – vanaf het moment dat je er voor het eerst van hoorde…?” Hij maakte een eind aan het onderhoud door te zeggen dat hij geen enkele aanleiding zag om een uitzondering op de kerkelijke regel te maken. Zolang ze geen zestien was, kon ze thuis ook haar Karmel beleven. En ja hoor, daar kwamen de traantjes. Als hij het niet gedacht had. “Dan ga ik naar de paus”, had ze gezegd.
Wat had die bisschop anders moeten doen?
En de paus? Tijdens een audiëntie stond ze vooraan. Toen de Heilige Vader langskwam, had ze geroepen dat ze al op haar veertiende, nu dus, naar de Karmel wilde. De paus had haar toegeglimlacht: “Als het Gods wil is, zul je er zeker komen…”
Wie had nu kunnen bevroeden, dat ditzelfde meisje, Thérèse, precies tien jaar later als een van de grootste heiligen van de twintigste eeuw zou sterven in de Karmel van Lisieux? Bij gelegenheid van haar honderdste sterfdag, 1 oktober 1997, werd ze door de paus uitgeroepen tot kerkleraar; naast haar naamgenote van Ávila en Catharina van Siena de derde vrouw op deze lijst. Daarnaast wordt zij vereerd als patrones van Frankrijk en van de kerkelijke missies over de hele wereld. Zij is een van de meest vereerde heiligen van de 20e eeuw. In hoeveel kerken treffen we niet haar bekende beeltenis aan, gehuld in de bruinwitte pij van de karmelietessen en met rozen in de armen. Hoe is dat mogelijk voor een vrouw die, opgesloten in haar Karmelklooster, reeds na negen jaar stierf aan tuberculose?Wat weten wij, gewone gelovigen, van wat zich kan afspelen in de ziel van een kloosterling? Theresia heeft ons haar aantekeningen nagelaten.

Tegen het einde van haar leven moest ze bekennen, dat ze met al haar goede wil, met haar grote en wereldwijde verlangens en met alle liefde die in haar was, eigenlijk geen stap dichterbij haar ideaal was gekomen. Toch maakte haar dat niet ongelukkig. Integendeel, het bevestigde haar juist dat zij op de goede weg was. Ze schrijft in de vorm van een gebed tot Jezus: “Ondanks mijn geringe kwaliteiten zou ik net als de profeten en leraren apostel willen wezen. Mijn liefste, ik zou heel de wereld willen bewandelen om overal Uw evangelie te brengen, Uw kruis te planten. Ik zou missionaris willen wezen, niet zo maar eventjes voor een paar jaar, maar van het begin tot het eind van de wereld! Martelaar wil ik zijn. (Als ze reeds enige weken ziek op bed ligt, schrijft ze niet zonder zelfspot: “Ik die martelaar wilde zijn, zal gewoon in bed sterven!”).

In het twaalfde hoofdstuk van Paulus’ eerste Korintiërsbrief leest ze dat ieder lid van de kerk een eigen taak heeft, net zoals ieder lichaamsdeel. Het oog kan niet tegen het oor zeggen: “Ik heb je niet nodig.” Alles heeft zijn plaats en samen vormen ze het ene lichaam. “Maar”, schrijft Theresia, “ik wil juist wel alles tegelijk zijn.” (Net zoals ze als klein meisje ‘alles’ koos). Het antwoord op haar moeilijkheid vond ze in het vervolg van Paulus’ brief. Hij schrijft dat alles bijeengehouden wordt door de liefde. “Want zonder de liefde zou geen apostel nog het evangelie verkondigen, geen martelaar zou nog zijn leven geven enz.” Dat wilde ze zijn: de liefde die vanuit het hart alle ledematen doorstroomt.

Was er dan niets veranderd sinds dat meisje van veertien zo door de bisschop op haar nummer was gezet? U moest eens weten. Ze schrijft zelf aan haar overste: “U weet: ik heb altijd een groot heilige willen worden.” (Er was eens een pater jezuïet geweest die haar tot bescheidenheid had gemaand: “U hebt uw handen al vol aan uw dagelijkse zonden. Probeert u maar liever elke dag een stapje verder te komen in plaats van die opgeblazen, hoogmoedige verlangens.” Die pater was vast de woorden van zijn eigen vader Ignatius vergeten: “Als het op verlangens aankomt, meen ik, dat de grootste heilige mij niet overtreffen kan.” Theresia had verbaasd gereageerd: “Maar pater, die verlangens zijn volgens mij helemaal niet hoogmoedig…”). Maar als ik mezelf met de grote heiligen vergeleek, zag ik een even groot verschil als tussen een berg met zijn top in de wolken en een zandkorreltje dat onder de voeten van de voorbijgangers verborgen gaat. Maar dat ontmoedigde me niet. Ik dacht: ‘Hoe klein ik ook ben, God heeft me die grote verlangens ingegeven. Groter worden blijkt niet te lukken. Ik moet me dus nemen, zoals ik ben, mét al mijn tekortkomingen en onvolmaaktheden, en zó heilig worden. Er moet dus een kleine weg naar de hemel te vinden zijn. Recht toe, recht aan, en helemaal nieuw.’
Je hebt tegenwoordig in de huizen van rijke mensen een lift in plaats van een trap. Zo wil ik de lift naar God vinden. Ik ben te klein om de lastige trap naar de volmaaktheid te kunnen beklimmen. Dus ben ik in de Heilige Schrift op zoek gegaan en vond in het boek Spreuken (09,04): ‘Wie nergens van weet, kan het beste hierheen komen.’ Dat heb ik gedaan. En ik was benieuwd, wat God met zo’n klein iemand zou doen. Ik zocht verder en vond bij Jesaja (66,13): ‘Zoals een moeder haar kind op de arm neemt en troost, zo zal Ik u troosten.’

De overgave van een kind dat bemind wordt: dat is Theresia’s weg. Welbeschouwd hoef je als mens zelf niets te doen dan te verlangen en lief te hebben en het initiatief aan God over te laten. Absoluut vertrouwen.

De kleine weg van de kleine Theresia.
Maar ook die heeft zijn keerzijde. Want hoe diep zit niet ons verlangen om zelf iets te zijn. Op haar ziekbed was ze soms ten prooi aan de zwartste geloofstwijfels. Zo was ze. Elk gevoel drong diep haar ziel binnen; doorleefde ze; ook de negatieve. “Als je eens wist welke afschuwelijke gedachten in mij rondspoken. Het zijn die materialistische redeneringen die zeggen: ‘Wacht maar af, als de wetenschappen nog wat verder zijn, zal overal een natuurlijke uitleg voor te vinden zijn; voor alles bestaat een gewone verklaring. Nu weten we nog niet alles, maar ooit zullen we dat allemaal ontdekken… enz.” Dergelijke gedachten omschrijft ze zelf als een zwart gat. Ze is zelfs bang dat ze in haar geloofstwijfel God beledigt en heiligschennis pleegt. Niets blijft haar over dan het besef heel klein te zijn en volkomen aangewezen op Gods liefde… die ze soms geruime tijd niet voelt; er blijft haar niets anders over dan er zwart in te geloven.


01 okt - zaterdag

Sneek 19:00 Woord- en Communieviering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek


01 okt - zaterdag

Heeg 19:30 - 20:30 Woord- en Communieviering, Werkgroep Blauwhuis

Sint Josephkerk – Heeg, Heeg

voor overleden familie Fokke Flapper



02 okt - zondag

- Hele dag Feestdag H. Bewaarengelen

– Geen, -

Engelbewaarders (ook Beschermengelen of Bewaarengelen)

Afbeelding Engelbewaarder

< 1758. Schilderij door Jean-Vincent l’Hermitais. Frankrijk, Bretagne, Vannes, Chapelle St-Yves
Engelbewaarder.

http://www.heiligen.net/afb/10/02/10-02-0000-engelbewaarders_1.jpg

Feest 2 oktober

Gevierd wordt dat ieder van ons door God een persoonlijke engel wordt toevertrouwd, die ons beschermt en vergezelt door het leven. Dat geloofsinzicht baseert zich op een aantal bijbelpassages:
1. In het deutero-kanonieke bijbelboek Tobit wordt verteld hoe de aartsengel Rafaël (feest 29 september) aan de jonge Tobit wordt toevertrouwd om hem bij een moeilijke opdracht te vergezellen en te beschermen.
2. In het evangelie zegt Jezus: ‘Waak ervoor een van deze geringen te verachten. Want Ik zeg jullie: hun engelen in de hemel aanschouwen onophoudelijk het gelaat van mijn hemelse Vader’
[Matteüs 18,10].
3. In het boek Handelingen van de Apostelen wordt verteld hoe Petrus op wonderbare wijze uit de gevangenis ontsnapte een aanklopte bij het huis waar de gemeente bijeen was om voor zijn vrijlating te bidden. ‘Nadat hij op de deur van het voorportaal had geklopt, kwam er een dienstmeisje dat Roosje heette, om open te doen, maar toen ze de stem van Petrus hoorde, was ze zo blij dat ze vergat de deur te openen en naar binnen rende om te zeggen dat Petrus voor de poort stond. “Je bent niet goed wijs,” zeiden ze tegen haar, maar ze bleef volhouden dat het echt zo was. “ Dan is het zijn beschermengel”, zeiden ze tenslotte…’
[Handelingen 12,13-15]

Verering & Cultuur
Het was paus Paulus V († 1621) die het feest 1608 officieel toestond; in 1670 werd het door paus Clemens X († 1676) voor de hele kerk ingevoerd.
Engelen worden afgebeeld als gevleugelde personen van onduidelijk geslacht (zowel mannelijke als vrouwelijke trekken); die vleugels zijn nodig om tussen ons en de hemel heen en weer te vliegen: ze brengen Gods goede gedachten vanuit de hemel naar de mensen over en dragen de gebeden van ons tot voor Gods aangezicht. Vaak bevinden ze zich half achter de hun toevertrouwde persoon, op afbeeldingen meestal een kind. Soms in gezelschap van de duivel als tegenhanger: dan bevindt zich de engel rechts en de duivel links, respectievelijk op de rechter- en linkerschouder, om goede respectievelijk kwade gedachten in het oor te fluisteren.
 
Bekend is het rijmpje op een schilderijtje met veertien engeltjes in blauwe kledij dat in de vijftiger jaren van de twintigste eeuw- op vele slaapkamers van katholieke kinderen hing:
’s Avonds als ik slapen ga
Kijken mij veertien engeltjes na:
Twee aan mijn rechterzij,
Twee aan mijn linkerzij,
Twee aan mijn hoofdeind
Twee aan mijn voeteneind
Twee die mij dekken,
Twee die mij wekken,
Twee die mij wijzen
Naar het hemels paradijze.’

In 1946 publiceerden Gabriël SMIT (rijmpjes) & Piet WORM (prentjes) een boekje over heiligen voor kinderen: ‘Roosjes uit de Hemeltuin’; Utrecht/Antwerpen, De Fontein. Het bevat ook een rijmpje voor de engelbewaarder:
Altijd waar ik ga of sta,
Volgt gij mij in liefde na,
Veilig reis ik aan uw hand
Naar het verste, vreemdste land.
Lieve engel in uw zorgen
Ben ik altijd blij geborgen.



02 okt - zondag

09:30 - 10:30 Oecumenische viering te Scharnegoutum met: Ds. Lieke Weima en pastor Lucas Foekema

Zondagmorgen is er bij ons in de St.Martinuskerk te Reahûs geen viering maar wel in de Martenskerk te Scharnegoutum.
Het is een Oecumenische viering. Een viering voor jong en oud.
De vorige keer was de oecumenische uitwisseling bij ons in de kerk in Reahûs en wel op aswoensdag.
Nu zijn wij te gast in de PKN kerk in Scharnegoutum.
De viering staat in het teken van Sint Franciscus.
Immers het is bijna 4 oktober/dierendag.
In de viering zal een speciale gast langskomen die zal vertellen wie Fransciscus was.
De kinderen mogen natuurlijk hun knuffels meenemen.
Franciscus leefde in een onzekere tijd, de late middeleeuwen.
Hij durfde keuzes te maken die het christendom een nieuwe richting wezen. Een hele beweging van
minderbroeders ging in zijn voetspoor verder.
Zij noemden zich minderbroeder want je staat als mens nooit boven de ander. Je mag elkaars
broeder en zuster zijn. En zoals Franciscus dat zag, ook van broeder zon en zuster maan, van de vogels in de hemel en de dieren in het veld.

De viering begint om half 10.
De voorgangers zijn Ds. Lieke Weima en pastor Lucas Foekema.
Na de viering is er een kopje koffie, thee of fris om nog even na te praten.
Iedereen is van harte welkom.



02 okt - zondag

Blauwhuis 09:30 - 10:30 Woord en Communieviering met Kinder Woord Dienst

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met liturgie groep Blauwhuis

M.m.v. het Ceacilliakoor

Tijdens de viering is er een Kinder Woord Dienst in de pastorie, door werkgroep Kind en Kerk



02 okt - zondag

Sneek 10:00 Eucharistieviering

Antonius Ziekenhuis, kerkzaal, Sneek

Celebrant: pastoor A. de Vries



02 okt - zondag

Sneek 11:00 Woord- en Communieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

M.m.v. koor Intermezzo o.l.v. F. Haaze

Onder voorbehoud zullen zij voor ons o.m. zingen:

  • Antonius van Paduamis van F. Haaze
  • Het Zonnelied van D. Alaleone
  • Diverse liederen uit de bundel GVL


03 okt - maandag

- Hele dag Gedenkdag H. Gerardus van Brogne, abt

– Geen, -

Gerardus (ook Gebhard) van Brogne (ook van Bronium of van Namen) osb, België; abt & kloosterhervormer; † 959.

Afbeelding van Gerardus van Brogne

Gerardus ontvangt uit handen van de bisschop het monnikskleed.
1959, steenreliëf. België, St-Gérard (Ardennen).

http://www.heiligen.net/afb/10/03/10-03-0959-gerardus_3.jpg

Feest 3 oktober.

Hij werd geboren rond 895 en was een zoon van graaf Stance en gravin Plectrudis. Op jonge leeftijd kwam hij in dienst van graaf Berengar van Namen, Zuid-België. Het liefst was hij monnik geworden. In het bos van Marlaigne op het landgoed van zijn vader bevonden zich de vervallen resten van een klooster, dat tweehonderd jaar eerder ten tijde van Pepijn van herstal († 714) gesticht was door Sint Lambertus († 705; feest 17 september). In 914 begon hij met de hulp van zijn beschermheer de kerk te restaureren.
Na de dood van zijn vader besloot hij zijn verlangen te volgen en monnik te worden. Hij maakte van een diplomatieke missie in Frankrijk gebruik om in te treden bij de benedictijner monniken van St-Denis bij Parijs. Hij was diep onder de indruk geraakt van de vroomheid der monniken daar; dat was in 922. Na elf jaar keerde terug als abt om op zijn geboortegrond te Brogne een klooster te stichten.

In het jaar 928 kwam hij in botsing met bisschop Stefanus van Luik. Gerardus wilde de relieken van bisschop Eugenius naar zijn kerkje halen; Eugenius lag begraven te St-Denis vlakbij Parijs. Hij had natuurlijk over hem gehoord gedurende zijn verblijf daar. Bisschop Stefanus weigerde; hij wist niets van deze Eugenius. Maar toen werd hij ziek. Hij liet daarop twee waskaarsen maken die hetzelfde gewicht en dezelfde omvang hadden als hijzelf. Deze liet hij op het graf van genoemde Eugenius opbranden. Wat prompt genezing bracht. Nu was hij ervan overtuigd dat Eugenius wel degelijk een heilige was. Hij gaf een monnik opdracht om Eugenius’ levensbeschrijving te komen voorlezen op de plaatselijke bisschoppenvergadering. Vervolgens voegde hij er zijn eigen wonderbaarlijke genezing aan toe. Reden genoeg om alsnog zijn toestemming aan Gerardus te geven om de relieken in zijn kerkje te plaatsen en te vereren.

In opdracht van graaf Arnulf van Vlaanderen voerde Gerardus gedurende 22 jaar kloosterhervormingen door in de abdijen van St-Ghislain, St-Bavo, St-Blandin, St-Bertin, Mouzon en St-Amand; wat hij er precies tot stand bracht, weten we niet, maar hem gebeurde niet wat zijn collega abt Erlwin van het naburige Gembloers overkwam die de monniken van Lobbes tot strengere tucht wilde brengen: zij staken hem de ogen uit en stuurden hem naar zijn eigen klooster terug!

Verering & Cultuur
Gerardus stond bekend om zijn grote mildheid en zachtmoedigheid…
Hij wordt vereerd als patroon tegen koorts, geelzucht en kliergezwellen. In de Ardennen is de berberis vulgaris (‘épine-vinette’) naar hem genoemd: ‘Bwès d’sint Djèrâ’. In de plaatsjes Noville en Recogne dronk men een uur voor de maaltijd wijn, die getrokken was uit de tweede schors van dit kruid; deze was dan vermengd met een liter Moezelwijn. Dit drankje heette Sint-Gerard-thee en hielp tegen de geelzucht.



03 okt - maandag

Sneek 09:15 Woord- en Communieviering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek


04 okt - dinsdag

- Hele dag Feestdag Sint Franciscus van Assisië

– Geen, -

Franciscus van Assisi, Italië; diaken, stichter & mysticus; † 1226.

Afbeelding van Sint Franciscus
1979. Waskrijt door Zr. MAria Ludgera. Duitsland, Kloster Reute
Franciscus en de melaatse.

http://www.heiligen.net/afb/10/04/10-04-1226-franciscus_3.jpg

Feest4 oktober (sterfdag).

We zullen zo veel mogelijk de eigentijdse bronnen aan het woord laten. Dat brengt ons in aanraking met een totaal ander wereldbeeld dan het onze. Er komen duivels en engelen, visioenen en wonderen in voor. Bij het horen hiervan voelen wij geregeld de noodzaak om alles terug te redeneren tot voor ons herkenbare proporties. Intussen vergeten we niet dat de bronnen feitelijke gebeurtenissen te vertellen die voor hen spreken van Gods wonderbare inmenging en aanwezigheid.

1182
Hij werd in 1182 geboren in Assisi, een plaatsje in de Italiaanse landstreek Umbrië, als zoon van de rijke lakenkoopman Pietro Bernardone. Eigenlijk heette hij Giovanni. Maar omdat vader graag pronkte met zijn successen en op het moment van Giovanni’s geboorte in Frankrijk verbleef, noemde hij zijn zoon sindsdien Francesco, ‘Fransmannetje’. De jongen kreeg de opvoeding die bij zijn status paste. Het maakte hem tot een zelfverzekerde jongeman, vriendelijk in de omgang, vrolijk, in alle takken van sport de beste, gezien bij de meisjes en vrijgevig met geld. Hij droomde ervan ridder te worden.

Uit Bonaventura’s Levensbeschrijving
Franciscus’ eerste levensbeschrijver, Bonaventura († 1274, feest 15 juli), vertelt uit die beginperiode een bijzondere anekdote:
‘Zijn goede eigenschappen wierpen hun schaduw vooruit. Zo gebeurde het eens dat een zeer eenvoudig man uit Assisi bij de ontmoeting met Franciscus zijn mantel uittrok en die als een loper voor diens voeten uitspreidde. “Franciscus was die eerbied meer dan waard,” beweerde hij. “In de nabije toekomst zou hij grote dingen tot stand brengen. En de hele geloofsgemeenschap zou hem op grootste wijze gaan vereren.”’

1202, 1204
Door gevangenschap (1202) en ziekte (1204) raakte hij echter in een crisis. Bonaventura:
‘In een langdurige ziekte liet de Heer Franciscus’ lichaam wegkwijnen om zijn ziel rijp te maken voor de genadevolle werking van de heilige Geest.’ Maar zo vlug ging dat niet. Eenmaal weer op krachten hervatte hij zijn oude leven: hij liet zich flatterende kleren aanmeten. ‘Op een gegeven moment kwam hij tegenover een ridder te staan, een man van voorname afkomst, maar arm en erbarmelijk gekleed. Uit een diep gevoeld medelijden met de beklagenswaardige toestand  van de man ontdeed Franciscus zich op staande voet van zijn kleren en liet ze die man aantrekken.’

‘Toen Franciscus echter de volgende nacht diep in slaap was, liet de barmhartige God hem een groot, wonderschoon paleis zien, vol wapentuig met het embleem van Christus’ kruis. De Heer wilde hem hiermee duidelijk maken dat de barmhartigheid – ter wille van de liefde voor de hoogste Koning [Christus]aan die  arme ridder bewezen – op onvergelijkelijke wijze beloond zou worden.’

Hij meende dat hij weer als strijder in dienst moest treden van een adellijke meester. Maar de Heer gaf hem te verstaan dat Hij andere plannen met hem had. In de tijd daarna ontmoette hij een melaatse. Hij overwon zijn weerzin, omhelsde hem en schonk hem een royale aalmoes. Dat maakte zo’n geluksgevoel in hem los dat hij zich steeds meer in de eenzaamheid begon terug te trekken.

1206 De kerk ondersteunen
‘Op een dag wandelde hij in de buurt van de kerk van de heilige Damianus. Deze was zo oud dat zij nagenoeg op instorten stond. Hij voelde de innerlijke drang om de kerk binnen te gaan en er wat te bidden. Hij wierp zich voor de afbeelding van de gekruisigde op de grond. Tijdens zijn gebed werd hij overweldigd door een bijzonder rijke, geestelijke troost. Met tranen in de ogen keek hij op naar het kruis van de Heer. Op dat moment hoorde hij met eigen oren een stem vanaf het kruis heel duidelijk tot hem zeggen: “Franciscus, ga mijn huis herstellen! Je ziet toch dat het geheel aan het vervallen is.”’

Hij meende dat het ging om het vervallen kerkje van San Damiano zelf. Dat knapte hij op met het geld dat hij verdiende door de in de kelder opgeslagen stoffen van zijn vader te verkopen. Deze had hem daar geen toestemming voor gegeven en zag zijn beoogde winsten opgaan aan een zinloze, geld verslindende onderneming. Hij was woedend en sloot hem op. Maar eenmaal vrij ging Franciscus gewoon door. Nu sleepte vader zijn zoon voor de rechter;  die verwees de zaak door naar de bisschop. Omstuwd door de hele plaatselijke bevolking klaagde vader zijn zoon aan bij de bisschop en eiste al het geld van zijn zoon terug. Daarop gespte Franciscus voor het oog van alle aanwezigen zijn beurs los en wierp die zijn vader voor de voeten. Vervolgens kleedde hij zich uit tot op het naakte lijf en gooide kledingstuk voor kledingstuk voor zijn vader neer. Nu kwam de bisschop achter de jongeman staan en sloeg zijn mantel om hem heen. Vanaf dat moment was het voor iedereen duidelijk, dat Franciscus voortaan niet meer bij zijn aardse vader hoorde, maar bij zijn Vader in de hemel, en bij de Kerk van diens Zoon, Jezus Christus (1206).

Hij nam zijn intrek in het kloostertje bij de San-Damianokerk. Daar leidde hij het leven van een kluizenaar. Hij kreeg de bijnaam ‘Il Poverello’ (‘armoedzaaiertje’) en verlangde er alleen nog naar een huwelijk aan te gaan met Vrouwe Armoede. Hij bedelde zijn voedsel bij elkaar. De eerste keer moest hij kokhalzen toen hij al die restjes en kliekjes zo op elkaar zag liggen. Maar hij wende er gauw aan. Wat hij nog bezat gaf hij weg aan armen en zwervers.
Na twee jaar begon hij in de omtrek te preken. Zijn boodschap was liefde: liefde voor de Schepper, voor mens, dier en plant. Hij noemde alle schepselen zijn broeders en zusters.

1209
Al heel spoedig sloten zich wat volgelingen bij hem aan. Ze betrokken een huis, Portiuncula en noemden dat hun klooster. Franciscus verlangde ernaar dat de paus zijn goedkeuring zou geven aan hun levenswijze. Met het handjevol broeders toog hij naar Rome en diende zich aan bij paus Innocentius III († 1216), die hem wegzond met de mededeling dat hij wel wat beters te doen had. Maar die nacht werd hij door een droom gecorrigeerd. Later vertelde de paus zelf dat hij ‘in een droom had gezien hoe de basiliek van Lateranen op instorten stond, en hoe een armzalige man, tamelijk klein en onbeduidend, er zijn schouders onder zette en voorkwam dat ze inviel.’
[Vgl. Bonaventura, Grote Levensbeschrijving, III.10; Haarlem, Gottmer, 1978 p:49; vgl. Giotto’s fresco nr.6 in de San Francesco te Assisi]

Hij liet Franciscus dus weer bij zich roepen en nodigde hem uit zijn verhaal te doen. Franciscus vertelde een gelijkenis over een rijke koning die een arme vrouw trouwde en koningin maakte. Hij verwekte in haar zonen die de trekken van de rijke koning vertoonden. Zij mochten eten van de koninklijke tafel. Zij hoefden dus geen moment  bevreesd te zijn dat ze van honger zouden omkomen… De paus had aandacht toegehoord en verstond de gelijkenis. Hij gaf van harte zijn zegen aan deze zonen die Christus Koning zelf had verwekt in de schoot van Moeder de Heilige Kerk.

Vurig hemelbestormer
Het groepje vond een onderkomen in het dal van Spoleto. ‘Eens – op een zaterdag – vertrok Franciscus naar Assisi met de bedoeling daar de volgende morgen in de kathedraal te preken.  Hij bracht de nacht door in gebed in een tuinhuisje van een kanunnik. Lichamelijk was hij dus ver van zijn broeders verwijderd. Maar zie, omstreeks middernacht, terwijl sommige broeders sliepen en anderen nog wat verzonken waren in vurig gebed, kwam er op eens een wonderbaarlijk stralende, vuurspetterende wagen door de deur van hun verblijf naar binnen en reed drie keer het vertrek op en neer. Boven op de wagen bevond zich een helder lichtende kogel, een soort zon, die de nacht stralend helder verlichtte…’

Franciscus schreef een heuse regel, die in 1217 door paus Honorius III († 1227) werd goedgekeurd. Nu waren ze een kloosterorde. Ze noemden zich ‘Minderbroeders’ (Fratres Minores). In korte tijd breidden zij zich uit over heel Italië, Spanje en Frankrijk.

Franciscus en Broeder Johannes
De heilige Franciscus kwam eens in de buurt van een dorp bij Assisi. Een zekere Johannes, een zeer eenvoudig man, was op het land aan het ploegen. Hij kwam naar de heilige toe en zei: “Ik wil dat u mij als broeder aanneemt, want ik verlang er al lang naar God te gaan dienen.” De heilige was om de eenvoud van de man zeer verheugd en antwoordde op dat verzoek: “Als je je bij ons wilt aansluiten, broeder, geef dan alles wat je bezit aan de armen. Wanneer je dat gedaan hebt, zal ik je aannemen.” De man wachtte geen moment. Hij spande onmiddellijk zijn ossen uit en bood er één aan de heilige Franciscus aan met de woorden: “Laten we die os dan maar aan de armen geven; dat deel van mijn vaders bezittingen heb ik wel verdiend.” De heilige begon te lachten en had grote waardering voor wat de man in zijn eenvoud wilde doen. Maar toen zijn ouders en jongere broers ervan hoorden, kwamen ze in tranen toelopen. Ze waren echter meer bedroefd over die os dan over het verlies van iemand uit hun gezin. “Rustig maar!” zei de heilige toen. “Hier, ik geef jullie de os terug, maar jullie broer neem ik mee.” Hij nam de man dus mee, en maakte hem, nadat hij hem met het habijt van de orde had bekleed, om zijn begenadigde eenvoud tot zijn bijzondere metgezel.

Wanneer de heilige Franciscus nu ergens bleef staan om te mediteren, maakte Johannes de Eenvoudige dezelfde bewegingen en gebaren, die de heilige maakte, en bootste ze zo getrouw mogelijk na. Als de heilige spuwde, spuwde hij ook; als de heilige hoestte, deed hij hetzelfde; hij sloot zich bij de man Gods aan, als deze weende, en zorgde ervoor met hem in zijn zuchten gelijk te blijven; hief de heilige zijn armen omhoog, dan zag je hem hetzelfde doen. Zo kunnen we doorgaan; hij hield de heilige nauwkeurig in het oog als zijn voorbeeld en maakte zich in alles een getrouwe kopie van hem. Toen de heilige vader dat in de gaten kreeg, vroeg hij hem, waarom hij dat eigenlijk deed. Hij antwoordde: “Ik heb nu eenmaal beloofd alles te doen wat u doet. Het zou gevaarlijk voor mij zien iets over te slaan.” De heilige verheugde zich over de eerlijke, ongekunstelde eenvoud van de man. Maar hij maakte er toch een eind aan door hem vriendelijk te zeggen, dat hij het in de toekomst toch beter niet op die manier kon doen.

Niet lang daarna ging die eenvoudige man, die zich in oprechte onbevangenheid geheel richtte naar de heilige vader, op naar zijn Heer. De heilige stelde zijn leven dikwijls tot voorbeeld voor anderen en noemde hem dan met veel plezier de heílige Johannes, en niet bróeder Johannes.

1212 Tweede Orde
Reeds in 1212 had zich de edele jonkvrouwe uit Assisi, Clara Scifi († 1253; feest 11 augustus), bij hem aangesloten. Naar diens voorbeeld had ze met thuis gebroken en wist ze aan de greep van haar familie te ontsnappen. Net als Franciscus huwde ze met Vrouwe Armoede en liet zich door hem het kloosterhabijt aantrekken. Zo werden zij samen de stichters van de naar haar genoemde kloosterorde der clarissen, Franciscus’ tweede orde. De vrouwen leefden geheel volgens de regel die Franciscus had geschreven. Zowel de mannen als de vrouwen werden gekenmerkt door eenvoud, vrolijkheid, armoede en eerbied jegens alle schepselen.
Zijn spiritualiteit bestond erin zoveel mogelijk de minste te zijn. Als hij een compliment kreeg, vroeg hij anderen daar dingen tegenover te zetten, die in zijn nadeel spraken. Hij stond erop dat de leden van zijn orde ‘Mindere Broeders’ genoemd zouden worden. En dat hun levenswijze en verlangens in overeenstemming zouden zijn met die benaming. Zo werd hem eens door een kerkelijke hoogwaardigheidsbekleder gevraagd of hij erin toe zou stemmen wanneer een broeder tot een hoog kerkelijk ambt zou worden geroepen. Zijn antwoord liet niets aan duidelijkheid te wensen over: ‘Heer, mijn broeders heten juist ‘Mindere Broeders’ met de bedoeling dat ze niet in de verleiding zouden komen zich boven een ander te wanen. Als u werkelijk wilt dat ze in Gods Kerk vruchtbaar werken, zorg er dan voor dat ze in de omstandigheden blijven die hun roeping van hen vraagt. Laat hen onder geen enkele voorwaarde opklimmen tot kerkelijke waardigheden!’

Beroemd is de anekdote dat hij Broeder Leo onderricht in de vraag waarin de volmaakte bestaat:”Broeder Leo, ook al doet een minderbroeder de blinden zien, ook al geneest hij de lammen, ook al verdrijft hij de duivelen, ook al geeft hij de doven het gehoor, de kreupelen de macht over hun benen en de stommen de spraak weer, en wat meer is, ook al wekt hij een dode op, die al vier dagen in het graf ligt: schrijf op dat daarin de volmaakte vreugde niet bestaat.” Dergelijke opsommingen herhaalde Vader Franciscus wel drie tot vier maal. Telkens eindigde hij met de woorden: “Broeder Leo, schrijf op dat daarin de volmaakte vreugde niet bestaat…”. Tenslotte riep Broeder Leo uit: “Vader, ik smeek u ter liefde Gods, nu toch  eindelijk te zeggen, waarin de volmaakte vreugde dan wel bestaat.” En Sint Franciscus antwoordde hem: “Wanneer wij in Santa Maria degli Angeli aankomen, doornat van de regen en verstijfd van de kou, vol modder en gekweld door honger en dorst, en wij dan aan de poort van het klooster kloppen en de portier kwaad wordt en zegt: ‘Wie zijn jullie?’ en wij hem dan zeggen: ‘Wij zijn twee broeders van u’, en wanneer hij ons dan zegt: ‘Dat is niet waar, jullie zijn twee schurken, die de mensen altijd bedriegen en de aalmoezen van de armen stelen; maak dat je wegkomt’, en hij ons dan niet binnenlaat, maar ons tot in het holst van de nacht buiten laat staan in de sneeuw en in de regen, koud en hongerig; en wij dan al die beledigingen en die wreedheid en dat wegjagen geduldig en met gelijkmoedigheid verdragen, zonder tegen hem te morren en nederig en liefdevol bedenken dat die portier ons werkelijk kent en dat God hem zo tegen ons doet spreken…: o, broeder Leo, schrijf op dat daarin de volmaakte vreugde gelegen is…”

Stoel in de hemel
Juist vanwege zijn nederigheid stond hij bij God in hoog aanzien. Dat werd bevestigd door een broeder die een hemels visioen had. Het overkwam hem, toen hij met Franciscus alleen was, en zij samen een verlaten kerk waren binnengegaan. ‘Daar was hij in vurig gebed verzonken geraakt. Opeens raakte hij in vervoering en zag in de hemel een groot aantal zetels, waaronder er één was die in pracht de andere verre overtrof. Die zetel was versierd met kostbare edelstenen en straalde van een verblindende glans. De broeder verbaasde zich over de stralende schoonheid ervan en begon zich nieuwsgierig af te vragen wie toch ooit op die troon zou mogen zetelen. Toen hoorde hij hoe een stem tot hem zei: “Die zetel heeft ooit toebehoord aan één van de gevallen engelen; nu wordt ze vrijgehouden voor de nederige Franciscus.” Na afloop zei die broeder niets over zijn droom tegen Franciscus. Hij vroeg hem wel hoe hij eigenlijk over zichzelf dacht. Het antwoord luidde prompt: ‘De grootste zondaar van de hele wereld.’ De broeder antwoordde dat hij dat niet serieus kon menen. Waarop Franciscus reageerde: “Stel je de grootste misdadiger voor. Als die evenveel genade zou hebben ontvangen als ik, zou hij ongetwijfeld veel dankbaarder zijn geweest dan ik!”

Arezzo in burgeroorlog
‘Op één van zijn tochten kwam de heilige in de buurt van Arezzo. Dat werd toentertijd geteisterd door een hevige burgeroorlog. Het was zo ver gekomen dat de stad op het punt stond zichzelf volkomen te gronde te richten. De heilige man nam zijn intrek ergens in de voorstad. Op een gegeven moment zag hij vandaar een troep duivels boven de stad juichend heen en weer springen. De burgers waren volkomen buiten zinnen en wisten niet meer wat ze deden. Ze werden door die duivels opgehitst om elkaar af te slachten. De man Gods nam zich voor die opruiende geesten in de lucht te verjagen. Hij riep broeder Silvester, een man met de eenvoud van een duif, en stuurde hem als zijn voorbode naar de stad met de woorden: “Ga tot vlak voor de poort van de stad en beveel die duivels in naam van gehoorzaamheid aan God dat ze zo snel mogelijk moeten verdwijnen.” Gehoorzaam als hij was, haastte de broeder het bevel uit te voeren. Terwijl hij een loflied zong voor de Heer, kwam hij bij de poort en begon met krachtige stem te roepen: “In naam van de heilige, almachtige God en op bevel van zijn dienaar Franciscus, luister goed, jullie duivels. Verdwijn zo gauw je maar kunt uit deze stad!” Onmiddellijk keerde de rust in de stad terug. De burgers sloten onderling vrede en handelden hun zaken af in goede onderlinge verstandhouding.’

1219 Helderziend
Herhaaldelijk deed Franciscus de mensen in zijn omgeving versteld staan. Hij wist wat ze dachten, met welke gewetenskwesties ze worstelden, en soms wat hun in de nabije toekomst te wachten stond. Hij voorspelt de nederlaag van de christenstrijders bij Damiate. Na terugkomst wordt hij in Celano bij een ridder-weldoener aan tafel genodigd. Voor de maaltijd verzinkt Franciscus enige ogenblikken in gebed. Vervolgens adviseert hij zijn gastheer te biechten, omdat hij niet hier, maar elders de maaltijd zal gebruiken. De man doet wat hem gezegd wordt. De maaltijd is nog maar nauwelijks begonnen of hij wordt getroffen door een hartaanval en sterft.

De sultan van Babylon
Franciscus had de stille hoop de eer van het martelaarschap te mogen ontvangen. ‘Zo ging hij in het dertiende jaar na zijn bekering voor de derde keer naar Syrië en stelde hij zich vastberaden aan vele gevaren bloot doordat hij de sultan van Babylon persoonlijk wilde ontmoeten. Tussen de christenen en Saracenen woedde toen een zo meedogenloze oorlog dat het , hoewel de kampen van beide legers dicht tegenover elkaar lagen, van weerskanten onmogelijk was zonder levensgevaar van het ene kamp naar het andere te komen. De sultan had immers het wrede besluit uitgevaardigd dat wie hem het hoofd van een christen bracht, als beloning een Byzantijns gouden muntstuk zou ontvangen. Maar Franciscus, de onverschrokken ridder van Christus, liet zich niet afschrikken. Hij hoopte in de nabije toekomst het doel waarnaar hij met heel zijn hart verlangde, te kunnen bereiken. Zonder zich van de dreigende dood iets aan te trekken, besloot hij, ertoe gedreven door zijn verlangen voor Christus te sterven, op weg te gaan. En na eerst gebeden te hebben, zong hij, zijn kracht vindend in God, vol vertrouwen het woord van de psalmist: “Al moet ik door de diepste duisternis van de dood heen, ik zal geen onheil vrezen, want u bent altijd bij mij” (Psalm 23,04).

Als metgezel koos hij een medebroeder uit, Illuminatus – ‘de Verlichte’ – geheten. Deze man leefde deugdzaam in het licht van Gods genade. Met hem ging hij op weg. Op een gegeven moment zagen ze twee schapen. Die ontmoeting deed de heilige man veel plezier en vrolijk zei hij tot zijn metgezel: “Vertrouw op de Heer, broeder! Bij ons gaat immers het woord van het evangelie in vervulling: ‘Zie ik zend jullie als schapen onder de wolven’ (Matteus 10,16). Toen ze wat verder voortgegaan waren, stootten ze op een troep hun tegemoet komende Saraceense soldaten. Als razende wolven die een aanval deden op schapen, snelden dezen op Gods dienaren toe en overmeesterden hen op ruwe wijze. Hun wreedheid en verachting op hen botvierend beschimpten ze hen, bewerkten hen met zwepen, en sloegen hen in de boeien. En na hen danig toegetakeld te hebben en veel mishandelingen te hebben laten ondergaan, brachten ze Gods dienaren tenslotte – Gods voorzienigheid beschikte het zo – vóór de sultan Precies wat de man Gods had verlangd. Op diens vraag wie hen gezonden had, met welk doel ze gezonden waren, wat voor een zending ze hadden en hoe ze bij hem hadden kunnen komen, antwoordde Christus’ dienaar onverschrokken dat hij niet op bevel of met hulp van een mens door de linies gekomen was, maar dat de allerhoogste God hem er doorheen had laten trekken om hem, de sultan, en zijn volk de weg naar het eeuwig heil kenbaar te maken en het ware evangelie te verkondigen. En zo rustig en vastberaden, zo moedig en enthousiast sprak hij tot de sultan over de drie-ene God en over Jezus Christus, de Zaligmaker van alle mensen, dat overduidelijk in hem bewaarheid bleek wat het evangelie zegt: “Ik zal jullie welsprekend maken en een wijsheid geven die geen tegenstander zal kunnen weerstaan of weerspreken” (Lukas 21,15). Want toen de sultan het wonderbaarlijke enthousiasme en de geestkracht van de man Gods zag, luisterde hij ook graag naar hem; hij drong er met nadruk bij Franciscus op aan bij hem te blijven. Maar Christus’ dienaar antwoordde hem, op ingeving van God: “Als u zich met uw volk tot Christus wilt bekeren, zal ik uit liefde voor Hem graag bij u blijven. En als u er misschien tegen opziet, omwille van het geloof in Christus, de wet van Mohammed af te zweren, laat dan een zeer groot vuur ontsteken; samen met uw priesters zal ik dat vuur ingaan, opdat u erachter zult komen aan welk geloof men zich terecht houden moet om zijn grotere zekerheid en heiligheid.” In antwoord hierop zei de sultan tot hem: “Ik denk niet dat één van mijn priesters bereid is om dat vuur in te gaan of vrijwillig enige foltering te ondergaan om zijn geloof te verdedigen.” Want hij had gezien hoe één van zijn priesters, een hoogbejaarde vertrouweling van hem, zich bij het horen van dat voorstel onmiddellijk uit de voeten had gemaakt. Toen zei de heilige man: “Ik wil ook wel alleen door dat vuur gaan. Maar dan moet u mij wel, ook namens uw volk, beloven dat u en uw volk tot de christelijke eredienst zal overgaan, wanneer ik er ongedeerd uit zal komen. Mocht ik verbranden, geef dan de schuld aan mijn zonden; maar als Gods macht mij zal beschermen, erken dat Christus, Gods kracht en Gods wijsheid, waarachtig is en Heer en Verlosser van alle mensen.” De sultan zei vervolgens dat hij het niet waagde hierop in te gaan, omdat hij dan een oproer van het volk vreesde. Wel bood hij de man Gods vele kostbare geschenken aan.’ Die weigerde Franciscus. Hij wilde geen goud, hij wou zielen redden. Bovendien – zo besluit Bonaventura dit verhaal – zag Franciscus niet het geringste zaad van een ware godvruchtigheid in de ziel van deze sultan.

Voortdurend gebed
Bonaventura legt er de nadruk op dat Franciscus voortdurend in gebed was. Hij geeft er een aantal spectaculaire voorbeelden van. Zo vertelt hij over een moment waar Franciscus de eenzaamheid had opgezocht. Zijn medebroeders hoorden hem hardop bidden. ‘Daar in de eenzaamheid heeft men hem ‘s nachts  met in kruisvorm uitgestrekte armen zien bidden, zwevend boven de grond en door een lichtende wolk omgeven.’

1224 Franciscus zet een kerststal op
Franciscus verlangde ernaar Christus zo getrouw mogelijk na te volgen. Alles wat daarbij kon helpen was welkom. Zo vroeg hij in 1224 toestemming aan de paus om in Greccio een levende kerststal in te richten. Op die manier zouden hij en zijn volgelingen zich nog duidelijker Jezus’ armoede voor de geest kunnen halen. Zijn levensbeschrijver vertelt het als volgt: ‘Toen liet hij een kribbe klaarmaken, daar stro in leggen, en er een os en een ezel bij zetten. En toen hij daarna zijn broeders had laten komen en de mensen toegestroomd waren, weergalmde het bos van de stemmen en maakten het heldere schijnsel van de talloze fakkels en de welluidende, melodieuze gezangen die eerbiedwaardige nacht stralend helder als was het dag; ze zorgden voor een bijzonder gewijde, plechtige sfeer. Vervuld van een diepvrome genegenheid stond de man Gods voor de kribbe; hij liet zijn tranen de vrije loop, maar werd tegelijkertijd doorzinderd van een onzegbare vreugde. Boven de kribbe werd de plechtige heilige mis gevierd en als diaken zong Franciscus het heilig evangelie. Daarna hield hij voor het aanwezige volk een preek over de geboorte van de arme Koning. En telkens wanneer hij diens naam wilde uitspreken, noemde hij Hem in de overmaat van zijn innige liefde het ‘Kind van Bethlehem’.’
Zo werd Franciscus de uitvinder van het gebruik om met een kerstmis een stalletje te zetten.

Water uit de rots
In zijn Tweede Levensbeschrijving vertelt Thomas van Celano over die keer dat hij op zijn gebed water uit een rots deed vloeien en een boer te drinken gaf.
Eens was Franciscus hartje zomer op weg naar een eenzaam kloostertje voor een stille tijd. Hij was ernstig verzwakt. Een boer had hem zijn ezel gegeven. Maar de weg was lang, het moeilijk begaanbare pad oneffen en vermoeiend. De boer vreesde te bezwijken van de dorst en smeekte Franciscus om uitkomst. Deze kreeg medelijden, kwam van de ezel af, knielde neer op de grond en hief zijn armen ten hemel in gebed. Na enige ogenblikken zei hij tegen de boer: “Kijk, daarginds, ga er gauw naartoe. Je zult er stromend water vinden. Geschenk voor jou van Christus zelf.” Thomas van Celano roept uit dat de boer dronk van harde steen. Tevoren was daar nooit sprake geweest van water. En daarna kon men er geen spoor van terugvinden.

Preken bij de paus
‘Bij een zekere gelegenheid zou hij een preek houden voor paus Honorius III († 1227) en de kardinalen. Hij was hevig in de weer geweest om een goede preek in elkaar te zetten en met veel zorg had hij die ook van buiten geleerd. Toen hij echter voor het eerbiedwaardige college stond om zijn stichtende preek te houden, herinnerde hij er zich opeens geen woord meer van en wist hij helemaal niet wat hij zeggen moest. In waarachtige nederigheid vertelde hij dit aan zijn gehoor, keerde in zichzelf en vroeg de heilige Geest om zijn genadevolle hulp. En plotseling begon hij in een rijke stroom van woorden een zo indrukwekkende en doeltreffende preek te houden dat hij de harten van die verheven mannen tot berouwvolle inkeer bracht.’

Verschijning te Arles
‘Eens hield Antonius van Padua († 1231; feest 13 juni), een bijzonder begaafd predikant,  op het kapittel van Arles een preek voor de broeders over het opschrift boven het kruis: “Jezus van Nazareth, koning van de Joden”. Een zeer deugdzame broeder, Monaldus geheten, keek op een gegeven moment – op goddelijke ingeving – naar de deur van de zaal en zag toen met eigen ogen de zalige Franciscus. Hij zweefde in de lucht en met zijn als op een kruis uitgestrekte armen zegende hij zijn broeders.’

Franciscus’ dierenliefde
Beroemd zijn de verhalen waaruit Franciscus’ dierenliefde blijkt.

Franciscus en de worm
Zo pakte hij eens vol zorg een worm op van de weg met de woorden: “Maar broeder worm, wees toch voorzichtig bij het oversteken; straks komt er een kar die je onder zijn wielen verplettert.” En hij zette het dier liefdevol in de berm

Franciscus preekt voor de vogels
Toen hij eens met zijn broeders langs een groep bomen liep, konden ze elkaar niet verstaan vanwege het lawaai dat de vogels maakten. Franciscus besefte dat hij de dieren tekort gedaan had, zei tegen zijn broeders dat ze even moesten wachten, en gebaarde de vogels, dat hij hen iets wilde zeggen. ‘Terstond kwamen de vogels die in de bomen zaten, naar hem toe en allen bleven zonder te bewegen voor hem zitten tot hij zijn preek beëindigd had. En ook toen gingen ze niet weg voor hij hun zijn zegen had gegeven. En, zoals broeder Masseus en broeder Jacobus de Massa later vertelden, verroerde geen enkele vogel zich toen Franciscus tussen hen door liep en hen met zijn pij raakte.
De inhoud van de prediking van Sint Franciscus was in grote lijnen de volgende: “Mijn dierbare zustertjes de vogels, jullie zijn God, je Schepper, veel dank verschuldigd en je moet Hem altijd en overal verheerlijken, omdat Hij jullie de vrijheid heeft gegeven om te vliegen waar je maar wilt en tevens omdat Hij jullie dubbele kleding geschonken heeft en enkelen van jullie in de ark van Noach heeft opgenomen opdat jullie soort in stand zou blijven. Ook zijn jullie Hem veel dank verschuldigd voor het element van de lucht, dat Hij jullie heeft toegewezen. Daarbij komt nog, dat hoewel jullie zaaien noch oogsten, God jullie voedt en jullie de rivieren en bronnen geeft om te drinken, bergen en dalen om je in veiligheid te brengen, en hoge bomen om er je nest in te bouwen. En daar je niet kunt spinnen of naaien, kleedt God jullie: jullie en je kinderen. God bemint jullie dus wel in hoge mate, daar Hij jullie met zoveel weldaden overlaadt. Wacht je daarom, geliefde zustertjes, voor de zonde der ondankbaarheid, doch wees er altijd op bedacht God te verheerlijken.”
En terwijl Franciscus aldus tot hen sprak, deden al die vogeltjes hun bekjes open, reikten zij hun halsjes, spreidden zij hun vleugeltjes uit en bogen zij eerbiedig hun kopjes tot aan de grond en toonden zij door gebaar en getjilp dat de woorden van de heilige vader hun groot genoegen deden. En Sint Franciscus deelde die vreugde en blijdschap met hen en verbaasde zich zeer over die grote hoeveelheid vogels en over hun prachtige verscheidenheid en over de aandacht waarmee zij naar hem luisterden en alle schuwheid hadden afgelegd; en daarom prees hij in hen godvruchtig de Schepper.
En toen Sint Franciscus zijn prediking besloot, maakte hij een kruisteken over hen en gaf hun verlof weer weg te vliegen; daarop vlogen al die vogeltjes tegelijk op onder wonderschoon gezang en gingen in vier groepen uiteen volgens het kruis dat Sint Franciscus over hen gemaakt had; en zo vloog een deel naar het oosten, een ander deel naar het westen, de derde groep vloog naar het zuiden en de vierde naar het noorden, en iedere groep zong al vliegend zijn mooiste lied. En door zingend uiteen te gaan naar de vier windstreken der wereld, volgens het kruisteken dat Sint Franciscus, de drager van Christus’ kruisbanier, over hen gemaakt had, gaven de vogels te kennen dat de boodschap van Christus’ kruis zoals zij door Sint Franciscus weer was opgevat, door hem en zijn broeders in heel de wereld moest worden uitgedragen en dat die broeders evenals de vogels niets op deze wereld in eigendom moesten hebben, maar zich voor hun levensonderhoud moesten verlaten op Gods Voorzienigheid alleen. Tot lof van Christus. Amen.’

Sint Franciscus en de bloeddorstige wolf van Gubbio.
Toen Franciscus enige tijd in de stad Gubbio verbleef, dook daar in de buurt een enorm grote, angstaanjagende en bloeddorstige wolf op, die niet alleen dieren, maar ook mensen verslond. En omdat die wolf ook dikwijls in de buurt van de stad kwam, verkeerden alle inwoners van Gubbio in schrik en beven. Ieder die de stad uit moest, deed dat gewapend, alsof er oorlog was. Maar met dat al stond men hulpeloos tegenover dat woeste beest, als men het in zijn eentje tegenkwam. Tenslotte kwam het zo ver dat niemand meer de stad uit durfde gaan; zo bang waren ze voor die wolf.
Omdat Franciscus met die mensen te doen had, vatte hij het plan op naar die wolf toe te gaan, alhoewel de mensen van de stad hem dat sterk afraadden. En zo tekende hij zich met het  heilig kruis en ging met zijn gezellen, in vol vertrouwen op God, de stad uit. En toen de anderen aarzelden om verder te gaan, sloeg Franciscus de weg in naar de plek, waar de wolf zich bevond. En ja hoor, op het gezicht van al die mensen die gekomen waren om getuige te zijn van dat wonder, kwam de bewuste wolf met opengesperde muil op Franciscus aanrennen. Maar toen hij vlakbij was, maakte Franciscus een kruisteken over hem en riep hem bij zich met de woorden: “Kom hier, broeder wolf. In Christus’ naam beveel ik je noch mij noch iemand anders kwaad te doen.” En toen gebeurde het wonder. Zodra Franciscus het kruisteken had gemaakt, sloot de vreselijke wolf zijn bek en hield zijn vaart in; en op het horen van dat bevel ging hij zachtjes als een lam voor de voeten van Franciscus liggen.
Toen sprak Franciscus hem aldus toe: “Broeder wolf, je berokkent veel schade in deze streek, en je hebt hier veel onheil gesticht door schepselen Gods te verminken en te doden zonder toestemming. En niet alleen heb je dieren gedood en verslonden, maar je hebt je zelfs verstout om mensen, geschapen naar Gods beeld, te doden en te verminken. Daarom verdien je de galg als een rover en een gemene moordenaar. Alle mensen beklagen zich over je gedrag, en zijn tegen je gekant; en heel deze streek is je vijandig gezind. Maar ik wil vrede sluiten tussen jou en hen, broeder wolf, en wel op de volgende voorwaarden: dat jij ze geen kwaad meer zult doen, en dat zij van hun kant jou alles zullen vergeven wat je misdaan hebt, en dat ze je niet meer zullen achtervolgen, de mensen niet en de honden niet.”
Na die woorden gaf de wolf door bewegingen van zijn lijf, zijn staart en zijn oren en door knikken met zijn kop te kennen, dat hij aanvaardde wat Franciscus hem zei en dat hij dat wilde nakomen. Daarop zei Franciscus: “Broeder wolf, daar je deze vrede wilt sluiten en je eraan wilt houden, beloof ik je ervoor te zorgen dat de mensen van deze streek je steeds te eten zullen geven zolang je leeft, zodat je geen honger meer hoeft te lijden; want ik weet heel goed dat je al dat kwaad gedaan hebt, door honger gedreven. Maar omdat ik je die gunst bezorg, wens ik ook, broeder wolf, dat je mij belooft nooit meer een mens of dier schade te berokkenen. Beloof je me dat?” Toen boog de wolf zijn kop en gaf daardoor duidelijk te kennen, dat hij dat beloofde. Maar Franciscus voegde er nog aan toe: “Broeder wolf, ik wens, dat je me een plechtige verzekering van die belofte geeft, zodat ik er werkelijk op vertrouwen kan.” En terwijl Franciscus zijn hand uitstrekte om een plechtige verzekering van de wolf in ontvangst te nemen, richtte de wolf zijn rechter voorpoot op en legde die voorzichtig in de hand van Franciscus, en gaf hem aldus naar vermogen een plechtig bewijs van trouw.
Toen sprak Franciscus: “Broeder wolf, in naam van Jezus Cristus, beveel ik je nu onbeschroomd met mij mee te gaan; dan zullen wij deze vrede in naam van God bekrachtigen.” En heel gehoorzaam ging de wolf als een mak lammetje met hem mee. Vol verbazing zagen de mensen van Gubbio dit alles aan. En als een lopend vuurtje ging dit nieuws door de stad zodat iedereen, groot en klein, man en vrouw, jong en oud, naar de markt toog om de wolf en Franciscus te zien.
En toen ze daar allemaal bijeen stonden, ging Franciscus op een verhoging staan en hield een preek voor hen, waarin hij onder andere zei, dat God om de zonden zulke rampen toelaat; maar dat de vlammen van de hel, omdat die de verdoemden eeuwig folteren, nog veel erger zijn dan de vraatzucht van een wolf, die alleen maar het lichaam kan doden. Hoezeer moeten wij dus de muil van de hel vrezen, wanneer zoveel mensen al in schrik en beven verkeren voor de muil van een armzalig dier.”Keert u daarom tot God, allerliefsten en doet oprecht boete voor uw zonden, dan zal God u in dit leven voor de wolf vrijwaren, en in het toekomstig leven voor de hel.”
Toen hij zijn preek beëindigd had, zei Franciscus: “Luistert, mijn broeders; broeder wolf die hier voor u staat heeft mij beloofd en plechtig verzekerd vrede met u te willen sluiten en u nooit meer in iets te benadelen, als u hem belooft hem iedere dag te geven wat hij nodig heeft; en ik sta er borg voor dat hij dit vredesverdrag stipt zal nakomen.” Toen beloofde het volk als uit één mond hem steeds te zullen voeden. En ten overstaan van allen zei Franciscus toen tot de wolf: “En jij broeder wolf, beloof je deze mensen dit vredesverdrag te zullen nakomen, en dat je geen kwaad meer zult doen aan mens of dier of enig schepsel?” Hierop knielde de wolf neer en boog zijn kop, en met vriendelijke bewegingen van lijf en kop en oren gaf hij te kennen, voor zover hij daartoe in staat was, dat hij oprecht van plan was iedere overeenkomst met hen te eerbiedigen. Vervolgens zei Franciscus: “Broeder wolf, ik zou graag zien dat je hier, voor heel het volk, een plechtig teken van je goede trouw geeft, zoals je mij dat buiten de stadspoort gegeven hebt; en dat jij mij, die borg voor je staat, niet te schande zult maken.”
Toen hief de wolf zijn rechter voorpoot op en legde die in de hand van Franciscus. En door dit feit en boven vermelde gebeurtenissen raakte het volk zo in bewondering en blijdschap om de vroomheid van de heilige, het uitzonderlijke van dat wonder en de vrede met de wolf, dat allen luid begonnen te jubelen, God prijzend en zegenend, die hun Franciscus had gestuurd om hen  door diens verdiensten te bewaren voor de muil van een woest beest.
De bewuste wolf leefde twee jaar lang in Gubbio en ging rustig de huizen binnen, van deur tot deur, zonder iemand kwaad te doen en zonder dat hem kwaad geschiedde. En de mensen gaven hem vriendelijk te eten. En als hij zo door het veld en langs de huizen liep, was er nooit een hond die tegen hem blafte. En na die twee jaar stierf broeder wolf tenslotte van ouderdom, hetgeen de mensen heel jammer vonden; want zolang ze hem zo rustig en tam door de stad zagen lopen, werden ze des te beter herinnerd aan de deugd en de heiligheid van Franciscus.

Karakteristiek is het beroemde aan Franciscus toegeschreven gebed om vrede.
Gebed om Vrede
Heer, maak mij tot instrument van uw vrede:
– dat ik, waar haat is, liefde breng;
– waar schuld is, vergeving;
– waar tweedracht is: eenheid;
– waar dwaling is: waarheid;
– waar twijfel is: geloof;
– waar wanhoop is: hoop;
– waar duister is: licht;
– waar narigheid is: blijheid.

Geef, dat ik zoek
niet zozeer getroost te wórden, als wel te troosten;
niet zozeer begrepen te wórden, als wel te begrijpen;
niet zozeer bemind te wórden, als wel te beminnen.
Want wie geeft, ontvangt;
wie zichzelf vergeet, vindt zichzelf;
wie vergeeft, wordt vergeven;
wie sterft, krijgt eeuwig leven.
Amen.

1224
Enkele jaren vóór zijn dood trok hij zich terug in de eenzaamheid van Alverna of La Verna op de Monte Penna. Hij was toen al enige tijd ziek, reumatisch en zo goed als blind.

Bonaventura vertelt ‘dat hij zich – op dringend advies van zijn omgeving – ter genezing van zijn oogkwaal met brandijzers zou laten behandelen. Gewillig stemde de man Gods erin toe. Want hij besefte dat het wellicht heilzaam was voor zijn ogen, maar ook dat het bijzonder pijnlijk zou zijn. Men liet dus een chirurgijn komen. Toen deze het brandijzer, waarmee hij de behandeling zou uitvoeren, in het vuur legde, huiverde de dienaar van Christus even. Maar meteen daarna begon hij, in een poging zijn angstig lichaam te bemoedigen, het vuur als een vriend toe te spreken: “Broeder Vuur, de Allerhoogste heeft je benijdenswaardig schoon gemaakt; bovendien maakt hij je edel, sterk en nuttig. Nu smeek ik de machtige Heer die jou geschapen heeft, je hitte voor mij te willen matigen en ervoor te zorgen dat je wat minder fel brandt, zodat ik je gloed enigszins kan verdragen.” Na dit gebed maakte hij over het witgloeiende ijzer, toen het in zijn buurt kwam, een kruisteken en wachtte verder onbevreesd af.’ Ondanks de afschuwelijke behandeling van wang tot oor verzekerde hij achteraf dat hij geen greintje pijn had gevoeld.

Ook over zijn pijn sprak hij als over zijn ‘lieve zuster’; de dood noemde hij ‘onze zuster, de lichamelijke dood’.

Stigmata
‘Twee jaar voordat hij zijn ziel aan de Schepper teruggaf, bevond de zalige Franciscus zich in het klooster op de berg Alverna. Daar zag hij in een visioen, iets boven zich, een man. Hij leek op een serafijn met zes vleugels en hing met uitgestrekte armen en samengebonden voeten aan een kruis. Twee vleugels reikten omhoog boven zijn hoofd, twee waren uitgestrekt als wilde hij gaan vliegen, en de twee overige bedekten zijn gehele lichaam. Bij het zien ervan was de zalige dienaar van de Allerhoogste uiterst verwonderd. Wat dit visioen hem te zeggen wist hij echter niet. Wel was hij er zeer verheugd over dat hij de Serafijn, wiens schoonheid onvoorstelbaar was, zo welwillend en liefdevol naar hem zag kijken. Dat hij evenwel aan het kruis geslagen was en zo’n wreed lijden onderging, gaf hem een geweldige schok. Toen hij zich dan ook oprichtte, was hij, om zo te zeggen, droevig en blij tegelijk. Nu eens had zijn vreugde de overhand, maar dan overmande de droefheid hem weer. Verward dacht hij erover na, wat dit visioen toch te betekenen kon hebben, en tot kwellens toe matte hij zich af om de eigenlijke zin te achterhalen. Hij kon er echter absoluut geen wijs uit worden en vooral het ongewone van het visioen, dat zo helemaal nieuw voor hem was, obsedeerde hem. Maar toen begonnen in zijn handen en voeten als het ware spijkers zichtbaar te worden, zoals hij die juist gezien had bij de gekruisigde man boven zich.
Het leek alsof er midden door zijn handen en voeten spijkers geslagen waren. In de palm van zijn handen en op de wreef van zijn voeten zag men de spijkerkoppen, terwijl de punten er aan de andere kant uitstaken. Aan de binnenkant van zijn handen was de vorm ervan rond, aan de buitenkant langwerpig, terwijl daar een uitwas te zien was alsof een spijkerpunt van opzij krom geslagen was. Die uitwas stak boven de rest van het vlees uit. Zo waren er ook in de voeten een soort spijkers, eveneens uitstekend boven de rest. Verder was zijn rechterzijde als met een lans doorboord. Daar had hij een litteken. Dikwijls bloedde de wond echter nog en vaak droegen zijn habijt en lendendoek er de sporen van.’

Het was in deze periode dat hij zijn prachtige zonnelied componeerde, een lofzang op de schepping en God, haar schepper.

1225 Zonnelied
Allerhoogste, almachtige goede Heer,
U zij de lof, de roem de eer
en alle zegeningen.
Aan U Allerhoogste komen ze toe
en geen mens is waardig
U te noemen.
Wees geloofd, mijn Heer
met al Uw schepselen
speciaal heer broeder zon,
die de dag is
en ons door zichzelf verlicht.
In zijn stralende schoonheid en grote glans
is hij van U, allerhoogste,
het symbool.
Wees geloofd, mijn Heer
door zuster maan,
en de sterren.
U deed haar aan de hemel staan
klaar, kostbaar en charmant.
Wees geloofd, mijn Heer
door broeder wind
en door de lucht en de wolken,
het heldere en ieder ander weer
waardoor elk schepsel
zijn onderhoud vindt.
Wees geloofd, mijn Heer
door zuster water,
die zo bruikbaar en deemoedig is,
zo kostelijk en kuis.
Wees geloofd, mijn Heer
door broeder vuur
die ons uw licht brengt
in de nacht.
Hij is zo lieflijk en vrolijk
en onverzettelijk in zijn kracht.
Wees geloofd, mijn Heer
door onze zuster, moeder aarde,
die ons draagt en voedt
en allerlei gewassen groeien doet
kleurrijke bloemen
en gras.
Wees geloofd, mijn Heer
door hen die vergeven
uit liefde tot U
wat hun is aangedaan;
die bij ziekte en verdrukking
hun geduld niet verliezen.
Zalig die ze in vrede doorstaan,
want door U, allerhoogste,
worden zij gekroond.
Wees geloofd, mijn Heer
door zuster dood
die ons lichaam ontbindt.
Geen mensenkind die haar ontloopt.
Wee die zij tegenkomt
met zonden beladen.
Zalig zij die zij geborgen vindt
in Uw heilige wil:
de tweede dood zal hen niet deren.
Lof en zegen mijn Heer.
Breng Hem uw dank
en hoge eer
en diepe nederigheid.
Amen.

1226 Franciscus en Broeder Jacoba
Een van de talrijke verhalen die over hem bekend zijn, vertelt over vrouwe Jacoba (ook Giacomina, Jacobina, Jacolina, Jacomina, Jacopa of Jacqueline) Frangipani († 1239; feest 8 februari). Zij was een weduwe, stammend uit de Romeinse adel en bezat een landgoed te Septisoles niet ver van Rome. Op zijn talrijke bezoeken aan Rome ging hij herhaaldelijk bij haar langs. Zij luisterde graag naar hem en had er plezier in lekkere dingen voor hem klaar te maken. Franciscus noemde haar liefkozend Broeder Jacoba.
Toen Franciscus stervende was en voelde dat zijn einde naderde, gaf hij een van zijn broeders de opdracht Vrouwe Jacoba te gaan waarschuwen. Dan konden zij nog afscheid nemen van elkaar. En of ze dan niet wilde vergeten nog één keer van die lekkere koekjes voor hem te bakken. Maar de broeder had nauwelijks de stadspoort van Assisi achter zich gelaten, of daar zag hij in de verte Vrouwe Jacoba al aankomen, en naar gauw bleek, mét haar koekjes. Zij had zelf al gevoeld dat Broeder Franciscus snel achteruit ging. Maar toen zij voor de poort van het kloostertje verscheen waar Franciscus werd verpleegd, kon broeder portier haar niet binnenlaten; een vrouw mocht niet in het slot. In verlegenheid ging hij aan Vader Franciscus zeggen dat Zuster Jacoba buiten voor de poort stond, maar dat hij haar niet kon binnenlaten vanwege het slot. Na enig nadenken zou Franciscus toen geantwoord hebben: “Nee, dat is zo, Vróuwe Jacoba mag niet in het slot. Maar Bróeder Jacoba natuurlijk wel. Ga nog eens kijken om te zien of het niet Broeder Jacoba is die van mij afscheid komt nemen.” Stralend om deze simpele oplossing liet broeder portier Broeder Jacoba bij de stervende Franciscus. De meegebrachte koekjes kon zijn maag op dat moment al niet meer verdragen…
Franciscus stierf op 3 oktober 1226, nadat hij eerst vergiffenis had gevraagd aan broeder ezel, zijn lichaam, dat hij omwille van Christus zo weinig genoegens had gegund en op zijn 44e volkomen afgeleefd was.
‘Franciscus begreep dat het moment van sterven gekomen was. Daarom gaf hij twee broeders, die zijn meest geliefde zonen waren, een wenk om bij hem te komen en droeg hun op, nu hij zo spoedig zou sterven, of liever nu het echte leven zo dichtbij was, met luide stem, juichend met hart en ziel zijn ‘Loflied voor de Heer’, zijn lied van Broeder Zon te zingen. Zelf begon hij, zo goed en zo kwaad als hij kon, de psalm van David te bidden: “Luid roep ik tot de Heer, smekend richt ik mijn stem tot de Heer!” (Psalm 141,01). Bij de broeders die aanwezig waren, was er één, aan wie de heilige zeer genegen was en die zich zeer veel zorgen maakte voor de broedergemeenschap. Toen hij dit alles zag, begreep hij dat het einde niet ver meer kon zijn en zei tot de heilige vader: “Vader, allerliefste vader, ach, uw zonen blijven zonder vader achter, zonder u, die ons de ware weg zo helder deed zien! Denk toch aan ons die u als wezen achterlaat! Vergeef ons wat we misdeden, ons die aanwezig zijn, en ook onze afwezige broeders, en geef ons allen de weldaad van uw heilige zegen.” De heilige antwoordde hem: “Denk eraan , mijn zoon, God roept me. Alle broeders evenwel, aanwezig of niet, vergeef ik al hun fouten en misdragingen en, voor zover ik dat kan, spreek ik ze daarvan vrij. Bericht hun dat en zegen ze in mijn naam.”
>Tenslotte liet hij het evangelieboek brengen en vroeg hem het evangelie van Johannes voor te lezen beginnend bij: “Zes dagen voor het paasfeest, toen Jezus wist dat zijn uur gekomen was en Hij naar de Vader zou gaan…” (Johannes 13,01). De minister was al van plan geweest dit evangelie te lezen, voordat het hem  verzocht werd, en toen hij het boek opensloeg, was dit bovendien meteen het eerste wat hem onder ogen kwam. Toch bevatte het boek waaruit men het evangelie moest lezen, de volledige Heilige Schrift. Daarna liet de heilige zich neerleggen op een habijt en zich met as bestrooien, hij, die al heel spoedig alleen maar stof en aarde zou zijn. Veel broeders, wier vader en leidsman hij was, kwamen er nu bij. En terwijl ze eerbiedig stonden te wachten op zijn zalig afsterven en de voltooiing van zijn zalig leven, steeg zijn zeer heilige ziel, zich losmakend uit het lichaam, op in de grondeloze zee van het eeuwige licht. Zijn lichaam gleed uit het leven weg en hij ontsliep in de Heer.’

Verering en Cultuur
‘In die tijd was in Terra di Lavoro broeder Augustinus minister van de broeders, een in alle opzichten voortreffelijk en heilig man. Hij lag op sterven en had al lang geen woord meer kunnen zeggen. Plotseling hoorden de omstanders hem luid roepen: “Wacht toch even op mij, vader, wacht even; ik ga met u mee!” De broeders waren zeer verbaasd en vroegen hem naar wie hij zo onstuimig riep. “Zien jullie onze vader Franciscus dan niet naar de hemel gaan?” vroeg hij hun. Meteen maakte zijn heilige ziel zich van zijn lichaam los en volgde de heilige vader.
De bisschop van Assisi had juist in die tijd een bedevaart gehouden naar het heiligdom van de heilige Michaël op de berg Gargano. In de nacht van Franciscus’ sterven verscheen de heilige man hem en zei: “Zie, vader, ik verlaat nu de wereld en ben op weg naar de hemel.” Toen de bisschop de volgende morgen opstond, vertelde hij aan zijn gevolg wat gezien had. Hij keerde terug naar Assisi en kwam na een zorgvuldig onderzoek tot de zekerheid dat de heilige vader uit deze wereld was heengegaan precies op het uur waarop Franciscus het hem in dat droomgezicht had laten weten.’

Ontdekking van de stigmata.
‘Stomverbaasd stonden de broeders te kijken naar een ongekend wonder. Want nog nooit hadden ze iemand horen vertellen of hadden ze ergens gelezen wat ze nu met eigen ogen zagen. En als het niet zo onweerlegbaar duidelijk was geweest, zou je ze er nooit van hebben kunnen overtuigen. Want ze zagen werkelijk met eigen ogen in het lichaam van de heilige vader de weergave van het kruis en van de kruiswonden van het vlekkeloze Lam, dat de zonden van de wereld had uitgewist. Het was alsof hij zojuist van het kruis was afgehaald. Zijn handen en voeten waren met spijkers doorboord en in zijn rechterzijde zag men de wonde van een lans. Zijn lichaam dat van tevoren donkerkleurig was geweest, was nu, zoals ze zagen, stralend blank geworden en scheen in zijn schoonheid vooruit te lopen op de beloofde gelukzalige verrijzenis.’

Bewening door Clara en haar zusters
Het lichaam van Franciscus werd overgebracht naar de San-Damianokerk, waar alles was begonnen. Daar woonde nu Clara en haar zusters die hij destijds op diezelfde plek had opgenomen in de Tweede Orde, de vrouwelijke tak. ‘Met haar andere dochters kwam zij om haar vader te zien, die niet meer tot haar sprak, die nooit meer bij haar terug zou keren, maar die naar elders op weg was. Toen ze naar hem keken, werden ze door diepe droefheid overmand. Ze snikten luid en lieten hun tranen de vrije loop. Men hoorde haar klagen met verstikte stem…’

Wonderen
In de tijd na zijn dood gebeurden er vele wonderen op zijn voorspraak. Giotto heeft er een paar afgebeeld in zijn reeks wandschilderingen in de San-Francescokerk te Assisi.

1. Verschijning aan paus Gregorius
Na Franciscus’ dood braken er woelige tijden aan voor de kerk. Paus Gregorius IX († 1241) besloot Rome zelfs te verlaten om verder onheil te voorkomen. Hij begaf zich naar de streek waar Franciscus was rondgetrokken, en waar de heilige levenswijze van diens broeders en zusters herinnerden aan zijn inspiratie. Zij vertelden hem over Christus’ wondentekenen in het lichaam van de heilige. Maar dat kon de paus toch maar moeilijk geloven. Daarop verscheen hem in een droom Franciscus zelf. Toonde hem zijn bloedende zijde en vroeg hem zelfs een glas te laten brengen om het stromende bloed in op te vangen. Deze droom heeft bijgedragen aan de snelle heiligverklaring van Franciscus.

2. Genezing van een hartstochtelijk vereerder
In de Catalaanse stad Lerida woonde een groot vereerder van Sint Franciscus. Juan heette hij. Hij werd het slachtoffer van een aanslag, omdat zijn aanvaller hem verwisselde met zijn persoonlijke vijand. Het zwaard sneed zo wat de arm van zijn schouder en maakte vervolgens zo’n enorm gat in zijn borst dat de lucht die daar ontsnapte wel een dozijn kaarsen had kunnen uitblazen. De dokters hadden de man volkomen opgegeven. Hij echter nam zijn toevlucht tot Sint Franciscus en riep onophoudelijk zijn hulp in. Toen verscheen in zijn venster Franciscus zelf. Hij haalde het verband van zijn wonden, zalfde de wonden met olie en verwijderde pus en etter. De volgende morgen stond de man volkomen genezen op.

3. Dode vrouw ten leven gewekt.
Ook is er sprake van een vrouw die was gestorven voordat ze haar laatste biecht had kunnen uitspreken. Zij dreigde in het hiernamaals dus veel pijnen te moeten ondergaan. Franciscus’ voorspraak werd ingeroepen. De vrouw kwam weer tot leven, en sprak haar biecht uit. Daarop stierf zij in de vrede van de Heer.
[vgl. Giotto’s fresco nr.27 in de San Francesco te Assisi]

4. Bekeerde ketter bevrijd
Ten tijde van paus Gregorius IX zat er in Rome een man gevangen. Pietro heette hij. Hij was beschuldigd van ketterijen. De paus had hem laten opsluiten. Er was geen ontsnappen meer aan. Op de vooravond van Sint Franciscus’ feest begon de man de heilige aan te roepen. Dat hij intussen bekeerd was van zijn ketterse ideeën en of de heilige medelijden met hem wilde hebben. Tegen de avond van het feest verscheen Franciscus zelf. Ontdeed de man van zijn boeien en nodigde hem uit de gevangenis te verlaten. Maar Pietro was zo geschrokken dat hij het op een brullen zette. De bewaarders kwamen eraan en toen zij zagen water gebeurd was, gingen zij dat aan de paus vertellen. Deze kwam zelf kijken. De gebroken boeien werden hem getoond en met de omstanders loofde hij God en de heilige Franciscus om zo’n groot wonder.

1228 16 juli Heiligverklaring
Reeds twee jaar na zijn dood werd Franciscus heilig verklaard. De paus kwam ervoor naar Assisi in gezelschap van een hele menigte kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders, prelaten, abten en zo meer. ‘En dan gaat het gebeuren! Met luide stem, zijn armen ten hemel heffend, zegt de paus: “Tot lof en glorie van de almachtige God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, tot lof ook van de heilige Maagd Maria en de heilige apostelen Petrus en Paulus en ter ere van de verheven Kerk van Rome, verklaren wij, in overleg met en met instemming van het college van onze broeders en andere hoogwaardigheidsbekleders, dat de zalige Vader Franciscus, die door de Heer verheerlijkt in de hemel is opgenomen – om hem de hem toekomende eer op aarde te bewijzen – op de lijst van heiligen moet worden geplaatst en dat zijn feest op de dag van zijn sterven moet worden gevierd.” Na deze verklaring heffen de eerbiedwaardige kardinalen met de paus luid he Te Deum aan. De mensen barsten los in gejuich…’

Op zijn graf in Assisi werd de San-Francescokerk gebouwd (1228 -1253). Ze werd fantastisch versierd met afbeeldingen uit zijn leven door de beste Italiaanse kunstenaars van die tijd. Hoe mooi en kunstzinnig ook, eigenlijk was dit alles in tegenspraak met zijn geest van eenvoud.
De talrijke anekdotes die er over zijn leven de ronde deden, werden verzameld in het boekje ‘Fioretti’ (‘Bloempjes van Franciscus’). Zijn medebroeder Thomas van Celano schreef twee levensbeschrijvingen.

1449 Opgraving relieken
En dan is er nog die griezelige legende van ruim tweehonderd jaar na zijn dood. Paus Nicolaas v besloot onderzoek te doen naar Franciscus’ relieken. Hij liet ze opgraven en men trof Franciscus aan rechtop staande in gebedshouding. Volgens het verhaal waren er enkele hoge geestelijken bij als getuigen. [Wim Vroom ‘Een lugubere legende’ in ‘Catherijne’ 2016.1]

In 1946 publiceerden Gabriël Smit (rijmpjes) & Piet Worm (prentjes) een boekje over heiligen voor kinderen: ‘Roosjes uit de Hemeltuin’; Utrecht/Antwerpen, De Fontein. Het bevat ook een rijmpje voor Franciscus:
Franciscus, die de dieren riep
Tot lof van Hem, die alles schiep,
De duif, de uil, de pelikaan,
Zij hoorden u gelukkig aan,
Hun hart vol liefde, onbevreesd.
O was ik er toch bij geweest!

Patronaten
Hij is hoofdpatroon van Italië; daarnaast van de kerkelijke Staat en de landstreek Umbrië en van de Italiaanse steden Assisi, Bologna, Borgo Val di Taro, Castiglione, Ferrara, Gubbio, Livorno, Mantua, Modena, Palermo, Pesaro, Piacenza, Urbino.
In Zwitserland van het bisdom Basel en in de Verenigde Staten van San Francisco (Californië) en Santa Fe (New Mexico; oorspronkelijk La Villa Real de la Sante Fe de San Francis de Asis).
Verder is hij patroon van de franciscanen, van de armen, van de Katholieke Actie en van de sociale arbeid; van kooplieden, stoffen- en lakenhandelaren, vlashandelaren, kleermakers en wevers; van behanghandelaren en correspondenten in vreemde talen.
Toen in 1931 een geschikte datum werd gezocht voor werelddierendag, koos men voor zijn feestdag, 4 oktober. Sinds 1979 is hij ook patroon van het milieu, van milieubeschermers en ecologen. Zo is hij ook patroon van vogels en andere dieren.
Zijn voorspraak wordt ingeroepen tegen hoofdpijn en de pest.

Afgebeeld
Hij wordt afgebeeld in het kleed van zijn orde (bruine pij met wit koord; in het afhangende gedeelte van het koord zijn drie knopen gelegd; bruine capuce, rond en stijf met kraagvormige schoudermantel; sandalen). Verder is hij altijd te herkennen aan Christus’ wonden in handen en voeten. Vaak heeft hij een kruis, een boek en een doodskop (teken dat alles op deze wereld voorbijgaat en dat men zich dus consequent op het hiernamaals richt). Soms ziet men hem afgebeeld in gebed, de armen gespreid; vaak krijgt hij vanuit de hemel door een cherubs (rood gekleurde zesvleugelige engel) Christus’ wondentekenen toegestuurd.

Muziek
Van het Zonnelied werden in de loop van de muziekgeschiedenis herhaaldelijk toonzettingen gemaakt: Davies, 1912; Sowerby, 1944 enz. Olivier Messiaen componeerde een Franciscusopera.
Frans Liszt (R17) componeerde in 1865 ‘Saint François d’Assise: La prédication aux oiseaux’.

In de Sint Martinuskerk van Sneek wordt elk jaar op het feest Sint Franciscus een speciale 4-stemmige versie van het zonnelied in het oud-Umbrisch gezongen door het Franciscus-vrijwilligerskoor.



04 okt - dinsdag

Sneek 08:45 Woord- en Communieviering - Dierendag

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


04 okt - dinsdag

Sneek 09:15 Koffieochtend

Sint Martinushuis, Sneek

Dinsdag 4 oktober is er na de H. Mis weer koffie drinken in het Sint Martinushuis.
We kunnen onder het genot van een kopje koffie/thee weer even bijpraten.
Komt U ook, wij zijn er ook.

Betty en Lenie



04 okt - dinsdag

Sneek 16:00 Rozenkransgebed

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


05 okt - woensdag

- Hele dag Gedenkdag H. Anna Schäffer, dulderes & mystica

– Geen, -

Anna Schäffer, Mindelstetten, Beieren, Duitsland; dulderes & mystica; † 1925.

Afbeelding Anna Schäffer

Feest 5 oktober.

Geschiedenis
Zij werd op 18 februari 1882 geboren in de Beierse plaats Mindelstetten, niet ver van Ingolstadt. Haar vader Michael was schrijnwerker en muzikant; haar moeder Theresia was een vrome vrouw, die haar acht kinderen een diepgelovige opvoeding meegaf. Anna was de derde in de rij. Toen zij op dertienjarige leeftijd naar Regensburg ging om als dienstmeisje werk te zoeken, hoopte zij genoeg geld te verdienen om in te kunnen te treden bij een missiecongregatie.

In juni 1898 treffen we haar in dienst bij een familie te Landshut. Ze neemt er de vlucht onder vreemde omstandigheden, die niet verder uit de doeken worden gedaan en vindt een nieuwe betrekking in het huis van de boswachter te Stammham. Op 4 februari 1901 probeert zij boven een wasketel met kokend water een kleine reparatie uit te voeren; zij glijdt uit en komt met beide benen in het kokende water terecht. Vanaf dat moment begint een lijdensweg langs artsen en ziekenhuizen, die niet in staat zijn haar benen te genezen. Pas in mei 1902 keert zij naar huis terug. Ze kan zich nog slechts met de grootste moeite voortbewegen. Al spoedig blijkt, dat haar voeten steeds slechter worden en uiteindelijk kan zij niet meer van bed opstaan. Het wordt haar duidelijk, dat zij haar missie-ideaal voorgoed moet opgeven.

Met haar moeder bewoont zij een armzalig hutje; beide vrouwen moeten zien rond te komen van een uiterst bescheiden invaliditeitstoelage. Uit liefde voor Christus draagt Anna haar lijden op als een verzoening voor de zonden van de mensheid. Zij wordt daarbij zowel geestelijk als materieel geholpen door haar pastoor Karl Rieger, die een toegewijd leidsman blijkt. In haar gebedsleven ontvangt zij mystieke genadegaven; zo is haar lichaam vanaf 1910 getekend met de stigmata (= de wondetekenen aan handen, voeten en zij, precies zoals Jezus die had opgelopen bij zijn kruisdood). Zij krijgt de eretitel mee van ‘De Grote Dulderes van Mindelstetten’: zij had namelijk op Franciscus’ feestdag, 4 oktober, in een visioen (“Droom”, zei zij zelf) de heilige gezien, die uit liefde voor Christus zijn wondetekenen in zijn lichaam droeg. Vanaf dat moment begint zij aan een merkwaardige vorm van apostolaat. Vanaf haar bed staat zij mensen te woord met troost en goede raad. Zij schrijft brieven en vervaardigt eenvoudige handwerken, die zij gebruikt als kleine aardigheidjes om er mensen mee te verrassen.

Niemand weet hoeveel honderden of misschien wel duizenden mensen zij op die manier heeft geholpen. Maar eind 1922 komt ook daaraan een eind. Haar toestand wordt almaar slechter. Ze lijdt aan totale verlamming aan de benen, waar uiterst pijnlijke krampen doorheen jagen; daar komt ook nog darmkanker bij. Vijf weken voor haar dood valt zij uit bed. Sindsdien lijdt zij aan snerpende hoofdpijn, kan zij nauwelijks nog zien en is spreken uiterst moeizaam geworden. Mensen die haar in die tijd hebben gezien, spreken met intens medelijden hun verbazing uit, dat een mens zulke pijnen kon uithouden. Op 5 oktober 1925 komt er een eind aan haar lijden. Alle mensen die haar kenden waren ervan overtuigd, dat zij met een heilige te doen hadden gehad.

Zalig- en heiligverklaring
Het proces van haar zaligverklaring werd in 1972 op gang gebracht.
Zij werd op 7 maart 1999 door paus Johannes Paulus zalig verklaard en op 21 oktober 2012 door paus Benedictus XVI heilig verklaard.


05 okt - woensdag

Sneek 09:15 Woord- en Communieviering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek


05 okt - woensdag

Sneek 13:30 - 14:30 Leerhuis

Pastorie Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

LEERHUIS OP DE WOENSDAGMIDDAG

Bronnen van Bezieling:

Leerhuis Sint Antonius van Padua parochie

Elke eerste woensdagmiddag van de maand is er in het Martinushuis in Sneek van 13.30 – 14.30 uur leerhuis rond de Schrift. Pastoor Peter van der Weide verzorgt deze bijeenkomsten. Aan de hand van de lezingen van afgelopen zondag of van de komende zondag gaan we met elkaar in gesprek.
Hoe leest u een Bijbelverhaal? Wat staat er nu precies? En al sprekend met elkaar ontstaat er zo Geloofscommunicatie.
De eerstvolgende datum is 4 mei 13.30 – 14.30u.
U bent meer dan welkom.

Plaats Sneek, Pastorie, of (bij meer dan 10 deelnemers) in het Martinushuis via de kerk en de van Harinxmakade
Inleider Pastoor P. van der Weide



06 okt - donderdag

- Hele dag Gedenkdag van H. Ivy van Pontivy, kluizenaar en abt; en H. Bruno de Kartuizer

– Geen, -

Ivy (ook Divagius, Divy, Evy, Ivagius, Ivi, Yvi, Yvy of Ywi) van Pontivy, Morbihan, Bretagne, Frankrijk; kluizenaar & stichter; † eind 7e eeuw.

Afbeelding van Ivy van Pontivy

ca 1900(?), processievaandel. Frankrijk, Bretagne, Loguivy, St-Ivy.

http://www.heiligen.net/afb/10/06/10-06-0700-ivy_3.jpg

Feest6 oktober.

Afkomstig uit het noorden van Wales is hij enige tijd monnik in klooster Lindisfarne aan de oostkust van Engeland, vlak ten zuiden van Schotland; het staat op dat moment nog onder leiding van zijn stichter Sint Cuthbert († 687; feest 20 maart). In 685 verlaat hij het klooster, naar men aanneemt uit protest tegen de aanpassingen van de Keltische gebruiken aan de Romeinse.

Als hij dezelfde is als Iwy van Lindisfarne († 690; feest 6 oktober), dan geeft diens verhaal een heel andere reden voor zijn vertrek: door zijn wonderen en genezingen was er zo’n toeloop op hem ontstaan dat het voor hem onmogelijk was zijn geliefde leven van een teruggetrokken kluizenaar te leiden.

Hij steekt over naar het vasteland en komt waarschijnlijk terecht bij het sindsdien naar hem genoemde Loguivy-lès-Lannion (= ‘Ivyplek’, Côtes-du-Nord). Na verloop van tijd trekt hij verder naar het zuiden, en verblijft enige tijd in Loguivy-Plougras, totdat hij zich vestigt niet ver van de bronnen van de Blavet. Iets verder stroomafwaarts bouwt hij de brug die naar hem is genoemd: ‘Pont-Ivy’. Al gauw groeit de plek uit tot een welvarend dorp en overvleugelt de nabijgelegen oversteekplaatsen in belangrijkheid.

Nog heeft hij geen rust. Hij sticht een klooster tussen Rosporden en Quimper: het huidige St-Yvi. Daar sterft hij op een 6e oktober tegen het eind van de 7e eeuw.

Verering & Cultuur

Zijn naam leeft voort in een aantal Bretonse plaatsjes:
1 Lésivy (= ‘kasteel van Sint Ivy’: te Saint-Divy, gem. Landerneau, Finistère): ligt op één kilometer van het dorp St-Divy (zie nr.09 van deze opsomming): de oorsponkelijke plek van het plaatselijke St-Ivyklooster(tje)?
2 Loc-Yvi (te Tremeven, gem. Quimperlé, Finistère). De plaatselijke kapel is toegewijd aan Sint Diboan. Er is nog een St-Ivybron, weliswaar gesierd met een beeltenis van Sint Diboan.
3 Loguivy (te Plouguerneau, gem. Lannilis, Finistère).
4 Loguivy (te Rosnoen, gem. Le Faou, Finistère).
5 Loguivy-de-la-mer (te Ploubazlanec, gem. Paimpol, Côtes-du-Nord): er is een St-Ivykapel uit 1759.
6 Loguivy-lès-Lannion (= ‘heilige plek van Sint Ivy bij Lannion’).
7 Loguivy-Plougras. De kerk is tegenwoordig toegewijd aan Sint Émilion († 767; feest 16 november), maar een kapelletje herinnert er nog aan de oorspronkelijke patroonheilige. Hij wordt er gevierd op de eerste zondag van mei.
8 Pontivy (Morbihan).
9 Saint-Divy (gem. Landerneau, Finistère): in 1531 heette het hier nog Sainct Ivy: daaruit blijkt dat hier niet sprake is van een heilige Divi (verbastering wellicht van David), maar wel degelijk van Sint Ivy. Moeders doopten de kleren van zieke kinderen in het water van de plaatselijke bron, en legden ze vervolgens op hun kind waarbij ze om hun genezing baden.
10 Saint-Évy (te St-Jean-Trolimon, gem. Pont l’Abbé): kapel en nabijgelegen bron stammen uit 1660.
11 Saint-Yvi (gem. Rosporden, Finistère). Hij is er nog steeds patroonheilige, ook van de kerk. Een zogeheten ‘pardon’ (boetprocessie) had plaats op de maandag na Beloken Pasen te St-Yvi en elke laatste zondag van juli in Moreac bij Locminé, Morbihan.

Patronaten

Hij is patroon van jonge kinderen. Men roept zijn voorspraak in voor kansarme kinderen, om pasgeboren kinderen te behoeden voor alle kwaad, om genezing te verkrijgen van diarrhee, buik- en maagkwalen, hoofdpijn en ontstoken ogen (‘de ziekte van Sint-Ivi’).
In het Bretonse plaatsje Tréméven (Morbihan) wordt hij in het bijzonder nog aangeroepen om voorspraak bij hopeloze gevallen en met name voor stervenden.

Is hij dezelfde als Iwy van Lindisfarne?

______________________________________________________________________________________________________

Bruno de Kartuizer, La Torre, Italië; grondlegger kartuizers; † 1101.

Afbeelding H. Bruno

Sint Bruno in gebed verzonken.
1655, Eustache le Sueuer, schilderij. Duitsland, Berlijn, Gemäldegalerie.

Feest 6 oktober.

Bruno voelde zich sterk aangetrokken tot de eenzaamheid: hij verlangde ernaar God te zoeken in een leven van gestrengheid en gebed.
Er is een legende die probeert te verklaren hoe dat gekomen is:

Toen Bruno in Parijs een glanzende kerkelijke carrière tegemoet leek te gaan, stierf een beroemde professor aan de universiteit; volgens een oude verhalencyclus over het leven van Bruno heette deze geleerde Diocres. Bruno woonde de dodenwake bij. De overledene lag opgebaard in een open kist. Toen de lector in de kerk de woorden voorlas: “Responde mihi!” (= “Antwoord mij!”), ging de overledene plotseling rechtop zitten en riep met luide stem: “Ik ben voor Gods rechterstoel geroepen.” Daarop zonk hij weer zielloos terug. De aanwezigen waren verlamd van schrik. De volgende morgen werd het ochtendofficie voor de overledene gebeden. Toen men bij de woorden was aangekomen “Responde mihi!”, hief de overledene wederom zijn hoofd rechtop en riep: “Over mij is voor Gods rechterstoel een oordeel uitgesproken.!” En weer stoven de aanwezigen uiteen naar alle kanten. Op de derde dag had zich een grote menigte verzameld voor de uitvaart; men was afgekomen op de griezelige verhalen. Voor de derde maal richtte de dode zich op, en sprak wanhopig: “Ik ben voor Gods rechterstoel verdoemd.” Daarop werd hij in ongewijde aarde begraven.

Na deze gebeurtenis zou Bruno zijn studenten hebben gewezen op het kluizenaarsbestaan; zelf heeft hij alle wereldse zaken eraan gegeven hebben om als kluizenaar God te zoeken.

Naar aanleiding van deze legende vervaardigden de gebroeders van Limburg(?) in het gebedenboek ‘Belles Heures’, bestemd voor hertog Jean Duc de Berry, begin 15e eeuw, een afbeeldingenserie.

Hoewel bovenstaande legende zich waarschijnlijk niet heeft voorgedaan in het leven van de H. Bruno, karakteriseert ze toch heel goed zijn levenshouding. Hij was geboren rond het jaar 1030 in een vooraanstaande Keulse familie. Al tijdens zijn opleiding tot een geestelijk ambt vestigde hij de aandacht op zich door zijn talent en zijn houding van recht-door-zee. Door de bisschop van Reims werd hij benoemd tot directeur van de domschool aldaar. Hij bleek een voortreffelijk docent. Onder zijn leerlingen bevond zich o.a. Hugo van Grenoble († 1132; feest 1 april) die verderop in het leven van Bruno een belangrijke rol zou spelen. Toen de paus aan Bruno vroeg de kanselier van de bisschop van Reims te worden, vluchtte hij. Hij had een afschuw van de hardvochtige en praalzieke levenswijze van de kerkvorst die bovendien zijn ambt voor geld gekocht had.

Aanvankelijk trok hij zich terug in de benedictijner abdij van Molesme. Maar ook hier vond hij de strenge geest te zeer verziekt door welvaart, spil- en speelzucht. Met zes gelijkgezinde monniken verliet hij het klooster en begaf zich naar zijn oudleerling Hugo (de latere heilige bisschop Hugo van Grenoble, bijgenaamd ‘de Kartuizer’); deze had hem in een nachtelijk visioen al naar hem toe zien komen, ontving hem met zijn gezellen hartelijk, kleedde hen met een nieuw ordesgewaad en schonk hun een woest stuk grond in de eenzaamheid van de Alpen. Daar aangekomen bouwden de zeven zich een onderkomen: ieder bewoonde een eigen hutje en zorgde voor zijn eigen onderhoud. Eenmaal per dag kwam men in een kapelruimte bij elkaar voor gezamenlijk gebed. Eens per week maakte men een korte wandeling waarin men elkaar geestelijk voedsel toediende. Het heette daar: “La Chartreuse”. De beweging van de kartuizers was geboren. Het was 1084. De heilige bisschop Hugo kwam herhaaldelijk voor enige tijd naar de chartreuse om er te bidden; dat hield hij dan zo lang vol dat Bruno zich genoodzaakt zag hem in zijn gebed te storen om hem eraan te herinneren dat hij naar zijn mensen terug moest.

Bruno mocht hopen dat men hem zou vergeten, en dat hij zijn geliefde leven van God-zoeken-in-de-eenzaamheid onbekommerd zou kunnen voortzetten. Maar paus Urbanus II († 1099; feest 29 juli) had een vroom en wijs raadsman naast zich nodig en zijn keus viel op Bruno. Deze kon niet weigeren, en begaf zich tot zijn verdriet in het jaar 1090 naar zijn nieuwe taak. Onophoudelijk heeft hij de paus gevraagd om te mogen terugkeren naar de eenzaamheid.
Tenslotte stond deze het hem toe: 1091. Hem werd een stuk grond in Calabrië geschonken, en wederom trok hij zich met zes gelijkgezinden in de stilte terug. Pogingen om kontakten te leggen met zijn eerste vestiging mislukten. Na tien jaar aan het hoofd te hebben gestaan van de Calabrische chartreuse, stierf hij. Hij werd ter plaatse begraven. Toen men vierhonderd jaar later zijn lichaam opgroef, bevond het zich nog in ongeschonden staat.

Verering & Cultuur
Hij is één van de patroons tegen de pest.
Hij wordt afgebeeld in kartuizer habijt (lang wit gewaad met capuchon), een vinger aan de lippen; soms een mijter aan zijn voeten (omdat hij in 1090-1091 een aanbod van Urbanus II afsloeg om bisschop van Reggio te worden; vaak houdt hij de blik gevestigd op een kruisbeeld; soms valt er ook een schedel te zien, symbool voor versterving; hetzelfde symboliseert de voorstelling dat hij op een aardbol staat: wereldverzaking; ook wordt hij wel afgebeeld met een ster op de borst of een krans van sterren om zich heen.

Weerspreuk(en)
‘Wie Bruno tart,
zijn koren wordt er zwart.’



06 okt - donderdag

Sneek 08:45 Woord- en Communieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


06 okt - donderdag

Sneek 16:00 Rozenkransgebed

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


07 okt - vrijdag

- Hele dag Feestdag H. Maagd Maria van de Rozenkrans

– Geen, -

Maria van de Rozenkrans; 1571

Afbeelding van H. Maria van de Rozenkrans
1619. Altaarretabel door Johannes de Pay. Duitsland, Heiligkreuztal, klooster
De vijftien geheimen van de rozenkrans.

http://www.heiligen.net/afb/10/07/10-07-1571-maria_2.jpg

Feest 7 oktober

Rond 1570 bedreigden de oprukkende Turken het christelijke westen. Met de grootst mogelijke moeite wist paus Pius V († 1572; feest 5 mei) de christenstaten te bewegen de krachten te bundelen en een gezamenlijk leger op de been te brengen. Zo voer op 7 oktober 1571 een Spaans-Italiaanse vloot, onder leiding van Don Juan van Oostenrijk († 1578) de Turken tegemoet voor een beslissend treffen. Deze zeeslag is de geschiedenis ingegaan als de Slag bij Lepanto (= het huidige Navpaktos, ten noorden van de Griekse stad Patras aan de Golf van Korinte).

Intussen had de paus de christenen opgeroepen het gebed van de heilige rozenkrans te bidden en daarbij Maria’s voorspraak af te smeken. Als de christenen zouden winnen – zo beloofde hij – zou hij een officieel feest van de rozenkrans instellen. En zo geschiedde.

Het feest werd nog eens door paus Clemens XI († 1721) voor de hele kerk bekrachtigd, toen Prins Eugen op 5 augustus 1716 nogmaals een schitterende overwinning behaalde op de Turken bij Peterwardein (bij Neusatz aan de Donau ten noordwesten van Belgrado); hij plaatste het op de eerste zondag van de maand oktober.

Paus Pius X († 1914; feest 21 augustus) plaatste het feest op 7 oktober. Op aanraden van de heilige karmelietes en mystica Katharina Filtjung († 1915; feest 4 augustus) wijdde paus Leo XIII († 1903) de maand oktober toe aan Maria als Koningin van de Heilige Rozenkrans.

Overigens was de rozenkrans als gebedssnoer al veel ouder. Het waren vooral de dominicanen die de devotie voor de rozenkrans verspreidden. Bekend is de afbeelding dat Maria vanuit de hemel het gebedssnoer toevertrouwt aan Sint Dominicus († 1221; feest 8 augustus), vaak tegelijk ook aan Sint Catharina van Siena († 1380; feest 29 april). Zo behoorde de dominicaan Alanus a Rupe († 1475; feest 8 september) tot de bevorderaars van het rozenkransgebed.

De Rozenkrans

De volledige rozenkrans is een gebedssnoer, samengesteld uit vijftien keer tien kralen, telkens afgewisseld met één aparte, meestal grotere kraal. De series van tien kralen noemt men ’tientjes’. Terwijl men de kralen door de vingers laat glijden, bidt men telkens een Wees-gegroet; bij de grotere kraal tussen de tientjes in bidt men een Onze Vader en een Eer aan de Vader. Aan het begin van elk tientje wordt een geloofsgeheim uitgesproken om tijdens het ritmische bidden van de Weesgegroeten te overwegen.

Van oudsher zijn er drie series geheimen: de blijde, droevige en glorievolle geheimen.

De Blijde Geheimen
1 De engel Gabriël brengt de Blijde Boodschap aan Maria
2 Maria bezoekt haar nicht Elisabeth
3 Jezus wordt geboren in een stal van Bethlehem
4 Jezus wordt in de tempel opgedragen
5 Jezus wordt in de tempel wedergevonden

De Droevige Geheimen

1 Jezus bidt in doodsangst tot zijn hemelse Vader
2 Jezus wordt gegeseld
3 Jezus wordt met doornen gekroond
4 Jezus draagt zijn kruis naar de berg van Calvarië
5 Jezus sterft aan het kruis

De Glorievolle Geheimen
1 Jezus verrijst uit de doden
2 Jezus stijgt op ten hemel
3 De Heilige Geest daalt neer over zijn apostelen
4 Maria wordt in de hemel opgenomen
5 Maria wordt in de hemel gekroond

Het was Josemaría Escriva, grondlegger van Opus Dei († 1975; feest 16 juni), die vijf geheimen samenstelde, ontleend aan het openbaar leven van Jezus. Hij noemde ze de Geheimen van het Licht. Paus Johannes Paulus II nam ze over en beval ze aan in de devotie van de rozenkransbidders.

Geheimen van het Licht
1 Jezus wordt gedoopt in de Jordaan
2 Jezus openbaart zich op de bruiloft van Kana
3 Jezus verkondigt het Rijk Gods en roept op tot bekering
4 Jezus verandert van gedaante op de berg Tabor
5 Jezus stelt de eucharistie in

Het Rozenhoedje
In het dagelijks gebruik van de gelovigen werd meestal niet een complete rozenkrans van 150 Weesgegroeten gebeden, maar een derde ervan: 50 Weesgegroeten: het ‘rozenhoedje’.

Er bestaat ook een rozenkrans die is opgebouwd uit zeven keer zeven wees-gegroeten, de zogeheten franciscaanse rozenkrans van zeven vreugden:

De geloofsgemeenschap viert in Maria’s leven zeven ‘vreugde’, zeven momenten van (intens grote) vreugde’, zeven keer een ‘Laetitia’:
1 De aankondiging van de engel Gabriël, dat zij de moeder zal worden van onze Heer Jezus Christus
2 Het bezoek dat zij brengt aan haar bejaarde nicht Elisabeth over wie zij van de engel Gabriël verneemt dat zij op haar oude dag al zes maanden in verwachting is, terwijl zij eigenlijk geen kinderen kon krijgen
3 Jezus’ geboorte in Bethlehem
4 De aanbidding van de wijzen uit het oosten
5 De terugvinding van de 12-jarige Jezus in de tempel na drie dagen smartelijk zoeken
6 De verrijzenis of opstanding van Jezus uit de doden
7 Maria’s ten hemel opneming

Zo horen we van de franciscaan Gabriele Ferretti († 1456; feest 12 november) dat hij de devotie tot de franciscaanse rozenkrans van de zeven vreugden verspreidde.



07 okt - vrijdag

Sneek 19:00 Woord- en Communieviering - 1e Vrijdag van de maand

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


08 okt - zaterdag

- Hele dag Gedenkdag H. Reginfrida van Ostrevant, abdis

– Geen, -

Reginfrida (ook Raginfredis, Rainfroye, Reginfrida of Reine) van Ostrevant (ook van Arras, van Denain of van Donon), Frankrijk; abdis; † ca 800.

Afbeelding van Reginfrida
< 1900. Houtsnijwerk. Frankrijk, Denain, kerk.

http://www.heiligen.net/afb/10/08/10-08-0800-reginfrida_1.jpg

Feest 8 oktober & 20 november.

Haar vader en moeder graaf Aldebert van Ostrevant († begin 9e eeuw; feest 22 april) en gravin Reina stichtten halverwege de 8e eeuw klooster Donon of Denain bij Valenciennes in Frankrijk.

Ze plaatsten er hun dochter Reginfrida als abdis aan het hoofd.

Na haar dood ontstond er rond haar graf een bedevaartsoord.

Want in de loop van de volgende eeuw kwam een blinde vrouw, Awa (of Ava) uit Henegouwen, genezing zoeken. Haar gebed werd verhoord. Toen is ze maar meteen in het klooster getreden. Enige tijd later werd zij tot abdis gekozen.

Ook deze Awa wordt als heilige vereerd († 9e eeuw; feest 29 april)



08 okt - zaterdag

Sneek 10:00 Eucharistieviering

Ielânen, woonzorgcentrum Sneek Ielânen, woonzorgcentrum, Sneek


08 okt - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Woord en Communieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastor Foekema

M.m.v. het Ceacilliakoor

 



09 okt - zondag

- Hele dag Gedenkdag H. Dionysius, bisschop & martelaar

– Geen, -

Dionysius (ook Denis) van St-Denis bij Parijs, Frankrijk; bisschop & martelaar met Rusticus & Eleutherius; † ca 250.

Afbeelding H. Dionysius van St-Denis

< 1800. Wandschildering. Frankrijk, Parijs, St-Sulpice
Dionysius, Rusticus en Eleutherius ter dood veroordeeld.

http://www.heiligen.net/afb/10/09/10-09-0250-dionysius_2.jpg

Feest 9 oktober.

Voor onze beschrijving van Sint Dionysius citeren we Luce Pietri in Plongereon [319]. Eigen opmerkingen zullen we er met niet-cursieve letters tussen voegen.

‘Onze kennis van Dionysius steunt alleen maar op berichten, die later geschreven zijn dan de gebeurtenissen zelf. Een extra moeilijkheid is het feit, dat sommige teksten zeer lastig te dateren zijn. Op basis van die datering zijn die teksten in de loop van de geschiedenis dan ook zeer verschillend gewaardeerd.
Het eerste getuigenis vormt waarschijnlijk Het Leven van Sint Geneviève, aangenomen dat het inderdaad – zoals de schrijver zegt en zoals de meeste geschiedkundigen tegenwoordig veronderstellen – rond het jaar 520 werd samengesteld. Daarbij is het nog altijd niet duidelijk of het oudste exemplaar, de zogeheten Recensie A, niet een latere invoeging heeft meegekregen, die juist het gedeelte over Dionysius betreft.

De schrijver zegt te beschikken over een Lijdensverhaal (‘Passio’) van Dionysius. Hij toont ons Dionysius als de eerste bisschop van Parijs en als een martelaar zonder daaraan ook maar een historisch aanknopingspunt te verbinden. Uit zijn verhaal wordt alleen duidelijk, dat het graf van de heilige op de begraafplaats van de versterking Catuliacus reeds enige verering genoot, toen Sint Geneviève daar rond 475 een basiliek liet bouwen.

De naam van de begraafplaats is afgeleid van Catula, de vrouw, die volgens de legende Dionysius begroef (zie verderop in de legenden).

Pas tegen het eind van de 6e eeuw horen we weer nieuwe informatie. Op dat moment staat de verering van Dionysius aan het begin van een bloeiperiode. Dat kunnen we opmaken uit getuigenissen van de dichter (Venantius) Fortunatus van Poitiers († ca 610; feest 14 december) en de geschiedschrijver Gregorius van Tours († 594; feest 17 november). Beiden vieren de liturgische gedachtenis van de Parijse martelaar. Niet lang daarna, rond 600, wordt Dionysius vermeld in het exemplaar van het Martelarenboek van Hiëronymus, dat in Auxerre werd gebruikt. Gregorius van Tours is de eerste die Dionysius situeert in een historische context. Hij maakt hem tot een van de zeven bisschoppen, die rond 250 door de paus naar Gallië werden gezonden om er het evangelie te gaan verkondigen.

Bij Gregorius van Tours lezen wij: ‘In de tijd van keizer Decius (249-251) werden zeven mannen, die zojuist tot bisschop waren gewijd, naar de Galliërs gezonden. Zo horen we in de geschiedenis van de heilige martelaar Saturninus († ca 257; feest 29 november), waar we het volgende lezen: ‘Zorgvuldig is bewaard gebleven hoe de stad Toulouse ten tijde van de consuls Decius en Gratus Sint Saturninus ontving als haar eerste en grootste priester.’ De zeven bisschoppen werden gezonden naar de volgende zetels: bisschop Gatianus († 310; feest 18 december) naar de inwoners van Tours; bisschop Trofimus († ca 280; feest 9 december) naar de inwoners van Arles; bisschop Paulus († ca 250; feest 22 maart) naar Narbonne; bisschop Saturninus naar Toulouse; bisschop Dionysius naar de inwoners van Parijs; bisschop Stremonius (ook Austremonius; † ca 250; feest 1 november) naar de inwoners van Clermont-Ferrant en Martialis († ca 250; feest 30 juni) werd bisschop van Limoges. Van hen onderging Sint Dionysius, bisschop van Parijs, meerdere folteringen omwille van Christus’ naam; hij werd om het leven gebracht door het zwaard.’
Tot zover Gregorius in zijn Geschiedenis der Franken I,30.

Zo kwam Dionysius naar Parijs. Het Martelarenboek van Hieronymus geeft de bisschop twee gezellen: de priester Eleutherius en de diaken Rusticus.
Tenslotte beschikken we over een aantal Lijdensverhalen (‘Passies’) van Dionysius. Op de eerste plaats het ‘Gloriosae’, genoemd naar het openingswoord. Hoewel er nog altijd geschiedkundigen zijn die het plaatsen in de 6e eeuw – sommigen veronderstellen zelfs dat de schrijver van het Leven van Sint Geneviève naar dit document verwijst – moet het toch van recenter datum zijn. Het ‘Gloriosae’ maakt van Dionysius een bisschop die leerling is van de paus Sint Clemens († 97; feest 23 november). Na met suscces in de buurt van Parijs gepreekt te hebben, wordt hij gevangen genomen en met zijn beide gezellen onthoofd. Opvallend is dat de functies van de beide gezellen zijn omgewisseld: nu is Rusticus priester en Eleutherius diaken. Een vrome vrouwe slaagt erin beslag te leggen op de lijken van de martelaren. Zij laat ze begraven in een of ander veld. Als de vervolgingen voorbij zijn, laat zij op de plek van hun graf een gedenkteken oprichten, later door de christengelovigen vervangen door een basiliek, waarbij nergens de naam van Sint Geneviève valt.

Het tweede lijdensverhaal van Dionysius, het zogeheten ‘Post beatam et gloriosam’, werd geschreven begin 9e eeuw en het derde door abt Hildwin van St-Denis tussen 835 en 840. Daarmee krijgt Dionysius’ heiligenleven zijn definitieve vorm. Nu is Dionysius van Parijs dezelfde als Dionysius de Areopagiet, die door Paulus tijdens zijn bezoek aan Athene werd bekeerd (Handelingen 17,34). Hij wordt ook gelijkgesteld met de schrijver van een aantal mystieke werken, die overigens van veel recenter datum moeten zijn en daarom op naam staan van de zogeheten Pseudo-Dionysius. Eerst is hij bisschop van Athene. Maar als hij hoort dat Petrus en Paulus zijn gearresteerd, besluit hij hen in Rome te gaan opzoeken. Bij zijn komst blijken de twee reeds de marteldood gestorven te zijn. Nu hoort hij dat Gallië nog in de duisternis van het heidendom is gehuld. Hij vraagt aan paus Clemens toestemming om er het evangelie te preken. De bekeringen die hij in Parijs weet te bewerkstelligen, wekken de woede van Domitianus. Op last van een speciale gezant van de keizer wordt hij voor de rechter gedaagd en met zijn beide gezellen op een berg buiten de stad, de Mercuriusberg, ter dood gebracht. Sindsdien heet die berg de Martelarenberg (‘Mons Martyrum’ wordt Montmartre). Maar Dionysius richt zich op en met zijn hoofd in de handen loopt hij twee mijl verder tot hij stilhoudt op de plek waar hij begraven wenst te worden. Daar draagt vrouwe Catula zorg voor. Op die plek bevindt zich nu de basiliek van St-Denis.
Gaandeweg deze verschillende versies is duidelijk te zien hoe de legende zich steeds meer ontwikkelt; er komen steeds meer bijzonderheden en mensen bij, steeds preciezer plaatsaanduidingen en steeds meer wonderbaarlijke gebeurtenissen. Ook valt het op dat Dionysius steeds verder terug in de geschiedenis wordt geplaatst: voor Gregorius is hij een tijdgenoot van Saturninus; later wordt hij in verband gebracht met paus en apostelleerling Clemens en tenslotte met de apostel Paulus zelf. Daar hoeven we ons niet over te verbazen. Parijs was in de middeleeuwen zeker niet de enige Gallische stad die zich tegen elke waarschijnlijkheid in probeerde te onderscheiden door een fundament dat op de apostelen zelf teruggaat.
Wat in ieder geval overblijft is het feit dat minstens reeds in de 5e eeuw Dionysius in Parijs werd vereerd; daar bewaarden de gelovigen waarschijnlijk op goede gronden de herinnering aan zijn martelaarschap dat plaats moet hebben gevonden tijdens een van de christenvervolgingen in de tweede helft van de derde eeuw.’

Alle elementen die we in bovenstaand overzicht aantreffen komen bij elkaar in Dionysius’ verhaal zoals het uiteindelijk werd opgetekend door Jacobus de Voragine († 1298; feest 13 juli) in zijn beroemde Legenda Aurea. Hieronder volgt de vertaling.

Legende
‘Dionysius de Areopagiet werd bekeerd tot het geloof in Christus door de heilige apostel Paulus. Zijn bijnaam ‘Areopagiet’ komt van de naam van een buitenwijk van Athene, waar hij woonde: de Areopaag, dat wil zeggen ‘stadswijk van Mars’, want er stond een tempel waar Mars vereerd werd. Die wijk was de favoriete woonplaats der wijsgeren. Dionysius deed er aan de studie van de filosofie. Vandaar dat hij ook nog een andere bijnaam had: ‘de theosoof’, dat betekent ‘de man die zich vooral toelegt op de kennis van God’. Hij had een collega die Apollófanes heette.

Op de dag dat Christus stierf viel er een dikke duisternis over heel de wereld, dus ook over de stad Athene. De wijsgeren konden er maar niet achter komen, welke de natuurlijke oorzaak was van dit opmerkelijke verschijnsel, want het was heel anders dan andere zonsverduisteringen. Wij merken hier nog op dat talloze getuigen bevestigen hoe wereldomvattend die plotselinge duisternis was.
Zij werd waargenomen in Griekenland, Rome en Klein-Azië.

Volgens andere bronnen verbleef Dionysius op dat moment in de Egyptische stad Heliopolis, waar zijn collega Apollofanes woonde, aldus bv. Mrs. Jameson ‘Sacred and Legendary Art. Volume II containing legends of angels and archangels, the evangelists, the apostles, the doctors of the church and St. Mary Magdalene as represented in fine arts’ London, Longmans & Green & Co, 1890 p.713. In dat geval wordt er gespeeld met de naam van die stad Heliopolis, want die betekent ‘Zonnestad’. De legende wil dat Dionysius daar verblijft, als het zonlicht wordt verduisterd. En die stad ligt nu eenmaal in Egypte.

Geconfronteerd met dit verschijnsel zou Dionysius volgens de verhalen aan zijn landgenoten gezegd hebben: “Deze ongehoorde nacht kondigt vast en zeker de komst aan van een ongehoord nieuw licht, dat de hele wereld zal verlichten.”
Op grond daarvan hadden de Atheners een nieuw altaar opgericht met het opschrift ‘Aan een onbekende God’.

De legende brengt meesterlijk een aantal gegevens uit het Nieuwe Testament bij elkaar: de duisternis van Jezus’ sterfdag (Markus 15,33: “Vanaf het zesde uur [= 12 uur op de middag] viel er een duisternis over het hele land, tot aan het negende uur toe.”) is voor Dionysius aanleiding een nieuw licht te verwachten. Op die manier wordt hij geplaatst in de traditie van de Wijzen uit het Oosten (zie Mattheus 02,01-12) die op soortgelijke wijze in Jezus’ geboortenacht door de ster van Bethlehem tot het ware licht werden gebracht. Het altaar voor de onbekende God is voor Paulus de uitdaging om Christus te verkondigen aan de wijsgeren van de Areopaag te Athene (Handelingen 17,22-33). Zonder succes overigens. Dat verhaal eindigt aldus: “Toch sloten zich sommigen bij hen aan en kwamen tot het geloof, onder wie Dionysius de Areopagiet en een vrouw die Dámaris heette en nog anderen.” Aldus wordt de latere Dionysius van Parijs vereenzelvigd met Dionysius de Areopagiet. Een gebruikelijk procédé in legendes. De bedoeling ervan lijkt duidelijk. Wie die van Parijs meemaakte kon niet anders dan opmerken: “Onze Dionysius is zo heilig en staat zo dicht bij het Nieuwe Testament: hij moet wel dezelfde zijn. De tijden van de het Nieuwe Testament zijn in ons midden teruggekeerd!”

Bij zijn bezoek aan Athene viel Paulus’ oog op dat altaar en hij riep uit: “De God die jullie vereren zonder Hem te kennen, kom ik jullie openbaren.” Daarop richtte hij zich tot Dionysius, omdat hij de knapste wijsgeer was van allemaal met de vraag wie die onbekende God wel was. Dionysius antwoordde: “Het is de enige ware God, maar Hij houdt zich voor ons verborgen; wij kennen Hem niet.” Sint Paulus hernam: “Het is die God die ik jullie kom openbaren. Hij heeft hemel en aarde geschapen; Hij heeft zich bekleed met de gestalte van een mens, heeft de dood ondergaan en is opgestaan op de derde dag.” Hierover bleven Dionysius en Paulus met elkaar van gedachten wisselen. Op een goed moment kwam er een blinde voorbij. Nu zei Dionysius tegen Paulus: “Als u aan deze blinde zegt dat hij in naam van uw God ziende wordt, en het gebeurt, dan bekeer ik me ogenblikkelijk tot uw geloof. Maar ik wil niet dat u één of andere geheimzinnige onnavolgbare toverformule gebruikt. Daarom zal ik u de woorden ingeven waarmee u deze blinde moet genezen in naam van uw Jezus.” Paulus was bereid elke vorm van verdenking te vermijden en nodigde dus Dionysius uit hem de woorden voor te zeggen. Zij luidden aldus: “In naam van Jezus Christus, uit een maagd geboren, gekruisigd, verrezen uit de doden en opgestegen naar de hemel, geef deze man hier het gezichtsvermogen.”

In feite spreekt Dionysius hier een korte geloofsbelijdenis uit. De legende suggereert drie dingen tegelijk: dat Paulus hem in de discussie deze dingen heeft voorgehouden en dat Dionysius ze op hun waarheid wil toetsen; hij neemt dus letterlijk Paulus’ formulering over; tenslotte dat Dionysius eigenlijk al zonder het te weten een gelovige is. Schreef immers Paulus niet in één van zijn brieven:
“Niemand kan zeggen ‘Jezus is de Heer’ tenzij door de Heilige Geest.” (1 Korintiërs 12,03). Dionysius is dus eigenlijk zelf ook een beetje die blinde die ernaar verlangt te zien, juist zoals hij destijds in de duisternis een nieuw licht verwachtte.

Dionysius had die woorden nog niet uitgesproken of de blinde was genezen. Nu ontving Dionysius het doopsel, tegelijk met zijn vrouw Dámaris en heel zijn huishouding.

Nu blijkt Dámaris Dionysius’ vrouw te zijn; zo stond het niet in de Handelingen; de gegevens worden zo veel mogelijk met elkaar verweven.

In de drie jaren daarna bracht Sint Paulus hem de waarheden van het geloof bij. Tenslotte wijdde hij hem tot bisschop van Athene. De prediking van Dionysius was zo enthousiast en overtuigd dat hij zijn hele geboortestad tot het christelijk geloof wist te bekeren, met nog een flink stuk van de omgeving erbij.
In zijn boeken geeft hij te kennen dat Paulus hem heeft verteld wat hij had gezien toen hij tot in de derde hemel werd opgenomen.

Paulus verwijst daarnaar in zijn Tweede Brief aan de Korintiërs: “Ik ken een mens in Christus, die veertien jaar geleden, in het lichaam of buiten het lichaam, ik weet het niet, God weet het… die mens werd weggerukt naar de derde hemel.” (2 Korintiërs 12,02).

Hoe dan ook wij moeten in ieder geval toegeven dat Dionysius ons helder en tot in de kleinste details weet te beschrijven hoe de machtsverhoudingen, de volmachten en dienstwerken onder de engelenkoren verdeeld zijn. Hij vertelt er zo over dat je bijna niet kunt geloven dat hij het uit de mond van een ander heeft opgetekend; je zou bijna zeggen dat hij met eigen ogen in de derde hemel moet hebben geschouwd. Daarnaast bezat hij ook de gave van de profetie. Dat bewijst ons zijn brief aan de apostel Johannes, toen deze verbannen was naar het eiland Patmos.
Daarin schreef hij: “Ik heb een goed bericht voor je, veelgeliefde broeder, want je zult bevrijd worden van je ballingschap op Patmos, en je zult kunnen terugkeren naar je eigen gebied in Azië. Daar zul je voortleven in de gedachtenis van degenen die na je komen door de manier waarop jij het voorbeeld van Christus hebt nagevolgd.” Daarnaast leert hij ons ook nog in zijn boek over de namen van God, dat hij aanwezig was bij het afsterven van de Heilige Maagd.

De schrijver van de Legenda Aurea, Jacobus de Voragine, pronkt hier een beetje met zijn kennis. Hij noemt een aantal boeken op van de hand van Dionysius de Areopagiet: 1. Over de Hemelse Hiërarchie, 2. Over de Namen van God, en 3. Een bundel brieven, waarvan er een aantal gericht zijn aan de apostel Johannes.

Die boeken stammen volgens het historisch onderzoek uit de 5e eeuw, en staan tegenwoordig op naam van Pseudo-Dionysius. De schrijver van deze boeken presenteert zichzelf als de Dionysius die door de apostel Paulus werd bekeerd; hij beweert in één van zijn brieven (nr.7,2) dat hij te Heliopolis de duisternis van Christus’ sterfdag heeft aanschouwd. Ook geeft hij ons te kennen, zoals de legende vertelt, dat hij bij het afsterven van Maria aanwezig geweest zou zijn tezamen met Petrus en Jakobus (Over de Goddelijke Namen 3,2). Zijn werk ‘Over de Hemelse Hiërarchie’ handelt over de rangorde der engelen in de hemel. Dit boek zou teruggaan op wat Paulus hem had verteld over zijn visioen in de derde hemel. Zie Berthold Altaner ‘Patrologie. Leben, Schriften und Lehre der Kirchenväter’ Freiburg/Basel/Wien 1960 Sechste Auflage p.238.

Eens te meer merken wij op dat de middeleeuwer er geen moeite mee heeft dit alles met elkaar in verband te brengen zonder zich te storen aan de vraag of het historisch klopt. Zijn kennis en wetenschap diende ertoe God dichterbij te brengen.

Toen hij hoorde dat Petrus en Paulus onder Nero te Rome in de gevangenis waren geworpen, benoemde hij een ander op zijn plaats en ging op weg om de twee heilige mannen te kunnen ontmoeten. Nadat zij hun ziel aan God hadden teruggegeven, stuurde paus Clemens Dionysius naar Frankrijk, en gaf hem als gezellen mee Rusticus en Eleutherius.

Historisch gesproken werd Paus Clemens I in 88 tot bisschop van Rome gewijd; hij stierf in 97. Petrus en Paulus stierven te Rome rond de jaren 64 en/of 67. Het verhaal slaat dus de pausen Linus en Cletus over, die tussen 67 en 88 Petrus’ stoel te Rome hebben bezet. Onze Dionysius sterft rond het jaar 250 in Parijs. Deze aantekeningen dienen er alleen maar toe om ons voor ogen te houden dat de legende geen geschiedenis vertelt, maar een actueel evangelieverhaal. Zou er gespeeld worden met de naamsbetekenis van Clemens: ‘zachtmoedige’?

Kimpel merkt op dat de namen Rusticus en Eleutherius in de Griekse mythologie eretitels waren voor de wijngod Dionysius: Rusticus = ‘bij het platteland behorend’ en Eleutherius = ‘bevrijder’. Volgens hem moest het verhaal over drie personen gaan, omdat aldus het beeld van de Drievuldigheid werd opgeroepen.
[In: Engelbert Kirschbaum (begründet), Herausgegeben von Wolfgang Braunfels ‘Lexikon der christlichen Ikonographie’ Rom/Freiburg/Basel/Wien, Herder, 1990 ISBN 3-451-21806-2, Sechster Band kol.62.]

Dionysius begaf zich dus naar Parijs. Daar wist hij vele bekeringen te bewerkstelligen. Hij stichtte er een aantal kerken en wijdde een flink aantal priesters. De hemelse genade was op zeer bijzondere wijze met hem. Vaak stormde het volk na opgestookt te zijn door de afgodspriesters als één man op hem af om hem onschadelijk te maken; maar als ze dan bij hem in de buurt kwamen, voelden zij hoe al hun agressie wegvloeide. Dan waren er die zich aan zijn voeten voor hem neerwierpen, terwijl anderen met de schrik in de benen de vlucht namen.
Zo zag de duivel zijn eredienst van dag tot dag verminderen. Hij gaf daarom aan keizer Domitianus de onmenselijke gedachte in dat ieder die een christen tegen het lijf liep, deze moest dwingen om aan de goden te offeren, anders zouden hem zelf de strengste straffen te wachten staan. Het was prefect Fescennius die vanuit Rome naar Parijs gezonden werd om tegen de christenen op te treden. Toen deze prefect Dionysius aantrof juist op het moment dat hij aan het preken was voor het volk, gaf hij bevel hem te arresteren, vast te binden met de ruwst mogelijk touwen en hem aan hem voor te geleiden in zijn pretorium, tegelijk met de andere twee heiligen, Rusticus en Eleutherius.
Ook staande voor de prefect getuigden de drie onverschrokken van hun geloof, tot er een edelvrouw kwam opdagen met de beschuldiging dat ook haar echtgenoot door deze drie verleid was. De prefect liet ogenblikkelijk die echtgenoot aan zich voorgeleiden. Maar deze bleef standvastig in zijn geloof, en werd op staande voet ter dood gebracht. De drie heilige mannen werden daarop door twaalf soldaten gegeseld, met loodzware kettingen omhangen en in de gevangenis geworpen. De volgende dag werd Dionysius geheel naakt op een rooster uitgestrekt. En temidden van de vlammen bracht hij dank aan God.

Herinnering aan de drie jongemannen in de vuuroven (zie: Daniël 03)?

Vervolgens werd hij te vreten gegeven aan de wilde beesten die apart voor dit doel geruime tijd niet gevoederd waren. Maar op het moment dat de dieren zich op hem wilden storten, maakte hij er een kruisteken over. Nu legden ze zich braaf als makke lammetjes naast hem neer.

Dit verhaal herinnert al evenzeer aan een verhaal uit het boek Daniël: Daniël in de leeuwenkuil (Daniël 06). Ook daar blijft de man Gods ongedeerd.

De prefect gaf bevel hem te kruisigen. Na tal van folteringen liet hij hem naar de andere christenen in de gevangenis terugbrengen. Terwijl Dionysius daar de mis opdroeg, verscheen hem Jezus zelf, gehuld in een fantastisch licht; Hij reikte hem een stuk brood aan met de woorden:
“Neemt en eet, mijn zoon, als teken van de dankbaarheid die velen je verschuldigd zijn.”
De volgende dag ondergingen de drie heiligen weer de ene foltering na de andere tot hun hoofd werd afgeslagen met een hakbijl; dat gebeurde voor het beeld van Mercurius. Het lichaam van Dionysius richtte zich onmiddellijk weer op, nam het afgeslagen hoofd in zijn handen en wandelde onder de hoede van een engel wel twee mijlen verder, namelijk vanaf Montmartre, dat wil zeggen de Martelarenberg (Mons Martyrum) tot aan de plaats waar het stoffelijk overschot volgens eigen beschikking en door inwerking van de goddelijke voorzienigheid te rusten is gelegd; het bevindt zich er nog tot op de dag van vandaag.

Het beeld van een onthoofde die het eigen hoofd oppakt, komt in legenden meer voor. Het vormt een krachtig getuigenis voor het geloof in de verrijzenis. Want de dode wordt niet tot dit leven teruggeroepen, nee de dode handelt als dode, in trance, om zo te zeggen! Hij leeft bij God; de dood heeft geen macht meer over hem en “bij God is alles mogelijk” zoals we herhaaldelijk in de bijbel horen.

Vandaar dat alle aandacht zich richt op dat hoofd op die ongebruikelijke plaats: in de handen van de onthoofde. We horen hoe de martelaar met het hoofd in de handen naar het altaar of de kerk van de Heer loopt: zo wordt gesuggereerd dat hij zijn gaven aandraagt om ze aan de Heer aan te bieden, de gave van zijn leven. (Deze gedachte vinden wij ook bij Mrs Jameson in ‘Sacred and Legendary Art. Volume II containing legends of angels and archangels, the evangelists, the apostles, the doctors of the church and St. Mary Magdalene as represented in fine arts’ London, Longmans & Green & Co, 1890 pp.715-716). Merk op dat allen op de een of andere manier tot de opstanding van Christus komen.

In de kunst is dit de afbeelding bij uitstek geworden waaraan Dionysius wordt herkend .

Dionysius heeft zijn laatste rustplaats zelf uitgezocht. Op die plaats is de beroemde kerk van St-Denis verrezen in de nabijheid van Parijs. In de middeleeuwen was het klooster van St-Denis wereldberoemd.

Op hetzelfde moment weerklonk er op die plek zulk een harmonieuze engelenmuziek dat vanuit de omstanders een vrouw haar stem verhief, het was Laërtia, de vrouw van de prefect zelf: zij riep uit dat ze voortaan christen wilde zijn. Dat kwam haar op de doodstraf door onthoofding te staan. Aldus ontving zij het doopsel van het bloed. De zoon van deze vrouw, Vibius, had in Rome onder drie keizers gediend. Toen hij in Parijs terugkeerde, liet hij zich dopen en nam de religieuze levensstaat aan.
De ongelovigen waren intussen bang dat de andere christenen de lijken van de heilige Rusticus en Eleutherius zouden komen begraven; daarom staken zij de koppen bij elkaar en kwamen tot de slotsom dat ze in de Seine gegooid moesten worden. Maar een edelvrouw nodigde de dragers van de beide lijken bij zich aan tafel. Tijdens de maaltijd wist zij de lijken weg te moffelen om ze tenslotte ergens op haar land netjes te begraven. Daar zijn ze gebleven tot de vervolgingen waren uitgewoed. Toen zijn ze bijgezet bij de heilige Dionysius. De drie heiligen ondergingen de marteldood tijdens de regering van Domitianus in het jaar 96. Dionysius was op dat moment negentig jaar oud.’



09 okt - zondag

- Hele dag Gedenkdag H. Johannes Leonardi, stichter

– Geen, -

Johannes Leonardi, Rome, Italië; † 1609.

Afbeelding van Johannes Leonardi
ca 1980, devotieprentje. Italië.

http://www.heiligen.net/afb/10/09/10-09-1609-johannes_1.jpg

Feest 9 oktober.

Hij werd in 1541 geboren in het Italiaanse plaatsje Diecimo, niet ver van Lucca. Hij begon zijn loopbaan als apothekersassistent.

Op zijn tweeëndertigste ontving hij de priesterwijding. Een jaar later al stichtte hij een religieuze congregatie die tot doel had de jeugd les te geven en op te voeden.

Daarnaast legde hij de basis voor een congregatie van ‘hervormde priesters’: zij werkten aan de heiliging van hun ziel door aan zielzorg en opvoeding te doen, met name bij de armen.  Hij verhuisde van Lucca naar Rome waar hij gasthuizen en scholen aanpaste aan de eisen van de nieuwe tijd.

Paus Clemens VIII († 1605) vroeg hem hetzelfde te doen met een aantal kloosterordes van kluizenaars. In 1603 stichtte hij in Rome een college om missionarissen op te leiden.

Paus Pius XI († 1939) verklaarde hem heilig in 1938



09 okt - zondag

Roodhuis 09:00 - 10:30 Viering van de eucharistie door Pastoor van der Weide

Sint Martinuskerk – Roodhuis, Roodhuis


09 okt - zondag

Heeg 09:30 - 10:30 Eucharistieviering, Pastoor P. v.d. Weide

Sint Josephkerk – Heeg, Heeg

voor Rein en Lucia van der Wey-de Vries;                                                                 
voor Arjen van der Pol en de jongens;                                                               
uit Dankbaarheid



09 okt - zondag

Sneek 10:00 PKN Viering

Antonius Ziekenhuis, kerkzaal, Sneek

Voorganger: Joke Verboom, pastoraal medewerker van de Baptistengemeente Sneek



09 okt - zondag

Sneek 11:00 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

Vandaag is het Lourdeszondag

M.m.v. het Sint Caeciliakoor o.l.v. F. Haaze

Onder voorbehoud zullen zij voor ons o.m. zingen:

  • Te Lourdes op de Bergen
  • De Bernadette mis van Daniël Clement (Darros)


10 okt - maandag

- Hele dag Gedenkdag H. Daniel Comboni, stichter en bisschop

– Geen, -

Daniel Comboni, Khartoem, Soedan; stichter & bisschop; † 1881.

Afbeelding Daniel Comboni

http://www.heiligen.net/afb/10/10/10-10-1881-daniel-combini_1.jpg

Feest 10 oktober.

Hij werd op 15 maart 1831 in het Italiaanse plaatsje Limone geboren.

In 1867 stichtte hij te Verona de missiecongregatie van de Goede Herder. Nog in datzelfde jaar opende hij een vestiging in de Egyptische stad Cairo. Het was zijn ideaal om heel Afrika voor Christus te winnen.

Hij stichtte ook een afdeling voor zusters. Daarnaast richtte hij een tijdschrift op. In 1877 werd hij benoemd tot Apostolisch Vicaris voor Centraal-Afrika. Vier jaar later stierf hij.

Hij wordt beschouwd als de redder van de missie in Centraal-Afrika. Hoewel ze in zijn dagen nagenoeg was opgegeven, werken er tot op de dag van vandaag honderden Comboni-missionarissen in Afrika en Midden-Amerika.

Hij werd door paus Johannes Paulus II op 17 maart 1996 zalig en op 5 oktober 2003 heilig verklaard.



10 okt - maandag

Sneek 09:15 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek


11 okt - dinsdag

- Hele dag Gedenkdag H. Gummarus van Lier, kluizenaar en H. Johannes XXIII, paus

– Geen, -

Gummarus (ook Goemer, Gommaar, Gommaer, Gomarus of Gommarus) van Lier, België; kluizenaar; † ca 770.

Afbeelding Gummarus van Lier
< 1500. Handschrift. Nederland, Rotterdam, Museum Boymans-Van Beuningen.

http://www.heiligen.net/afb/10/11/10-11-0770-gummarus_1.jpg

Feest 11oktober.

Gummarus was afkomstig uit Emblehem (het tegenwoordige Emblem) bij Lier. Hij was als ridder verbonden aan het hof van Pepijn de Korte († 768). Hij begeleidde zijn vorst op menige veldtocht en was zoveel als zijn rechterarm. Maar hij wist zich aan het mondaine leven te onttrekken door vasten en gebed. Hij sloot een gelukkig huwelijk. Na de dood van zijn vrouw ging hij op pelgrimstocht naar Rome en trok zich na thuiskomst terug in de eenzaamheid ergens in de omgeving van Lier en bouwde er een bidplaats. Daaruit ontstond geleidelijk aan de stad Lier.

Legende
Op de eerste dag van zijn reis naar Rome sloeg hij zijn tent op aan het riviertje de Nete. Om ruimte te maken moest hij wel een boom omhakken. Maar de man aan wie die boom toebehoorde was hier woedend over. Toen heeft Gummarus in de daarop volgende nacht de boom weer rechtop gezet en met zijn gordel stevigheid gegeven.

Een andere versie vertelt dat het niet Gummarus zelf was, maar zijn soldaten die een boom hadden omgezaagd op privé-terrein. Gummarus zou die boom weer op zijn schouders hebben genomen en op zijn plaats hebben teruggezet. Vervolgens bond hij zijn riem eromheen en de boom was weer de oude en groeide als kool.

Tegenwoordig bevindt zich ter plaatse een gedachteniskapel. Vroeger stond daarnaast een zeer kunstig in ijzer uitgebeelde boom. Dat kunstwerk staat thans in de St.-Gumaruskerk zelf.
Een andere legende vertelt nog dat Sint Gummarus een bron liet ontspringen door zijn pelgrimsstaf in de grond te steken.

Verering & Cultuur
Na Gummarus’ dood werd zijn heilig lichaam in een boot geheel vanzelf zonder riem of schipper van Emblem naar Lier overgebracht.
Om de 25 jaar staan de Sint-Gummarusfeesten in het teken van de Grote Ommegang. Daarin wordt de zilveren reliekschrijn van Gummarus rondgedragen onder begeleiding van de zogeheten Reuzentrein. Die bestaat uit een aantal praalwagens waarop reusachtig groot zijn afgebeeld o.a.: de Dolfijn, de Kameel, de Olifant, het Ros Beiaard, Cor de Kluts, Pallieter, de Leeuw met de Maagd, het Schip van ’s Lands Welvaren enz.

Patronaten
Vanwege het voorval met de boom werd Gummarus in vroeger tijden aangeroepen bij arm- en beenbreuken.
Omdat er vooralsnog geen patroonheilige van de spoorwegen is, zou Gummarus kunnen worden aangeroepen vanwege zijn trein!


Paus Johannes XXIII, geboren als Giuseppe Angelo Roncalli

Afbeelding H. paus Johannes XXIII

Feestdag: 11 oktober

Afkomst, roeping en kerkelijke carrière

Angelo Giuseppe Roncalli was het vierde kind van de dertien kinderen van Giovanni Battista Roncalli (1854-1935) en Marianna Giulia Mazzolla (1854-1939). Zijn vader was landarbeider. De jonge Roncalli had een bijzondere band met zijn oudoom Zaverio, die vooral op de religieuze ontwikkeling van zijn achterneef veel invloed had. De dorpspastoor van Sotto il Monte onderkende de bijzondere intelligentie van Angelo en liet hem – tegen de zin van diens vader, die zijn zoon liever zag bijdragen aan het gezinsinkomen – in zijn vrije tijd Latijn leren. Met financiële hulp van een oom ging hij vervolgens naar het kleinseminarie van Bergamo. In 1901 vervulde Roncalli zijn militaire dienstplicht. Als priesterstudent kreeg hij in 1901 een beurs voor verdere studie in Rome, aan de Pauselijke Lateraanse Universiteit. Roncalli specialiseerde zich in de kerkgeschiedenis. Hij werd in 1903 tot diakengewijd en in 1904 promoveerde hij in de theologie.

Priester

Op 10 augustus 1904 werd hij tot priester gewijd. Hij werd secretaris van Giacomo Radini-Tedeschi, de net benoemde nieuwe bisschop van Bergamo, en doceerde kerkgeschiedenis aan het seminarie aldaar. Met Radini maakte hij verschillende buitenlandse reizen, waaronder naar Palestina. Samen met Radini zette Roncalli zich in voor de verbetering van de positie van textielarbeiders in Ranica. De textielarbeiders aldaar werden zwaar onderbetaald, en waren – nadat ze al maandenlang geen loon meer gekregen hadden – in september 1909 in staking gegaan. Veel stakers werden door de politie opgepakt, maar de staking hield stand. Radini en zijn secretaris Roncalli waren solidair met de stakers, zowel in geschrift als in daad. Zo schonk Radini zijn bisschopsring ter verkoop aan de stakingsleiding, toen de stakingskas leeg geraakt was. Roncalli bezocht gevangengenomen stakers. Toen hij op het politiebureau van Ranica een vrouw ontmoette die daar samen met haar baby gevangen was gezet, gaf deze vrouw hem de baby, die de onthutste Roncalli vervolgens meenam naar het bisschoppelijk paleis.[1] Na het overlijden van Radini raakte Roncalli zijn positie als secretaris kwijt. In Bergamo schreef hij een aantal werken over enkele Italiaanse figuren uit de Katholieke Reformatie. In de Eerste Wereldoorlog was hij eerst hospitaalsoldaat, later aalmoezenier. Paus Benedictus XV benoemde hem in 1921 tot landelijk directeur voor Italië bij de congregatie van de Propaganda Fide. Als lid van de Centrale Raad voor de Pauselijke Missiewerken bracht hij in die tijd onder andere een bezoek aan Nederland.

Bisschop

Angelo Roncalli werd door kardinaal van Rossum voorgedragen als apostolisch visitator voor Bulgarije. Op 19 maart 1925 volgde zijn bisschopswijding door Giovanni kardinaal Tacci Porcelli en werd hij titulair aartsbisschop van Areópoli.

Door zijn studie op het gebied van de kerkgeschiedenis, met name naar de Milaneseaartsbisschop en heilige Carolus Borromeüs (1538–1584), kwam Roncalli in contact met Achille Ratti, die hem later als paus Pius XI jarenlang op diplomatieke missies in Europa en Klein-Azië zou sturen. Hij resideerde achtereenvolgens in Sofia (1925-1934), Istanboel (1934-1937) en Athene (1937-1944). Gedurende de Tweede Wereldoorlog zette hij zich in voor de redding van Joden in Griekenland. Pius XII benoemde hem op 23 december 1944 tot nuntius in Parijs, nadat diens voorganger Valerio Valeri naar het oordeel van de paus (die hierover was bericht door De Gaulle) te veel had ingelaten met het Vichy-regime.

Met zijn vriend en medewerker Bruno Bernard Heim hervormde Roncalli al sinds de jaren 1940 de kerkelijke heraldiek. Met Heim zou hij ook later zijn wapen als paus ontwerpen.

Kardinaal en patriarch van Venetië

Op 24 november1952 ontving Roncalli een brief van het Staatssecretariaat waarin stond dat paus Pius overwoog hem te benoemen tot opvolger van de ernstig zieke patriarch van Venetië, Carlo Agostini. Deze overleed inderdaad kort na kerstmis. Op 9 januari1953 volgde Roncalli’s benoeming in Venetië en drie dagen later werd hij kardinaal-priester gecreëerd. De Santa Prisca werd zijn titelkerk.

Paus

Toen hij op 28 oktober1958 na een conclaaf van vier dagen op 77-jarige leeftijd tot paus gekozen werd, beschouwde men hem vanwege zijn vrij hoge leeftijd als “tussenpaus“.[2] Overigens moet hierbij worden bedacht dat de kardinalen die in conclaaf bijeengekomen waren allemaal relatief oud waren. Van de 53 aanwezigen kardinalen waren er 24 ouder dan Roncalli. Paus Pius XII had tijdens zijn nochtans lange pontificaat slechts twee consistories gehouden, en ten gevolge daarvan was het College van Kardinalen klein en waren de leden ervan bijna allemaal behoorlijk op leeftijd. Op 4 november volgde zijn pauskroning. We weten wat de reden is van de naamkeuze van deze paus, omdat hij zich hierover zelf, meteen na de verkiezing, heeft uitgelaten:

Ik zal Johannes heten. Deze naam is me dierbaar, omdat het de naam is van mijn vader. Hij is dierbaar ook omdat het de naam is van de nederige parochie, waar ik werd gedoopt. Het is de plechtige naam van ontelbare kathedralen, verspreid over de gehele wereld, en in de eerste plaats van de gezegende en heilige basiliek van Sint-Jan van Lateranen, onze kathedraal. Het is de naam die in de lange lijst van pausen het meest gebruikt is. Inderdaad, er zijn tweeëntwintig – zonder enige twijfel – legitieme pausen geweest, die Johannes genaamd waren. Bijna allemaal hadden ze een kortdurend pontificaat. Ik heb ervoor gekozen om de nederigheid van mijn eigen naam te schutten achter deze schitterende opeenvolging van Pontifices. Was het niet Marcus, de Evangelist, de glorie en beschermer van mijn geliefde Venetië, die door Petrus, de prins van de apostelen en de eerste bisschop van Rome, geliefd werd als zijn eigen zoon en door hem Johannes werd genoemd? Ik hou van de naam Johannes, dierbaar voor mij als de gehele Kerk, omdat hij gedragen werd door twee mannen die Christus het meest nabij waren, Johannes de Doper en Johannes de Evangelist.[3]

Johannes XXIII riep tot algemene verrassing[4] op 25 januari1959 het Tweede Vaticaans Concilie bijeen, dat tot vele veranderingen in de Katholieke Kerk zou leiden. Johannes XXIII riep het concilie uit met de woorden “aggiornamento”, wat ‘bij de tijd brengen’ betekent.

Johannes XXIII riep in 1960 voor het eerst in de geschiedenis van Rome een diocesanesynode bijeen. Deze diocesane synode leidde echter, tot teleurstelling van vele (neo-)modernisten en veranderingsgezinden, tot een bekrachtiging van de oude pastorale aanpak. Johannes XXIII reageerde door de schemata van deze synode later te verwerpen en aan veranderingsgezinden de mogelijkheid te bieden nieuwe schemata aan te dragen.

Hij vergrootte het kardinalencollege tot 87 kardinalen, waaronder Mgr. Montini, die later Paus Paulus VI werd. Hij stelde ook een commissie in tot herziening van de Codex Iuris Canonici, het kerkelijke wetboek uit 1917, wat in 1983 onder Johannes-Paulus II tot de publicatie van een nieuwe codex van canoniek recht leidde.

Encyclieken en geschriften

Hij schreef acht encyclieken, waaronder:

Zijn laatste encycliek, Pacem in terris, verscheen in zijn sterfjaar en werd van grote betekenis voor de ontwikkeling van de internationale katholieke vredesbeweging Pax Christi.

Minder bekend is de Apostolische constitutieVeterum Sapientia (Ter bevordering van de studie van de Latijnse taal, 22 februari1962)[5], waarin Johannes XXIII met het oog op toenemende experimenten met de volkstaal in de katholieke liturgie, die toen nog uitsluitend in het Latijn werd gevierd, erop aandrong het Latijn en de gebruiken te behouden. Verder wordt in deze constitutie opgeroepen tot een grondige studie van het Latijn, Grieks en Hebreeuws tijdens de priesteropleidingen in de verschillende bisdommen.

Vernieuwing

In 1962 en 1963 werd onder zijn pontificaat de constitutie Sacrosanctum Concilium van het Tweede Vaticaans Concilie voorbereid. De constitutie zou later aanleiding geven tot aanzienlijke liturgische veranderingen.

Hij kreeg dankzij zijn humor en spontaniteit al snel de bijnaam “de goede paus” en hij wist zich tijdens zijn korte pontificaat – mede dankzij de media en zijn politiek van aggiornamento – uitermate geliefd te maken, wat ook tot uiting komt in zijn graf onder de Sint-Pieterskerk: het is een van de rijkst gedecoreerde praalgraven; zijn lichaam is bewaard in een grote reliekhouder. Een bekende uitspraak van hem was: “Hoeveel mensen er in het Vaticaan werken? Ik hoop de helft.”

Ziekte en dood

Bij paus Johannes werd op 23 september1962 door middel van röntgenfoto’s een ver gevorderd stadium van maagkanker geconstateerd. Anders dan dat later – bij bijvoorbeeld Johannes Paulus II – het geval was, was het in die tijd nog ongebruikelijk dat er uitgebreide mededelingen werden gedaan over de gezondheidstoestand van de paus. Het publiek zou dus nog lange tijd onwetend blijven van Johannes’ ziekte, waaraan hij in de laatste negen maanden van zijn leven erg heeft geleden. Hij had vaak verschrikkelijke maagkrampen en maagbloedingen en moest een aantal keren verplichtingen afzeggen. Ook werd opgemerkt dat hij er bij sommige publieke optredens moe en afgemat uitzag. Op 25 mei 1963 kreeg hij een maagbloeding. Hij werd opgenomen in het ziekenhuis en kreeg bloedtransfusies. Pas toen werd een persbericht opgesteld, waarin duidelijk werd dat de paus terminaal ziek was. Enkele dagen daarna overleed hij.

Zalig- en heiligverklaring

Paulus VI opende in 1970 het proces tot zaligverklaring van zijn voorganger. Op 28 januari 2000 erkende het Vaticaan het wonder dat aan paus Johannes XXIII werd toegeschreven. Het ging hierbij om een Italiaanse zuster, die genas van ernstige maagbloedingen, nadat zij een afbeelding van de overleden paus op haar buik had gelegd.[6] Op 3 september van dat jaar volgde de officiële zaligverklaring door paus Johannes Paulus II. Tegelijkertijd werden – de door Johannes zeer bewonderde – paus Pius IX en drie anderen zalig verklaard. In zijn homilie benadrukte Johannes Paulus dat Johannes, met het uitroepen van het Concilie een seizoen van hoop voor christenen en de gehele mensheid had geopend.[7] Na de zaligverklaring werd zijn stoffelijk overschot naar de boven de crypte liggende kerk overgebracht en rechts voorin geplaatst. Dit werd gedaan opdat bedevaarders de mogelijkheid zouden hebben om Johannes te vereren. Tot op de dag van vandaag leggen bedevaarders verse bloemen bij zijn reliekhouder en vereren zijn gedachtenis. Johannes XXIII werd op 27 april 2014 heilig verklaard door Franciscus, tegelijk met een van zijn opvolgers, Johannes Paulus II, de paus die hem zalig verklaard had.[8]

Overige feiten

  • Als er na het conclaaf een nieuwe paus was verkozen, lag er voor de nieuwe paus een witte toog klaar. Deze witte toog paste de grote Johannes XXIII echter totaal niet, zodat men in allerijl de toog van achteren moest openknippen en met spelden vastzetten. Sindsdien liggen er voor een nieuwe paus drie witte togen klaar: een kleine, een middelmaat en een grote.
  • Johannes XXIII vertelde eens aan journalisten dat zijn broer hem in het Vaticaan bezocht had. De paus had weinig tijd om hem te ontvangen. Zijn broer bekeek hem, en zei: “Gij zijt hier een rijke gevangene”.
  • Er heeft ook een andere Johannes XXIII bestaan. Hij was een tegenpaus tijdens het Concilie van Konstanz van 14141418, dat een einde moest maken aan het Westers Schisma. Deze tegenpaus werd echter nooit door de Katholieke Kerk erkend, en daarom kon Roncalli zich later ook zo noemen.

Werken

  • Il cardinale C. Baronio (1908)
  • Gli atti della visita apostolica de s. C. Borromeo a Bergamo 1575 (twee delen, 1936-1959)
  • Gli inizi del seminario de Bergamo e s. C. Borromeo (1939)
  • Il giornale dell’ anima e altri scritti di pietà (Storia et Letteratura) (1966)

Ondanks zijn vrij korte pontificaat is de invloed van Johannes XXIII op de RK kerk enorm geweest.



11 okt - dinsdag

Sneek 08:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


11 okt - dinsdag

Sneek 16:00 Rozenkransgebed

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


12 okt - woensdag

- Hele dag Gedenkdag H. Herlindis van Aldeneyk, abdis

– Geen, -

Herlindis (ook Gerlindis[108], Harlind[111a], Harlindis[106;108], Herlind[111a], Herlinde[138]) van Aldeneyk osb, België; abdis; † tussen 745(?) en 755.

Afbeelding Herlindis van Aldeneyk
1640. Houtsnede

http://www.heiligen.net/afb/10/12/10-12-0750-herlindis_1.jpg

Feest 12 oktober (Herlindis’ sterfdag).

Zij was van Frankische adel en moet geboren zijn in het laatste kwart van de 7e eeuw. Haar vader heette Adelhard en haar moeder Grinnara of Grinware. Ze had nog een jongere zus, Relindis, en een jonger broertje Erlwin; hij zou later priester worden, althans volgens de legende. Hun ouders waren overtuigd christen. Dat was in deze streken toen nog een nieuwe godsdienst.

Om hun dochters een opvoeding te geven, die door en door christelijk was, stuurden de ouders de twee naar het zusterklooster te Valenciennes in Noord-Frankrijk. Na terugkomst bouwden zij met steun van hun ouders op het familiedomein aan de Maas een zusterklooster. Het schijnt zelfs dat de beide jonge vrouwen eigenhandig stenen aansjouwden. Dat is daarom zo opmerkelijk, omdat arbeid toen alleen iets voor slaven was, voor een lager soort mensen; edelen werkten niet; daar stonden ze boven!

Op die manier lieten de beide zusters zien dat ze Jezus in zijn eenvoud wilden navolgen. Hij was immers ook slaaf geworden.

Zo wordt er verteld dat de twee vrouwen in de rivier keien en steentjes zochten om er op de vloer van de kloosterkerk een mozaïek van te maken. Hun schort gebruikten ze als draagtas. Allebei een zware vracht aan stenen en kiezels torsend kwamen ze op een smal bruggetje hun vader tegen, die liever niet zag dat zijn dochters zich met dergelijke laag-bij-de-grondse arbeid bezighielden. “Wat sjouwen jullie daar met zoveel moeite?” vroeg hij. “Rozen” gaven ze allebei ten antwoord. Daarbij dachten ze misschien aan het kunstwerk dat ze ervan zouden gaan maken in de kerk. Maar toen Herlindis haar schort opende om het aan haar vader te laten zien, zag hij inderdaad alleen maar een enorme bos rozen. Vandaar dat het bruggetje sindsdien ’t leugenbrugske’ wordt genoemd.

De eerste groep telde twaalf zusters; een symbolisch getal. Herlindis werd de eerste abdis. Onder haar bezielende leiding groeide het klooster snel uit: steeds meer vrouwen sloten zich aan.

Oude verhalen vertellen graag dat de grondlegger van het christendom in onze streken, Willibrord († 739; feest 7 november), graag in het klooster kwam logeren. Later was ook Bonifatius († 754; feest 5 juni), Willibrords opvolger, een regelmatige gast. Hij schijnt er zelfs gelogeerd te hebben, toen hij in 754 op weg was naar Friesland. Het zou zijn laatste tocht worden, want hij werd er in de buurt van Dokkum vermoord.

Over Herlindis’ sterfjaar zijn de bronnen het niet eens: ze verschillen van 745(?) tot 755. Zij werd als abdis opgevolgd door haar jongere zus Relindis.
Hun graf in de Catharinakerk van Maaseik wordt in ere gehouden tot op dit moment.



12 okt - woensdag

Sneek 09:15 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek


13 okt - donderdag

- Hele dag Gedenkdag H. Coloman van Melk, pelgrim

– Geen, -

Coloman (ook Colman, Koloman of Kolomann) van Melk (ook van Oostenrijk, van Stockerau of van Wenen); † 1012.

Afbeelding Coloman van Melk
Paneel. Duitsland, Füssen, Wallfahrtskirche St-Koloman
Coloman besluit zijn koninkrijk te verlaten.

http://www.heiligen.net/afb/10/13/10-13-1012-coloman_1.jpg

Feest13 oktober

Hij was vanuit Ierland als pelgrim onderweg naar Heilige Land, toen hij in het Oostenrijkse plaatsje Stockerau, vlakbij Wenen, werd aangehouden, omdat men hem hield voor een Hongaarse spion.

Aan afschuwelijke martelingen blootgesteld, stierf hij opgehangen aan een boomtak en doorboord met een spies.

Toen er op de plek waar hij begraven lag, wonderen en genezingen begonnen te gebeuren, begon men hem als een heilige te vereren. Op 13 oktober 1014 werden zijn relieken door landgraaf Heinrich II van Oostenrijk naar klooster Melk overgebracht.

 

Verering & Cultuur

Hij geldt als een van de patroonheiligen van Oostenrijk; daarnaast is hij beschermheilige van klooster Melk; en van de tot de strop veroordeelden. Zijn voorspraak wordt ingeroepen tegen pest, hoofdpijn en allerhande andere ziekten; bovendien vraagt men zijn bemiddeling voor een goed huwelijk; tegen muizen- en rattenplagen, onweer en andere schade; hij is ook patroon van het vee.

Bekend is het lieflijk gelegen pelgrimskerkje Sankt-Koloman bij Füssen, Zuid-Duitsland.



13 okt - donderdag

Sneek 08:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


13 okt - donderdag

Sneek 16:00 Rozenkransgebed

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


14 okt - vrijdag

- Hele dag Gedenkdag H. Callixtus I, paus en martelaar

– Geen, -

Callixtus (ook Callistus) I, paus & martelaar; Rome, Italië; † 222.

Afbeelding Callixtus I
Zoals afgebeeld in de gaanderij van heilige pausen.
17e eeuw, marmer-reliëfwerk. Italië, Rome, Sint-Pieter.

http://www.heiligen.net/afb/10/14/10-14-0222-callixtus_2.jpg

Feest 14 oktober.

Hij was een vrijgelaten slaaf en werkte als diaken bij de naar hem genoemde Callixtuscatacombe.

In 217 volgde hij Zephyrinus (feest 26 augustus) op als bisschop van Rome.

Vanwege zijn geringe afkomst wierp zich een zekere Hippolytus (de latere heilige?) op als tegenpaus. Deze beschuldigde hem ervan niet voldoende naar Christus’ leer te leven. Bovendien werd hem verweten dat hij te gemakkelijk was in de boetepraktijk: men vond namelijk dat hij plegers van ontucht regelrecht uit de kerk moest zetten wat hij niet deed. Daarenboven zat het zijn tegenstanders dwars dat hij het huwelijk tussen een slaaf en adellijke dame rechtsgeldig verklaarde.

Hij zou door een heidense bende uit zijn raam in de Tiber zijn gegooid.
Hij werd opgevolgd door Urbanus I († 230; feest 25 mei).



14 okt - vrijdag

Sneek 08:45 Eucharistieviering - 150 jaar Kerkwijding St. Martinuskerk Sneek

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


14 okt - vrijdag

Sneek 19:30 Feestelijke avond 150 jaar Kerkwijding

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

Sint Martinuskerk Sneek 150 jaar

De Benedictijnse monnik Thomas Quartier osb en Classispredikant Wim Beekman
zijn uitgenodigd om te spreken in het kader 150 jaar kerkwijding in het perspectief van de toekomst van onze Sint Martinuskerk in Sneek.

Maak de avond al in de agenda vrij!
Het is de moeite waard!

Namens de Jubileumcommissie,
Sneek, Renate Dümmer
Blauwhuis, Sicco Rypma



15 okt - zaterdag - 16 okt - zondag

Hele dag Géén viering in Heeg i.v.m. jubilea Blauwhuis en Sneek



15 okt - zaterdag

Blauwhuis 19:00 - 20:00 Eucharistieviering Jubileum 150 jaar kerkwijding

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastoor van der Weide en pastor Foekema

M.m.v. het St Caeciliakoor, gelegenheidskoor en Fanfare.

Tijdens de viering worden de, in oorspronklijke staat teruggebrachte, Jozef- en Maria-altaren ingezegend.

Aansluitend receptie in café De Freonskip met presentatie van het Jubileum Magazine.



23 okt - zondag

Heeg 09:30 - 10:30 Eucharistieviering, Pastoor P. v.d. Weide

Sint Josephkerk – Heeg, Heeg

voor Dolf en Ida Eilers-Tekstra;                                                                  
voor Bernard de Jong en overleden familie;                                                         
deurcollecte: Missio

Missio – wereldmissiemaand oktober
Op 23 oktober is het Missiezondag.

Elke christen is geroepen om te getuigen van Christus, aldus paus Franciscus. Dit jaar richt Missio de blik speciaal op Kibera, de grootste sloppenwijk van Nairobi. Op slechts zes procent van de oppervlakte van de metropool Nairobi leeft zo’n 60 procent van de stadsbevolking. Dagelijks stromen mensen vanuit het omliggende gebied de stad binnen in de hoop op werk en een betere toekomst.

Naar schatting een half miljoen mensen woont hier dicht opeen gepakt. Slechts een vijfde deel van de huizen heeft stroom; drinkwater moet bij waterstations gehaald worden. Hygiëne is een groot probleem.

De ellende en uitzichtloosheid in de slum zijn echter slechts een kant van de medaille. Er is nog een andere kant: saamhorigheid, elkaar helpen waar het nodig is. Elkaar helpen Linet Mboya is een van de bewoners van de slum. De alleenstaande moeder van drie kinderen zorgt ook nog voor zes pleegkinderen, die anders op straat zouden moeten leven.

Zuster Mary Wambui woont met haar gemeenschap van zusters al vele jaren in Kibera en heeft onder andere microkredietgroepen opgezet voor vrouwen. Pastoor Firmin Koffi leidt de Yarumal-missionarissen die hun opleidings- en vormingshuis in Kibera hebben. Voor hen en veel andere mensen is Kibera hun thuis.



23 okt - zondag

Blauwhuis 09:30 - 10:30 Woord en Communieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastor Foekema

M.m.v. het Ceacilliakoor

 



29 okt - zaterdag

Heeg 19:30 - 20:30 Woord- en Communieviering, Pastor L. Foekema

Sint Josephkerk – Heeg, Heeg

voor Jitte en Tietsje Flapper-Jellesma;                                                             
voor Jelle en Marie Jellesma-Jongstra;                                                               
voor Bernardus en Jacoba Zijlstra-de Jong



30 okt - zondag

Blauwhuis 09:30 - 10:30 Eucharistieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastoor van der Weide

M.m.v. het Caecilliakoor


nov 2022

datum/tijdevenement

05 nov - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Allerzielen

Pastorie Blauwhuis, Blauwhuis

Met pastor Foekema

M.m.v. het Caecilliakoor


feb 2024

datum/tijdevenement

29 feb - donderdag

Hele dag Gedenkdag Zalige Antonia van Florence

Antoniavan Florence ofm.ter, Aquila, Italië; abdis; † 1472.

Afbeelding H. Antonia van Florence  ca 1900. Glasschilderkunst. Nederland, Delft, Maria van Jessekerk.

Feest 29 februari.

Zij werd in 1401 geboren in de Italiaanse stad Florence. Op zeer jonge leeftijd werd ze al weduwe en sloot zich aan bij de tertiarissen van St-Franciscus.

Antonia sloot zich aan bij een vrouwengemeenschap in de stad Foligno; daar werd zij tot overste benoemd. In 1433 werd zij overgeplaatst naar Aquila, niet ver van Venetië om er de leiding van de vrouwengemeenschap op zich te nemen. Dertien jaar lang oefende zij deze functie uit. Maar tenslotte begon zij toch te verlangen naar een meer strenge levenswijze in dienst van de Heer. Zij trad in bij de clarissen van klooster Corpus Christi in Aquila, en werd prompt na enige tijd tot abdis benoemd. Getroffen door een ongeneeslijke ziekte, moest ze verschrikkelijke pijnen doorstaan. Ze ondervond daarbij grote steun van haar geestelijk leidsman, de heilige Johannes van Capistrano (+ 1456; feest 23 oktober). Ze stierf op 29 februari 1472.

In 1847, een jaar na zijn pauskeuze, verklaarde Pius IX haar zalig.


Powered by Events Manager