Evenementenlijst Sint Antoniusparochie

okt 2020

datum/tijd evenement

21 okt - woensdag

- Hele dag Gedenkdag H. Wulfilak van Trier, kluizenaar

– Geen, -

Wulfilak (ook Valfroy, Vulfilaicus, Vulflagius, Vulfolaic, Vulphy, Walfroy, Wulflagius, Wulflaicus, Wulflaik, Wulphy of Wulpy) van Trier (ook van Carignan of van Yvois); kluizenaar; † ca 594.

Afbeelding Wulfilak van Trier

< 1900. Devotieprentje. Frankrijk, Parijs.

http://www.heiligen.net/afb/10/21/10-21-0594-wulfilak_1.jpg

Feest 21 oktober (Metz & Trier).

Hij was afkomstig uit Lombardije. We kennen zijn verhaal uit zijn eigen mond. Hij vertelde het aan de heilige bisschop-geschiedschrijver Gregorius van Tours († 594; feest 17 november); deze tekende het op zijn Geschiedenis van de Franken VIII,15-16:

‘Toen ik verder trok, kwam ik in de stad Carignan [tot 1662 Yvois; sindsdien Carignan op last van Lodewijk XIV; zuidoostelijk van de Franse stad Sedan]; daar werd ik hartelijk verwelkomd door de diaken Wulfilak, die mij meenam naar zijn klooster. Dat ligt op een heuvel zo’n acht mijl buiten de stad. Wulfilak had er een ruime kerk gebouwd die algemeen bekend is vanwege haar relieken van Sint Martinus en andere heiligen. Ik maakte van de gelegenheid gebruik door hem te vragen naar zijn bekering: hoe hij, als geboren Longobard, ertoe gekomen was in dienst van de Kerk te treden. Eerst wilde hij er eigenlijk niet over beginnen; hij schuwde in alle oprechtheid elke vorm van bekendheid. Ik probeerde bij hoog en bij laag vol te houden dat hij juist wel op al mijn vragen in moest gaan en ik zwoer hem dat ik het aan geen levende ziel ooit zou doorvertellen. Het duurde nog een hele tijd voor hij overstag ging, maar uiteindelijk gaf hij gehoor aan mijn bidden en smeken.

“Toen ik nog een kleine jongen was, begon hij, hoorde ik vertellen over een zekere Sint Martinus [ook Sint Maarten: † 397; feest 11 november]. Ik wist toen zelfs niet eens of hij een beroemde martelaar was dan wel gewoon een bekende man van de kerk, wat voor goeds hij allemaal had gedaan tijdens zijn leven en welke plek bijzonder was geheiligd doordat zijn lichaam daar ter ruste was gelegd. Toch begon ik nachtwaken te houden in zijn naam, en elke cent die ik in handen kreeg, gaf ik weer weg als een aalmoes. Toen ik wat ouder werd heb ik erg mijn best gedaan om letters te leren schrijven. Eerst tekende ik ze zorgvuldig over en gaandeweg begon ik te ontdekken wat ze betekenden, als ze in een bepaalde volgorde stonden. Ik werd een leerling van abt Aredius [ook: Yrieux: † 591; feest 25 augustus], en hij moedigde mij aan met hem mee te gaan naar de kerk van Sint Martinus.

Toen het moment was aangebroken om weer vandaar weg te gaan, veegde hij bij wijze van een heilige relikwie wat stof bij elkaar van het gewijde graf. Hij stopte het in een klein doosje en hing dat aan mijn nek. Bij aankomst in zijn klooster bij Limoges borg hij het weg in zijn kapel. Die stof begon zich vanzelf te vermeerderen, zodat het tenslotte niet alleen het hele doosje tot de rand vulde, maar ook zijn uitweg begon te zoeken door alle spleetjes en kieren heen. Dat wonder vervulde mij met grote vreugde met als gevolg dat ik al mijn hoop voor de toekomst stelde op de wondermacht van Sint Martinus.

Vervolgens verhuisde ik naar de omgeving van Trier en op de heuvel waar we ons nu bevinden bouwde ik met mijn eigen handen het onderkomen dat je nu voor je ziet. Ik trof hier nog een beeld van Diana aan dat de bijgelovige bevolking van hier als een afgod vereerde. Ik richtte daartegenover een zuil op waarop ik aldoor met blote voeten bleef staan, hoeveel pijn het me ook ging doen. Toen de winter kwam, begon het zo vreselijk te vriezen dat de nagels van mijn tenen vielen, en dat niet één keer, maar bij herhaling; regen bevroor en hing in pegels van mijn baard zoals was van branden kaarsen druipt. Deze streek staat bekend om zijn koude winters.”

Ik was benieuwd wat hij at en dronk en hoe hij erin geslaagd was die afgodsbeelden op zijn heuvel te vernietigen. “Het enige wat ik had aan eten en drinken was een stuk brood, wat groenten en een beetje water,” antwoordde hij. “De mensen uit de omliggende boerderijen begonnen naar mij toe te stromen en ik vertelde ze telkens maar weer dat Diana niets voorstelde, dat haar beeld geen enkele macht bezat en dat de rituelen die zij rond haar uitvoerden niks uithaalden. Ik probeerde ze duidelijk te maken dat de liederen die zij daarbij in hun bezopen uitspattingen zongen, hun eigenlijk onwaardig waren. In plaats daarvan konden ze beter eer betuigen aan de almachtige God, die hemel en aarde gemaakt had. En ik bad dag en nacht dat de Heer zich zou verwaardigen het beeld naar beneden te laten kletteren en deze mensen te bevrijden van hun valse afgodsdiensten. Gods genade bracht inderdaad verandering te weeg in deze boerenharten, zodat ze stilaan begonnen te luisteren naar wat ik ze te zeggen had: ze keerden hun afgodsbeelden de rug toe en gingen de Heer volgen. Toen heb ik een aantal van hen bij elkaar geroepen en met hun hulp was ik in staat het afgodsbeeld omver te gooien.

Dat was overigens niet zo eenvoudig als het klinkt. Tevoren had ik al de kleinere afgodjes omver kunnen gooien: die gingen nog gemakkelijk. Maar voor Diana’s beeld kwam er een hele menigte samen; ze bonden er touwen omheen en begonnen eraan te trekken om het naar beneden te krijgen, maar ze kregen het met zijn allen niet voor elkaar. Ik was intussen naar de kerk gerend, had me voorover op de grond gegooid en huilde en bad God om hulp: dat Hij met zijn goddelijke macht zou vernietigen wat mensen op hun eigen houtje niet voor elkaar kregen. Na mijn gebed beëindigd te hebben, ben ik weer naar buiten gegaan, wendde mij tot de werklieden en greep het touw vast. Meteen bij de eerste ruk die we toen gaven, kletterde het beeld tegen de grond. Ik heb het verder met ijzeren hamers verbrijzeld en uiteindelijk tot stof geslagen.

Toen ik naar huis ging om iets te eten, zat mijn hele lichaam van top tot teen onder de kwaadaardige zweren; er was geen plekje meer op mijn hele lichaam te vinden waar ze niet zaten. Ik ging de kerk in en kleedde mij voor het altaar uit tot op het blote lijf. Ik had daar al die tijd een flesje met olie bewaard, dat ik destijds nog uit de St-Martinuskerk had meegebracht. Met eigen handen smeerde ik mijn hele lichaam in met die olie. Toen ben ik gaan slapen. Het was middernacht toen ik weer wakker werd. Toen ik opstond om de vaste gebeden te zeggen, ontdekte ik dat mijn hele lichaam weer gezond was, alsof er nooit ergens ook maar een zweer had gezeten. Toen werd het me duidelijk dat die gezwellen waren veroorzaakt door de haat van de duivel. Hij is zo jaloers dat hij alles in het werk stelt om degenen die God zoeken kwaad te doen.

Naderhand kwamen er een paar bisschoppen. Je zou verwachten dat zij mij eigenlijk met wijsheid en tact hadden moeten aanmoedigen en bevestigen in het goede werk dat ik daar begonnen was. Maar nee, ze kwamen zeggen: ‘Het is niet goed waar jij hier mee bezig bent! Zo’n duister figuur als jij is niet te vergelijken met Simeon de Pilaarheilige van Antiochië [Simeon de Styliet: † 460; feest 5 januari]. Het klimaat hier is niet geschikt om jezelf op deze manier geweld te blijven aandoen. Kom dus van die zuil af en leef samen met de broeders die je rond je verzameld hebt.’ Ik wist dat ik een ernstige zonde deed, wanneer ik niet aan bisschoppen gehoorzaamde; dus kwam ik naar beneden, trok mij terug met die broeders rondom mij en at voortaan met hen gemeenschappelijk. Op een dag wist een van die bisschoppen mij over te halen naar een wat verder weg gelegen hofstede te gaan. In de tussentijd stuurde hij werklui met breekijzers, hamers en bijlen die de zuil waarop ik al die tijd had doorgebracht in gruzelementen moesten slaan. Toen ik de volgende dag terugkwam, trof ik alleen nog maar brokstukken aan. Ik heb bitter gehuild, maar nooit heb ik het gewaagd die in stukken geslagen zuil weer op te bouwen, want dan zou ik ongehoorzaam zijn geweest aan een bisschoppelijk bevel. Met als gevolg dat ik mij er tevreden mee heb gesteld tussen mijn broeders te leven tot op deze dag.”

Vervolgens vroeg Gregorius aan Wulfilak nog een aantal wonderen te vertellen die er op het graf van Sint Martinus waren gebeurd.
Op 7 juli 979 werden zijn relieken overgebracht naar Yvoix.

Hij is noch identiek met de in Rue en in Montreuil-sur-Mer vereerde Sint Wulphy, noch met de in Welferdingen, Duitsland, vereerde Sint Walfridus.



22 okt - donderdag

- Hele dag Gedenkdag H. Mello, 1e bisschop van Rouen

– Geen, -

Mello (ook Mallon, Malouen, Melanius, Mellon, Mellonus) van Rouen, Frankrijk; 1e bisschop; † ca 314.

Afbeelding van Mello van Rouen
Gravure.

http://www.heiligen.net/afb/10/22/10-22-0314-mello_1.jpg

Feest 22 oktober.

Mello staat te boek als de eerste bisschop van Rouen.

Newman neemt hem op in zijn kalender van heiligen van Engelse bodem. Volgens zijn levensbeschrijving was hij afkomstig uit ‘Cardiola’. Een plaats van deze naam is onbekend. Wordt hier bedoeld de plaats Carlisle? Of is het Cardiff in Wales, dat in de eigen Keltische taal Caerdydd heet? Of is hier sprake van het Schotse Cardes?

Hij zou vanuit zijn geboortestreek met een militaire missie naar Rome zijn gestuurd. Daar bracht hij, zoals het hoorde voor een soldaat, offers in de tempel van oorlogsgod Mars. Tijdens zijn rondgang door de stad trof hij paus Stefanus († 257; feest 2 augustus), die juist les gaf aan een handjevol christenen. Hij bleef staan luisteren en de paus nodigde hem uit te vertellen wie hij was en waar hij vandaan kwam. Mello bleek geïnteresseerd in Christus, werd geloofsleerling en liet zich uiteindelijk dopen. Daarbij werden hem met name Jezus’ woorden in herinnering gebracht: “Als je niet alles wegdoet wat je bezit om mijnentwil, kun je mijn leerling niet zijn.” Bij terugkomst in zijn herberg, bracht Mello onmiddellijk deze woorden in praktijk en verkocht alles wat hij bezat, zelfs zijn wapenrusting; de opbrengst verdeelde hij onder de armen. Mello bleek zo’n veelbelovende leerling van Christus, dat de paus hem tenslotte priester wijdde.

Toen hij eens de mis opdroeg, verscheen hem een engel aan de rechterkant van het altaar; deze reikte hem een herdersstaf over met de woorden: “Pak deze staf aan, want je zult straks Gods volk leiding moeten geven in de stad Rouen in Noord-Gallië.” Mello antwoordde: “Waarheen de goede God mij ook zendt, ik ben bereid er naar toe te gaan.” De paus bevestigde hem in zijn zending en gaf hem zijn zegen mee.

Op zijn reis naar Rouen kwam hij door de stad Autun. Daar kwam hem een groep mensen tegemoet die een man meedroegen aan wie een ongeluk was overkomen: zijn voet was finaal doormidden gespleten. Hij heette Lupillus. Zij vroegen Mello of hij iets van geneeskunst afwist. Deze antwoordde hun dat hij de man zou genezen, als zij eerst rustig naar hem wilden luisteren. Waarop zij zeiden: “Zeg maar wat u van ons wilt, en we zullen het doen. We zullen in uw God geloven en Hem aanbidden.” Daarop raakte hij het slachtoffer aan met de staf die hij van de engel gekregen had, met de woorden: “In de naam van Onze Heer Jezus Christus: word gezond!” Onmiddellijk kon de man op eigen benen staan en was er van de verwonding niets meer te zien. Hij ging terug de stad in en vertelde overal wat hem was overkomen.
Nu woonde er in die stad een vrouw, Veronica geheten, die zoveel had gehuild om de dood van haar man, dat ze er blind van was geworden. Toen zij hoorde wat er met Lupillus gebeurd was, stuurde zij haar beide zoons naar de man Gods met het verzoek dat hij haar het gezicht zou teruggeven. Op beide knieën gezeten bad Mello: “Heer Jezus Christus, u hebt de ogen geopend van de blindgeborene. Open nu ook de ogen van deze vrouw, zodat ze kan zien dat er geen andere God is dan u.” Hij raakte haar ogen aan en onmiddellijk kon zij zien. Hierna doopt hij Veronica met haar beide zonen, alsmede Lupillus. Deze zou later nog omwille van Christus de marteldood ondergaan.

In een andere stad wist hij een man met verkrampte ledematen te genezen; hij heette Quirinus. Hij leed al veertig jaar aan zijn ziekte en was aangewezen op een plankje met wieltjes om zich voort te bewegen. Bij het zien van Mello riep hij: “Als u wilt, kunt u mij genezen; dat zie ik zo!” Waarop de heilige man antwoordde: “Dat kan alleen maar, als je je valse goden wegdoet.” Waarop de stakker schreeuwde: “Ik geloof in de god die u verkondigt!” Daarop nam Mello hem bij de hand en zei: “Quirinus, ga recht op staan en wees gezond in de naam van de Heer.” Hij stond op en rende onmiddellijk naar zijn vader met het wielplankje onder de arm, en vertelde aan ieder die het horen wilde, hoe hij weer gezond was geworden.
Daarop bekeerden ook zijn bejaarde ouders zich tot Christus. In diezelfde stad gaf onze man Gods ook nog de spraak terug aan een doofstomme, waarop zich vele mensen lieten dopen. Met als gevolg dat zich drommen mensen rond Mello verzamelden, als hij hun over Christus wilde vertellen. Zo komt het dat er een jongen was, Praecordius, die op het dak van een huis klom om het allemaal beter te kunnen zien. Maar de preek duurde lang en hij viel in slaap, waardoor hij van het dak afgleed. Zo te zien had hij verscheidene ledematen gebroken, maar de wond aan zijn hoofd was zo erg dat hij ter plaatse stierf. Ook hier werd Mello te hulp geroepen. Hij raakte de dode jongen aan met de staf die hij van de engel had gekregen, met de woorden: “Praecordius, sta op in de naam van Onze Heer Jezus Christus.” Waarop de jongen de ogen opende, zijn redder boven zich zag en onmiddellijk vroeg om het doopsel. Deze Praecordius zou later priester worden en de eerste kerk voor Christus bouwen in die streek.

Mello gaf nog vele malen blijk van zijn heiligheid. Hij tuchtigde zijn lichaam met vasten en gebed; elke dag en elke nacht maakte hij driehonderd keer een kniebuiging uit eerbied voor Christus. Onafgebroken luisterde hij naar de noden van de mensen. Hij hield zo weinig tijd over dat hij soms rechtop in zijn stoel in slaap viel. Zijn dagelijks voedsel bestond uit verse kruiden en zijn drank was gewoon water. Door zijn eigen mensen werd hij ‘de vader van armen en weeskinderen’ genoemd, of ook ‘de rechter van weduwen’. Wat hij verkondigde aan zijn mensen, bracht hijzelf in praktijk.

Hij was op de lange duur zo beroemd dat van overal doofstommen, lammen, blinden en lijders aan allerhande kwalen en ongemakken naar hem toe kwamen om door hem te worden genezen. Toen hij tenslotte oud en moe was geworden, verscheen hem weer de engel van het begin. Deze zei: “Mello, je hebt de goede strijd voor Christus gestreden, je hebt zijn naam verkondigd aan de heidenen, je hebt in hun midden de Kerk van Christus opgebouwd en tegelijkertijd je ziel en lichaam in alle zuiverheid bewaard. Maak je klaar om de beloning van het eeuwig leven in ontvangst te nemen. Daarop riep de heilige bisschop zijn dienaren bijeen en droeg hun op ook in de toekomst het geloof in Christus zuiver te behoeden en te bewaren. Daarop stierf hij, omringd door de mensen van zijn stad. Dat was op de 22e oktober.

Zijn levensbeschrijving stamt pas uit de 9e eeuw. De schrijver was niet zozeer geïnteresseerd in de historische feiten en omstandigheden, als wel in de heiligheid van Mello. Vandaar dat hij een reeks anekdotes vertelt die sterk lijken op de verhalen van Jezus uit het Evangelie. Een heilige is immers iemand die bij uitstek aan Jezus doet denken.

Zijn gedachtenis leeft voort in de naam van de parochie van St. Mallon in het voormalige bisdom van St-Malo. (Deze Malo is niet dezelfde als Mallon!). Hij is ook terug te vinden in de naam van de voormalige abdij Coat-Malouen, wat Bretons is voor ‘Bos van Mallon’ en wat in het Latijn telkens wordt genoemd ‘Silva Mellonis’.



22 okt - donderdag

Sneek 08:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


22 okt - donderdag

Sneek 16:00 Rozenkransgebed

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


23 okt - vrijdag

- Hele dag Gedenkdag H. Johannes van Capestrano, kruisvaarder

– Geen, -

Johannes van Capestrano (ook van Capistrano),Ilok (bij Vukovar ten noordwesten van Belgrado); † 1456.

Afbeelding van Johannes van Capestrano
< 1829. Houtsculptuur door Johann Sigmund Hitzelberger
Duitsland, Füssen, Franziscanerkirche St-Stephan.

http://www.heiligen.net/afb/10/23/10-23-1456-johannes-capestrano_1.jpg

Feest 23 oktober.

Hij werd op 24 juni 1386 geboren te Capestrano, een plaatsje in de Italiaanse Abruzzen. Hij studeerde rechten achtereenvolgens aan de universiteiten van Perugia en Rome. In 1412 werd hij door koning Ladislas van Napels tot rechter benoemd in de stad Perugia. Bij een inval van de soldatenbendes van Malatesta werd hij gevangen genomen en opgesloten. In de kerker zou hij visioenen ontvangen hebben, met als gevolg dat hij brak met zijn verleden en intrad bij de Franciscaanse tak der observanten. Het huwelijk dat hij vlak voordien gesloten had, maar door zijn gevangenschap nog niet door geslachtsgemeenschap had kunnen consumeren, liet hij ontbinden.

Van der Linden heeft in het Book of Saints van de benedictijnen van Ramsgate gelezen dat hij op jonge leeftijd weduwnaar geworden zou zijn. Dat blijkt dus onjuist.

Vanaf 1417 begint zijn apostolische werkzaamheid, die hem rusteloos door heel Europa zal voeren. Net als zijn vriend Bernardinus van Siena († 1444; feest 20 mei) is hij rondreizend predikant. Tot aan 1451 beweegt hij zich uitsluitend binnen de grenzen van Italië, met uitzonering van een visitatiereis naar Palestina en een preekmissie naar de Nederlanden. Naast godsdienstige onderwerpen als Christus, genade en gebed, gaan ze ook over vrede en gerechtigheid; in dat verband preekt hij regelmatig tegen de woekerrente die in die tijd heel gebruikelijk was en wel op kon lopen tot vijftig à zestig procent. Elke dag houdt hij wel ergens een preek die dan vaak meer dan een uur duurde. Daarna wachten hem rijen biechtelingen die hem uren achtereen in de biechtstoel gekluisterd houden. Waar hij maar kan, richt hij gebedsbroederschappen op en sticht hij gasthuizen voor zieken, zwervers en daklozen. Intussen heeft hij met veel inzet geijverd voor de heiligverklaring van zijn vriend Bernardinus, welke inderdaad in 1450 zijn beslag krijgt.

Vanaf 1451 tot 1454 trekt hij op verzoek van keizer Frederik III († 1493) Europa in. Zo vinden we hem in Oostenrijk en Bohemen, waar hij strijdgesprekken houdt met de Hussieten, en er velen, vooral van adel, weet terug te brengen te de moederkerk.
Vervolgens zien we hem optreden in Beieren, Thüringen, Saksen, Sleeswijk en Polen. In het voorbijgaan verricht hij honderden wonderbaarlijke genezingen. Van minstens tweeduizend zijn er notariële getuigenverslagen vastgelegd. Tussen de bedrijven door werkt hij ijverige mee aan de hervorming van zijn kloosterorde, en wordt hij herhaaldelijk door de paus ingeschakeld als zijn persoonlijk gezant en treedt hij op als bemiddelaar en vredestichter aan Italiaanse en Europese hoven.
Vanaf 1454 komt er een hoofdthema bij in zijn predikaties: een kruistocht tegen de Turken. Hij schijnt nauw betrokken geweest te zijn bij de overwinning op de Turken op 22 juli 1456, waardoor Belagrado op het nippertje van de ondergang werd gered: ‘Met Johannes in de voorste rijen maakte het leger van de Hongaarse veldheer János Hunyadi op 22 juli 1456 een einde aan het beleg van Belgrado door sultan Mehmed II,’aldus Van der Linden. Enige maanden later wordt hij aangetast door de pest en sterft niet ver van Belgrado, in het plaatsje Ilok aan de Donau.

Verering & Cultuur

Hij werd in de plaatselijke kerk bijgezet. Bij onlusten in 1526 wordt zijn graf geschonden; sindsdien is zijn lijk spoorloos verdwenen.
Bij zijn leven werd hij al beschouwd als een groot heilige. Hij wordt genoemd ‘de Redder van Belgrado’ en ‘Apostel van Europa’.

In 1690 werd hij door paus Alexander VIII († 1691) heilig verklaard. Hij geldt als patroon van het verenigde Europa. Daarnaast wordt hij op basis van de verschillende episodes in zijn leven vereerd als beschermheilige van juristen, legeraalmoezeniers.
Hij wordt afgebeeld als minderbroeder (franciscaan); vaak met een rood kruis op de borst of kruisvaan in de hand (oproep tot een nieuwe kruistocht); aan zijn voeten soms overwonnen Turken.



23 okt - vrijdag

Sneek 19:00 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


24 okt - zaterdag

- Hele dag Gedenkdag H. Antonio-Maria Claret y Clara, stichter

– Geen, -

AntonioMaria Claret y Clará, Santiago, Cuba; stichter & aartsbisschop; † 1870.

Afbeelding Antonio-Maria Claret y Clara
ca 1910, glasschilderkunst. Spanje, Barcelona, Sta Maria del Mar.

http://www.heiligen.net/afb/10/24/10-24-1870-antonio_2.jpg

Feest 24 oktober.
Hij werd op 23 december 1807 geboren in de Catalaanse plaats Sallent. Terwijl hij in zijn levensonderhoud voorzag als wever, studeerde hij voor priester.

In 1835 werd hij gewijd en werkte vooral als volksmissionaris. Hij omringde zich met priesters die zijn ideaal deelden en stichtte in 1849 de naar hem genoemde missiecongregatie claretijnen: officieel staan ze te boek als de ‘Congregatie van de Missiezonen van het Onbevlekt Hart van Maria’.

Zes jaar later kwam daar een vrouwelijke tak bij: de claretinnen, ofwel het ‘Apostolische vormingsinstituut van de Onbevlekte Ontvangenis’: de leden daarvan legden zich toe op onderwijs en opvoeding van meisjes.

In 1850 werd hij benoemd tot aartsbisschop van Santiago de Cuba. Daar onderscheidde hij zich doordat hij vooral optrad als beschermer van de negerslaven. Zeven jaar later keerde hij terug naar Spanje, omdat hij benoemd was tot persoonlijk biechtvader van koningin Isabella II († 1904). Het jaar daarop kwam daar de functie bij van president van het Escoriaal, het koninklijk paleis ten noorden van Madrid. In die hoedanigheid richtte hij een vereniging op van katholieke kunstenaars en schrijvers.
Gedurende al die tijd bleef hij actief als predikant en schrijver van devote lectuur. Van hem wordt verteld dat hij de gave van profetie bezat en kon wonderen verrichten.

In 1868 moest hij uitwijken naar Frankrijk. Op 24 oktober 1870 overleed hij op weg naar het Eerste Vaticaans Concilie in Rome – in de Zuid-Franse abdij van Fontfroide bij Narbonne.

Verering & Cultuur
Zijn relieken bevinden zich in Vic bij Barcelona, werd zalig verklaard in 1934, en heilig in 1950.
Hij is patroon van spinners en wevers.



24 okt - zaterdag

Sneek Hele dag I.v.m. Corona geen openbare viering

Ielânen, woonzorgcentrum Sneek Ielânen, woonzorgcentrum, Sneek

Wij steken een kaarsje op voor:

Alle bewoners en verzorgers,

onze vrijwilligers,

Pier Ruiter,

Jogemien Huitink,

Yvonne van Schagen-Paddenburg



24 okt - zaterdag

Sneek 17:00 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

M.m.v. leden van het Sint Caeciliakoor o.l.v. F. Haaze



24 okt - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Eucharistieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger pastoor van der Weide

M.m.v. het Ceacilliakoor



24 okt - zaterdag

Heeg 19:30 - 20:30 Woord- en Communieviering, Pastor L. Foekema

Sint Josephkerk – Heeg, Heeg

voor Jitte en Tietsje Flapper – Jellesma;
voor Jelle en Marie Jellesma – Jongsma.

Max. 30 kerkgangers bij vieringen.
Vanaf heden zijn maximaal 30 personen excl. altaarpersoneel en andere medewerkers toegestaan bij vieringen. Afgesproken is om dit zo sober mogelijk te houden, d.w.z. 1 koster/ minder koorleden/ 1 acoliet en 1 lector.

Mondkapje verplicht.

Verder blijven de gebruikelijke hygiëne regels van kracht, d.w.z. 1,5 meter afstand en verplicht gebruik van mondkapje. Het mondkapje mag af wanneer men plaats neemt in de bank.

Vooraf aanmelden via aanmeldformulier
Vanaf a.s. maandag 12 oktober dient men zich aan te melden voor de komende vieringen. Registeren / aanmelden verplicht. Elders op de website vindt u het aanmeld protocol, het aangepaste protocol parochie en een voorbeeld aanmeldformulier per locatie en per viering.
Vanaf dit weekend zal in het portaal van uw kerk een gastvrouw/gastheer aanwezig zijn om het een en ander duidelijk te maken aan de parochianen. Ook zal zij/hij eventueel een kopie meegeven van het aanmeldprotocol. U kunt zich aanmelden bij Henriët, telefoonnummer 0515 569951 of via .



25 okt - zondag

- Hele dag Gedenkdag HH Chrysanthus van Rome en Daria, martelaren

– Geen, -

Chrysanthus van Rome, Münstereifel?, Duitsland; martelaar met Daria, Diodorus, priester & diens diaken Marianus; † ca 283/284.

Afbeelding Chrysanthus en Daria
Chrysanthus en Daria dragen het beeld van de Madonna.
1960(?), houtsculptuur. Duitsland, Münstereifel, St-Chrysanthus+Daria.

http://www.heiligen.net/afb/10/25/10-25-0284-chrysanthus_5.jpg

Feest 25 oktober.

Chrysanthus was vanuit Alexandrië in Egypte naar Rome gekomen op zoek naar de ware wijsheid. Hij was enig kind van rijke ouders. Zijn vader, Polemon, stelde hem dus in staat te studeren. Hij bezocht de knapste Romeinse leermeesters van zijn tijd, maar niemand kon zijn honger naar wijsheid stillen. Tot het moment dat hij een afschrift in handen kreeg van de Evangelies en van de Handelingen der Apostelen. Dit boeide hem. Maar wie kon hem er meer van vertellen? Hij kwam in contact met een priester van de christengemeente, Carpoforus geheten – ‘vruchtdrager’, een veelbetekenende naam. Deze onderrichtte hem in de leer van Christus, en smaakte het genoegen hem te mogen dopen.

Maar dat was in het geheel niet naar de zin van Chrysanthus’ vader. Die stelde alles in het werk om zijn zoon weer op het normale pad te krijgen. Tenslotte ging hij zover, dat hij Chrysanthus opsloot in een kamer met mooie meisjes, omdat hij had begrepen dat veel christenen hun aanhankelijkheid aan Christus betuigden door af te zien van geslachtsgemeenschap. Dat had in de oversekste Romeinse cultuur inderdaad het karakte van een profetische daad. Maar in dit gezelschap – zo redeneerde vader bij zichzelf – zou hij zijn fratsen wel gauw kwijt raken. Echter integendeel.

Daarop speelde Polemon – ook al zo’n veelbetekenende naam: ‘strijd’ – zijn laatste troef uit. Hij dwong zijn zoon te trouwen met een heidens meisje, Daria. Chrysanthus wist haar te overtuigen van de waarde van het christelijke geloof. Daarop besloten beiden net te doen alsof ze getrouwd waren, maar in feite samen te leven als broer en zus. Na de dood van zijn vader begonnen ze openlijk voor hun geloof uit te komen. Onder de keizers Carus (280-282) en Numerianus (283) braken er christenvervolgingen uit. De beide echtelieden werden gruwelijk gemarteld, maar bleven trouw aan Christus. Claudius, de beul zelf, was daarvan zo onder de indruk dat hij met zijn hele huishouding het christelijk geloof aannam, met als gevolg, dat hij onmiddellijk daarop werd verdronken; zijn zoons werden onthoofd en zijn vrouw stierf in de galeien met een gebed op haar lippen.

Intussen waren er veel meer omstanders onder de indruk gekomen van Daria’s standvastigheid. Ze riepen dat het een godin moest zijn. Tenslotte werden Chrysanthus en Daria in een diepe put gestopt en onder zware steenbrokken bedolven. Daar vlakbij was een grot, waar de christenen elkaar troffen om de nagedachtenis van de beide martelaren te eren. Toen de ambtenaren van de heidense overheid dit ontdekten, lieten ze een zware steen voor de ingang rollen.

Zo kwamen al de christenen daarbinnen om het leven. Van minstens twee van hen zijn de namen overgeleverd: de priester Diodorus en diens diaken Marianus.

Op de plaats waar Chrysanthus en Daria de dood vonden is later een kerk verrezen om hun nagedachtenis te eren.



25 okt - zondag

- Hele dag Géén Vesper

– Geen, -


25 okt - zondag

Roodhuis 09:30 - 10:30 Woord - en communieviering door Pastor Foekema.

Sint Martinuskerk – Roodhuis, Roodhuis

30e zondag door het jaar.

Voor het bijwonen van deze viering dient u zich voor vrijdag 9.00 op te geven.
Zie voor de mogelijkheden ook webpagina: https://www.sintantoniusparochie.nl/aanmelden-viering/
Of meldt u zich digitaal aan:  https://www.sintantoniusparochie.nl/aanmelden-viering-reahus



25 okt - zondag

Sneek 11:00 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

M.m.v. het Intermezzo koor o.l.v. F. Haaze



26 okt - maandag

- Hele dag Gedenkdag H. Alour van Quimper, 3e bisschop Bretagne

– Geen, -

Alour (ook Albin, Allor, Allore, Alor, Alorius, Alors of Talor ) van Quimper, Bretagne, Frankrijk; 3e bisschop; † eind 5e of begin 6e eeuw.

Afbeelding Alour van Quimper
ca 1700(?). Steensculptuur.  Frankrijk, Bretagne, Tréméoc, Église Saint-Alour.

http://www.heiligen.net/afb/10/26/10-26-0500-alour_1.jpg

Feest 26 oktober.

Hij is na Corentin en Conogan de derde bisschop van Quimper en zou in functie geweest zijn van 456 tot 462. In oude boeken staat over hem te lezen: ‘Deze prelaat bewees een grote dienst aan zijn vaderland. Daarom moet zijn naam zorgvuldig bewaard worden in onze annalen. Tenminste als het waar is wat men zegt: dat hij het was die in 440 de vredesonderhandelingen tussen de Bretonners en de Romeinse generaal Aetius met succes afsloot.
In 465 nam hij deel aan het Concilie van Vannes.’

Verder weet men niet zoveel over hem. Hij zou de parochie van Tréméoc hebben gesticht. En hij komt nog voor in de legende van Sint Enéour († ca 453; feest 4 mei).

Legende.

De legende weet te vertellen dat Sint Enéour het stukje grond waarop hij woonde, had gekregen van Sint Alour. Deze had hem beloofd dat hij net zoveel land zou krijgen als zijn mank veulen in één nacht kon rondrijden.

Volgens een oude bisschoppenlijst werd hij opgevolgd door Sint Renan (of Ronan).

Verering & Cultuur
In Bretagne zijn verschillende plaatsjes naar hem genoemd: in Finistère: Saint-Alor (gem. Quimper) en Saint-Alour (Plobannalec, gem. Guilvinec); er is nog een Saint-Alor in Plésidy (gem. Bourbriac, Côtes-du-Nord).

Hij is patroon van Tréméoc (Finistère) en van Ploubazlanec (Côtes-du-Nord); ook van de parochiekerk te Ergue-Armel (gem. Quimper, Finistère).

Daar is hij vooral patroon van de paarden. Op de laatste zondag van oktober wordt er een boetprocessie (‘pardon’) gehouden. Op de vooravond van het feest worden de paarden door de priesters gezegend. Volgens de brochure geniet hij in de kapel Le Drennec te Clohars-Fouesnant bijzondere verering.

Hij wordt vaak verward met Sint Alar, soms beschouwd als een Bretonse kluizenaar, dan weer als de Bretonse variant van bisschop Eligius van Noyon († 660; feest 1 december), eveneens patroon van de paarden. Zo staat er in de brochure van de kapel Le Drennec te Clohars Fouesnant te lezen dat Sint Alor, 3e bisschop van Quimper er vanouds werd vereerd, maar op een van de vaandels staat Sint Alar afgebeeld!



26 okt - maandag

Sneek 09:15 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek


27 okt - dinsdag

- Hele dag Gedenkdag H. Frumentius van Ethiopië, geloofsverkondiger

– Geen, -

Frumentius (ook Abba Salama) van Ethiopië (ook van Abessynië of van Tyrus); geloofsverkondiger & bisschop, met Aedesius (ook Edesius of Edessius); † ca 380.

Afbeelding van Frumentius
ca 1890 Italië, Rome, Sint Paulus buiten de Muren

http://www.heiligen.net/afb/10/27/10-27-0380-frumentius_1.jpg

Feest 27 oktober
Frumentius en Aedesius waren broers; zij kwamen uit de Fenicische havenstad Tyrus. Een broer van hun vader, Meropius, was filosoof. Toen deze een studiereis maakte naar India en Perzië om er via gesprekken met collega’s zijn kennis te vergroten, vroeg hij de beide jongemannen mee als reisgenoten.
Op de terugweg ergens in de Rode Zee liep hun schip een haven binnen om schoon water in te nemen. Maar terwijl de opvarenden op de wal een beentje strekten, kwamen er wilden tevoorschijn die allen zonder uitzondering vermoordden. Alleen de twee broers bleven ongedeerd. Zij werden naar het koninklijk paleis van Aksum overgebracht en door de koning als slaven verkocht.

Zij ontvingen van hun meester een goede behandeling. Door hun ijver en de kwaliteit van het werk dat zij afleverden, vestigden zij de aandacht van de koning op zich. Deze benoemde uiteindelijk Aedesius tot zijn persoonlijke hofschenker en Frumentius tot schatmeester en privé-secretaris. Toen hun weldoener stierf, was zijn zoon Abreha nog minderjarig. Dat betekende dat het land in feite werd bestuurd door Frumentius. Hij voerde een wijs beleid dat vrede bracht in het land.

Intussen was het zijn grootste zorg de mensen te winnen voor de leer van Christus.
Toen kroonprins Abreha volwassen geworden was en de regering zelf in handen nam, traden de beide broers terug. Met grote tegenzin voldeed de nieuwe koning aan hun verzoek. Aedesius ging terug naar zijn vaderstad Tyrus, waar hij spoedig priester werd gewijd. Maar Frumentius begaf zich naar bisschop Athanasius de Grote († 373; feest 2 mei) in de Egyptische havenstad Alexandrië. Hem verzocht hij om medewerkers om het Ethiopische volk te evangeliseren. Bovendien adviseerde hij hem een bisschop aan te stellen om er de kerk vaste voet te geven. Prompt werd hijzelf tot de eerste bisschop van Ethiopië gewijd.

Zo keerde Frumentius terug naar Ethiopië, waar hij met grote vreugde werd ontvangen. Hij wist vele mensen tot Christus te brengen. Ook koning Abreha zelf alsmede zijn broer en medekoning ontvingen het doopsel en stelden hem aan tot hun persoonlijke geestelijk leidsman.

In die tijd werd de westerse christenheid verscheurd door de ketterij van Arianisme.
Misschien had Frumentius daar al over horen spreken door zijn oom de filosoof Meropius. Maar naar alle waarschijnlijkheid had bisschop Athanasius dit onderwerp ter sprake gebracht: hij was een verwoed bestrijder van deze dwaalleer. De heilige bisschop zal zijn wijdeling wel op het hart gedrukt hebben zich daar nooit mee af te geven. Maar de Arianen hadden machtige begunstigers, onder wie keizer Constantius zelf (337-361). Deze schreef een brief aan de beide koningen van Ethiopië dat ze Frumentius moesten vervangen door een Ariaanse bisschop en dat ze hem, Frumentius, maar het beste aan de keizer zelf konden uitleveren. Vol verachting verscheurden de vorsten dit verzoek en hielden vast aan Frumentius en zijn leer. Deze stierf uiteindelijk na een arbeidzaam leven. Tezamen met Aedesius wordt hij vereerd als de ‘Apostel van Ethiopië’. Frumentius wordt ook liefkozend genoemd ‘Abba Salama’ (= ‘Vadertje Vrede’).

Al deze gegevens danken wij aan een tijdgenoot, de kerkhistoricus Rufinus van Aquileia († 410).



27 okt - dinsdag

Sneek 08:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


27 okt - dinsdag

Sneek 16:00 Rozenkransgebed

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


28 okt - woensdag

- Hele dag Feest HH Simon en Judas, apostelen

– Geen, -

Simon de IJveraar (ook Chananaeus, de Zeloot), en Judas Thaddeus, Perzië; apostel & martelaar; † ca 70.

Afbeelding van Simon de IJveraar en Judas Thaddeus

< 1500. Boekversiering
In Butler: ‘Lives of the Saints’, Engeland, Londen.

http://www.heiligen.net/afb/10/28/10-28-0070-judas_4.jpg

Feest 28 oktober

Simon draagt in de evangeliën de bijnaam ‘Zeloot’ of ‘IJveraar’. Hij behoorde dus tot de politieke groepering onder de Joden die de Romeinen desnoods met geweld het Land uit wilde hebben. Hij was één van de door Jezus zelf uitgekozen twaalf apostelen (Markus 03,13-19). Na het verhaal van de nederdaling van de Heilige Geest over de apostelen met Pinksteren (Handelingen 02,01-12) komt zijn naam in de het Nieuwe Testament niet meer voor.
 
Naar het schijnt was Judas afkomstig uit Nazareth. Volgens Lukas was hij een broer van Jacobus de Mindere (Lukas 06,16). De overlevering beweert, dat deze Jacobus een ‘broeder des Heren’ was; in dat geval moet ook Judas tot de familie van Jezus behoord hebben. Het is Mattheus, die aan Judas de bijnaam Thaddeüs (= ‘dappere’) toevoegt (Mattheus 10,03), terwijl Johannes hem uitdrukkelijk onderscheidt van Jezus’ verrader, Judas Iskariot (Johannes 14,22-23). Indien hij inderdaad familie is van Jezus, dan is waarschijnlijk de brief van Judas, die in het Nieuwe Testament is opgenomen, van zijn hand.

Legende

Volgens de legende zou Simon na Jezus’ hemelvaart eerst naar Egypte zijn gegaan om daar het evangelie te verkondigen. Daarna reisde hij samen met Judas Taddeus (niet de verrader!) naar Perzië. Daar doopten zij meer dan 60.000 mensen, de kinderen niet meegeteld. Onder de dopelingen was ook een koning.
Helaas werden ze tegengewerkt door de beide tovenaars Zaroes en Arphaut. Zij waren destijds nog door Matteüs uit Ethiopië verdreven. Eens kwamen de tovenaars in een stad, genaamd Suanir. Daar woonden 70 afgodspriesters. De tovenaars zetten de priesters op tegen de beide apostelen met de bedoeling dat zij gedwongen zouden worden een offer te brengen aan de heidense goden. Deden ze dat niet, dan zouden ze de doodstraf verdienen.
Gezien het feit dat de apostelen het hele land doorkruisten, kwamen ze ook in deze stad. Meteen werden ze aangevallen door de priesters en de bevolking van de hele stad. Ze grepen hen vast en brachten hen naar de zonnetempel. Daar begonnen de duivels door de monden van de heidenen tegen hen te schreeuwen:
“Wat is er tussen ons en jullie, apostelen van de levende God? Zie, sinds jullie hier zijn binnengekomen, worden wij door het vuur verteerd.”
Een engel van de Heer verscheen aan de apostelen met de woorden:
“Kies één van de twee: of al deze aanwezigen gaan dood, of jullie worden gemarteld.”
De apostelen antwoordden:
“Wij bidden God om erbarmen dat Hij ons naar de martelpalm mag leiden, als Hij dan maar ieder wil bekeren.”
Er werd om stilte gevraagd. Daarin namen de apostelen het woord:
“Let op. Dan zult u zelf toegeven dat deze beelden vol met boze geesten zitten. Wij bevelen hen tevoorschijn te komen en wel zo dat meteen ieders eigen beeld breekt.”
Direct kwamen twee zwarte, naakte Moren schreeuwend uit de beelden tevoorschijn en braken ze in stukken. Ieder was behoorlijk van zijn stuk gebracht. Toen de priesters dat zagen, vielen ze op de apostelen aan en doodden hen; daarbij zou Simon doormidden gezaagd zijn.
Op hetzelfde moment echter kwam er een bliksemstraal uit een volkomen heldere hemel die de tempel in drie stukken brak en de tovenaars verkoolde. De koning liet de lichamen van de apostelen naar de hoofdstad brengen en bouwde ter ere van hen een prachtige kerk.

Verering & Cultuur
Simons relieken bevinden zich in Rome en Keulen.
De relieken die aan Judas worden toegeschreven zijn in de Sint-Pieter te Rome.
Samen zijn Simon en Judas beschermheiligen van de Duitse stad Goslar.

Simon is patroon van de Duitse landstreek Thüringen, alsmede van de steden Keulen, Magdeburg; van houthakkers en houtzagers; van schilders, ververs, wevers, leerlooiers en leerbewerkers.
In de kunst wordt hij afgebeeld met een zaag, zijn martelwerktuig. Soms is hij gekruisigd omdat een andere legende weet te vertellen dat hij de kruisdood gestorven is, toen hij 102 jaar oud was.

Judas wordt aangeroepen bij hopeloze zaken (vanwege het bijgeloof dat hij een naamgenoot is van Judas Iskariot die Jezus heeft verraden), vandaar ook bij wanhopige verlangens. Vooral in (Zuid-)Duitsland geniet hij grote verering.
Judas wordt afgebeeld met bijl, knots of zwaard (martelwerktuigen); met een kruis (volgens sommigen werd hij net als Simon gekruisigd); soms met een beeltenis van Jezus op de borst of op een doek. Dat gaat terug op de zogeheten Abgarlegende.

Abgarlegende
Abgar, zoon van Arscham, regeerde in de Perzische hoofdstad Edessa, toen Jezus in Palestina optrad. Hij regeerde van 08 – 45 na Chr.  De kerkhistoricus Eusebius († ca 337) maakt melding van hem.

Toen Jezus optrad in Palestina, kwam dat koning Abgar ter ore, die in de Syrische stad Edessa (thans Urfa in Zuid-Oost-Turkije) resideerde en ernstig ziek was. Hij hoorde van Jezus’ genezingen en van de tegenwerking van zijn joodse tijdgenoten. Hij stuurde hem via een boodschapper een brief, waarin hij Hem uitnodigde naar hem toe te komen om hem, Abgar, te genezen en zijn evangelie te preken in Edessa; daar zou Jezus zeker meer gehoor en ingang vinden. In zijn antwoordbrief prees Jezus de vorst zalig, omdat hij niet zag en toch geloofde. Maar hij vervolgde dat Hij gekomen was voor Israël en dat Hij daar moest lijden en sterven om zo zijn heerlijkheid binnen te gaan.
Toen Abgar begreep dat hij Jezus niet persoonlijk te zien zou krijgen, stuurde hij een portretschilder met de bedoeling dat deze een gelijkend portret van Jezus zou maken. Maar de glans op het gelaat van Jezus was zo sterk dat het de schilder volkomen verblindde. Hij kreeg geen penseelstreek op het doek. Met medelijden bewogen nam Jezus het linnen waarop zijn portret had moeten komen in zijn handen en drukte het tegen zijn gezicht. De afdruk ervan bleef op het doek achter. Volgens de overlevering was het de apostel Judas Thaddeus die de doek naar koning Abgar in Edessa bracht. Op het moment dat de zieke koning de afbeelding tegen zijn gezicht drukte, was hij genezen.

Overigens is dit verhaal een van de belangrijkste argumenten waarom men van de christelijke mysteries afbeeldingen mag maken. Jezus was er zelf mee begonnen!



28 okt - woensdag

Sneek 09:15 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek


29 okt - donderdag

- Hele dag Gedenkdag H. Ermelindis van Meldert, kluizenares

– Geen, -

Ermelindis van Meldert (ook van Brabant of van Tienen) , Vlaams Brabant, België; kluizenares; † ca 594;

Afbeelding van Ermelindis

< 1800. Ingekleurde gravure.

http://www.heiligen.net/afb/10/29/10-29-0594-ermelindis_1.jpg

Feest 29 oktober.

Ermelindis was de dochter van een adellijk geslacht. Zij zou zelfs familie geweest zijn van Pepijn van Landen († 639; feest 21 februari)). Haar vader heette Ermenoldus en haar moeder Ermesenda. Zoals dat soms gaat in het leven van mensen die later heilig zullen worden, vatte zij al heel vroeg in haar jeugd de liefde op voor het godsvruchtige leven. Zij leerde de psalmen uit haar hoofd en zoals oude levensberichten vermelden zij herkauwde ze talloze malen, gelijk het vee doet met háár voedsel.

Haar ouders hadden voor haar een adellijk huwelijk gepland, dat in de voortplanting van het geslacht zou voorzien. Echter, zij gaf er de voorkeur aan om maagd te blijven. Tenslotte liet haar vader zich overtuigen, en schonk haar in de buurt van haar geboortedorp, Lovenjoel bij Leuven, een stuk grond. Maar dat was te dicht bij de mensen. Zij wilde God dienen in de eenzaamheid, zoals ze had gelezen bij de woestijnvaders. Zij vond dat alles te Bevekom.
Elke nacht stond zij op om in het plaatselijke kapelletje te gaan bidden. Maar twee adellijke jongemannen raakten smoorverliefd op haar. Zij smeedden een plan om haar te overmeesteren. Dat het meisje zelf graag als maagd wilde leven in de dienst van de Heer, achtten ze van minder belang. Ze probeerden de koster om te kopen, maar deze reageerde terughoudend op hun voorstellen, want Ermelindis onderhield een hartelijke relatie met hem. Hij wees hun dus een plaats aan ergens halverwege haar kluizenaarswoninkje en de kapel, waar zij het gemakkelijkst kon worden geschaakt.
Juist in de afgesproken nacht ging de heilige vrouw niet naar de kapel; ze sliep uit. In haar slaap werd ze door een engel gewaarschuwd: ‘Vlucht, vlucht van hier…, als je tenminste je maagdelijke staat wilt bewaren die je zo rein hebt geofferd aan God onze Heer.’ Onmiddellijk zocht ze een goed heenkomen en vond het te Meldert bij Hoegaarden (Brabant). Daar zette zij haar godgewijde leven van eenzaamheid voort. Zij onderhield een strenge vasten, en werd dikwijls door geestelijken opgezocht om raad. Ze stierf op 47-jarige leeftijd.
Niemand heeft haar afsterven opgemerkt. Het verhaal vertelt dan ook, dat zij door engelen is afgelegd en begraven… en in de hemel opgenomen.

Verering & Cultuur
Jaren later passeerde op de plaats waar zij begraven lag een reiziger. In het duister van de avond zag hij een licht zweven en vroeg zich af wat dat kon betekenen. Bij het aanbreken van de morgen vervaagde het licht, maar nu steeg er een heerlijk zoete geur op van die plaats. Hij bracht vlug de zaken in orde waarvoor hij gekomen was, en keerde ‘s avonds naar dezelfde plek terug in de hoop, dat de bijzondere tekenen zich zouden herhalen. Dat was inderdaad het geval. Nu ging hij spoorslags naar huis, verkocht alles wat hij bezat en liet een kapelletje bouwen op die plaats. Hij ging er zelf bij wonen. Zijn verdere leven bracht hij daar in afzondering en gebed door. Het graf van Ermelindis werd een gezocht bedevaartsoord, en volgens de verhalen gebeurden er talrijke wonderen en genezingen.

Tot op de dag van vandaag trekken er pelgrims naar de plaatsen waar zij heeft geleefd.



29 okt - donderdag

Sneek 08:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


29 okt - donderdag

Sneek 16:00 Rozenkransgebed

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


30 okt - vrijdag

- Hele dag Gedenkdag H. Marcellus van Tanger, martelaar

– Geen, -

Marcellus van Tanger (ook de Centurio of van León, Spanje), Noord-Afrika; martelaar met zijn zoons 12 zoons: Claudius, Lupercus & Victorius van León; Facundus & Primitivus van Sahagun († ca 300; feest 27 november); Hemiterius (ook Emeterius, Emiterius of Hemeterius) & Cheledonius (ook Celedonius of Chelidonius) van Calahorra (” 300; feest 3 maart); Servandus & Germanus van Cadiz († ca 300; feest 23 oktober); Faustus, Januarius & Marcialis (ook Martialis) van Cordova († ca 304; feest 13 oktober); † 298.

Afbeelding van Marcellus

Marteldood Sint Marcellus.
vóór 1667, schilderij. Spanje, Valencia, Museo Belles Artes.

http://www.heiligen.net/afb/10/30/10-30-0298-marcellus_1.jpg

Feest 30 oktober.

Marcellus was afkomstig uit de Spaanse stad León en diende als honderdman in het Romeinse leger. Tijdens de feestelijkheden ter gelegenheid van de verjaardag van keizer Maximinianus (284-305) weigerde hij deel te nemen aan de offerrituelen: hij was christen, alleen aan Christus bracht hij offers. Hij wierp zijn wapens weg en rukte de soldateninsignes van zijn kleding. Dat was heiligschennis en voor een soldaat hoogverraad. Op last van de toenmalige stadsprefect Agricolaus werd hij berecht, gefolterd en uiteindelijk met het zwaard onthoofd.

De klerk Cassianus († 298; feest 3 december), die de gang van zaken moest vastleggen in Acta (= verslagen), was diep onder de indruk van Marcellus’ standvastigheid, en de rust en blijdschap die hij uitstraalde. Tegelijk ergerde hij zich aan de oneerlijkheid waarmee de rechter te werk ging. Toen Marcellus onterecht ter dood werd veroordeeld, smeet hij zijn lei en griffel neer en riep uit dat ook hij christen was. Hij werd gearresteerd en op zijn beurt aan verhoren en folteringen onderworpen. Enkele weken na Marcellus stierf hij de marteldood.

Verering & Cultuur
Volgens de overlevering had Marcellus twaalf zonen, die allen de marteldood stierven: Claudius, Lupercus & Victorius van León; Facundus & Primitivus van Sahagun († ca 300; feest 27 november); Hemiterius (ook Emeterius of Emiterius) & Cheledonius (ook Celedonius) van Calahorra († ca 300; feest 3 maart); Servandus & Germanus van Cadiz († ca 300; feest 23 oktober); Faustus, Januarius & Marcialis van Cordova († ca 304; feest 13 oktober).

Na de verovering van Tanger werden Marcellus’ relieken overgebracht naar León.

Hij wordt vereerd als hoofdpatroon van León.
Claudius en zijn beide broers zijn de patroonheiligen van de benedictijner abdij St-Claudius in Galicië, Noord-West-Spanje.



30 okt - vrijdag

Sneek 19:00 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


31 okt - zaterdag

- Hele dag Gedenkdag H. Alfonsus Rodrigues, lekenbroeder

– Geen, -

Alfonsus (ook Alonso) Rodríguez sj, Palma de Mallorca, Spanje; lekenbroeder; † 1617.

Afbeelding van Alphonsus

ca 1880, sculptuur. België, Drongen, Oude Abdij, Gotische Kapel.

http://www.heiligen.net/afb/10/31/10-31-1617-alfonsus_2.jpg

Feest 31 oktober.

Hij werd geboren in de Spaanse stad Segovia in 1532 of 33. Als jongen maakte hij kennis met de jezuïetenpater Petrus Faber († 1546; feest 2 augustus); die kwam bij zijn ouders logeren, toen hij in de stad een volksmissie preekte. Dat moet gebeurd zijn kort nadat de jezuïetenorde officieel door de paus was goedgekeurd ( 27 september 1540). Hij bereidde de jonge Alfonsus voor op zijn Eerste Heilige Communie.
Tegen zijn twaalfde stuurde vader hem naar het zojuist opgerichte jezuïetencollege in Alcalà. Maar na één jaar moest de jongen alweer naar huis terugkeren, omdat vader plotseling was overleden. Hij moest de stoffenhandel overnemen.
In 1557 trouwde hij met Maria Suarez. In vier jaar tijd kreeg het echtpaar kreeg twee zoons en een dochter, Gaspar, Alonso en Maria. Eerst ging zijn bedrijf failliet en vervolgens kwamen kort na elkaar zijn dochtertje, zijn vrouw, zijn twee jongens en zijn moeder te overlijden. Toen had hij alleen nog zijn geloof om zich aan vast te klampen. Hij was achtendertig jaar en net als Sint Paulus destijds stelde hij de vraag: ‘Heer wat wilt Gij dat ik doe?’

Hij wendde zich tot de jezuïeten met de vraag of hij priester mocht worden. Maar gelet op het feit dat hij maar één jaar middelbare-schoolopleiding had en vervolgens de studie van filosofie en theologie nog zou moeten doorlopen, werd hij te oud bevonden. Bovendien vroeg men zich af of hij wel sterk genoeg zou zijn voor het soms harde leven van een jezuïet. Alfonsus liet zich er niet door uit het veld slaan. Hij begon zelf te studeren. Toen zijn geestelijk leidsman werd overgeplaatst naar Valencia, verhuisde hij mee. Na twee jaar verzocht hij nogmaals bij de jezuïeten te mogen intreden, als priester of lekenbroeder, dat maakte niet uit. Ook in Valencia werd hij afgewezen, maar het was pater provinciaal zelf die het advies van zijn medebroeders in de wind sloeg en Alfonsus aannam als kandidaat-lekenbroeder. Dat gebeurde op 31 januari 1571. Na een half jaar werd hij gezonden naar het pas gestichte college Montesion in Palma de Mallorca. Hij arriveerde er op 10 augustus van hetzelfde jaar. Aanvankelijk verrichtte hij bescheiden en dienstbaar allerhande werkzaamheden. Vanaf 1579 zou hij bijna veertig jaar lang onafgebroken de functie van broederportier vervullen.

Hij was een man van gebed, grote eenvoud en diepe vroomheid. Wanneer je hem ook tegenkwam, hij had altijd een rozenkrans bij de hand. Als er iemand belde aan de poort, stelde hij zich voor dat God zelf aan de deur stond en dat hij de gast in die geest wilde ontvangen. Velen kwamen hem opzoeken om goede raad van hem te ontvangen. Een van hen was de priesterstudent Pedro Claver († 1654; feest 9 september). Als voormalig handelsman en als medebroeder van missionarissen die uitgezonden waren naar de uiteinden van de aarde, wist hij te vertellen dat er in de Nieuwe Wereld vreselijke dingen gebeurden. Vanuit Afrika werden door Spanjaarden, Portugezen, Hollanders en Engelsen negers naar Zuid-Amerika overgebracht, om daar voor goudgeld op de markt verkocht te worden. Ze werden in de goud- en zilvermijnen te werk gesteld en stierven als ratten. “Het goud en zilver waar onze kerken en paleizen mee zijn versierd, kost duizenden mensenlevens, en er schijnt niemand te zijn die zich om die arme mensen bekommert”, zo besloot broeder Alfonso. Van dat ogenblik af, stond het voor Pedro vast dat hij daar naartoe wilde. Pedro zou uitgroeien tot de Apostel van de negerslaven.

Reeds bij zijn leven werd broeder Alfonsus beschouwd als een ware heilige. Toen de oude dag hem vergeetachtig maakte bestond zijn gebed alleen nog maar in het prevelen van de namen van Jezus en Maria. Hij stierf omringd door zijn medebroeders. Het was paus Leo XII die hem in 1825 († 1829) zalig verklaarde.

Op 15 januari 18888 werd hij tezamen met zijn vertrouweling Pedro Claver door paus Leo XIII († 1903) heilig verklaard.

Afgebeeld
Op afbeeldingen ziet men hem altijd in gebed, vaak met een rozenkrans.



31 okt - zaterdag

Sneek Hele dag I.v.m. Corona geen openbare viering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek

Wij steken een kaarsje op voor:

de bewoners, verzorgers en vrijwilligers,

voor alle christenen



31 okt - zaterdag

Sneek 17:00 Eucharistieviering met orgelspel

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


31 okt - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Allerheiligen/Allerzielen

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger pastor Foekema

M.m.v. het Ceacilliakoor


nov 2020

datum/tijd evenement

01 nov - zondag

- Hele dag Hoogfeest van Allerheiligen

– Geen, -

ALLERHEILIGEN

De geloofsgemeenschap viert op 1 november het feest van Allerheiligen (en de dag erna, 2 november, Allerzielen).

Afbeelding Allerheiligen

Allerheiligen

1 Betekenis

Met “alle heiligen” worden al die overledenen bedoeld die op aarde de goede strijd gestreden hebben, en dus – naar de vaste overtuiging van de geloofsgemeenschap – bij God in de hemel zijn opgenomen. Het betreft hier juist die heiligen die door het jaar geen eigen feestdag hebben bv. omdat hun heiligheid alleen bij God bekend was en niet bij de mensen.

2 Uitleg

Van oudsher geloven christenen dat het leven van een mens bij zijn dood niet ophoudt of wordt weggenomen, maar dat het verandert. De gestorvene komt voor God te staan om geoordeeld te worden. Wie goed heeft geleefd wordt beloond, wie slecht heeft geleefd wordt gestraft.
De beloning bestaat in de zogeheten ‘zalige aanschouwing Gods’. De straf wordt vaak aangeduid – ook al door Jezus in zijn verhalen – met een “eeuwig vuur”, door ons vaak “de hel” genoemd.
De woorden “hemel” en “aanschouwing Gods” enerzijds en anderzijds “hel” en “vuur” zijn beelden. Het is symbooltaal om de dingen van God enigszins voor onze mensenogen op te roepen. Zoals gezegd maakte Jezus daar ook gebruik van, als hij over beloning en straf sprak, bijvoorbeeld in zijn gelijkenissen.
We zouden diezelfde mysteries ook anders kunnen uitleggen. Een christen leeft goed, wanneer wij hij naar Jezus’ voorbeeld God navolgt en zijn leven oriënteert op de Heilige Geest. In de praktijk betekent dit dat een gelovige de naastenliefde beoefent. De goeden zijn zij die de ander beminnen zoals zij zichzelf door God bemind weten. Hun beloning bestaat erin dat zij nu inderdaad op hun beurt bemind worden zoals zij anderen hebben bemind.
Gestraft wordt diegene die het aanbod van Gods liefde willens en wetens heeft afgeslagen en er uitdrukkelijk voor heeft gekozen daar juist niet van te leven.

De goeden in het hiernamaals worden in de geloofsgemeenschap aangeduid met het woord “heiligen”. De dag dat die schare die niemand tellen kan, wordt gevierd, heet dan ook Allerheiligen.
We merken op dat de betekenis van het woord “heilige” sinds Paulus is verschoven. Als hij sprak over “heiligen”, had hij het niet over overleden geloofsgenoten, maar over mensen die nog in leven waren en de boodschap van het Evangelie hadden aangenomen. Zij hadden het heil van Jezus herkend en aanvaard, en werden dienovereenkomstig dus “heilig” genoemd.
Vandaag de dag noemen wij alleen iemand “heilig” die overleden is en die na een langdurig onderzoek uitdrukkelijk door de Paus heilig is verklaard.

3 De plaats van de doden in het leven van de Kerk

Gelovig gesproken zijn er dus drie plaatsen waar de Kerk te vinden is: in de hemel, in het vagevuur en op de aarde. Om aan te duiden dat het in feite over één grote geloofsgemeenschap gaat, spreken de gelovigen van de zegevierende kerk, de lijdende kerk en de strijdende kerk.
Sinds Jezus’ opstanding uit de doden heeft er voor de geloofsgemeenschap altijd een intieme band bestaan met de overledenen: immers zij leven voor God.

De band met de heiligen in de hemel
Gelovigen kunnen de voorspraak inroepen van heiligen, en vragen of zij hun gebed kracht willen bijzetten; of zoals dat vertrouwelijk heet: een goed woordje voor ons doen bij Onze Lieve Heer. Ontelbaar zijn de verhalen waarin gelovigen vertellen hoe hun gebed werd verhoord door tussenkomst van een of andere heilige. Wil een overledene in aanmerking komen voor een officiële heiligverklaring, dan moet er ook sprake zijn van dergelijke gebedsverhoringen of zelfs wonderen die kunnen worden toegeschreven aan de bemiddeling van een vereerde heilige. Er is dus geen sprake van dat heiligen worden aanbeden: dat komt alleen aan God toe.

4 Geschiedenis van de feestdag

Allerheiligen en Allerzielen staan aan het begin van de maand november. Op de eerste plaats omdat dan ook de natuur afsterft. In vele streken ziet men de hele maand november als een tijd waarin de dood centraal staat. Men zag het als een soort “liturgische herfst” die samenviel met de oogsttijd. Juist die oogsttijd herinnert aan de gelijkenissen van Jezus, waarin Gods oproep aan het einde der tijden herhaaldelijk wordt vergeleken met een oogst. En is ieders persoonlijke dood niet een soort van oproep aan het einde der tijden?
Toch hebben beide feestdagen niet altijd in deze tijd van het kerkelijk jaar gestaan.

Allerheiligen
In de oosterse kerk kende men in de eerste eeuwen het gebruik om op één bepaalde dag alle martelaren te vieren. Hun aantal was zo hoog geworden dat men ze niet meer elk persoonlijk kon vieren. Er is zo’n feest bekend uit de kerk van Edessa in het jaar 519: het viel op 13 mei. In de oostsyrische kerk viel het op de vrijdag na Pasen. Johannes Chrysostomus besloot de liturgische paaskring met het feest van Allerheiligen op de eerste zondag na Pinksteren (daar staat nu bij ons het feest van de H. Drie-eenheid).
In het westen kan men alle drie de data terugvinden voor dit feest. De belangrijkste dag schijnt lange tijd toch 13 mei geweest te zijn. Dat kwam mede door het toeval dat op die dag te Rome de kerkwijding plaats had gevonden van het Pantheon. Dit gebouw was een overblijfsel uit de heidense Romeinse tijd; het was gebouwd ter ere van alle goden. De christenen maakten er na de val van het Romeinse Rijk een kerk van ter ere van alle heilige martelaren; zij waren immers juist het slachtoffer geworden van die Romeinse goden. Welnu, de inwijding van het Pantheon had plaats gevonden op 13 mei.
Het zijn de Ierse monniken geweest die de dag der overledenen vierden op 1 november. Geen wonder, want zij leefden zeer intens naar het ritme van de natuur. Op aandringen van koning Lodewijk de Vrome heeft paus Gregorius IV in 844 het feest van Allerheiligen verplaatst van 13 mei naar 1 november.

5 Gebruiken

Van oudsher is Allerheiligen gevierd als een zondag.
Bij de kerkelijke viering van Allerheiligen wordt het thema van het einde der tijden behandeld. Er worden missen opgedragen aan alle heiligen en kerkhoven bezocht. Het leven van de heiligen die in de hemel verblijven wordt herdacht en als voorbeeld gesteld voor een goed christelijk leven.

Op de avond vóór en de middag en avond ván Allerheiligen worden voorbereidingen getroffen voor het feest van Allerzielen op 2 november. In alle rooms-katholieke streken worden de kerkhoven schoongemaakt en met bloemen versierd.

In Engeland heeft Halloween zich sinds de Reformatie in zestiende eeuw als wereldlijk feest verder ontwikkeld en nadat het door (Ierse) kolonisten naar Amerika was overgebracht, heeft het zich de laatste decennia van daaruit weer over Europa verspreid.

Met de kerkelijke feesten heeft het huidige Halloween niets meer te maken.

In de Protestantse kerk wordt Allerheiligen niet gevierd, omdat ze heiligenverering afwijst. Dit gebeurde dus na de Reformatie, de periode waarin mensen als Luther en Calvijn en grote groepen rond hen zich afscheiden van de traditionele katholieke kerk (de Beeldenstorm!).

Wereldlijke feestelijkheden en gebruiken rond 1 november

1 november is tot in de twintigste eeuw ook een belangrijke kalenderdag geweest in het dagelijks leven, vooral van boeren en kooplieden. In de agrarische wereld was 1 november het begin van het winterseizoen en van de werkzaamheden binnenshuis (november is slachtmaand), de datum waarop de kachel en de winterkleren weer van zolder werden gehaald.

Verder was 1 november de dag waarop lonen werden uitbetaald, nieuwe pachttermijnen ingingen en knechten en meiden in dienst traden. Ook de najaarsmarkten werden vaak op 1 november gehouden. Behalve voor het doen winterinkopen was een bezoek aan de najaarsmarkt ook een gelegenheid om uit te gaan. In Winschoten wordt nog altijd Allerheiligenmarkt (Aldrillenmarkt) gehouden.



01 nov - zondag

Roodhuis 09:30 - 10:30 Woord - en communieviering Jan Mulder en Frida Rijpma

Sint Martinuskerk – Roodhuis, Roodhuis

31e zondag door het jaar.
Collecte: schalen achterin de kerk.

Voor het bijwonen van deze viering dient u zich voor vrijdag 9.00 op te geven.
Zie voor de mogelijkheden ook webpagina: https://www.sintantoniusparochie.nl/aanmelden-viering/
Of meldt u zich digitaal aan:  https://www.sintantoniusparochie.nl/aanmelden-viering-reahus



01 nov - zondag

Heeg 09:30 - 10:30 Woord- en Communieviering, Pastor L. Foekema; Allerzielen / Allerheiligen viering 

Sint Josephkerk – Heeg, Heeg

voor Piet en Thea de Jong – Lenes;                                                                       
voor Rein van der Wey.

Max. 30 kerkgangers bij vieringen.
Vanaf heden zijn maximaal 30 personen excl. altaarpersoneel en andere medewerkers toegestaan bij vieringen. Afgesproken is om dit zo sober mogelijk te houden, d.w.z. 1 koster/ minder koorleden/ 1 acoliet en 1 lector.

Mondkapje verplicht.

Verder blijven de gebruikelijke hygiëne regels van kracht, d.w.z. 1,5 meter afstand en verplicht gebruik van mondkapje. Het mondkapje mag af wanneer men plaats neemt in de bank.

Vooraf aanmelden via aanmeldformulier
Vanaf a.s. maandag 12 oktober dient men zich aan te melden voor de komende vieringen. Registeren / aanmelden verplicht. Elders op de website vindt u het aanmeld protocol, het aangepaste protocol parochie en een voorbeeld aanmeldformulier per locatie en per viering.
Vanaf dit weekend zal in het portaal van uw kerk een gastvrouw/gastheer aanwezig zijn om het een en ander duidelijk te maken aan de parochianen. Ook zal zij/hij eventueel een kopie meegeven van het aanmeldprotocol. U kunt zich aanmelden bij Henriët, telefoonnummer 0515 569951 of via .



01 nov - zondag

Sneek 11:00 TV-uitzending - Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

Eurovisie uitzending – Allerheiligen viering

m.m.v. leden van Intermezzo en Sint Caecilia o.l.v. F. Haaze

m.m.v. het strijkers ensemble

m.m.v. gastsopraan Monique Topeeters

Uitgevoerd zal worden een Mozartprogramma met o.m het Laudate Dominum

 



02 nov - maandag

- Hele dag Feestdag van Allerzielen

– Geen, -

ALLERZIELEN

De geloofsgemeenschap viert op 1 november het feest van Allerheiligen en de dag erna, 2 november, Allerzielen.

Afbeelding Allerzielen

ca 1425 Altaarschildering door Meester van Palanter. Duitsland, Aken, Suermondt-Ludwig-Museum
Redding van de zielen uit het vagevuur.

http://www.heiligen.net/afb/11/02/11-02-0000-allerheiligen_4.jpg

1 Betekenis

Met “alle zielen” worden die overledenen bedoeld die niet rechtstreeks naar de hemel zijn gegaan, maar naar een fase die daaraan voorafgaat: het vagevuur.

2 Uitleg

In de loop van de geschiedenis is in het denken van de geloofsgemeenschap dat eenvoudige onderscheid tussen hemel en hel wat verfijnd. In de praktijk van het leven bleken er talloze mensen te sterven die enerzijds de hel niet verdienden, maar anderzijds nog niet zuiver genoeg op God gericht stonden om zijn licht in volle glorie te kunnen ontvangen. Immers wie de Liefde zelf wil ontmoeten, moet daar ook op voorbereid zijn. En soms was dat onvoldoende gebeurd tijdens het leven van de gelovige.
Men stelde zich dat uitzuiveringsproces in het hiernamaals voor als een vuur en men gaf het de naam Vagevuur’, een vuur dat vaagt of reinigt.

3 De plaats van de doden in het leven van de Kerk

Gelovig gesproken zijn er dus drie plaatsen waar de Kerk te vinden is: in de hemel, in het vagevuur en op de aarde. Om aan te duiden dat het in feite over één grote geloofsgemeenschap gaat, spreken de gelovigen van de zegevierende kerk, de lijdende kerk en de strijdende kerk.
Sinds Jezus’ opstanding uit de doden heeft er voor de geloofsgemeenschap altijd een intieme band bestaan met de overledenen: immers zij leven voor God.

Op grond van diezelfde geloofsovertuiging neemt de gelovige aan dat er ook een band mogelijk is met de zielen in het vagevuur. Nu zijn het vooral de gelovigen van de strijdende kerk die bidden dat het uitzuiveringsproces verhaast wordt en dat de zielen van de overledenen zo snel mogelijk verlost mogen worden.
Voor vele gelovigen heeft het als troost gefungeerd dat ze na de dood van een dierbaar persoon, van wie ze voelden dat de band van liefde doorging ook al was de dood ertussen gekomen, nog iets konden doen: nl. bidden voor diens welzijn en verlossing. En juist omdat het gebed uit liefde voortkwam, mocht men geloven dat het God naar zijn hart zou spreken, zodat Hij zou geven wat men vol vertrouwen vroeg.

4 Geschiedenis van Allerzielen

Allerheiligen en Allerzielen staan aan het begin van de maand november. Op de eerste plaats omdat dan ook de natuur afsterft. In vele streken ziet men de hele maand november als een tijd waarin de dood centraal staat. Men zag het als een soort “liturgische herfst” die samenviel met de oogsttijd. Juist die oogsttijd herinnert aan de gelijkenissen van Jezus, waarin Gods oproep aan het einde der tijden herhaaldelijk wordt vergeleken met een oogst. En is ieders persoonlijke dood niet een soort van oproep aan het einde der tijden?
Toch hebben beide feestdagen niet altijd in deze tijd van het kerkelijk jaar gestaan.

De gedachtenis van Allerzielen schijnt voor het eerst in het oosten gevierd te zijn, en wel op de zaterdag voorafgaand aan de vasten. In het westen vonden we er de sporen van in de abdij van Fulda: daar werden elke maand de overledenen herdacht in een eigen liturgisch kader. Het kreeg zijn verspreiding onder invloed van de kloosterhervormingen van Cluny. Vooral abt Odilo van Cluny († 1049) schijnt zich hiervoor sterk gemaakt te hebben. Volgens sommigen was deze verbreiding veeleer te danken aan de Luikse bisschop Notger († 1008). Hoe dan ook, alle nieuwe kloosterordes, die in de loop van de Middeleeuwen ontstonden, zoals de cisterciënzers, premonstratenzers en kartuizers namen het feest op in hun liturgische kalender.

5 Gebruiken

In de dagen die voorafgaan aan Allerheiligen en Allerzielen worden de graven en kerkhoven in orde gebracht. Dit gebeurt nog steeds in het zuiden van ons land; maar bijvoorbeeld ook in België en in de Duits sprekende landen.

Het is verstandig hier onderscheid te maken tussen “vroeger” – laten we zeggen tot aan het Twwede Vaticaans Concilie (1962-1966) en “tegenwoordig”. Juist omdat de gelovigen enerzijds de overledenen graag gedenken. Anderzijds spreekt de voorstelling van het Vagevuur op dit moment niet zo tot de verbeelding.

5.1 “Vroeger”
In de eerste helft van deze eeuw gingen de gelovigen ‘s morgen vroeg naar de kerk. De liturgische kleuren waren zwart en paars. De priester droeg drie missen op, waarvan één in ieder geval ter intentie van de zielen in het vagevuur. Dit gebruik is ingesteld door paus Benedictus XV in het jaar 1915, midden in de Eerste Wereldoorlog en ook omwille van al die doden die vielen in die Eerste Wereldoorlog.
Terwijl de priester zijn drie missen opdroeg, hadden de gelovigen ruimschoots de gelegenheid te bidden voor de zielen in het vagevuur. Zij waren zelfs in staat de verlossing van zo’n ziel te bewerkstelligen. Op de dag van Allerzielen – of in de week onder het Octaaf – moesten zij daartoe de kerk bezoeken, zeven Onze Vaders, zeven Wees Gegroeten en zeven Eer aan de vaders bidden. Dat volstond voor de verlossing van een ziel uit het vagevuur. In later tijd veronderstelde men zelfs dat men even zovele zielen kon helpen als men dit ritueel herhaalde.
Dit gebruik heet “portiunkelen”, omdat het voor het eerst is gepraktiseerd in Portiuncula, een devotiekapelletje ter ere van Sint Franciscus dat gelegen is vlak bij Assisi.
Na de kerk gaat men op het kerkhof langs bij de dierbare overledenen. Daar mijmert men enkele ogenblikken. Verder staat de hele dag in het teken van ernst en bezinning.

5.2.2 “Tegenwoordig”
Tegenwoordig heeft men andere gebruiken in de kerk ontwikkeld.
De liturgische kleur is paars, soms grijs. De paaskaars brandt. Er is een eucharistieviering. Bij de gedachtenis van de overledenen brengt men alle overleden parochianen van het afgelopen jaar één voor één, naam voor naam in herinnering. Hier en daar steken de gelovigen telkens wanneer er een naam genoemd wordt, een kaarsje aan.

In België bestaat het gebruik van een soort jaarkalender; gaandeweg het jaar worden de doden op de dag van hun overlijden ingeschreven. Op Allerzielen plaatst men dat boek in het centrum van de liturgie niet als een boek van doden, maar van levenden.



02 nov - maandag

Sneek 09:30 Eucharistieviering

Begraafplaats, kapel, Sneek

Onder voorbehoud van eventuele Corona maatregelen.

Jaarlijkse Allerzielenviering in de Kapel van de Begraafplaats aan de Leeuwarderweg.



02 nov - maandag

Sneek 14:00 - 17:00 Afhalen van de gedachteniskruisjes van de overledenen van het afgelopen jaar

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


03 nov - dinsdag

- Hele dag Feest H. Hubertus van Luik, bisschop

– Geen, -

Hubertus van Luik (ook van Maastricht)osb, België; bisschop; † 727.

Afbeelding Sint Hubertus

1929. Glasschilderkunst. België, Turnhout, St-Pieterskerk
Boven: Christus verschijnt aan Hubertus
Onder: Hubertus verkondigt het evangelie.

http://www.heiligen.net/afb/11/03/11-03-0727-hubertus_1.jpg

Feest 3 november.

Hij moet ergens in de 7e eeuw geboren zijn. Hij diende aan het hof van Pepijn van Herstal. Maar na de dood van zijn vrouw stelde hij zijn leven in dienst van God.
Later volgde hij Lambertus († 705; feest 17 september) op als bisschop van Maastricht. Hij was het die de bisschopszetel overbracht naar Luik, België.
Dit is wat met enige zekerheid historisch over hem vaststaat. De legende weet echter veel meer over hem te vertellen.

Legende

Hubertus was de oudste zoon van Bertrandus en Hugberne, het hertogelijk paar van Aquitanië. Hij werd in 654 op achttienjarige leeftijd ridder geslagen door zijn neef, koning Dederik. Het was een boom van een vent: liefst tien voet lang [= 2.90m!]. Hij had een rode baard. Na de dood van Baudalus werd Hubertus graaf van Parijs. Maar ten gevolge van de kuiperijen (intriges) van Ebroinus bij de Franse koning werd Hubertus verbannen.

Over Ebroïnus
Toen koning Clotarius III in 673 stierf, waren er twee zoons die streden om de troon: enerzijds Childerik II († 675), o.a. gesteund door Léger, en aan de andere kant Thierry (of Diederik; † 690/91) die gesteund werd door Ebroïn, hofmeier van zowel Neustrië als Bourgondië. Hij was zeer op macht belust en stelde alles in het werk om uiteindelijk zelf alle macht in handen te krijgen. In eerste instantie viel de strijd uit ten gunste van Childerik; deze wilde Léger voortdurend bij zich in de buurt hebben als persoonlijk raadsman. Thierry werd opgeborgen in de abdij van St-Denis bij Parijs, terwijl Ebroïn verbannen werd naar het strenge klooster Luxeuil in Bourgondië.

In 675 werd de koning zelf slachtoffer van een aanslag. Thierry bevrijdde zich uit St-Denis en maakte zich meester van de troon. Ook Ebroïn wist zich te bevrijden, en was woedend dat niemand van het landsbestuur er aan gedacht scheen te hebben om hem een hoge functie te geven. Hij bracht een leger op de been, veroverde Neustrië en nam Thierry gevangen, die overigens niet al te veel weerstand bood. Nu trok Ebroïn alle macht aan zich. Uit haat tegenover kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders zat hij ze zoveel mogelijk dwars: hij liet er verbannen (zoals bv. Lambertus van Maastricht: † 705; feest 17 september); een aantal liet hij er ombrengen (zoals bv. Léger van Autun: † 678; feest 2 oktober; Ferriolus van Grenoble: † ca 680; feest 16 januari; Ragnebertus van Bugey: † 680; feest 13 juni). Hij werd op zijn beurt om het leven gebracht in 683.

Hij nam zijn intrek bij zijn neef Pepijn in Metz. Na de dood van de verrader Ebroinus werden Pepijn en Hubertus in hun rechten hersteld. Maar gaandeweg verslechterde de band met Pepijn vanwege allerlei duistere zaken in diens privé-leven. Zo kwam Hubertus naar Maastricht en werd daar letterlijk volgeling van Lambertus, want hij volgde hem overal waar hij ging.

Een andere legende weet over zijn bekering nog het volgende te vertellen. Het was Goede Vrijdag. Terwijl alle mensen naar de kerk togen, ging Hubertus met zijn vrienden uit jagen. Op een goed moment verwijderde hij zich een stukje van de overigen, omdat zijn honden achter een hert aanzaten. Hij was dus alleen toen plotseling uit de bosjes een hert op hem toetrad met een kruis in het gewei. Hubertus sprong van zijn paard en viel op zijn knieën. Hij hoorde hoe een stem tot hem zei: “Hubertus, waarom verdoe je je tijd met dit soort bezigheden? Van nu af zul je niet meer dieren vangen, maar mensen.” Hubertus antwoordde: “Heer, wat moet ik doen?” Waarop de Heer zei: “Ga naar mijn dienaar Lambertus, de bisschop van Maastricht. Deze zal u mijn wil kenbaar maken.” Toen verdween de verschijning en Hubertus ging dus naar Maastricht.

Hubertus was getrouwd met Floribine, een dochter van Dagobert, graaf van Leuven. Zij kregen een zoon: Floribertus († 746; feest 25 april). Zijn vrouw overleed en dat gaf Hubertus het verlangen in om zijn leven verder als kluizenaar in een bos of een abdij door te brengen. Hij ging naar Parijs en schonk het graafschap aan Karel Martel. Daarna vertrok hij naar Aquitanië, waar hij zijn vader stervende aantrof. Deze overleed drie dagen later. De titel van hertog en zijn erfgoed schonk Hubertus aan zijn broer Eudo. Zijn zoon Floribertus stuurde hij in de leer bij Lambertus.
Vervolgens trok Hubertus naar Rome en kwam daar aan op 16 september 674. Dat was de dag voordat Lambertus vermoord zou worden. De nacht daarop ging Hubertus voor de zoveelste maal bidden in de Sint-Pieterskerk. In diezelfde nacht verscheen een engel aan paus Sergius met de kromstaf en de ring van Lambertus; hij zei: “Sergius, afgelopen ochtend is Lambertus, de bisschop van Tongeren, vermoord. Zijn ziel is al in de hemel. Tijdens de metten zult u op het graf van Sint Petrus een man aantreffen, die door God is uitgekozen om Lambertus op te volgen. Het is Hubertus, de zoon van Bertrandus van Aquitanië. Hij moet tot bisschop worden gewijd.” Aldus geschiedde.

De dag die de legende noemt, is juist; het jaartal niet. Lambertus werd vermoord in 705.

Diezelfde ochtend nog ontving Hubertus van de paus de lagere en hogere wijdingen. Daarbij gebeurde nog een wonder. Vanuit de hemel werd zijn benoeming nog eens bekrachtigd getuige het feit dat een engel hem een pallium (of stola) en een zilveren sleutel aanreikte, welke o.a. de kracht bezat om hondsdolheid te genezen. Toen volgde Hubertus’ bisschopswijding, waarna hij zijn eerste mis opdroeg in de Sint-Pieterskerk te Rome. Tenslotte ging hij terug naar Maastricht. Dertien jaar resideerde hij in deze stad. Daarna bracht hij het lichaam van Lambertus over naar Luik. Daar zetelde hij nog eens dertig jaar.

Verering & Cultuur
Hij is patroon van de jagers. Allerlei gebruiken zijn aan zijn feestdag verbonden. In het zuiden van ons land wordt er Hubertusbrood gebakken.

In het Noordbrabantse Sint Hubert staat de Kerk van de Heiligen Hubertus en Barbara. Het is een rijksmonument.
Het gebouw is ten dele nog een 15e-eeuwse gotische kerk, waaraan in 1924 een nieuw transept en koor toegevoegd zijn. De toren en het middenschip stammen uit 1459.


03 nov - dinsdag

Sneek 08:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


04 nov - woensdag

- Hele dag Feestdag H. Carolus Borromeus, aartsbisschop&kerkleraar

– Geen, -

Carolus Borromeus (ook Carlo Borromeo), Milaan, Italië; aartsbisschop & kerkleraar; † 1584.

Afbeelding Carolus
ca 1900, glasschilderkunst. Frankrijk, Honfleur, Ste-Cathérine.
Carolus Borromeus gaat voor in een boeteprocessie om verlossing van de pest af te smeken.

http://www.heiligen.net/afb/11/04/11-04-1584-carolus_8.jpg

Feest 4 november.
Hij werd op 2 oktober 1538 geboren in het Italiaanse plaatsje Arona, gelegen aan het Lago Maggiore. Reeds op 23-jarige leeftijd was hij kardinaal en aartsbisschop van Milaan. Hij is een van de kopstukken van de katholieke Contra-Reformatie. Zo verscheen van zijn hand in 1566 de eerste Romeinse catechismus. Zijn geschriften over de kerkhervormingen in zijn bisdom Milaan werden het voorbeeld voor al die andere plaatsen waar bij geestelijkheid, kloosters en gewoon kerkvolk de hervormingen moesten worden doorgevoerd, die op het Concilie van Trente in gang waren gezet.

Toen in 1576 een pestepidemie uitbrak in zijn bisdom, was hij een toonbeeld van zorg en toewijding. Onafgebroken was hij als een echte herder bij zijn mensen te vinden. Geen wonder, dat zijn populariteit bij de mensen almaar groter werd.
Hij schreef de kloosterregel voor de zusters ursulinen, die enige jaren tevoren door de heilige Angela de’Merici († 1540; feest 27 januari) waren gesticht; de regel werd in 1582 officieel door de paus goedgekeurd.
Dankzij hem kwam de lijkwade van Christus van het Franse Chambéry naar de Italiaanse stad Turijn.

Verering & Cultuur
Na zijn dood werd hij bijgezet in de crypte van de dom in Milaan. In 1610 volgde zijn heiligverklaring.

Hij is patroon van het bisdom Lugano; van de universiteit van Salzburg; van prelaten, zielzorgers en seminaristen; van de Borromaeusvereniging en van de nonnencongregatie van St-Borromaeus.
Zijn voorspraak wordt ingeroepen tegen de pest.
Hij wordt afgebeeld als kardinaal (rode mantel en platte ronde kardinaalshoed); vaak is hij in gebed of reikt hij de communie uit aan pestlijders.



04 nov - woensdag

Sneek 09:15 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek


04 nov - woensdag

Sneek 13:30 - 14:30 Leerhuis

Sint Martinushuis, Sneek


05 nov - donderdag

- Hele dag Gedenkdag H. Odrada van Alem, Maagd

– Geen, -

Odrada van Alem, Kempen, België; maagd; † 8e eeuw.

Afbeelding H. Odrada

Odrada houdt een wild paard aan.
Tableau voor de kerk van St. Oddrada in Alem. Alem, Gelderland, Nederland.

http://www.heiligen.net/afb/11/05/11-05-0800-odrada_3.jpg

Feest 5 november.

Zij werd als adellijk meisje geboren te Scheps aan de Nete, vlakbij Balen, België. Zij wilde haar leven geheel aan God toewijden. Toen na de dood van haar moeder een stiefmoeder in huis kwam, ontstonden tussen haar en Odrada steeds meer wrijvingen.

Zo wil het verhaal dat zij eens het feest van de kerkwijding wilde bijwonen te Millegem. Haar vader en stiefmoeder gingen ook, zodat er voor haar geen rijdier was. “Probeer maar één van de wilde paarden uit het bos te pakken te krijgen en te temmen”, was het hatelijke commentaar van haar stiefmoeder. Zij maakte daarop een kruis van wilgentakken (volgens sommige versies van het verhaal waren het lindetakken). Met dat teken voor zich uit geheven stapte ze op de aanstormende dieren toe. Ze kwamen tot stilstand. Een schimmel maakte zich los uit de groep, naderde Odrada voorzichtig en knielde voor haar neer. Ze besteeg het dier en kwam nog op tijd voor de kerkwijding te Millegem. Daar stak ze de wilgentakken in de grond, waarop ter plekke een bron ontsprong. De takken groeiden uit tot een opvallende boom.

Dit alles verbeterde de verhouding tussen haar en haar stiefmoeder niet. Zij verkommerde, kwijnde weg en stierf op jeugdige leeftijd: † 8e eeuw.
Aan haar vader had ze vlak voor haar dood gevraagd haar lichaam op te baren in een holle boomstam, deze op een kar te leggen, met een span ossen ervoor, en het aan de dieren over te laten, waar zij heen zouden gaan. Op de plek waar zij halt zouden houden, wenste zij begraven te worden. Pas in het Brabantse plaatsje Alem aan de Maas stonden ze stil. Haar vader liet er voor haar een basiliek bouwen.



05 nov - donderdag

Sneek 08:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


06 nov - vrijdag

- Hele dag Gedenkdag H. Mélaine van Rennes, Bisschop

– Geen, -

Mélaine (ook Belaine, Malani, Mélan, Melen, Mélen of Melanius) van Rennes, Bretagne, Frankrijk; bisschop; † ca 530.

Afbeelding van Melaine van Rennes

<1900. Steensculptuur
Frankrijk, Bretagne, Vitré, Église Notre Dame de l’Assomption.

http://www.heiligen.net/afb/11/06/11-06-0530-melaine_1.jpg

Feest 6 november.

Hij zou afkomstig zijn uit het plaatsje Platz (= het huidige Brains-sur-Villaine) bij Redon.

Maar in Plélauff, niet ver van Gouarec, veel noordelijker in Bretagne, houdt men vol dat daar de geboortegrond ligt van de heilige. Ooit wees men er op de ruVnes van een kasteel waar hij het levenslicht zou hebben aanschouwd. Het bos eromheen heet dan ook ‘St-Mélainebos’. Bovendien is hij patroon van een parochie te Morlaix. Zoveel is zeker dat Sint Mélaine in die streek bijzondere verering geniet. Maar uit het vervolg zal blijken dat hij zelf het liefste verbleef aan de Villaine.

Als mogelijke geboortejaren worden gegeven 442 en 456. Natuurlijk was hij volgens zijn levensbeschrijvers van adellijke afkomst. Daarmee wordt waarschijnlijk meer gezegd over zijn ziel dan over zijn familie. In ieder geval is er een plaatselijke traditie die weet te vertellen dat hij een herderszoon was die ervan droomde om te leren lezen en schrijven. Hij vertrouwde dus zijn kudde aan een ander toe en verdween op zijn klompen naar de kloosterschool van Rennes, enige tientallen kilometers verderop (!), waar hij op de achterste bank aanschoof. Maar helemaal op zijn gemak zat hij niet. Op een dag begon hij midden onder een les met zijn vingers te knippen om de aandacht van de meester te trekken: “Ik moet naar huis. Mijn moeder roept me.” De meester wist even niet hoe hij moest reageren… Daarop zei de jongen dat de meester zijn rechterhand in de zijne moest leggen en met de linkervoet op zijn linkervoet moest gaan staan: “Luistert u zelf maar.” En inderdaad, nu hoorde de meester duidelijk een vrouwenstem uit de verte over de weidem schallen: “M’laine! M’laine!!” Ze wachtte hem op met een bos bremtakken in de hand… Zelfs als bisschop zou Mélaine zich deze aframmeling blijven heugen. Reden, waarom – aldus de plaatselijke overlevering – hij verbood dat er ooit nog in de omgeving van Brain bremstruiken zouden groeien:

Op het moment dat hij tot opvolger van bisschop Amandus († 508; feest 14 november) van Rennes werd benoemd was hij een voorbeeldig monnik. Hij was een even toegewijde herder, trok rond om de laatste sporen van het heidendom uit te roeien en het licht van het evangelie te verspreiden. Volgens de levensbeschrijving die vlak na zijn dood zou zijn opgetekend, maar in feite stamt uit de 9e eeuw (wellicht op basis van oudere documenten?), deed hij tijdens zijn leven al tal van wonderen, alsof in zijn persoon de tijden van Jezus en het evangelie herleefden: blinden gaf hij het gezicht, kreupelen weer kracht in de voeten, stommen het vermogen te spreken, vermoeiden nieuwe energie, zieken gezondheid en zelfs doden weer het leven.

Zo verbleef de heilige eens in de streek rond Vannes, toen een eerbiedwaardige grijsaard zijn hulp inriep: “Mijn zoon is net gestorven!” De bisschop wendde zich tot de aanwezige menigte die nieuwsgierig toekeek: “Mensen van deze streek, wat haalt het uit als ik voor jullie ogen tekenen verricht in naam van Jezus Christus, jullie hechten er toch geen geloof aan.” Dat zei hij – aldus zijn biograaf – omdat de mensen van daar nog altijd hardnekkig vasthielden aan de heidense praktijken van hun godsdienst. Maar de aanwezigen riepen terug: “Gaat u er maar van uit, heilige man: als u deze jongen ten leven wekt, zullen we alleen nog maar geloven in de God die u verkondigt!” Daarop keerde Sint Mélaine zich in tot gebed en maakte vervolgens een groot kruisteken over de borst van de dode. Onmiddellijk stond de jongen op, levend en wel. Na dit voorval was er praktisch niemand meer te vinden in die streek die zich niet liet dopen en het katholieke geloof omarmde.

In die tijd heerste er een zekere koning Eusebius over het gebied van Vannes. Bij een strooptocht in de aangrenzende omgeving van Comblessac (Ille-et-Villaine) hield hij verschrikkelijk huis onder de bevolking: hij liet hen de ogen uitsteken en de handen afhakken. Diezelfde avond werd hij getroffen door een geheimzinnige zwaarmoedigheid die gepaard ging met afschuwelijke pijnen. Drie dagen later bleek zijn dochter Aspasia (ook Pompeia geheten) te lijden aan soortgelijke verschijnselen. In zijn nood liet de vorst bisschop Mélaine halen die te Platz verbleef. Deze gaf hem een enorme penitentie en verloste hem en zijn dochter van hun kwaal door tot driemaal toe olie op hun voorhoofd te wrijven en hun de handen op te leggen. Uit dankbaarheid schonk Eusebius het gebied van Comblessac aan de bisschop om er een klooster te vestigen. De plaatselijke Sint-Mélainebrug herinnert er nog steeds aan de heilige bisschop. Eusebius zou later als heilige worden vereerd († 490; feest 29 oktober).

Ook de Frankische koning Clovis († 511) had een bijzondere genegenheid voor hem. Deze was immers kort geleden (496) overgegaan tot het christelijk geloof, en wenste ernst te maken met de verbreiding ervan in zijn rijk. Mélaine maakte deel uit van het door Clovis bijeengeroepen Concilie van Orléans in 511. Blijkbaar is zijn aanwezigheid daar zo prominent dat de wetten die er worden uitgevaardigd, op zijn conto worden geschreven. Zo merkt Toulson op dat hij het was die de regel doorvoerde dat priesters niet langer met een draagbaar altaar van hut naar hut, of dorp naar dorp mochten trekken om er de mis op te dragen, waarbij dan vrouwen de kelk voor de mis klaarmaakten. In feite was dat een canon van het Concilie.

Hij was bevriend met Sint Aubin, bisschop van Angers († 550; feest 1 maart). Telkens als hij behoefte had aan rust of aan de stilte van de eenzaamheid, trok hij zich terug op zijn geliefd landgoed te Platz. Daar zou hij ook gestorven zijn.
Als we af mogen gaan op een lijst van heilige bisschoppen van Rennes (feest 2 september), werd hij opgevolgd door Sint Didier.

Verering & Cultuur
Zijn lichaam werd per boot over de Villaine tegen de stroom op naar Rennes terug vervoerd. Op zijn graf te Rennes werd een prachtige kerk gebouwd van bijzondere hoogte, aldus schreef een halve eeuw later de geschiedschrijver Gregorius van Tours († 594; feest 17 novemer). Maar de kerk ging in vlammen op. Toen men het puin dat op het grafmonument neergestort was, had weggeruimd, bleek dat het graf volkomen onbeschadigd was gebleven.

We vinden Sint Mélaine terug in een aantal Bretonse plaatsnamen. Bovendien wordt hij in verband gebracht met de ontstaansgeschiedenis van het Lac de Murin vlakbij Brain. Het zou zijn gevormd op het moment dat Noormannen de stad Rennes hadden geplunderd en hun rijke buit per boot over de Villaine naar zee afvoerden. Toen ze langs Platz kwamen, begon de rivier te zwellen en buiten haar oevers te treden en de boten werden op de oevers gesmeten en overspoeld. Sindsdien – zo zegt men – beginnen de klokken van de St-Mélainekerk te luiden, wanneer er een ramp dreigt voor de omgeving.

In Ille-et-Villaine is hij naast de kerk van Brain ook patroon van de kerken te Andouille, Les Brulais, Chatillon-sur-Seiche, Cintre, Comblessac, Combourtille, Domalain, Moigne, Montaus, Mouaze, Parc et Thorigne, alsmede van een parochiekerk te Rennes. Eveneens zijn er kerken aan hem gewijd in Morlaix en Moelan (Finistère) en te Plumelin (Morbihan). Hij is zelfs patroon van Mullion in het Britse Cornwall.
In Plélauff wordt hij aangeroepen tegen de koorts. Te Brain heeft hij macht over de boze geesten en wordt zijn voorspraak ingeroepen om een voorspoedige oogst of om regen te verkrijgen.

Hij wordt afgebeeld als bisschop (tabberd, staf, mijter); soms een duivel uitdrijvend; of opgebaard in een bootje dat tegen de stroom opvaart.



06 nov - vrijdag

Sneek 19:00 Eucharistieviering - 1e vrijdag v.d. maand - Alle H. Geloofsverkondigers in onze streken

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


07 nov - zaterdag

- Hele dag Hoogfeest H. Willibrord, 1e geloofsverkondiger van Nederland

– Geen, -

Willibrord (ook Wilbert; als bisschop Clemens-Willibrordus) van Utrecht
(ook van Echternach), Echternach, Luxemburg; bisschop & eerste geloofsverkondiger Nederland; † 739.

Afbeelding Sint Willibrord

ca 1850. Schilderij door J.A. Canta
Nederland, Uden, Museum Religieuze Kunst.

http://www.heiligen.net/afb/11/07/11-07-0739-willibrord_6.jpg

Feest 7 november.

Hieronder wordt een korte schets gegeven van Willibrords leven. De vele legendes die over hem verteld worden, zijn er – schuin gedrukt – tussendoor geplaatst, liefst op het moment dat ze geacht worden te spelen in het leven Willibrord.

Hij werd in 658 in het Engelse koninkrijk Northumbrië geboren.

Legende 1
[De hierna volgende legenden zijn ontleend aan: E.Lagerwey:’ Helden Gods, Legenden van Nederlandse heiligen’ Assen 1940, die op zijn beurt veel verhalen betrekt van: Petrus Ribadineira & Heribertus Rosweydus, priesters der Societeyt Jesu: ‘Generale Legende der Heylighen met het Leven Iesu Christi ende Marie, vergadert wt de H.Schrifture, Oude Vaders, ende Registers der H.Kercke’ T’Antwerpen by Hieronymus Verdussen inde Camerstraet inden rooden Leeuw, M.DC.XXXX.]

Vanaf het allereerste moment van Willibrordus’ bestaan was het duidelijk, dat God bijzondere plannen met hem had. Zijn moeder, een vrome christelijke vrouw, had in haar slaap een merkwaardig droomgezicht. Zij meende aan de hemel een nieuwe maan te zien rijzen, die geleidelijk al maar voller werd. Op het moment dat het een compleet volle maan was, viel deze uit de hemel zomaar in haar mond. Inwendig werd zij er helemaal door verlicht, en een prachtig schijnsel scheen uit haar buik te komen. De volgende dag ging zij met haar droom onmiddellijk naar de vrome, oude priester van het kerkje bij haar in de buurt. Deze vroeg, of zij vannacht gemeenschap had gehad met haar man. Met enige schroom bevestigde zij dat. Daarop antwoordde de oude wijze priester: ‘De maan die u hebt gezien in uw droom, stelt het kind voor dat u vannacht hebt ontvangen. Het zal het licht der waarheid laten stralen in de duisternis van het heidendom. De hele wereld zal profiteren van het licht dat hij zal komen brengen in naam van God onze Heer.’ Nadat haar dagen vervuld waren, schonk zij inderdaad het leven aan een zoon, juist zoals de oude priester negen maanden tevoren had voorspeld.

Volgens de overlevering heette Willibrords moeder Menna. Vaders naam staat vast: Wilgils († 690; feest 30 januari).

Legende 2
Het kind werd gedoopt en ontving de naam Willibrord. Toen het de moederborst niet meer nodig had, werd het toevertrouwd aan vrome mannen om in de Heilige Schriften onderwezen te worden. Het moest immers een groot licht worden. Daar ontving het kind de kruinschering en wijdde zich met hart en ziel toe aan het monniksleven. Hij nam toe in wijsheid en deugd totdat hij de leeftijd van twintig jaar bereikt had.

Willibrord werd reeds op 4-jarige leeftijd door zijn vader als oblaat aan het naburige klooster Ripon toevertrouwd. Meestal gebeurde dat pas, als het kind zeven jaar was. Vader trad bij die gelegenheid zelf in als monnik. Reden, waarom men wen veronderstelt dat moeder intussen gestorven was.
Op dat moment was Wilfrid († 710; feest 24 april) daar abt.

Legende 3
Intussen had zijn vader, Wilgils geheten, zich uit de beslommeringen van alledag teruggetrokken, en was naar een klooster gegaan. Hier bracht hij enige tijd zijn leven in gestrengheid door, zodat zijn liefde tot God almaar toenam. Het gevolg was, dat hij zich nog verder in de eenzaamheid wenste terug te trekken. Hij vond een onbewoond eilandje aan de kust waar hij zich toelegde op allerlei deugden, zoals bidden en vasten; daartoe behoorde ook, dat hij er een kapelletje bouwde ter ere van de heilige Andreas. Vandaar dat zijn heiligheid in de wijde omgeving steeds bekender werd. Mensen trokken naar hem toe om raad en onderricht. Zelfs edelen en tenslotte ook de koning zelve kwamen bij hem aankloppen. Zij waren zo dankbaar dat zij hem grote stukken land schonken. Daarop bouwde hij een klooster en verzamelde monniken om zich heen, die zijn voorbeeld van vroomheid en godsvrucht wilden navolgen. Na geruime tijd is hij tenslotte zalig in de Heer overleden.

Toen Willibrord twintig jaar geworden was, verhuisde hij naar klooster Rathmelsigi in Ierland om daar onder abt Egbert († 729; feest 24 april) zijn opleiding te voltooien. Deze abt wist velen van zijn onderdanen enthousiast te maken voor de overzeese missies.

Legende 4
Op zijn twintigste jaar verlangde Willibrord ernaar om zich te scharen bij de leerlingen van abt Egbert in Ierland. Deze Egbert had zelf al eens een poging gewaagd om naar het vasteland over te steken omdat hij zo vurig verlangde het evangelie te preken onder de ongelovigen die daar woonden. Maar door allerlei tekens had God hem duidelijk gemaakt, dat Hij met Egbert andere plannen had en hem het liefste in Ierland zag blijven. Met brandend hart wist Vader Egbert nu zijn ideaal over te brengen op zijn leerlingen. Zo onderging ook Willibrord Egberts lessen gedurende twaalf jaar.

Legende 5
Toen Willibrord drieëndertig jaar was geworden, nam hij het besluit om op die akkers te gaan werken waarvan hij al die tijd gehoord had dat ze wit stonden van de oogst, maar dat er bijna geen arbeiders voor waren. Sommigen zeggen dat hij met elf broeders de oversteek naar het vasteland waagde; anderen vermelden, dat het er twaalf waren. Zekerheid over hun namen bestaat er niet. Maar tot het gezelschap zouden hebben kunnen behoren: Suïtbert († 713; feest 1 maart); Adelbert(† 741; feest 25 juni); Willibald († 787; feest 7 juli) en Wunnibald († 761; feest 18 december); de gebroeders Ewald, die naar hun verschillende haarkleur ‘de Witte’ en ‘de Zwarte’ worden genoemd († 7e eeuw; feest 3 oktober); Werenfried († 760; feest 14 augustus); Engelmund († ca 739; feest 21 juni); Wiro, Plechelmus en Otger († 710; feest 8 mei); en Marcellinus, ook wel Marchelm genaamd († 762; feest 14 juli); Wigbertus († 738; feest 13 augustus).
Door de gunstige wind die God liet waaien, zouden ze geland zijn in de buurt van Katwijk. Ze voeren verder de Rijn op en kwamen in Utrecht, toen nog Wiltenburg geheten. Daar trof hij Redbad (of Radboud) de koning der Friezen. Deze wilde niets van Willibrord en zijn gevolg weten. Daarop begaf Willibrord zich naar de Frankische koning Pepijn. Deze stuurde hem door naar Rome met de bedoeling dat hij door de Paus tot bisschop zou worden gewijd.

Zo landde Willibrord in een boot met twaalf gezellen in 690 op de kust van West-Friesland, het tegenwoordige Holland. Volgens de overlevering was dat aan de monding van Oude Rijn bij Katwijk.
Geschiedkundigen menen tegenwoordig dat het nog een stuk zuidelijker was: op de Grevelingen.
Vanaf dat moment begon er een rusteloos leven in dienst van de verbreiding van het evangelie. Uitvalsplaatsen waren Utrecht, Antwerpen en Echternach. In Antwerpen kreeg Willibrord reeds na enkele jaren van de Frank Rohingus een kerkje aangeboden. In 695 ging hij naar Rome, waar hij door paus Sergius I († 701; feest 9 september) tot bisschop werd gewijd, waarbij hij de naam Clemens aannam.

Legende 6
Vier dagen voordat Willibrord in Rome arriveerde, kwam een engel paus Sergius in een droom waarschuwen. Hij moest de vriend Gods die onderweg was naar Rome met alle mogelijke eerbewijzen ontvangen. Want deze zou in de toekomst een groot licht zijn voor vele zielen die nu nog in duisternis verkeerden. Wat de heilige man hem, Sergius, ook zou vragen: dat moest hij hem geven. De paus was hierdoor zeer verheugd en ontving Willibrord met blijdschap en talloze eerbewijzen. Hij wijdde hem in de kerk van de heilige Clemens op de vooravond van diens feest: 22 november, tot aartsbisschop.

Met behulp van Sint Irmina van Oehren († ca 708; feest 3 januari) stichtte hij in 698 de abdij van Echternach en vele andere kerken en kloosters. Pippijn II van Herstal († 714) gaf hem de mogelijkheid om in Utrecht het St-Maartensklooster en de St-Salvatorkerk te bouwen.
Willibrord voelde zich verantwoordelijk voor het behoud van de goede kloosterlijke geest in zijn stichtingen. Hij visiteerde zijn kloosters herhaaldelijk.

Legende 7.1
Eens kwam hij het klooster visiteren. Na de vriendelijke begroeting, een opwekkend woord en een gezamenlijk gebed met de broeders maakte hij de ronde door het klooster om te zien of de goede geest er nog heerste en om na te gaan of de broeders ergens gebrek aan hadden, zoals een goede huisvader nu eenmaal behoort te doen. Op het eind van zijn rondgang kwam hij in de wijnkelder. Daar bevond hij, dat er slechts één vat lag waarin nog maar een bodempje wijn zat. Met een zegenbede stak hij zijn staf in het spongat en verliet de ruimte weer. Maar in de nacht daarna begon de wijn in dat vat te vermeerderen zodat hij zelfs over de rand heenliep. Toen de keldermeester besefte wat er gebeurd was, snelde hij, zo vroeg als het was, naar de heilige man, viel voor hem op zijn knieën en vertelde van het grote wonder beneden in de kelder. Willibrord dankte God – zoals hij zo vaak deed – en gebood de keldermeester er verder tot aan zijn dood met niemand over te spreken.

Dit voorval wordt in de iconografie zeer vaak afgebeeld.

Legende 7.2
Een andere keer was het al eens gebeurd, dat alle zusters van het nonnenklooster in Trier – dat niet ver van Echternach ligt – getroffen waren door een ziekte die een snelle dood tot gevolg had. Er waren er al heel wat gestorven. Anderen waren al sinds tijden niet meer uit hun bed geweest. De rest was als de dood, omdat ze dachten dat hun ook hetzelfde lot te wachten stond. Toen zij hoorden dat Willibrord in zijn klooster te Trier verbleef, riepen ze ten einde raad zijn hulp in; en of hij onmiddellijk langs wilde komen. Naar het voorbeeld van Petrus ging hij er meteen naar toe. Hij heeft voor de zieken de Mis opgedragen; en vervolgens met wijwater het hele klooster van binnen en buiten besprenkeld. En tenslotte heeft hij alle zieken eigenhandig te drinken gegeven. Vanaf dat moment was de ziekte tot staan gebracht. Nooit is er meer iemand aan die ziekte overleden.

Hier zou de oorsprong liggen van de springprocessie; de danspas zou het ziektebeeld zijn.
Toen Pippijn in 714 stierf, moest Willibrordus tijdelijk naar Echternach uitwijken, gedwongen door de opstandige Fries Radboud. Redbad verwoestte de pas gebouwde kerkjes en vernietigde het werk dat tot dan toe met veel moeite tot stand was gebracht. Hij begon het evangelie te verkondigen in het Frankische land. In deze periode moeten we waarschijnlijk de verhalen plaatsen die vertellen over Willibrordus’ werkzaamheden in het Zeeuwse en het Brabantse.

Legende 8
Zo wordt daar in talloze plaatsen verteld, dat hij er een bron heeft doen ontspringen of er de kerk heeft gesticht. Daarnaast komt Willibrordus voor in de gemeentewapens van o.a. Bakel en Milheeze, Berghem, Deurne, Mill en Sint-Hubertus, Papenhove, Riethoven, Stramproij en Teteringen.
Meerdere wonderverhalen spelen in deze streken.

Legende 8.1
Eens verbleef hij op het eiland Walcheren. Daar werd nog vanuit de oudheid een afgod vereerd. Uit brandende liefde en ijver voor God gooide hij het afgodsbeeld aan diggelen. Maar de koster die het heiligdommetje van die afgod beheerde, was woedend. In blinde woede greep hij naar zijn zwaard om daarmee het hoofd van de heilige doormidden te klieven. Maar God beschermde zijn dienaar: geen haar werd hem gekrenkt; geen schrammetje liep hij op. Toch wilden zijn gezellen niets liever dan de man terugpakken en op zijn beurt de dood injagen. Maar de bisschop wist hen met zachte dwang zover te krijgen dat zij hem lieten gaan. Hij vergaf hem zijn zonde en zond hem heen. Het schijnt dat de man drie dagen later desondanks op ellendige manier aan zijn eind is gekomen.

Legende 8.2
De heilige man wandelde eens langs de zee. Zijn gezellen vergingen van de dorst, maar er was nergens zoet water te bekennen. Daarop riep hij één van hen en gaf hem de opdracht in de zonnetent een putje te graven. Daarna viel hij erbij op zijn knieën neer en smeekte de Heer, die ooit in de woestijn door toedoen van Mozes water uit de rots had doen vloeien, dat hij uit ontferming met zijn gezellen nu ook hier in het zand een zoetwaterfontein zou doen ontspringen. Het gebeurde meteen. Er borrelde een bron met zoet water op. Ieder dankte God, die door toedoen van zijn dienaar zulke grote dingen deed. Zij dronken van het water en namen ervan mee zoveel als zij voor onderweg nodig hadden.

Willibrord zou op het eiland Walcheren verschillende kerkjes hebben gesticht. Hij bracht ze onder in het bezit van Utrecht of van de abdij te Echternach. Drie eeuwen later probeerde graaf Robrecht de Fries van Vlaanderen († 1093) die bezittingen aan zich te trekken. De eilanders zouden hem hebben verjaagd;   en de toenmalige abt van Echternach, Thiofrid († 1110) zou de zaak met de paus in orde hebben gebracht.

Legende 8.3
Het schijnt dat de fles of kruik in het gemeentewapen van Vlissingen ook op Willibrord teruggaat. Volgens sommigen zouden de ruwe Zeeuwen ooit zulk een dorst gehad hebben naar de zoete miswijn die Willibrord altijd bij zich had, dat zij er stiekem drie flessen van hadden leeggedronken. Willibrord zou hun daarop in zijn boosheid hebben uitgemaakt voor ‘Flessingers’.

Anderen menen echter, dat die fles een heel andere oorzaak heeft. Het zou hier gaan om een afbeelding van de kruik die Willibrord daar achtergelaten zou hebben, toen ze eenmaal leeg was en bijgevolg geen nut meer had. Deze kruik zou met grote eerbied bewaard zijn door de Vlissingers, om zo een heilig aandenken te hebben aan de heilige Willibrord.

Nog een andere legende weet te vertellen, dat hier Willibrord door boze vissers een zilveren drinkfles werd ontstolen.

Legende 8.4
Toen hij eens na een lange reis in het huis van een vriend onderdak kreeg om even op adem te komen, vernam hij dat die arme vriend net helemaal geen wijn in huis had. Nu gaf hij opdracht aan één van zijn gezellen uit de bagage de vier kruikjes te pakken waar de wijn in zat voor onderweg. Hij zegende de wijn in naam van degene die destijds op de bruiloft te Kana water in wijn had weten te veranderen. Na die zegen dronk het hele gezelschap van het beetje wijn: zowel Willibrord met zijn reisgenoten, als de vriend met al zijn huisgenoten: wel veertig man…! Ze dronken tot zij verzadigd waren en hielden zelfs nog over.

Legende 9
Toch trok Willibrord op een goed moment weer naar Redbad, de koning der Friezen. Dat volk was nog altijd de heidense godsdienst toegedaan, en dat stak Willibrord. Weliswaar ontving Redbad hem met groot eerbetoon, maar hij ging niet in op zijn woord. Daarop reisde de bisschop door naar Denemarken. Daar ontmoette hij de koning der Denen: Hunger. Ook deze was verhard in zijn heidense godsdienst. En hoewel Willibrord hier alweer met talloze eerbewijzen werd ontvangen, kreeg hij geen voet aan de grond. Slechts dertig jonge mannen wist hij voor zijn idealen te winnen; en die nam hij mee op zijn reis terug naar huis.

Zijn missie naar Denemarken en Helgoland liep op een mislukking uit.

Legende 10
Op de terugreis landde hij door een storm op een eiland ergens langs de grens tussen Denemarken en Friesland. Dat eiland heette Fositis, naar de afgod Fotis die er vereerd werd. Deze plaats was zo heilig in de ogen van de bewoners daar, dat niemand met een vinger de beesten durfde aanraken die er graasden, of uit de bron durfde drinken die er opborrelde, tenzij in gebogen houding. In afwachting van beter weer vernam hij van de merkwaardige gewoontes op het eiland; en hoe de koning daar op zijn heidense manier overtreders van de heilige geboden de wreedste doodstraffen aandeed.
Dat liet Willibrord niet op zich zitten. Hij begon daar in die bron drie mensen te dopen in naam van de Heilige Drievuldigheid en gaf bevel alle dieren die daar rondliepen te slachten voor een feestmaaltijd bij deze gelegenheid. De heidenen waren ontzet, en verwachtten dat het hele gezelschap door hun goden zou worden gestraft met hondsdolheid of iets ergers. Maar er gebeurde niets. Toen gingen zij het aan Redbad vertellen. Deze stikte zowat van woede en liet Willibrord voor zich verschijnen. Hij brieste hem toe: ‘Waarom heb je dat gedaan?’ Waarop de heilige man antwoordde: ‘Wat u daar vereert is geen god, maar een duivel die u in zijn strikken gevangen houdt. Weet dat er maar één God is in de hemel en op aarde. Hij heeft alles geschapen. Wie dat gelooft, zal het eeuwige leven verkrijgen. Ik ben een dienaar van die God en kom u in zijn naam waarschuwen, dat u de boze duivel moet wegdoen en voortaan moet geloven in onze Heer Jezus Christus, en dat u zich moet laten dopen. Dan zult u van alle boosheid en zonden gezuiverd zijn, en God in rechtvaardigheid en heiligheid dienen. Dan zult u de eeuwige vreugde en glorie bezitten. Maar doet u dit niet, dan zult u moeten branden in het eeuwige vuur.’ De koning was ontzettend kwaad, maar had toch ook wel bewondering voor de onverschrokken houding van Willibrord. Omdat hij hem toch het liefste uit de weg ruimde, wierp hij – zoals dat gebruikelijk was wanneer op dat eiland iemand de heilige wetten overtreden had – het lot om te zien wie uit het gezelschap de doodstraf diende te ondergaan. Drie keer herhaalde hij de procedure in de hoop dat het lot Willibrord zou treffen, maar het trof één van de gezellen, die dan ook de marteldood onderging.

Intussen zag hij door toedoen van de Friese vorst Redbad, die hij niet tot het Christendom had weten te bekeren, zijn levenswerk vernietigd worden: kerken en kloostertjes werden geplunderd, priesters gedood. Nu trok hij zich terug in de zuidelijke streken van ons land. Pas toen hier Redbad verslagen was door de Frankische vorst Karel Martel († 714), begon hij in de Friese gebieden aan de wederopbouw van het christendom. Hij was toen al op gevorderde leeftijd.

Legende 11
De situatie in het land der Friezen keerde zich pas  ten gunste van het Evangelie toen Karel Martel aan Redbad en de Friezen een beslissende nederlaag toebracht. Nu trok Willibrord met een aantal gezellen het land der Friezen in en verkondigde het Evangelie.

Hier zullen we dus waarschijnlijk de legendes moeten plaatsen die gesitueerd worden in noordelijke plaatsen

Legende 11.1
Op een keer stootten ze op twaalf arme bedelaars die langs de weg zaten om voorbijgangers om een aalmoes te vragen. Willibrord zag hen vriendelijk aan en gaf één van zijn gezellen een wenk dat hij een goede kruik wijn uit de bagage tevoorschijn moest halen. Toen zij alle twaalf voldoende gedronken hadden, en nog een laatste dronk hadden genoten tot heil en zegen van iedereen en nu werkelijk niet meer konden en zo hun weg vervolgden, toen bleek bij het wegbergen van de kruik, dat zij nog altijd even vol zat als tevoren en wel met de beste wijn die je je denken kon.

Legende 11.2
Een andere keer was de heilige bisschop aangekomen in een plaats die Swestra werd genoemd naar het watertje dat er liep. Om de weg af te snijden ging hij dwars door een rijk begroeid korenveld van een aanzienlijk man. De bewaker van het korenveld werd woedend toen hij zag wat Willibrord deed. Tierend en scheldend vervloekte hij de man Gods. Dat wilden diens gezellen niet op zich laten zitten. Maar de heilige weerhield hen met zachte woorden. Dat had echter geen enkel effect op de woedende wachter. Dus keerde Willibrord op zijn schreden terug en verliet het korenveld langs dezelfde weg als waarlangs hij erin was gegaan. Maar de bewaker bleef hen achtervolgen met zijn gescheld en gekanker. Wel drie dagen lang. Toen viel hij plotseling dood neer. Er zijn er velen die zeggen dit zelf te hebben meegemaakt.

Legende 11.3
Op één van zijn tochten door het Friese land liet hij zijn paarden wat uitrusten en grazen op het land van een rijk man. Maar niet had die rijke man het gezien, of de geest van hoogmoed werd in hem wakker. Hij begon dus hardhandig die paarden de wei uit te jagen. De heilige sprak hem vriendelijk toe: ‘Geliefde broeder, doe dat niet. Wij zijn niet gekomen om uw land schade te berokkenen. We hebben alleen maar wat rust nodig. Wij zijn arbeiders in dienst van God. Ook u zult daar profijt van hebben als u ons tenminste wilt helpen. Denk aan wat onze Heer heeft gezegd: “Wie u opneemt neemt mij op, en wie mij opneemt, neemt Hem op die mij gezonden heeft.” Loop liever een eindje met ons mee op. En keer dan in vrede naar uw huis terug.’ Maar de rijke man wilde de vriendelijke woorden niet aannemen. Integendeel, hij bleef verbitterd: ‘U nodigt mij uit om met u op de vrede te drinken? Ik denk er niet aan!’ De heilige man die juist een hap brood had genomen, haalde die uit zijn mond en zei: ‘Als u dan niet drinken wilt, dan zal u geschieden naar uw woord: u zult niet meer drinken.’ Daarop reisde het gezelschap verder.
De rijke man keerde als overwinnaar naar huis terug. Daar liet hij door zijn bedienden iets te drinken brengen, maar hij kon het niet naar binnen krijgen. Ten einde raad liet hij dokters roepen en smeekte hun dat ze hem zouden verlossen van die brandende dorst, van die droogte van binnen. Maar niemand die het kon. Tenslotte kreeg hij spijt omdat hij Willibrord had beledigd. Steeds meer begon hij ernaar te verlangen dat die nog eens langs kwam. Inderdaad kwam de bisschop een jaar later langs diezelfde weg. Nauwelijks had de zieke dit gehoord of hij snelde hem tegemoet, beleed zijn schuld en smeekte om verlossing van zijn verschrikkelijke kwaal. Vol barmhartigheid vergaf Willibrord zijn zonden, en liet hem uit zijn eigen nap drinken.

Legende 11.4
Het schijnt, dat van alle bronnen en putten die door Willibrord op vele plaatsen geslagen zouden zijn, die van Heiloo de meeste kans loopt echt van Willibrord afkomstig te zijn. (Van vele andere is dat historisch gezien uiterst onzeker of gewoon onmogelijk).

Legende 11.5
Te Oegstgeest wordt een ander wonderverhaal bewaard. Toen Sint Willibrord op reeds hoogbejaarde leeftijd dat dorp bezocht, vroegen de gelovigen of hij hun kerkje zou komen inzegenen, zodra het klaar was. De bisschop ging hier graag op in, en stelde een dag vast, waarop zij alles voor de inwijding klaar moesten hebben.
Maar die dag zou pas vele maanden later vallen. En Willibrord was oud en zwak. Zou de bisschop nog wel bij machte zijn te komen tegen die tijd? Maar hij bezwoer hun: ‘Hetzij levend of dood: ik zal er zijn. Reken daar maar op.’ Maar waar de Oegstgeesters al bang voor waren geweest, gebeurde prompt: Willibrord stierf voordat de datum van de kerkwijding was aangebroken. Omdat hij echter zo stellig was geweest in zijn belofte, maakten ze toch alles voor de inwijding klaar. Op de vastgestelde dag, verdwenen de wolken en het was prachtig weer; tegelijk viel er een zachte regen, zodat alles wat door de bisschop met wijwater behoorde te worden gezegend als door een hemelse dauw werd besprenkeld. Ook hoorde men engelengezang aan de hemel. Men vond daarenboven op de vloer van de kerk – als door een onzichtbare hand geschreven – de juiste letters geschreven staan. De muren aan de binnenkant dropen van een olieachtig vocht. Geen twijfel aan, dat Willibrord woord had gehouden en zelf op wonderbare wijze in de wijding van de kerk had voorzien.

De laatste jaren van zijn leven bracht Willibrord vooral door in zijn geliefde klooster te Echternach. Daar stierf hij te Echternach, 80 jaar oud, volkomen uitgeput en opgebrand in de dienst van het evangelie.

Legende 12
Tenslotte stierf hij op hoge leeftijd in het klooster te Echternach. Volgens zeggen was hij tijdens zijn actief leven een krachtige gestalte geweest, flink van lichaamsbouw, deftig van uiterlijk en in zijn manieren, blij van hart, wijs van gemoed, vrolijk in zijn woorden, bedachtzaam van aard, ijverig in zijn dienst aan God en geliefd bij God en alle mensen.
Na zijn dood werd zijn ziel door de engelen naar de eeuwige glorie gedragen waar men zich verheugt in de zalige aanschouwing van Christus.

Legende 13
Tijdens de begrafenis zou er nog iets wonderlijks zijn gebeurd. Onder plechtig vertoon en het zingen van liederen, hymnen en psalmen werd zijn lichaam naar de laatste rustplaats gedragen. Daar zou het in een tombe te rusten worden gelegd, die uit steen was uitgehouwen. Bij de processie verspreidde zich zo’n zoete geur als niemand daarvoor ooit geroken had. Daaruit maakte men op, dat de engelen zelf gekomen waren om de begrafenisplechtigheid op te luisteren. Maar toen men het lichaam in de tombe wilde leggen, ontdekte men dat de tombe wel één voet tekort was. Dat bracht grote consternatie te weeg.
Allen keerden zich in voor een innig gebed. Door de verdienste van de heilige bisschop bevonden zij na hun gebed, dat diezelfde tombe die zoëven nog één voet te kort was geweest, nu één voet langer was geworden dan het lichaam van de heilige bisschop. Vandaar dat tot lang na deze plechtigheid God dank werd gebracht en feest werd gevierd.

Verering & Cultuur
Hij is patroon van het Groothertogdom Luxemburg en van de plaats Echternach. In de Willibrordusbasiliek is zijn even uitgebeeld op een dertien ramen in de linker- en rechter zijbeuk.

Patronaten
Hij is patroon van de Nederlandse kerkprovincie (sinds 1939), van het bisdom Haarlem en het aartsbisdom Utrecht; van de Nederlandse plaatsen Deurne, Oss, Sint-Willebrord en Vlaardingen.
Er zijn (of waren) Willibrorduskerken te Almelo, Alphen (N-B), Ammerzoden, Ammerzoden, Amsterdam, Arnhem, Bakel, Beekbergen, Beilen, Berghem, Bergschenhoek, Berkel-Enschot, Bodegraven, Boskamp, Boven-Leeuwen, Boxtel (kapel), Casteren, Coevorden, Demen†Dieden, Deurne (kapel), Diessen, Domburg, Drempt, Eersel, Esch, Geijsteren, Goënga, Guttecoven (& Nicolaas), Hedel, ‘s Heerenhoek, Heeswijk, Heiloo (& Maria), Helenaveen, Hengelo (Gld), Hengelo (Ov), Herveld, Hilversum, Holwerd, Hooge-Zwaluwe, Hulst, Julianadorp, Klein-Zundert, Kloosterburen, Lemmer, Lierop (kapel), Liessel, Middelbeers, Midsland, Milheeze, Mill, Neerkant, Obbicht, Oegstgeest (sinds 780), Olburgen, Oldemarkt, Oss, Ossenisse, Oud-Vossemeer (Tholen), Oude-Pekela, Ravenstein, Rhoon, Riethoven, Rotterdam, Ruurlo, Sappemeer, St-Willebrord, Steenderen, Stramproy, Swifterband, Ter Apel, Terneuzen, Teteringen, Tilburg, Veenendaal, Vierakker, Vilsteren, Vlaardingen, Vleuten, Vlierden, Vroomshoop, Waalre, Wassenaar, West-Vlieland, Wijhe, Wintelre, Zeelst en Zierikzee.
Onder anderen hebben (of hadden) Delft, Den Haag en Noordwijk een Willibrordusschool. Daarnaast is (of was) er een Willibrordustehuis in Den Haag, Heiloo, Katwijk/Rijn, Middelburg en Wassenaar.
Zijn beeltenis komt voor in de gemeentewapens van Bakel†Milheeze, Berghem, Deurne, Mill†St-Hubertus, Papenhove, Riethoven, Stramproij en Teteringen.
Bovendien is hij patroon van de bakkers (Nijmegen), van bier- en wijnhandelaren, caféhouders en herbergiers (vanwege de bronnen en de vele wijnwonderen); van toneelspelers en dansers (vanwege de springprocessie te Echternach); en van de arbeiders. Daarnaast is hij patroon van de Sint-Willibrordvereniging.
Zijn voorspraak wordt ingeroepen bij epilepsie en aanverwante ziekten.
Hiermee schijnt de beroemde springprocessie samen te hangen, die elk jaar op zijn feest te Echternach door duizenden pelgrims wordt meegemaakt.
In de 13e eeuw werd de omgeving van Trier waar ook Echternach onder valt, door een epidemie van Sint-Vitusdans getroffen. Men begon pelgrimages naar Willibrordus’ graf te organiseren en riep zijn hulp in. De ziekte week. Sindsdien houdt men de herinnering aan dit wonder in ere met de ‘springprocessie’: drie stappen voorwaarts. twee achterwaarts, wiegend op de voorvoet.

Afgebeeld
Hij wordt afgebeeld als bisschop (tabberd, staf en mijter) vaak met een kerkmodel van de Utrechtse (Sint-Maartens)dom bij zich; daarnaast is er ook vaak een wijnvat te zien, waar hij soms zijn staf insteekt (onder invloed van legende 7.1).



07 nov - zaterdag

Sneek Hele dag I.v.m. Corona geen openbare viering

Ielânen, woonzorgcentrum Sneek Ielânen, woonzorgcentrum, Sneek

Wij steken een kaarsje op voor:

Jan en Corry Bouma-van Gool,

alle bewoners, verzorgers en vrijwilligers,

voor allen die het evangelie uitdragen en doen



07 nov - zaterdag

Sneek 17:00 Eucharistieviering met orgelspel

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


07 nov - zaterdag

Roodhuis 19:30 - 20:30 Eucharistieviering door pastoor van der Weide

Sint Martinuskerk – Roodhuis, Roodhuis

Willebrordzondag
Voor het bijwonen van deze viering dient u zich voor vrijdag 9.00 op te geven.
Zie voor de mogelijkheden ook webpagina: https://www.sintantoniusparochie.nl/aanmelden-viering/
Of meldt u zich digitaal aan:  https://www.sintantoniusparochie.nl/aanmelden-viering-reahus

Collecte: schalen staan achterin de kerk.



08 nov - zondag

- Hele dag Gedenkdag H. Willehad van Bremen, Bisschop

– Geen, -

Willehad van Bremen, Duitsland; bisschop; † 789.

Afbeelding Willehad

Willehad en Karel de Grote stichten bisdom Bremen.
ca 1550, steenreliëf borstwering koorbalkon. Duitsland, Breemen, St-Petridom.

http://www.heiligen.net/afb/11/08/11-08-0789-willehad-bremen_2.jpg

Feest 8 november

We bezitten van hem een levensbeschrijving van de hand van een latere opvolger op de zetel van Bremen, Sint Ansgar († 865; feest 3 februari).

Willehad moet rond 745 geboren zijn in de Britse provincie Northumbrië.  Nadat hij nog in Brittannië de priesterwijding ontvangen had, sprak hij het verlangen uit om aan de overkant van de zee het evangelie te verkondigen. Hoewel Ansgar er niets over zegt, kan het zijn dat hier de spiritualiteit van het vreemdelingschap een rol heeft gespeeld.

Zo arriveerde hij rond 765 in Dokkum, de plek waar ruim honderd jaar eerder de grote Bonifatius met meer dan vijftig gezellen de marteldood had gevonden. Ansgar weet te vertellen dat Willehad er bleef om te preken en ‘een grote menigte heidenen kon dopen die hij door zijn prediking tot Christus had weten te brengen.’

Nu trok Willehad naar het oosten om ook daar aan de mensen duidelijk te maken dat het zinloos was aan goden van stenen en hout offers te brengen, of er zelfs ook maar bang voor te zijn. Maar de ouderen uit die streek waren verontwaardigd over zoveel oneerbiedigheid jegens hun goden. Zij riepen een volksvergadering bijeen, zoals gebruikelijk in de Saksische gebieden, en bepleitten de doodstraf. Anderen voerden aan dat de man welbeschouwd geen enkele misdaad had begaan. Uiteindelijk kwam men overeen dat het lot werd geworpen. Op die manier moesten de goden maar uitmaken of hij de dood verdiende. Zoniet, dan zou men hem vrij zijn hang laten gaan; ja, dan mocht hij overal zijn eigen godsdienst preken. ‘Zo werd door de leiding van Gods voorzienigheid verhinderd dat op hem het doodslot viel,’ aldus Sint Ansgar.

Nu trok hij naar Drente om ook daar de godsdienst van Christus te preken. Zijn medewerkers gingen er zelfs toe over de heidense tempeltjes in de omgeving neer te halen. Ook dat riep natuurlijk verontwaardiging op. Nu vormde zich een bende die het op het leven van Willehad en zijn gezellen had gemunt. Een van de aanvallers kwam met getrokken zwaard op de geloofsverkondiger af. Maar deze had juist een kistje met relieken aan zijn hals hangen. Het zwaard trof de met metaal bewerkte draagband. Het schampte af. De riem was flink beschadigd, maar Willehad zelf bleef ongedeerd. De vijanden waren diep onder de indruk. Die man moest wel bescherming genieten van een sterke godheid. Dit incident droeg uiteindelijk niet weinig bij tot het succes van zijn prediking.
Vanaf 780 was hij te vinden onder de Saksen in de gebieden langs de Weser.
Maar hij was er amper twee jaar, of de Saksische hoofdman Widukind kwam in opstand tegen koning Karel, de latere keizer Karel de Grote († 714; feest 28 januari). De opstandelingen hielden met name huis tegen de nieuwe godsdienst. Pas gestichte kerkjes werden verwoest; gelovigen gedood. Hier horen we dat vijf van Willehads medewerkers het slachtoffer werden. 

Atreban (ook Atrebatan of Attroban) van Bremen, Duitsland; martelaar met Benjamin van Saksen, Emming (ook Emigof Emmig), Folkard (ook Fulcard, Fulkhard of Volkhard), Gerwald (ook Geriwald, Gerwal of Grisold); † 782.
Feest 27 januari & 30 november.
Atreban was een medewerker van de heilige bisschop Willehad van Bremen († 789; feest 8 november). Hij werd met vier gezellen aan de benedenloop van de Weser gedood tijdens een opstand van de Saksen onder leiding van Widukind († ca 807; feest 7 januari) tegen Karel de Grote († 814; feest 28 januari). Sindsdien staan ze te boek als martelaren. Willehad zelf ontkwam.

Deze martelaren zijn van elders niet bekend. Alleen Ansgar vertelt er ons over. Ten gevolge van deze ontwikkelingen moest Willehad zijn werk hier opgeven en trok zich na een pelgrimstocht naar Rome terug in de benedictijnenabdij van Echternach.

Maar drie jaar later nam hoofdman Widukind († 807; feest 7 januari) de godsdienst van de christenen aan en liet zich dopen. Nu kon Willehad naar dat gebied terugkeren. In 787 werd hij te Worms tot eerste bisschop van Bremen gewijd. Twee jaar later al kon hij daar de nieuwe kerk inzegenen. Het gebouw was nog van hout. Amper een eeuw later zou zij vervangen worden door een bouwwerk van steen. In datzelfde jaar stierf Willehad.

Verering & Cultuur
Hij draagt de eretitel van ‘Apostel der Saksen’. Op de zetel van Bremen werd hij opgevolgd door Sint Willerik († 837; feest 4 mei). In 860 droeg zijn latere opvolger Sint Ansgar zijn relieken over naar de nieuwe Sint-Petruskerk. Daar zijn ze tijdens de onlusten van de Reformatie verloren gegaan.
Hij is patroon van stad en bisdom Bremen.
Hij wordt afgebeeld als bisschop (staf, mijter, tabberd) met een kerkmodel.



08 nov - zondag

Blauwhuis 09:30 - 10:30 Eucharistieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger pastoor van der Weide

M.m.v. het Ceacilliakoor



08 nov - zondag

Sneek 10:00 PKN Viering

Antonius Ziekenhuis, kerkzaal, Sneek

Onder voorbehoud van Coronamaatregelen



08 nov - zondag

Sneek 11:00 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

M.m.v. the Young Angels en Intermezzo



09 nov - maandag

- Hele dag Feestdag: Kerkwijding St. Jan van Lateranen

– Geen, -

Wijding van de aartsbasiliek van de Allerheiligste Verlosser, Rome, Italië; 324.

Afbeelding St. Jan van Lateranen

Feest 9 november.

De basiliek van de Allerheiligste Verlosser in Rome is beter bekend als de Sint Jan van Lateranen. Volgens een inscriptie op de voorgevel is zij ‘De Moeder en het Hoofd van alle Kerken in de Stad en van de hele Wereld’. Zij gaat terug op een geschenk van keizer Constantijn en zijn familie († 337; feest 21 mei).
In de 2e eeuw vóór Christus behoorde het terrein waar de huidige kerk op staat, toe aan de senatorenfamilie van de Plautii. Een vooraanstaand lid van deze familie, Plautus Lateranus, was in 65 door Nero (54-68) terechtgesteld vanwege diens vermeende aandeel in de samenzwering van Gaius Calpurnius Piso tegen de keizer. Het paleis werd geconfisqueerd en tot keizerlijk domein verklaard. De latere keizer Marcus Aurelius (161-180) werd er geboren. Septimius Severus (193-211) gaf het weer terug aan de nabestaanden van de Plautii.
Toen in de 4e eeuw een verre afstammelinge, Fausta, huwde met keizer Constantijn, behoorde het tot haar bruidschat. Zo kwam het terrein in het bezit van Constantijn. Hij schonk het aan de toenmalige paus Silvester († 335; feest 31 december) met de bedoeling dat er de eerste christelijke basiliek zou verrijzen. Met de bouw ervan werd begonnen in 323; het jaar daarop kon het worden ingewijd. Zij was toegewijd aan Jezus zelf: de Allerheiligste Verlosser. In de 12e eeuw kwamen daar Johannes de Doper en Johannes de Evangelist bij. Sindsdien staat de kerk bekend onder de naam Sint-Jan-van-Lateranen. Tot aan de verbanning van de pausen naar Avignon in 1305 diende zij als moederkerk van de christenen.

De eerste kerk had de vorm van een basiliek.
Het moet een imposant gebouw geweest zijn. Het was in ieder geval zo mooi en rijk versierd dat het de bijnaam kreeg ‘Gouden Basiliek’ (basilica aurea). In de loop der eeuwen is het herhaaldelijk verwoest, geplunderd en weer opgebouwd. Het huidige gebouw gaat terug op 11e en 12e eeuw, met restanten uit vroeger tijden.



09 nov - maandag

Sneek 09:15 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek


10 nov - dinsdag

- Hele dag Gedenkdag H. Leo de Grote, paus en kerkleraar

– Geen, -

Leo Paus I (ook Lié), bijgenaamd ‘de Grote‘, Rome, Italië; paus & kerkleraar; † 461

Afbeelding Leo I

< 1500. Wandschildering Italië.
Paus Leo’s vredesmissie naar Hunnenkoning Attila.

http://www.heiligen.net/afb/11/10/11-10-0461-leo_2.jpg

Feest 10 november.

Hij was waarschijnlijk afkomstig uit Toscane. Op jonge leeftijd trok hij naar Rome om de kerk te dienen en was aartsdiaken onder de pausen Celestinus I († 432; feest 6 april) en Sixtus III († 440; feest 28 maart). Na diens dood in 440 werd hijzelf tot bisschop van Rome (= paus) gekozen; zijn aantreden staat gedateerd op 29 september. Hij was vooral actief in het bestrijden van ketterijen, zoals de Pelagianen, Manicheeërs, Nestorianen en nog anderen.
In die tijd schreef hij aan zijn collega van Constantinopel, Flavius († 449; feest 17 februari), zijn beroemde brief over de vraag hoe begrepen moest worden dat Christus zowel een goddelijke als een menselijke natuur had. Dit document werd een mijlpaal in de dogmageschiedenis. Het werd op het belangrijke Concilie van Chalcedon van 451 uitgeroepen tot de officiële leer van de kerk op dit punt.
Op alle mogelijke manieren toonde hij zich een herder voor zijn kudde. Beroemd is zijn ontmoeting in 452 met de Hun Attila bij Mantua. Deze was op weg om de stad Rome te veroveren, maar Leo smeekte hem de stad ongemoeid te laten. Ze sloten vrede en Attila trok inderdaad weg…
Maar toen drie jaar later de Vandalen onder leiding van Genserik (of Geiserik) voor de stad verschenen, was het hem niet vergund zijn diplomatieke kunststuk te herhalen: de stad werd geplunderd. Toch wist Leo bij de opperbevelhebber te bereiken dat toch minstens de mensenlevens werden gespaard en de stad niet in brand zou worden gestoken.

Verering & Cultuur
Hij ligt begraven in de St-Pieterskerk te Rome onder het altaar dat aan hem is toegewijd. In 1754 werd hij uitgeroepen tot kerkleraar.
Hij wordt afgebeeld als paus (met driekroon of tiara en pauskruis), vaak met bijbel en/of draak bij zich (symbool van het kwaad der ketterijen).



10 nov - dinsdag

Sneek 08:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


11 nov - woensdag

- Hele dag Feestdag Sint Martinus van Tours, bisschop

– Geen, -

Martinus van Tours, Frankrijk; bisschop; † 397.

Afbeelding Sint Martinus
Glasschilderkunst. Frankrijk, Candes, Cathédrale. Martinus schenkt de helft van zijn mantel aan een arme.

http://www.heiligen.net/afb/11/11/11-11-0397-martinus_1.jpg

Feest 11 november

– Levensschets –
Sint Maarten, zoals Martinus in onze streken vertrouwelijk wordt genoemd, is in het Westerse Christendom één van de meest vereerde heiligen.
Zijn leven werd beschreven door Sulpicius Severus († 591; feest 29 januari).
In feite is die levensbeschrijving een opsomming van losse gebeurtenissen. Sulpicius wilde laten zien, hoe heilig Martinus was. Hij is dus bepaald niet objectief, integendeel: zijn hele boek heeft maar één boodschap: Martinus is een echte leerling van Jezus. Zozeer zelfs dat hij steeds meer de trekken van Jezus begint te vertonen. Net als de apostelen destijds. Evenals de apostelen is Martinus door Jezus zelf uitgekozen om het evangelie te verkondigen onder de heidenen (= de mensen die nog nooit van Hem hebben gehoord). Dat is de boodschap. Sulpicius zegt als het ware: “Met Martinus zijn de tijden van het evangelie in ons midden teruggekeerd.” Telkens wanneer we hem aan het woord laten, moeten we dus niet een historisch betrouwbaar verslag verwachten, zoals wij dat tegenwoordig zouden doen.
Wat wij met onze wetenschappelijke maatstaven historisch zeker weten is bijzonder weinig.
Hij moet rond 316 geboren zijn en was afkomstig uit de landstreek die door de Romeinen Pannonië werd genoemd. Dat is ongeveer het huidige Hongarije.

Zijn opleiding ontving hij in de Italiaanse stad Pavia. Omdat zijn vader militair was, viel hij onder de wettelijke bepaling dat hun kinderen eveneens een militaire loopbaan zouden volgen. Hij moet vijftien geweest zijn, toen hij bij het Romeinse leger werd ingelijfd. Drie jaar later laat hij zich dopen en weer een paar jaar later stapt hij uit het leger. Vanaf dat moment wordt zijn leven uitsluitend beheerst door de godsdienst.

In het leven van Sint Maximinus († 349; feest 29 mei) wordt een legende verteld waarbij een Martiunus een rol speelt.

Legende van de beer
Korte tijd daarna is hij [Maximinus] tezamen met zijn reisgezel Martinus in Rome, volgens de legende om de apostelgraven te bezoeken. Tijdens deze reis doet zich het wonder voor van de beer. Terwijl Martinus ergens een stad is binnengegaan om eten te kopen, is Maximinus bij de bagage achtergebleven en in slaap gesukkeld. Als hij wakker wordt, ziet hij hoe een beer de pakezel heeft opgevreten. Verontwaardigd gebiedt hij de beer het werk van de ezel over te nemen. Het beest gehoorzaamt gedwee. Dat veroorzaakt in Rome de nodige consternatie. Als ze na het bezoek de stad weer verlaten, hergeeft Maximinus het dier de vrijheid met de waarschuwing zich nooit meer aan iemand te vergrijpen: “Dan zal ook nooit iemand je iets in de weg leggen.”

Het gebieden van een beer is bij vele heiligen uit de vroege middeleeuwen te vinden: o.a. Corbinianus van Freising († 730; feest 8 september), Gallus van St-Gallen († ca 640; feest 16 oktober), Ghislain van St-Ghislain († 683; feest 10 oktober), Humbertus van Maroilles († 680; feest 15 maart), Jacobus van Tarantaise († 429?; feest 16 januari), Romedius van Nonsberg († ca 700; feest 15 januari) en Vaast van Arras († 540; feest 6 februari).

Maximinus maakt van de gelegenheid gebruik om naar zijn geboorte grond Aquitanië terug te keren. Tijdens zijn verblijf in Silly wordt hij overvallen door een plotselinge dood. Over de sterfdatum zijn de historici het niet eens: Hinkel en Pierre Pasquier [in zijn aantekeningen bij Grégoire de Tours ‘Vie des Pères’ Paris, 1985 p:161] geven 346; de Acta Sanctorum en de bezorger van Gregorius’ Geschiedenis van de Franken, Lewis Thorpe, zeggen 349[p:443].

Onderzoekers hebben zich afgevraagd of de Martinus uit deze legende dezelfde kan zijn als de latere bisschop van Tours. De Acta menen van niet en zoeken een andere tijdgenoot die in aanmerking komt.

Bv. Martinus van Vertou († 601; feest 24 oktober) [Brg.1987]. Maar diens jaartallen kloppen niet met die van bisschop Maximinianus van Trier.

Gobry veronderstelt dat het hier wel degelijk gaat om onze Martinus. Nemen we aan – aldus Gobry – dat Martinus in 341 als pasgedoopt christen het leger verlaat. Dan horen we pas weer van hem als hij in 355 of 356 bij Sint Hilarius van Poitiers verblijft. Wat doet hij in die tussentijd? Waar zou een officier die zojuist is afgezwaaid bij een legioen dat gelegerd was aan de Rijn, anders heengaan dan naar het nabijgelegen Trier, op dat moment immers de hoofdstad van het West-Romeinse Rijk. Die waarschijnlijkheid wordt alleen maar groter, wanneer men bedenkt, dat deze officier een overtuigd christen is geworden en zich bedenkt dat een jaar of vier tevoren de grote Sint Athansius († 373; feest 2 mei) daar onderdak had gevonden. Misschien wist Martinus zelfs wel dat zich daardoor groepjes kluizenaars hadden gevormd. Is het zo ver gezocht te veronderstellen – aldus nog steeds Gobry – dat onze nieuwe christen werd aangetrokken door dat ideaal en zich aanmeldde bij Maximinus? Wellicht stuurde deze hem naar Sint Kastor van Karden († 4e eeuw; feest 13 februari) en deed Martinus bij hem de liefde voor het kluizenaarsleven op.

Zal hij straks immers niet tezamen met Hilarius in de buurt van Poitiers Ligugé stichten, het eerste klooster van de westerse christenheid? Dit alles wordt nog waarschijnlijk, wanneer we ons afvragen hoe Martinus van Trier naar Poitiers is gekomen. Hij was het natuurlijk die Maximinus heeft vergezeld op zijn tocht naar Rome en vervolgens naar diens geboortegrond. Nadat zijn bisschop daar plotseling was overleden, is het heel goed denkbaar dat Martinus daar gebleven is en zich in dienst heeft gesteld van de plaatselijke bisschop. Dat was op dat moment immers nog Maximinus’ broer Maxentius!

Hoe dan ook, Martinus kwam in Poitiers terecht waar de grote theoloog Hilarius († ca 368; feest 13 januari) bisschop was. Hilarius onderkende de mogelijkheden van zijn nieuwe leerling. Maar omdat hij bemerkte hoe bescheiden Martinus was, durfde hij hem niet voor te stellen zijn diaken te worden. De verhevenheid van die functie zou hem afschrikken. Hij maakte hem dus tot duiveluitdrijver (exorcist). Dat was een lage functie. Zou Martinus dat weigeren dan getuigde dat veeleer van onbescheidenheid! Na veel conflicten, waarbij Hilarius zelfs voor enkele jaren werd verbannen naar Klein-Azië (het huidige Turkije), stichtten zij samen rond 360 het eerste echte klooster van Frankrijk, Ligugé bij Poitiers.

– Martinus bisschop –
Tien jaar later werd Martinus in 370 of 371 tot bisschop van Tours gekozen. Omdat het overduidelijk de wens van het volk was, kon hij niet weigeren. De stem van het volk werd immers als de stem van God beschouwd! Omdat hij ook als bisschop het monniksideaal trouw bleef, stichtte hij nabij Tours een nieuw klooster, Marmoutiers (= Martinus’ monasterium = Martinus’ klooster).

Martinus’ verwikkelingen met de keizer –
Rond 385 brengt Sint Martinus – bisschop sedert 371 en intussen beroemd in heel Gallië – vanuit Tours een bezoek aan keizer Maximus te Trier. Deze was onlangs Valentinianus’ opvolger Gratianus (375-383) via een staatsgreep opgevolgd. Dat weten we door een anekdote die achthonderd jaar later ook door Jacobus de Voragine († 1298; feest 13 juli) in zijn ‘Legenda Aurea’ werd opgenomen. We geven hieronder echter de versie van Martinus’ levensbeschrijver, Sulpicius Severus.

‘Nu we een tijd beleven waarin alles bedorven en corrupt is, is het bijna uitzonderlijk dat een bisschop zichzelf bleef en niet toegaf aan hielenlikkerij bij de vorst. Uit verschillende hoeken van de wereld had zich een aantal bisschoppen verzameld aan het hof van keizer Maximus. Die had een woest karakter, en was hoogmoedig geworden door zijn overwinning in de burgeroorlogen. Alle bisschoppen onderscheidden zich door hun laaghartige vleierij aan het adres van de keizer. In hun ontaarding en gebrek aan standvastigheid waren zij vervallen van bisschoppelijke hoogwaardigheidsbekleders tot lievelingetjes van de keizer. In die omstandigheden bleef het gezag van de apostelen alleen maar verder leven in de figuur van Martinus. Want zelfs als hij voor bepaalde mensen de gunst van de keizer moest afsmeken, dan deed hij dat nog veeleer op een gebiedende dan op een vragende toon. En ondanks herhaalde uitnodigingen voor een maaltijd bij de keizer ging hij daar niet op in. Hij zei dat hij de tafel niet kon delen met iemand die de ene keizer de heerschappij had ontnomen en de andere beroofd had van zijn leven. Uiteindelijk gaf Maximus hem de verzekering dat hij niet uit eigen beweging de keizerlijke macht had overgenomen, maar dat de soldaten hem daartoe op goddelijk bevel hadden gedwongen, en die verworven macht had hij met wapens verdedigd. Voorts leek hem de wil van God niet vijandig te staan tegenover iemand die door zo’n ongelooflijke afloop de overwinning had behaald. En van zijn tegenstanders had er geen enkele de dood gevonden buiten het slagveld. Uiteindelijk gaf Martinus zich gewonnen door zijn argumenten of smeekbeden en hij kwam naar het gastmaal. De vorst was buitengewoon opgetogen dat hij dat deed

Als tafelgenoten waren daar voorname en hooggeplaatste personen aanwezig, die als het ware voor een feestdag waren opgeroepen: de prefect en consul Evodius – de rechtvaardigheid in persoon; twee keizerlijke ambtenaren die met de hoogste macht bekleed waren; de broer van de keizer; en zijn oom. De priester die Martinus begeleidde, was tussen deze hoogwaardigheidsbekleders gaan aanliggen, maar zelf was hij op een stoeltje gaan zitten dat naast de keizer was neergezet. Ongeveer halverwege de maaltijd bood een dienaar volgens gebruik de keizer een drinkschaal aan. Hij gebood hem de schaal liever aan de allerheiligste bisschop te geven.
Hij hoopte en verwachtte de beker uit Martinus’ hand terug te ontvangen. Maar toen Martinus gedronken had, gaf hij de schaal aan zijn priester. Hij was er namelijk van overtuigd dat niemand het méér verdiende om als eerste na hem te drinken en dat hij niet eerlijk zou zijn tegenover zichzelf als hij een groter eer bewees aan de keizer of een van zijn voornaamste medewerkers dan aan een priester.
De keizer en alle aanwezigen hadden zo’n bewondering voor dat gebaar dat zij zelfs ingenomen waren met die houding waaruit ook minachting voor hen sprak. In heel het paleis werd het een druk besproken onderwerp: tijdens een keizerlijk gastmaal had Martinus gedaan wat nog geen enkele bisschop gewaagd had tijdens de maaltijden die de laagste ambtenaren hun aanboden.’

Gregorius van Tours vat in zijn ‘Geschiedenis van de Franken’ (I,43) dit bezoek van zijn grote voorganger in één zin samen: ‘Sint Martinus die bisschop was geworden, bezocht Maximus.’

Deze anekdote krijgt veel meer reliëf, wanneer wij de omstandigheden waaronder zij plaats vond, erbij betrekken. Want Martinus was eigener beweging naar Trier gekomen om de keizer van diens plannen af te brengen! Wat was er aan de hand? De westerse christenheid van dat moment werd verscheurd door een nieuwe ketterij: het Priscillianisme (zie uitleg).

Staatsgreep en Caesarwisseling –
Precies in die tijd bereikte de stad het bericht dat de troepen in Engeland in opstand waren gekomen en een van hun generaals, Magnus Maximus, tot keizer hadden uitgeroepen en nu optrokken tegen Gratianus. Deze werd op lafhartige wijze door een ritmeester van de keizerlijke cavalerie om het leven gebracht. Maximus werd uitgeroepen tot keizer.
In datzelfde jaar, 383, hield de nieuwe keizer zijn triomfantelijke intocht in Trier. Ithacius smeedde het ijzer nu het heet was. Met behulp van de hofkliek diende hij een aanklacht in tegen Priscillianus met het verzoek eens en voorgoed een eind te maken aan deze splijtzwam, die niet alleen een gevaar was voor de eenheid van de kerk, maar ook van het Rijk. Maximus beval tot een bisschoppensynode te Bordeaux. De synode werd gehouden in het jaar daarop, en leek geneigd Priscillianus te veroordelen. Maar die deed een beroep op de keizer persoonlijk; diens voorganger was hem immers gunstig gezind geweest.
Zo verscheen hij met zes getrouwe volgelingen voor het keizerlijk gerechtshof te Trier om zich in de beklaagdenbank te weer te stellen tegen een serie vage beschuldigingen. Maar zijn zaak stond zwak.

Martinus in Trier –
Op dat moment kwam bisschop Martinus van Tours in actie. Men zegt dat hij ook aanwezig was op de synode te Bordeaux, maar zijn handtekening is onder geen enkel stuk te vinden. Dat kan natuurlijk ook te wijten zijn aan het feit dat hij hoewel tegenstander van Priscillianus’ idealen in het geheel niet instemde met de gang van zaken. Zijn komst was groot nieuws in de stad. Hij begaf zich linea recta naar Ithacius en smeekte hem “zijn beschuldiging in te trekken, of minstens Maximus te verzoeken niet het bloed te vergieten van de ongelukkigen in kwestie.” Temeer omdat hij het een schandelijke zaak vond de keizer het laatste woord te geven in een kerkelijk conflict. Ithacius moet toen smalend gereageerd hebben dat Martinus wel uit mocht kijken met zijn overdreven ascetische levenswijze; anders zou het voor hem wel eens op dezelfde manier kunnen aflopen als met de zeven in de beklaagdenbank.
De nieuwe keizer was nieuwsgierig de beroemde bisschop van Tours te leren kennen. Zowel hier als in Engeland lag zijn naam immers op ieders lippen. Hij nodigde hem dus bij zich aan tafel. Aanvankelijk weigerde Martinus; daar paste hij niet. Maar tenslotte stemde hij toe: je wist maar nooit waar het goed voor was. Hij had de gunst van de keizer hard nodig. Tijdens die maaltijd vond het beroemde incident met de beker plaats. Je moet maar durven…

– Verdere verwikkelingen rond Priscillianus –
Martinus wist bij de keizer te bewerkstelligen dat het proces tegen Priscillianus en zijn gezellen werd geseponeerd. In de mening dat zijn taak er nu op zat, vertrok hij naar Tours. Maar de partij van Ithacius bleef drammen en deed de keizer van gedachten veranderen. Hij gaf zijn rechter Evodius opdracht onmiddellijk het proces tegen Priscillianus en zijn zes aanwezige medestanders in gang te zetten. Deze bevond de beklaagden schuldig op alle punten. Geen van de aanklachten leek een doodvonnis te rechtvaardigen, maar dat werd het wel. In januari 385 werd Priscillianus onthoofd, en met hem zijn zes medestanders. Toen dit bericht Martinus op zijn thuisreis achterhaalde, keerde hij onmiddellijk naar Trier terug…
Maar laten we Sulpicius Severus weer aan het woord laten. Zijn weergave van de gebeurtenissen vinden we in zijn Dialogen. Hij legt zijn woorden ene Gallus in de mond.

11 ‘Hoewel Caesar Maximus in andere opzichten een goed man was, hield hij – misleid door de raad van de bisschoppen – na de moord op Priscillianus diens aanklager Ithacius en zijn niet noemenswaardige trawanten met keizerlijk gezag de hand boven het hoofd. Niemand mocht hem ervan beschuldigen dat door zijn gedram de man, rechtgelovig of niet, ter dood was gebracht. Martinus zag zich genoodzaakt wegens meerdere kwesties van mensen in moeilijkheden, zich tot de regering te wenden. Zo kwam hij in het hart van deze storm terecht. In Trier waren de bisschoppen in vergadering bijeen; zij allen maakten zich medeplichtig door hun dagelijkse omgang met Ithacius. Toen hun het bericht bereikte dat Martinus eraan kwam, waren ze behoorlijk van hun streek en werden bang. Nu had de caesar op grond van hun adviezen daags tevoren besloten officieren met de hoogste volmachten naar Spanje te sturen om ketters op te sporen, te arresteren, ter dood te veroordelen en hun goederen verbeurd te verklaren.’ Ongetwijfeld zou die storm ook een groot aantal heiligen in gevaar brengen.

Sulpicius Severus gebruikt voor ‘gelovigen’ nog steeds de Paulinische aanduiding ‘heiligen’.

Er werd immers maar weinig onderscheid gemaakt tussen de mensen. In die tijd oordeelde men alleen met de ogen, zodat men eerder op grond van bleekheid of kledij dan vanwege het geloof voor ketter werd uitgemaakt. Dat Martinus daar vierkant op tegen was, begrepen die bisschoppen maar al te goed. Geplaagd door een slecht geweten hadden zij nu maar één zorg: elke ontmoeting met Martinus te vermijden. Het gevaar was immers groot dat er onder hen waren die zouden vallen voor Martinus’ gezag en standvastigheid en naar hem overlopen. Zij wisten de keizer zover te krijgen hem gezanten tegemoet te zenden met de boodschap dat hij alleen maar naar de stad mocht komen, als hij beloofde in vrede met de daar aanwezige bisschoppen te zullen verkeren. Heel slim verklaarde Martinus dat hij in de vrede van Christus zou komen. Het was nacht toen hij de stad bereikte; hij ging regelrecht naar de kerk om er te bidden.
De volgende dag begaf hij zich naar het paleis. Naast vele andere verzoeken (zoals gratie voor sympathisanten van Maximus’ voorganger Gratianus) was wel het voornaamste dat de caesar geen officieren naar Spanje zou sturen met de bevoegdheid doodvonnissen te vellen. Martinus had immers niet alleen zorg voor het vermoedelijke lijden van de christengelovigen, maar ook voor de bevrijding van de ketters.
De keizer pakte het slim aan. Hij hield Martinus twee dagen aan het lijntje; misschien omdat hij hem wilde laten voelen hoe zwaar hij aan die zaak tilde, of misschien omdat hij te veel onder de invloed stond van de bisschoppen en niet van gevoelen wilde veranderen of wellicht ook omdat hij werd weerhouden door zijn algemeen bekende inhaligheid. Hij was immers uit op de verbeurd te verklaren goederen. Hoewel hij veel goede dingen heeft gedaan weet iedereen dat inhaligheid zijn zwakke punt was. Maar we moeten ook niet de omstandigheden vergeten waarin de staatskas toen verkeerde. Deze was door de vorige vorsten volkomen leeggeplunderd en hij moest voortdurend voorbereid zijn op burgeroorlog of opstand.

Het is opvallend hoe Sulpicius Severus bij monde van Gallus zijn best doet keizer Maximus in een gunstig daglicht te plaatsen.

12 Martinus had de gemeenschap met de aanwezige bisschoppen geweigerd! Beangst zochten zij nu hun heil bij de caesar; zij klaagden dat hun veroordeling bij voorbaat al vast had gestaan en dat hun gezag geen knip voor de neus meer waard zou zijn, als Martinus’ houding de positie van Theognitus zou versterken; dat was immers de enige die zich steeds tegen hun aanpak had verzet. Men had Martinus niet in de stad moeten toelaten. Welbeschouwd was hij al niet eens meer een verdediger, maar een wreker van ketters. In dat geval had de dood van Priscillianus geen enkel effect gehad. Tenslotte wierpen zij zich voor de keizer te voet en smeekten onder tranen en gejammer dat hij tegen deze man zijn keizerlijke macht zou gebruiken. Het ontbrak er nog maar aan dat zij de keizer dwongen Martinus het lot van de ketters te laten ondergaan! Weliswaar was de caesar al te gemakkelijk geneigd zijn oren naar hen te laten hangen, maar tegelijk was het hem ook duidelijk dat Martinus meer geloof, heiligheid en gezag bezat dan enige andere sterveling.

Waarschijnlijk hoort hier de anekdote thuis die Sulpicius al eerder in zijn Dialogen door Gallus laat vertellen. We voegen haar hier in.

– De vrouw van caesar Maximus –
6 ‘[-] Ik meen vooral de bewondering van de vrome vorstin voor Martinus niet te mogen overslaan. Maximus bestuurde als caesar de staat. Hij zou terecht zijn leven lang geprezen zijn, als hij zo vrij was geweest de kroon die hem onwettig door een oproerig leger was opgezet, te weigeren, of zich minstens buiten de burgeroorlog had gehouden. Maar net zomin als hij het hoogste gezag zonder risico kon weigeren, kon hij het ook niet zonder wapengeweld behouden. Hij was een devoot bewonderaar van Martinus. Daarom nodigde hij hem meer dan eens bij zich uit in het paleis. Dan sprak hij uitvoerig met hem over deze en de toekomstige wereld, over het geluk van de gelovigen, en de eeuwige gelukzaligheid van de heiligen. Intussen hing de koningin dan dag en nacht aan Martinus’ lippen. Net als haar voorbeeld uit het evangelie besproeide zij de voeten van de heilige met haar tranen en droogde ze met haar haren af.

Zoals ook Gallus opmerkt, heeft de vorstin deze kunst afgekeken van een vrouw uit het evangelie over wie hetzelfde wordt verteld (vgl. Lukas 07,36-50); Johannes weet iets soortgelijks te vertellen. Toen Jezus in Bethanië op bezoek was bij Martha, zalfde haar zuster Maria Jezus’ voeten met nardusbalsem en droogde ze met haar haren af (Johannes 12,01-03).

Nu was Martinus nog nooit door een vrouw aangeraakt. Maar hij kon toch niet ontkomen aan haar opdringerigheid, of liever haar onderworpenheid. Zij sloeg even geen acht op de status van het koningschap, de waardigheid van het hoogste gezag, op kroon of purper. Vooroverliggend op de grond was zij niet van Martinus’ voeten weg te branden.
Tot slot stelde zij haar man voor Martinus uit te nodigen voor een maaltijd met z’n drieën, zonder dat iemand van het dienstpersoneel erbij zou zijn. Zijzelf zou het eten klaarmaken. Voor de zalige was er geen weigeren aan!

Hoewel Gallus resp. Sulpicius Severus suggereert dat Martinus het liefst deze uitnodiging had willen weigeren, duidt zij er ook op dat hij alleen stond, en lijkt zij Martinus’ geïsoleerde positie temidden van de bisschoppen te bevestigen.

De vorstin deed alles zelf met gepast respect. Zij zette de bank klaar, schoof de tafel aan, bracht het water voor de handen, en droeg de spijzen aan die zij zelf had gekookt. Terwijl hij at, bleef zij stilletjes op een afstand staan naar de wijze van goed getraind personeel en was in alle opzichten een toonbeeld van de bescheidenheid en de nederigheid van een goed personeelslid. Zelf mengde zij de wijn als hij wilde drinken en reikte hem eigenhandig de beker aan. Na afloop van de maaltijd verzamelde zij de restanten en de kruimels van het door hem gegeten brood. In haar pure geloof achtte zij dat alles hoger dan de beste keizerlijke maaltijd. O zalige vrouw, die om haar vrome aanhankelijkheid waarlijk vergeleken mag worden met haar die van de einden der aarde kwam om Salomo te horen.

Bedoeld is de koningin van Sheba, over wie verteld wordt in 1 Koningen 10.

7 Een van de aanwezigen bij Gallus’ verhaal spreekt er zijn verbazing over uit dat een vrouw, zelfs al was het de vorstin, Martinus zo na kwam. Zullen daar geen praatjes van komen? Zullen Martinus’ vijanden daar geen misbruik van kunnen maken? De verteller, Gallus, antwoordt: ‘Ja, maar je moet – als goed redenaar – wel op plaats, tijd en persoon letten. Stel je de situatie maar voor. Martinus is te gast in het paleis, daar is hij uitdrukkelijk dankzij het verzoek van de keizer en het geloof van de vorstin: in die omstandigheden kan hij niet anders. Hij is daar immers om gevangenen uit de gevangenis los te krijgen, bannelingen te doen terugkeren en in beslag genomen bezittingen te doen teruggeven.

Uit deze opsomming mogen we opmaken dat Martinus bij de keizer is om te pleiten voor de vrijlating van Priscillianus’ medestanders, ze naar hun vaderland Spanje te doen terugkeren; en ze weer in bezit te doen stellen van hun verbeurd verklaarde goederen.

Dat alles zal zo zwaar gewogen hebben dat hij daartegenover zijn principiële levenswandel wel wat kon relativeren, denk je ook niet? Maar als er lieden zouden zijn die misbruik zouden willen maken van het voorbeeld dat hij hier geeft, laten zij dan de discretie van het gehele voorbeeld navolgen. Dan zullen zij immers zien dat Martinus slechts een keer in zijn leven – en dat pas op 70-jarige leeftijd – zich heeft laten bedienen niet door een vrije weduwe of een wulps meisje, maar door een vorstin die onder het gezag van haar man stond, ja zelfs op diens eigen verzoek. Let wel, zij bediende bij de maaltijd, zij lag niet mee aan’.

Terug naar de verwikkelingen met de Trierse bisschoppenkliek
De caesar probeerde dus op een andere manier de heilige voor zijn karretje te spannen. Hij liet hem in het geheim bij zich komen en maakte hem in alle vriendelijkheid duidelijk dat de ketters niet door het gedram van de bisschoppen, maar terecht op staatsrechtelijke gronden veroordeeld waren. Er was dan ook geen enkele reden om de gemeenschap met Ithacius en zijn collega’s te weigeren. En die Theognitus? Die had eerder uit haat de gemeenschap met de anderen verbroken. Hij was trouwens de enige geweest; de anderen hadden zich niet verzet. Een paar dagen geleden waren de bisschoppen nog bijeen geweest in een synode en daar was officieel vastgesteld dat Ithacius geen enkele blaam trof.

Maar Martinus bleek in het geheel niet onder de indruk. Dat maakte de caesar zo woedend dat hij abrupt een einde maakte aan de audiëntie en onmiddellijk beulen liet zenden naar de gevangenen voor wie Martinus een pleidooi had gehouden.

13 Dat hoorde Martinus diezelfde avond. Ondanks het late uur verschafte hij zich toegang tot het paleis en beloofde de gemeenschap met de andere bisschoppen te aanvaarden op voorwaarde dat het leven van de gevangenen gespaard zou worden; bovendien moesten de officieren die al met hun rampzalige boodschap voor de kerk in Spanje onderweg waren, teruggeroepen worden. Maximus ging meteen akkoord.
De dag daarop ging men over tot de wijding van bisschop Felix († eind 4e eeuw; feest 26 maart), een zeer heilig man, die het had verdiend in een betere tijd bisschop te worden.

Blijkbaar was de zittende bisschop, Britto (zie verderop), intussen overleden?

Martinus zag zich genoodzaakt de gemeenschap voor één dag te accepteren. Het leek hem beter even toe te geven omwille van het leven van degenen die met de dood door het zwaard werden bedreigd. De bisschoppen probeerden hem nu een document te laten tekenen waardoor hun gemeenschap bezegeld zou worden, maar zover kregen zij hem niet. Daags daarna is hij in allerijl vertrokken. Hij zat erover in dat hij vuile handen had gemaakt door die schuldige gemeenschap. Niet ver van een dorp, dat Andethanna heette en midden in eenzame wouden lag, ging hij even zitten terwijl zijn reisgenoten hem een eindje vooruit waren. Daar overdacht hij steeds maar weer of hij goed gedaan had aan die daad die hem zo treurig stemde; hij werd heen en weer geslingerd tussen verfoeien en vergoelijken. Plotseling kwam een engel bij hem staan en zei: “Terecht, Martinus, heb je berouw. Maar je had die zaak op geen enkele andere manier kunnen oplossen. Kom op krachten en herpak je standvastigheid, niet alleen om je goede naam, maar ook je zielenheil niet in gevaar te brengen.” Van toen af zorgde hij ervoor niet in gemeenschap te treden met Ithacius en zijn partij. Maar toen hij een paar bezetenen slechts met groter moeite en minder genade dan gewoonlijk kon genezen, bekende hij ons onder tranen dat hij zich in zijn kracht voelde aangetast door de smet van die gemeenschap, waarmee hij – al was het ook nog zo kort, noodgedwongen en onvrijwillig – in aanraking was geweest. In de zestien jaar die hij daarna nog te leven had, bezocht hij geen enkele bisschoppenvergadering meer.’

Eens te meer dus hield Martinus zich verre van kerkpolitieke kwesties, maar met des te grotere ijver wijdde hij zich aan de verbreiding van Christus’ liefde. Hij preekte en trok rond door zijn bisdom, en had bijzondere aandacht voor de heidenen, de boeren die nog niet met Christus in aanraking waren gekomen. Hem komt dan ook de eer toe de stadskerk naar het platteland gebracht te hebben. Hij stierf op hoge leeftijd te Candes tijdens een visitatiereis: 8 november 397. De dag van zijn begrafenis, 11 november, is zijn feestdag geworden.

Legenden

De oudste levensbeschrijving van Sint Martinus (of Sint Maarten) danken we aan zijn leerling en bewonderaar Sulpicius Severus († ca 420; feest 29 januari). Latere anekdotes verzamelde hij in enkele brieven en dialogen. In dat laatste werk voert hij een collega-leerling op, Gallus, die nadere bijzonderheden over Martinus vertelt aan een groepje toegestroomde leerlingen die niet genoeg kunnen horen over hun grote leermeester. Hij vertelt de ene anekdote na de andere, juist zoals de evangelisten dat ook doen bij Jezus. De verhalen hebben maar één doel: het zijn stuk voor stuk bewijzen van het feit hoe heilig Martinus was en hoezeer hij op Jezus geleek.

Legende 1: Hoe Martinus zijn mantel deelde met een bedelaar –
Het was midden in een winter, die veel strenger was dan gewoonlijk. Vele mensen stierven van de kou. Op een dag moest Martinus in Amiens zijn. Martinus was soldaat in het Romeinse leger. Sinds kort had hij over Christus gehoord; en hij was van plan diens voorbeeld na te volgen.
Onderweg kwam hij veel mensen tegen die leden onder de strenge kou. Alle kleren die hij kon missen, gaf hij weg. Zo bereikte hij de stadspoort van Amiens. Hij had alleen nog maar zijn soldatenmantel en zijn wapens. In de poort zat een bedelaar, die helemaal geen kleren aanhad.
Martinus zag hoe hij de voorbijgangers smeekte om hem te helpen en medelijden met hem te hebben. Maar ze liepen hem allemaal voorbij. Martinus begreep dat hij iets moest doen. Maar wat? Hij had immers alles al weggegeven. Toen trok hij zijn zwaard en sneed zijn mantel middendoor. Hij gaf de bedelaar de ene helft. De rest sloeg hij zelf weer om zijn schouders. Er waren omstanders die Martinus uitlachten, omdat hij er in die halve mantel belachelijk uitzag. Maar anderen schaamden zich, omdat zij veel meer hadden dan die soldaat, en toch de bedelaar niet geholpen hadden.
‘s Nachts toen de mensen sliepen, had Martinus een droom. Hij zag Christus vóór zich staan, nogal raar gekleed (zie afb. links). Christus zei tegen Martinus: ‘Bekijk me eens goed.’ Toen zag Martinus, dat Christus het stuk mantel droeg dat hij aan de bedelaar had gegeven. En hij hoorde Hem tegen de engelen zeggen: Martinus heeft nog maar pas van mij gehoord; maar toen ik naakt was, heeft hij Mij meteen gekleed.’
Zo blijkt het waar te zijn wat Christus over zichzelf vertelt: ‘Wat je aan de minste van de mensen doet, dat doe je aan Mij!’

Dit tafereel is bijzonder populair geweest in de iconografie (= afbeeldingen) van Martinus; kunstenaars van alle tijden hebben zich hierdoor laten inspireren.

Legende 2: Hoe Martinus het leger verliet –

Martinus diende nog in het leger, hoewel hij al christen was. Hij wachtte op een geschikt moment om de dienst te verlaten.
Op een dag vielen de Barbaren Gallië binnen. Keizer Julianus verzamelde zijn leger bij de stad Worms en liet voor elke soldaat extra soldij uitkeren. Eén voor één riep hij ze op. Zo kwam ook Martinus aan de beurt. Dit was voor hem het ogenblik om ontslag te vragen. Hij vond het namelijk oneerlijk de extra soldij aan te nemen, terwijl hij van plan was af te zwaaien.
Hij zei tegen de keizer:
‘Tot nu toe heb ik ú gediend, laat mij nu in Gods dienst treden. Ik verdien uw soldij niet. Ik ben een soldaat van Christus. Ik mag dus niet meer vechten.’

Woedend reageerde de keizer:
‘Je bent zeker bang voor de strijd van morgen? Ik ken die mooie godsdienstige praatjes!’

Toen zei Martinus onverschrokken:
‘U denkt dus dat ik laf ben, en niet eerlijk in mijn godsdienstige overtuiging? Goed, ik zal mij morgen ongewapend voor het front opstellen. U zult zien, dat ik ongedeerd door de vijandelijke linie zal heenbreken, enkel en alleen onder de bescherming van het kruisteken en de naam van de Heer.’

De keizer liet hem opsluiten om te zorgen, dat hij de volgende morgen zijn woord gestand zou doen.
Maar die volgende dag zond de vijand gezanten om vrede aan te bieden. En ze gaven zich over met hun hele hebben en houden.
Als dit geen overwinning was van de heilige…! Hij hoefde niet eens ongewapend de strijd in. Natuurlijk zou zijn trouwe Heer hem in het strijdgewoel van zwaarden en speren hebben beschermd. Maar de Heer heeft het hele gevecht voorkomen. Zo werd de heilige zelfs gespaard voor de onchristelijke aanblik van stervende soldaten.

Legende 3: Hoe Martinus zijn godsdienstige loopbaan begon –
Na het verlaten van de krijgsdienst ging hij naar Hilarius, bisschop van Poitiers. Zijn geloof werd in die tijd overal erkend en gewaardeerd. Deze Hilarius stelde hem op de proef door hem tot zijn diaken te willen aanstellen. Door zijn heilig ambt zou Martinus nauwer met hem verbonden zijn. Maar hij verzette zich er met hand en tand tegen. Uiteindelijk zag Hilarius in dat hij hem alleen aan zich kon verplichten door hem juist een belachelijk lage functie te geven. Daarom stelde hij hem aan tot duiveluitdrijver. Dat durfde Martinus niet te weigeren. Anders zou hij wellicht de indruk wekken dat hij weigerde omdat het hem niet hoog genoeg was!
Kort daarop werd hij in de slaap aangespoord naar zijn ouders terug te gaan om hen en hun omgeving de christelijke boodschap te brengen. Hilarius zag hem liever niet gaan, maar kon hem niet tegenhouden. Hij liet zijn exorcist beloven terug te komen.
Mensen uit Martinus’ omgeving beweren dat hij bedroefd op weg is gegaan. Hij verwachtte allerhande tegenslagen op zijn tocht. Die er ook kwamen. Om te beginnen verdwaalde hij in de Alpen en viel in handen van rovers. Eén van hen had zelfs zijn bijl al opgeheven om hem de hersens in te slaan. Met de grootste moeite wist een medebandiet hem ervan af te houden. Ze bonden hem de handen op de rug en zetten hem op een afgezonderde plek gevangen. Ze gaven hem een bewaker mee. Die begon hem uit te vragen: wie hij was en zo. Hij antwoordde dat hij christen was. Hij vroeg hem ook of hij niet bang was. Maar Martinus zei dat hij zich nog nooit zo op zijn gemak had gevoeld: hij was er namelijk van overtuigd dat God in zijn medelijden hem zou behoeden voor alle gevaar. Hij voegde eraan toe dat hij eigenlijk veel meer inzat over hem, zijn bewaker; met zo’n leven was hij Christus’ barmhartigheid onwaardig. Zo ontspon zich een gesprek over het evangelie, en uiteindelijk preekte hij het Woord Gods aan die rover. Om een lang verhaal kort te maken: de rover begon te geloven en bracht Martinus tenslotte eigenhandig naar de weg terug en bij het afscheid vroeg hij Martinus of deze voor hem bij de Heer wilde pleiten in zijn gebed. Het schijnt dat hij later een vroom leven is gaan leiden. Men meent zelfs dat dit hele verhaal van hem zelf afkomstig is.

Eenmaal thuis bij zijn ouders wist hij zijn moeder tot Christus te brengen, maar zijn vader niet. Hij had trouwens helemaal weinig succes. Want in die streek waren al christenen: Arianen. Zij geloofden wel dat Jezus een bijzonder mens was geweest, maar niet dat je van Hem kon zeggen dat Hij Gods Zoon was. Martinus deed er alles aan om de mensen van deze dwaalleer af te krijgen. Maar hij riep hiermee eerder verzet op dan bekering. Ze hebben hem zelfs in het openbaar een afstraffing geven door hem met roeden te geselen. Tenslotte werd hij door de Ariaanse bisschoppen verjaagd. Waarheen nu? Terug naar Hilarius bleek onmogelijk. Hij had namelijk gehoord dat ook daar de Arianen vaste voet hadden gekregen, zodat ze Hilarius hadden verjaagd. Hij stichtte een kloostergemeenschapje in Milaan. Maar andermaal werd hij het slachtoffer van de Arianen. Overdekt met smaad joeg men hem de stad uit. Samen met een vriend trok hij zich nu terug in de eenzaamheid op het eilandje Gallinaria vlak tegenover de Franse zuidkust. Na enige tijd hoorde hij dat Hilarius toestemming had gekregen naar huis terug te keren en zijn bisschopsfunctie weer mocht vervullen. Martinus besloot naar hem toe te gaan.

Legende 4: Hoe Martinus doden ten leven wekte –
Samen stichtten zij niet ver van Poitiers een klooster. Op een dag meldde zich een geloofsleerling bij hem aan. Hij wilde door de heilige in het ware geloof onderwezen worden. Juist op een moment dat Martinus op reis was, werd deze jongeman ziek. De koorts was zo hevig dat hij eraan overleed. Zo vond Martinus hem bij zijn terugkomst drie dagen later. Het ergste was dat hij door zijn onverhoedse dood niet eens tevoren was gedoopt. De broeders waren juist bezig het lijk af te leggen, toen Martinus eraan kwam, roepend en klagend. Op dat moment werd hij vervuld van de Heilige Geest. Hij verzocht de anderen de cel te verlaten en bleef alleen met het ontzielde lichaam achter. Hij strekte zich in zijn volle lengte over de dode broeder uit en bad met grote vurigheid en aandrang. Na een poosje richtte hij zich half op en keek de dode strak in het gelaat; zo wachtte hij vasthoudend op de uitwerking van zijn gebed en van de barmhartigheid van onze Heer. Er waren nog geen twee uur verlopen of er kwam beweging in het lichaam van de jongen, zijn oogleden trilden en uiteindelijk sloeg hij de ogen op. Luidkeels bracht Martinus dank aan de Heer voor dit wonder. Zo luidkeels dat de broeders die al die tijd buiten hadden staan wachten naar binnen snelden om te zien wat er gebeurd was. Zij stonde verbijsterd: degenen die zij daarnet nog voor dood hadden achtergelaten stond levend en wel in hun midden. Hij werd onmiddellijk gedoopt en heeft nog jaren geleefd.

Niet lang daarna kwam hij op één van zijn tochten langs het landgoed van een zekere Lupicinus, een aanzienlijk man. Hij werd getroffen door luid misbaar van klagende en rouwende mensen. Bezorgd bleef hij staan en vroeg wat er aan de hand was. Hij kreeg te horen dat een knechtje van de huishouding zich verhangen had. Onmiddellijk trad de heilige handelend op. Hij liet zich naar het vertrek brengen waar ze de jongen hadden neergelegd. Alle anderen stuurde hij naar buiten. Weer strekt hij zich in volle lengte uit over het lijk en bad geruime tijd met grote aandrang. Uiteindelijk sloeg de jongen zijn ogen op. Het duurde nog een hele tijd voor hij weer op krachten was gekomen. Tenslotte greep hij de hand van de heilige, probeerde te gaan staan en liet zich door Martinus naar de mensen terugbrengen.

Legende 5: Hoe Martinus bisschop werd –
Martinus woonde in de stad Tours in Frankrijk. Toen de bisschop daar was gestorven, wilde de hele stad Martinus als zijn opvolger hebben. Maar een paar bisschoppen uit de buurt waren ertegen. Zij vonden namelijk dat Martinus zich onverzorgd kleedde en dat hij er niet netjes genoeg uitzag. Toch werd Martinus bisschop. Tegen de zin van zijn vijanden. En… tegen zijn eigen zin. Dat kwam zó.
Hij kon al het geharrewar om zich heen niet langer verdragen en stichtte een klooster twee kilometer buiten de stad. Daar leidde hij een streng leven. Tezamen met zijn 24 leerlingen. Ze dronken geen wijn, behalve als ze ziek waren. Ze wilden het niet goed hebben in dat klooster. Dat vonden ze zonde.
In de stad bleef men volhouden dat Martinus bisschop moest worden. Maar hoe hem nou zijn klooster uit te krijgen? Iemand uit de stad, een zekere Rusticus (wat gewoon De Boer betekent), vond er iets op. Hij verzon een verhaal, viel voor Martinus op de knieën en zei: “Martinus, mijn vrouw is ziek. Kom astublieft naar mijn huis om haar met uw wondermacht te genezen.”
Ondertussen waren de inwoners van Tours al langs de route gaan staan om te zien of hij inderdaad naar de stad kwam. Het was de dag van de officiële bisschopsverkiezing in de kerk. Er waren daarom niet alleen mensen uit de stad zelf toegestroomd, maar ook uit de wijde omgeving. Ze wilden allemaal hetzelfde: Martinus bisschop!
Dan pas zouden ze tevreden zijn.
Maar de bisschoppen uit de buurt wilden nu eenmaal niets van hem weten: “Moet je zien hoe hij d’r uit ziet: zijn kleren zijn smerig, zijn haren zitten altijd in de war en hij stinkt.” Niet dat ze het hardop zeiden. Hun woorden over Martinus waren mooi, maar hun gedachten niet. Uiteindelijk moesten ze toch toegeven, omdat de mensen zo bleven aandringen. Dat wil zeggen: er was één bisschop die niet wou toegeven en hard van gemoed was. Hij heette dan ook Hartmoet, bisschop Hartmoet. Hoe het volk toch van hem won en zelfs meende dat de Bijbel volkomen aan hun kant stond, vertelt nog het volgende verhaal.
Uitgerekend op die dag de dag van de bisschopskeuze was de voorlezer te laat in de kerk.
Hij was vastgeraakt in het gedrang van de mensen. Ten einde raad riep men een jongetje met een heldere stem.
Men duwde hem het psalmenboek in de handen met de woorden:
“Lees maar iets voor. Het geeft niet wat.”
Zenuwachtig sloeg de jongen het boek zomaar ergens open en begon lukraak te lezen. Het was psalm 8 en hij las luid en duidelijk:
“Uit de mond van kinderen en zuigelingen
“hebt Gij, God, uw lof laten klinken,
“ook voor de ogen van uw vijanden,
“zelfs als het hard tegen hard moet…”
Op datzelfde moment ging er in de kerk een donderend gejuich op:
“… tegen Hartmoet! Tegen Hartmoet!”
Zie je wel: zelfs God was tegen Hartmoet.
Uit de mond van kinderen zou je het horen.
Nou, stond daar niet een klein jongetje voor te lezen?
Dus: “Martinus bisschop! Martinus bisschop!”
Ze grepen Martinus vast, haalden hem naar voren en zetten hem vooraan op de bisschopsstoel. En ze riepen:
“Leve Martinus, onze nieuwe bisschop!”
Niemand heeft het protest van Martinus gehoord, zo werd er gejuicht.
En van die dag af was Martinus bisschop van Tours.

Legende 6: Hoe Martinus een heidense plek kerstende –
In een dorp had Martinus net een oude tempel verwoest. Nu begon hij de pijnboom vlak ernaast om te hakken. Maar dit ging de priester en de heidense bevolking toch te ver. Ze hadden al, op zijn bevel, machteloos moeten toezien hoe hun tempel werd verwoest. Maar nu hun heilige boom werd geveld, kwamen ze in actie.
Martinus probeerde hun bij herhaling duidelijk te maken dat een boomstam helemaal niet heilig was:
“Jullie kunnen beter doen zoals ik. Volg mijn God. In ieder geval moet deze boom om, want hij is aan een demon toegewijd.”

Toen zei er één – de brutaalste van het stel:
“Laat maar eens zien hoe jij op die God van jou vertrouwt. Wij vellen zelf onze boom. En jij moet hem, als hij neerkomt, met je blote handen opvangen. Als die zogenaamde Heer van jou met je is, zal je het er ook wel levend van af brengen.”

Onverschrokken en in vertrouwen op God ging Martinus op dit voorstel in. De heidenen wreven zich in de handen. Wat betekende het verlies van de ene boom, als deze in zijn val hun aartsvijand zou meeslepen en verpletteren?
De pijnboom was in de loop der jaren scheefgegroeid. Hij helde zwaar naar één kant over. Je kon zo zien waar hij zou neerkomen, als je hem zou omhakken. Nou, daar werd dus Martinus met vastgebonden voeten neergezet. Opgewekt namen ze de bijl ter hand en begon te hakken.
Op een eerbiedige afstand keken de mensen verbaasd toe. De pijnboom begon al vervaarlijk over te hellen. Elk ogenblik kon hij naar beneden komen. Van verre stonden Martinus’ monniken toe te zien, doodsbleek en als aan de grond genageld. Ze hadden alle geloof en hoop verloren. Het wachten was alleen nog maar op het moment van Martinus’ dood. Maar hijzelf stond daar rechtop, vol vertrouwen op de Heer.
Reeds begon de pijnboom te kraken. Hij wankelde en stortte omlaag recht op Martinus af. Deze hief eenvoudig zijn hand op en maakte naar de boom een kruisteken.
Het was alsof de boom in een wervelwind werd opgenomen en teruggedreven. Toen stortte hij precies in de andere richting met een geweldig gekraak omlaag. Vlak voor de voeten van een paar boeren die op veilige afstand dachten te staan. Ze schreeuwden van angst.
De heidenen waren met stomheid geslagen. En de monniken huilden van vreugde en riepen in koor God aan.
Op die dag is het heil in die streek gekomen. Er was geen heiden meer die niet van harte de handoplegging onderging. Ze zwoeren de demonen af en geloofden voortaan in Jezus Christus.

‘Ongeveer in de tijd dat Martinus bisschop werd, was hij genoodzaakt het hof van de caesar te bezoeken: dat was toen Valentinianus.

Het jaar van Martinus’ bisschopswijding wordt geplaatst tussen 370 en 372. Valentinianus (364-375) resideerde in Trier van 364 tot 374. Zijn gemalin heette Justina. Over de aanleiding tot het bezoek en met welke wensen Martinus naar de caesar ging, doet Gallus helaas geen mededeling.

Toen deze te weten kwam dat Martinus voor iets kwam wat hij niet wilde toestaan, beval hij hem buiten de paleispoort te houden. Die harde en hoogmoedige mentaliteit was mede veroorzaakt door zijn ariaanse vrouw. Die had ervoor gezorgd dat hij een hekel had gekregen aan de heilige, zodat hij weigerde hem met het nodige respect te behandelen. Herhaaldelijk probeerde Martinus de hoogmoedige vorst te benaderen. Maar toen dat niet lukte, nam hij zijn toevlucht tot zijn gebruikelijke wapenen. Hij hulde zich in een geitenharen kleed, bestrooide zich met as, onthield zich van spijs en drank en bleef dag en nacht bidden. Op de zevende dag kwam een engel bij hem staan. Die zei dat hij gerust naar het paleis kon gaan. De stevig vergrendelde paleisdeuren zouden vanzelf opengaan en de hoogmoed van de caesar zou verschrompelen. Bemoedigd door deze woorden en vertrouwend op deze bijstand, begaf hij zich naar het paleis. De deuren bleken open te staan; er was niemand die hem iets in de weg legde. Zo kon hij tot de vorst doordringen zonder door iemand te worden tegengehouden. Deze zag hem al van verre op zich af komen en vroeg zich knarsetandend af, hoe hij binnengelaten kon zijn. Hij vond het niet nodig op te staan voor zijn gast. Maar een vuurgloed trok door de koninklijke troon en schroeide het lichaamsdeel waarmee hij erop zat. Zo werd de hoogmoedige man van zijn troon omhooggedreven en moest hij wel voor Martinus opstaan. Hij omhelsde de man stevig die hij daarnet nog had willen vernederen. Maar hij had zich gebeterd, omdat hij zei goddelijke kracht gevoeld te hebben… Hij wachtte de smeekbeden van Martinus niet af, maar was hem op voorhand terwille in alles waarvoor hij kwam. Herhaalde malen nodigde hij hem uit voor een gesprek en de maaltijd. Bij zijn vertrek bood hij hem geschenken aan. Maar de zalige hield het bij de armoede en wees ze allemaal af.’

In de levensbeschrijving van Sint Maarten maakt Sulpicius Severus melding van nog enkele wonderen die Martinus te Trier verrichtte. Het is niet duidelijk of die bij dit bezoek plaatsvonden of tijdens de verwikkelingen rond Priscillianus en Ithacius (zie verderop). Ik kies voor deze gelegenheid, omdat er wordt verteld dat Martinus zich door collega-bisschoppen laat overreden een genezing te verrichten; dat past niet bij de omstandigheden van 385.

– Genezing van een verlamd meisje –

‘In Trier leed een meisje aan zo’n vreselijke verlamming dat haar lichaam sinds lang elke dienst weigerde die voor een mensenleven noodzakelijk is. Haast alle leven was uit haar geweken en een zwakke adem deed haar nauwelijks bewegen. Bedroefd stonden haar verwanten om haar heen en wachtten alleen nog maar de dood af, toen hen plots het bericht bereikte, dat Martinus in de stad was. Zodra de vader van het meisje dat vernam, ging hij de deur uit om bij hem hulp voor zijn dochter te vragen.
Nu was Martinus juist de kerk binnengegaan. Onder de ogen van het volk en in aanwezigheid van vele andere bisschoppen legde de oude man daar snikkend zijn handen om Martinus’ knieën en zei:
“Mijn dochter sterft aan een vreselijke ziekte en – wat wreder is dan de dood zelf – alleen maar met haar adem geeft zij nog een teken van leven, haar lichaam is al bijna dood. Ik vraag u haar te komen zegenen, want ik vertrouw erop dat zij door u weer gezond zal kunnen worden.”

Die woorden brachten Martinus in verwarring; hij was onthutst en zei ontwijkend dat zoiets niet in zijn macht lag, dat de oude man het verkeerd voorhad en dat hij, Martinus, niet waardig was dat de Heer door hem een teken van zijn macht zou laten zien. De vader weende, drong nog meer aan en smeekte hem zijn zieltogend kind te komen bezoeken. Onder druk van de bisschoppen die hem omringden, ging Martinus uiteindelijk naar het huis van het meisje. Voor de deur stond een enorme menigte in afwachting van wat de dienaar Gods zou gaan doen. Om te beginnen wierp Martinus zich op de grond en bad, want dat waren zijn vetrouwde strijdmiddelen in dergelijke omstandigheden. Daarna bekeek hij de zieke aandachtig en vroeg om olie. Hij zegende de olie en goot de krachtige, heilige vloeistof in de mond van het meisje. Terstond kon zij weer spreken. Dan raakte hij haar ledematen een voor een aan en geleidelijk begon zij tot leven te komen, todat zij voor de ogen van het volk stevig overeind ging staan.’

De gelijkenis met Jezus’ opwekking van Jaïrus’ dochtertje is niet alleen opvallend, maar ook uitdrukkelijk gewild. Vele van dergelijke heiligenverhalen hebben de bedoeling aan te tonen dat in de persoon van de heilige het evangelie in hun midden is gebeurd.

– Twee bezetenen bevrijd –

‘Een slaaf van ene Taetradius [ook Tetradius], een proconsul, was in diezelfde periode bezeten door een demon die hem dusdanig folterde dat hij verging van de pijn. Men vroeg Martinus hem de hand op te leggen en hij zei dat ze de man bij hem moesten brengen. Men kon de boze geest op geen enkele manier uit het kamertje krijgen waarin hij zich ophield, zo woest beet hij om zich heen in de richting van alwie hem benaderden. Toen viel Taetradius voor de gelukzalige man op de knieën en smeekte hem zelf naar het huis te komen waar de bezetene werd vastgehouden. Maar Martinus zei dat hij niet naar het huis van een ongelovige heiden kon komen. (In die tijd zat Taetradius namelijk nog verstrikt in de dwaling van het heidendom). Hij beloofde dus plechtig dat hij christen zou worden, als de demon uit zijn jonge slaaf verdreven zou zijn. En zo legde Martinus de slaaf de handen op en verdreef de onreine geest uit hem. Toen Taetradius dat zag, geloofde hij in Jezus Christus en werd onmiddellijk geloofsleerling. Kort nadien liet hij zich dopen en hij bleef een bijzondere genegenheid koesteren voor Martinus die hem gered had.’

De gelijkenis met Jezus’ genezing van de knecht van de honderdman is opvallend, zij het dan dat Jezus niet uitgenodigd wordt het huis van de ongelovige binnen te gaan, maar de genezing op afstand uitvoert: Matteüs 08,05-13. De legende wil ons op het hart drukken dat met de persoon van Martinus de tijden van het evangelie zijn weergekeerd.
In de levensbeschrijving van de heilige bisschop Magnerik van Trier (zie verder) lezen we hoe hij de Sint-Martinuskerk die uit Taetradius’ huis is voortgekomen, renoveert. Blijkbaar heeft Taetradius in later jaren zijn huis laten ombouwen tot een Martinuskerk.

‘In dezelfde tijd en in dezelfde stad betrad Martinus eens de woning van een familiehoofd. Maar hij ging niet verder dan de drempel en zei dat hij in de ontvangstruimte van het huis een verschrikkelijke demon zag. Toen hij hem beval weg te gaan, maakte de demon zich meester van de kok van de heer des huizes, die zich in de kamer achterin bevond. De ongelukkige begon met zijn tanden woest tekeer te gaan en dreigde ieder die hem voor de voeten kwam, te verscheuren. Dat veroorzaakte grote opschudding in huis en paniek onder het personeel: de bewoners sloegen op de vlucht. Martinus vatte post vóór de razende man en gaf hem eerst bevel te blijven staan. Maar toen deze met zijn tanden gromde en zijn mond dreigend opensperde om te bijten, stak Martinus hem de vingers in de mond en zei: “Als jij enige macht hebt, vreet dan mijn vingers op.” Toen was het alsof de man een gloeiend ijzer in de keel had gekregen. De bezetene hield zijn tanden ver van de vingers van de gelukzalige en probeerde elk contact te vermijden. Door deze kwelling werd hij gedwongen het bezeten lichaam te ontvluchten. Daar een uitweg via de mond onmogelijk was, werd hij via de ontlasting uitgeworpen en hij liet een stinkend spoor na.’

‘Intussen was er in de stad plots opschudding ontstaan door een gerucht over verhuizingen en invallen van barbaren. Martinus vroeg iemand vóór hem te brengen die door een demon bezeten was en liet hem verklaren of dit bericht juist was. De man bekende dat tien demonen hem hadden geholpen om dat gerucht onder het volk te verspreiden in de hoop dat Martinus tenminste door dat schrikbeeld de stad zou ontvluchten. De barbaren dachten zelfs niet aan een inval. De onreine geest bekende dat in een volle kerk en zo werd de stad bevrijd van de angst en de verwarring die heersten.’

Legende 7: Hoe Martinus een melaatse begroette –
Toen hij eens de poort van de stad Parijs binnenkwam, omringd door een grote massa mensen, kuste hij tot ontzetting van de omstanders een melaatse die daar zat zomaar op het gehavende gelaat, en hij zegende hem. Op hetzelfde moment was hij gereinigd van alle kwaad. De volgende dag ging hij naar de kerk. Daar stond de man met een aantal kennissen op hem te wachten om hem zijn gave, reine huid te laten zien. Hij liep over van dankbaarheid voor zijn wonderbare genezing.

Legende 8: Hoe Martinus zelf deelde in de gaven van genezing –
Martinus zelf is eens van de trap gevallen. Door de ruwe en ongelijke stenen treden was hij op vele plekken behoorlijk toegetakeld en ernstig gewond. Men bracht hem halfdood in zijn cel. Hij had ontzettend veel pijn overal in zijn lichaam. Maar ‘s nachts verscheen hem een engel die zijn wonden uitwaste en de beurse plekken insmeerde met weldadige zalf. Met als gevolg dat hij de volgende morgen weer helemaal beter was; alsof er niets was gebeurd.

Legende 9: Hoe Martinus bij de keizer aan tafel werd genodigd –
Toen Maximus in 383 keizer werd, probeerden er heel wat bij hem in het gevlei te komen. Die Maximus was een ruwe man en niet weinig met zichzelf ingenomen omdat hij al zijn tegenstanders en concurrenten had weten te verslaan. Zelfs geestelijken gingen zover zich voor deze man neer te werpen! Martinus was hierop een weldadige uitzondering. Hij bleef de ware orde der mensen in het oog houden. Als hij aan tafel bij de keizer werd uitgenodigd, sloeg hij dat doorgaans af met als argument dat hij niet aan tafel kon zitten met iemand die in zijn gretigheid om keizer te worden, vele mensen daarbij van het leven had geroofd. Maximus had een andere zienswijze en probeerde de heilige daarvan te overtuigen. Hij liet hem zien, hoe hij niet zelf de macht had gegrepen, maar dat zijn soldaten hem die macht hadden gegeven en dat ze voor hem die macht verdedigd hadden. Hij meende er Gods hand in te zien dat hij zo’n groet overwinning had gehaald; bovendien waren alle doden gevallen in de strijd en op geen enkele andere manier. Uiteindelijk liet Martinus zich overhalen om bij de keizer de maaltijd te gebruiken. Ze waren er allemaal, de hooggeplaatsten, de gezagsdragers en functionarissen. Daar zat Evodius, prefect en consul: hij stond bekend als een strikt rechtvaardig man. De twee onderkoningen waren er, bekleed met de hoogste waardigheid. Daarnaast de broer en de oom van de vorst. In hun midden lag Martinus aan, meteen naast de keizer. Hij was in het gezelschap van zijn priester.
Nu behoorde het tot het protocol dat halverwege de maaltijd een dienaar aan de vorst de drinkschaal aanbood. De vorst kende de regels van de wellevendheid en beval dat de schaal eerst aan zijn hooggeplaatste gast, de bisschop, moest worden aangeboden. Hij verwachtte vanzelfsprekend dat deze hem dan weer op zijn beurt aan hem zou overreiken. Maar nadat Martinus eruit gedronken had, gaf hij de schaal over zijn priester. Hij ging er immers vanuit dat een geestelijke, zelfs was het een lager geplaatste, hoger stond dan een werelds heerser.
Hoewel de keizer zich eigenlijk gepasseerd had kunnen voelen, bewonderde hij deze consequente daad van Martinus. En toen bewonderden ze hem allemaal. Het ging als een lopend vuurtje door het paleis: Martinus had bij de keizer aan tafel gedaan wat bij de maaltijden van de lager geplaatsten nog geen van de andere bisschoppen had gedurfd.

Legende 10: Hoe Martinus goed en kwaad onderscheidde –
Martinus blonk ook uit in het onderscheiden van boze geesten. Hij wist ze te doorzien onder al hun vermommingen, het geeft niet of zij nu de gedaante aannamen van Jupiter, Mecurius, Venus of Minerva.
Op een dag verscheen hem de duivel in de gedaante van een koning. Hij ging in purper gekleed, droeg een diadeem op het hoofd, was geheel bedekt met goud en edelgesteente. Hij had een rustig gezicht met een lichte glimlach. Na een lange stilte zei hij:
“Martinus, herken degene die je aanbidt. Ik ben de Christus. Ik ben op aarde teruggekeerd. En ik wilde het eerste aan jou verschijnen.”
Martinus antwoordde in het geheel niet.
“Martinus, waarom aarzel je nog te geloven? Je ziet me toch? Ik ben de Christus.”
Op dat moment antwoordde de grote heilige:
“Als mijn Heer Jezus op aarde zou terugkeren, zou Hij niet in purper gekleed gaan, en Hij zou zeker geen diadeem op zijn hoofd zetten.”
Waarop de duivel onmiddellijk verdween, terwijl een afschuwelijke stank de cel van de heilige vervulde.

Legende 11: Hoe bisschop Martinus een arme hielp –
Op een dag ging hij met de belangrijkste van zijn diakens naar de kerk om voor het volk een feestelijke heilige mis op te dragen. De hele weg liep er een arme sloeber achter hem aan die helemaal niks aan had. Martinus gaf zijn diaken de opdracht:
“Zorg dat die arme man wat kleren krijgt.”
Maar de diaken had geen zin om op kleren uit te gaan. Hij ging dus vlug de kerk in om alles klaar te zetten voor de mis.

Intussen begaf Martinus zich naar de sacristie. Daar schonk hij zijn tuniek aan de arme sloeber met de woorden:
“Ga vlug naar huis en zorg dat niemand je ziet.”

Meteen daarna kwam de diaken de sacristie binnen om Martinus te waarschuwen dat hij met de heilige mis kon beginnen. Maar Martinus riep vanuit de verste hoek:
“Ik kan de heilige mis niet opdragen, zolang de arme man geen kleren heeft.”
Toen ging die diaken met een kwaaie kop naar de markt. Daar kocht hij voor een habbekrats een waardeloze tuniek. Die gooide hij de sacristie in naar de plek waar Martinus ongeveer stond. (Hij wist nog altijd niet dat het Martinus zelf was die die kleren nodig had!)

De heilige bisschop trok het waardeloze geval aan: het viel nog niet eens tot op zijn knieën en de mouwen kwamen tot op zijn elleboog. In deze kledij droeg Martinus voor de ogen van het volk de plechtige heilige mis op…

Legende 12: Over Martinus en Brictius –
In Martinus’ klooster Marmoutiers werden zijn volgelingen gevormd. Hij bracht hun de liefde bij voor een eerlijke christelijke levenswijze, zonder ophef. Hij waarschuwde ze bij herhaling voor de ketterij van het Arianisme, die nog altijd veel invloed had.
Tegelijkertijd nam hij gevluchte ketters liefdevol in zijn klooster op om ze te beschermen tegen heethoofden die hun het leven wilden benemen. Vaak was dat de eerste stap voor zo iemand om zich tot de ware geloofsgemeenschap te bekeren. Uit de priesters die hij in zijn klooster vormde, kwamen vele heilige geloofsverkondigers, abten en bisschoppen voort.
Dat dit toch ook niet altijd even makkelijk was, blijkt uit een verhaal over Martinus’ opvolger, de latere bisschop Brictius van Tours.

We komen Brictius voor het eerst tegen als monnik in Martinus’ kloostergemeenschap. Volgens Sulpicius Severus had de heilige hem uit de goot opgeraapt en onder zijn hoede genomen. Het schijnt geen sympathieke jongeman geweest te zijn. Hij wordt arrogant en zelfingenomen genoemd. Met weinig respect voor zijn grote en beroemde weldoener. Bij herhaling schijnt Martinus verzucht te hebben:
“Christus heeft Judas moeten verdragen, ik heb mijn Brictius”.
Zo zou er op een dag een zieke man bij Martinus’ klooster aangeklopt hebben: hij wilde graag beter gemaakt worden en kwam daarvoor de hulp van de heilige inroepen. Na zijn verlegenheid overwonnen te hebben, besloot hij één van de monniken aan te schieten. Hij trof Brictius, “op dat moment nog maar een diaken” merkt de verteller van dit verhaal, Gregorius van Tours, veelbetekenend op:
“Nou hang ik hier al een halve dag rond in de hoop de heilige man tegen het lijf te lopen”, zegt de bedelaar, “maar ik zou niet weten waar ik hem zoeken moest.”
Waarop Brictius geantwoord moet hebben:
“Als je die halve gare zoekt, dan moet je eens daar kijken: op zijn wezenloze manier zit-ie weer eens naar de hemel te staren.”
De arme man stevende meteen op Martinus af, en verkreeg waar hij voor kwam. Daarna wendde de heilige zich tot zijn diaken Brictius met de woorden:
“Ik ben dus in jouw ogen een wezenloze halve gare?”
Brictius voelde zich betrapt en probeerde het te ontkennen. Maar Martinus vervolgde:
“Ik kon je woordelijk verstaan, ook al stond je ver van me af. Ik zeg je: zo juist gaf de Heer onze God mij te verstaan dat jij na mijn dood geroepen zult worden tot de eer van het bisschopsambt. Maar het zal je veel verdriet bezorgen.”
Nu kon Brictius weer lachen als vanouds:
“Zéi ik het niet dat u een beetje getikt bent!”

Legende 13: Over het sterven van Martinus
Martinus kende lang van tevoren het moment van zijn sterven.
Op een dag ging hij naar het diocees Candes om een ruzie bij te leggen. Hij voelde dat de kracht uit zijn lichaam begon te vloeien. En hij gaf zijn leerlingen te kennen, dat zijn tijd gekomen was. De leerlingen waren in tranen en ze smeekten hem:
“Vader Martinus, u kunt ons toch niet alleen laten! We zullen ontroostbaar zijn. U ziet zelf hoe de wolven op de loer liggen om uw kudde – ons dus – te verscheuren.”

Martinus was getroffen door hun tranen en smekingen. Hij bad tot God met de volgende woorden:
“Heer God, als u mij hier nog nodig hebt voor uw mensen, dan wil ik dat karwei niet uit de weg gaan. Uw wil geschiede.”
Martinus was in tweestrijd. Hij wist nu zelf niet meer wat hij het liefste wilde. Enerzijds wilde hij zijn kudde leerlingen niet in de steek laten, anderzijds zou hij maar al te graag in de hemel bij Christus willen zijn.
Intussen had hij hevige koorts. Zijn leerlingen vroegen hem:
“Laat ons toch een beetje stro onder het matje leggen waar u op ligt.”
Hij antwoordde:
“Nee kinderen, een christen moet sterven in as en stof. Want uit stof zijn wij gemaakt en tot stof zullen wij weer vergaan.”
Hij lag plat op zijn rug, zijn ogen en handen ten hemel geheven. Toen vroegen zijn priesters:
“Maak het u toch wat gemakkelijker. Ga toch een even op uw zij liggen.”
“Nee broeders, ik houd liever de blik gericht op de hemel dan op de aarde.”

Toen zag hij hoe de duivel op hem loerde. En hij zei:
“Wat doe je hier, lelijk monster? Je krijgt me toch niet meer te pakken. Want ik zie Abraham al klaar staan met zijn armen wijd open om mij te verwelkomen.”

Na deze woorden gaf hij de geest. Zijn gezicht straalde schitterend. Het leek wel, of hij al bekleed was met Gods licht. Die erbij stonden hoorden een koor van engelen, toen hij in de hemel werd opgenomen.

Hij stierf op 81-jarige leeftijd, in het jaar 395, toen Honorius en Arcadius keizer waren.

Bij de begrafenisplechtigheden in Candes troffen elkaar de inwoners van Poitiers en die van Tours. Die-van-Poitiers zeiden:
“Bij óns was hij monnik. Wij mogen dus zijn lijk hebben.”
Maar die-van-Tours zeiden:
“God heeft hem bij jullie weggehaald om hem bij ons bisschop te laten worden.”

‘s Nachts toen die-van-Poitiers sliepen, namen die-van-Tours stiekem Martinus’ lijk weg, wierpen het door het raam naar buiten in een boot die daaronder klaarlag en voerden het met zich mee over de rivier de Loire naar de stad Tours.
Daar rust Martinus in zijn graf tot op de dag van vandaag.

Legende 14: Een genezing bij de overbrenging van Martinus’ lijk –
Toen hij gestorven was, waren er in Tours twee vrienden: de één was blind, de ander lam. De blinde droeg de lamme, die aan de blinde vertelde waar hij moest lopen. Al bedelend wisten ze royaal aan hun boterham te komen. Als ze horen dat het lichaam van Martinus in een processie wordt overgebracht naar de kerk, schrikken ze: “Stel je voor dat hij ons geneest; dan zijn we niet zielig meer. Dan gaat onze broodwinning eraan!” Ze besluiten hun toevlucht te nemen tot een smal straatje waar de processie zeker niet doorkan. Maar onderweg komen ze onverwacht de processie tegen en ze worden allebei genezen. Zo zie je maar – besluit de legende – dat God zijn gaven schenkt zelfs aan degenen die er helemaal niet vragen.

Verering & Cultuur
Omdat hij van hetzelfde kaliber was als de apostelen, trokken in de middeleeuwen vele pelgrims naar zijn graf. Dat haalde net zo veel uit als een pelgrimstocht naar Rome, waar de kopstukken van de Kerk, Petrus en Paulus vereerd werden. Als de Frankische koning oorlog moest voeren en ten strijde trok, nam hij Martinus’ mantel als een kostbare reliek mee in de hoop dat het hem de overwinning zou brengen. In vredestijd bevond zich het kledingstuk in een aparte gebedsruimte in het koninklijk paleis. Men geloofde graag dat het dezelfde mantel was die hij destijds met de arme man van Amiens had gedeeld. Het kledingstuk genoot er grote verering. Vele pelgrims trokken naar Martinus’ mantel, ‘capella’ genoemd (vgl. ons Engelse woord ‘cape’). Het woord ‘kapel’ is ervan afgeleid, want stilaan ging de betekenis van dit woord over op de ruimte waar de capella werd vereerd. De bewaarder heette ‘capellanus’; daar komt ons woord ‘kapelaan’ vandaan.

Legende over de relieken van St-Germain-Auxerrois en St-Martin –
Het schijnt dat Martinus’ relieken eens ten tijde van een oorlog in veiligheid gebracht moesten worden. Men vervoerde ze naar Auxerre, naar de kerk waar de grote bisschop St-Germain begraven lag. Naast diens sarcofaag werd dus het stoffelijk overschot van Martinus geplaatst. Al gauw ontstond er strijd onder de vereerders van beide heiligen, welke van de twee de grootste zou zijn. Men besloot het op een godsoordeel te laten aankomen. Er werd iemand uit het gasthuis gehaald die zeer onlangs was gestorven. Eerst legde men hem op het graf van Sint Germanus, maar er gebeurde niets. Vervolgens legde men hem op Martinus’ sarcofaag en onmiddellijk stond de dode op. Groot gejuich onder Martinus’ aanhang: hun heilige had zich de grootste betoond. Maar die van Saint-Germain bewonderden het in hun patroon dat hij in zijn gastvrijheid de eer aan zijn gast gelaten had…

Patroonheilige

Martinus is patroon van vele bisdommen en steden. (Zie de afzonderlijke landen).
Daarnaast is hij patroon van de soldaten, de cavaleristen, de ruiters en de ridders; van de hoef- en wapensmeden; van de wevers, ververs, kleermakers, ceintuurvlechters, handschoenenfabrikanten, hoedenmakers, borstelbinders en kuipers; van herders, molenaars, wijnbouwers, waarden en kasteleins en van hoteliers; van stadsomroepers; van de reizigers, de armen en bedelaars; van de gevangenen; van de geheelonthouders; van de huisdieren, paarden, ganzen. Hij wordt aangeroepen tegen oogaandoeningen, slangenbeten en de huidziekte roos. Ook wordt zijn voorspraak gevraagd voor het groeien van een goede oogst.

Verering in Frankrijk
Koning Clovis I († 511) riep Martinus uit tot schutspatroon van de Frankische koningen en het hele Frankische volk. Dat gebeurde als volgt. Aan de vooravond van een belangrijke slag tegen de ariaanse Visigoten begaf hij zich naar Tours om de bescherming van Martinus af te smeken. Had ook hij niet tegen de Arianen moeten vechten gedurende zijn leven? Clovis stuurde enkele dienaren vooruit naar Martinus’ heiligdom – dat toen nog heel bescheiden kerkje was – met de bede: “Heer, ik wil graag weten of u mij wilt helpen en dat ongelovige volk in handen in mijn handen wilt doen vallen. Als dat werkelijk zo is, zou u dan zo goed willen zijn aan mijn dienaars hier een teken te geven op het moment dat zij uw heiligdom binnengaan?” Clovis’ afgezanten bereikten het kerkje op het moment dat de monniken er hun koorgebed aan het zingen waren. Toen zij de ruimte binnenstapten zette de koorleider juist een psalm in die begon met de woorden : “Heer, u hebt mij omgord voor de strijd, u hebt degenen die tegen mij opstonden, onderworpen; u hebt al mijn haters uit elkaar geslagen.” Dat moest het teken zijn waarom Clovis had gevraagd. God zou aan zijn kant staan in de strijd! Door de overwinning die de koning behaalde, kreeg hij heel Gallië in bezit van het noorden tot aan de Pyreneeën aan toe. Dankbaar keerde hij terug naar Tours om zijn beschermheilige te bedanken. Op het graf van Martinus liet hij zich tot koning wijden. Zo werd Martinus patroon van het Merovingische en Frankische koningshuis en later van Frankrijk.
Tot op de dag van vandaag telt bv. Frankrijk nog zo’n 3600 Martinuskerken. Er zijn minstens 485 steden en dorpen die naar hem zijn genoemd.
Al vroeg in de middeleeuwen lag even ten noorden van Parijs het klooster St-Martin-des-Champs. Op het grafmonument van de Frankische koning Dagobert, dat zich bevindt in de basiliek te St-Denis, staat hij afgebeeld tezamen met Mauritius en Dionysius: met zijn drieën weten zij de ziel van de vorst uit de klauwen van de duivel te bevrijden.

Verering in Italië
Beroemd is zijn afbeelding in de San Apollinare Nuovo te Ravenna. Op het mozaïek aan de zijwand van halverwege de 6e eeuw neemt hij de eerste plaats in de rij martelaren, terwijl hij geen martelaar is!

Verering in Duitsland
Sankt Martin is de patroon van de dom te Mainz; ook van het bisdom Mainz. Hij is na Rupert tweede patroon van de stad Salzburg. Tot op de dag van vandaag markeert de toren van Gross-Sankt-Martin het stadsbeeld van Keulen.
Verder hebben de plaatsen Bingen en Dresden een St-Martinskerk.

Verering in Engeland
In Engeland kennen we het beroemde orkest van Saint-Martin in the Fields. Tegenwoordig staat dit kerkje in hartje Londen, maar, toen het gebouwd werd, stond het nog ‘in het veld’, zoals de naam aanduidt.

Verering in Nederland en België
Toen Willibrordus als eerste in onze streken het evangelie kwam preken, vestigde hij in Utrecht een kerk die hij aan Martinus toewijdde. Dat is de voorganger van de huidige domkerk, die nog altijd aan Martinus is toegewijd. Sint-Maarten is ook de patroon van de stad Utrecht; dat is nog altijd te zien aan het stadswapen, dat over de diagonaal in tweeën is gedeeld. De bovenste helft is wit, de onderste rood: symbolische weergave van Martinus’ halve mantel.
Op bijgaand kaartje zien we hoeveel Maartenskerken er stonden in het Nederland van de middeleeuwen. In het Friese plaatsje Achlum stond in de middeleeuwen een regularissenkloostertje dat aan Martinus was toegewijd.

Thans zijn er Maartens- of Martinuskerken te Ankeveen, Arnhem, Baak, Beegden, Beek (Gelderland), Beek (Limburg), Beetgum, Bergum, Bolsward, Borgharen, Born, Bovenkarspel, Boyl, Bozum, Breda, Breust/Eijsden, Busloo, Cuijk, Didam, Doesburg, Doetinchem-Wijnbergen, Dokkum, Dommelen-Valkenswaard, Doorn-Langbroek, Doornenburg, Driel, Eindhoven, Enschede, Epe, Etten (Gelderland), Ferwerd, Franeker, Gaanderen, Gaastmeer, Gendringen, Gendt, Gennep (of toch Marinus?), Geulle, Giekerk, Giesbeek, Gorinchem, Groningen, Gronsveld, Halsteren, Hantum, Harderwijk, Heerlen-Welten, Heeze, Heiloo, Hempens, Herwen, Het-Schijf, Hillegom, Holtum, Hontenisse-Kloosterzande, Hoogezand, Hoogland-Bunschoten, Horn, Houthem-St-Gerlach, Idsega (of toch Mauritius?), IJlst, IJsbrechtum, Itens, Itteren, Katwijk/Maas, Kerkdriel, Kerkrade, Kollum, Koudum, Latum, Linne, Losser, Luijksgestel, Maartensdijk, Maartensvlotbrug, Maastricht-Itteren, Maastricht-Wijk, Makkum, Martenshoek, Mechelen, Medemblik, Minnertsga, Neer, Nijmegen, Noorden, Olland-St-Oedenrode, Oosterzee († Laurentius?), Oostrum-Texel, Oploo, Oud-Zevenaar, Ouddorp, Oudega-Wymbritseradeel, Oudeschild-Texel, Pannerden, Princenhage, Roodhuis-Oosterend, Roodkerk, Rossum, Rucphen, Scharnegoutum, Schiedam, Sneek, Spekholzerheide, St-Oedenrode, Stein-Limburg, Strijp-Terschelling, Tegelen, Tilburg, Tongelre, Twello-Duistervoorde, Tzummarum, Urmond, Utrecht, Vaassen, ‘t Veld-Niedorp, Velddriel, Venlo, Vijlen, Vlissingen-Oost, Vlodrop, Voorburg, Voorst, Warga, Warns, Weel, Weert, Wehl, Westergeest, Westwoud, Wirdum, Witmarsum, Zaltbommel, Zwaag.
Er is ook een Martinuskerk te Kortrijk.



11 nov - woensdag

Sneek 09:15 Eucharistieviering

Bonifatiushuis, in de kapel, Sneek


11 nov - woensdag

Blauwhuis 17:00 - 17:30 Sint Maartenviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger pastor Foekema

 



12 nov - donderdag

- Hele dag Gedenkdag H. Josafat, aartsbisschop en martelaar

– Geen, -

Josafat (in het westen ook Josef) Kuncewycz van Polotsk (of Polock; ook van Vladimir) osb.bas., Rome, Italië; aartsbisschop &martelaar; † 1623.

Afbeelding H. Josafat
Drie grote missionarissen: links Sint Josafat;
(midden Franciscus Xaverius [ + 1552, feest 3 december);
rechts Théophane Vénard, martelaar in Viëtnam [+ 1861, feest 24 november).
ca 1990, steenreliëf. Frankrijk, Lisieux, Basiliek.

http://www.heiligen.net/afb/11/12/11-12-1623-josafat_2.jpg

Feest 12 november.

Hij werd in 1580 (of 1584) geboren als zoon van oosters-orthodoxe ouders in het Russische Vladimir of Wlodzimierz. Op twintigjarige leeftijd werd hij monnik volgens de byzantijnse ritus. Enige tijd later werd hij tot abt gekozen. Hij ijverde in het bijzonder voor de eenwording van de christenen en probeerde de oosterse schismatieken weer met de Heilige Stoel in Rome te verzoenen. Op zijn 39e werd hij aartsbisschop van Polotsk, destijds in Polen, tegenwoordig in Wit-Rusland. Onverminderd zette hij zijn verzoeningspogingen voort, waarbij hij elke politieke stellingname vermeed. Tenslotte werd hij toch op een visitatiereis door een groep heetgebakerde ketters te Witebsk, Wit-Rusland, gedood.

Verering & Cultuur

Twintig jaar later werd hij zalig verklaard en in 1867 heilig. Hij is de eerste van de oosters-geünieerde kerken die door Rome officieel heilig werd verklaard. Zijn stoffelijke resten werden in 1916 naar Wenen en in 1949 naar Rome overgebracht.



12 nov - donderdag

Sneek 08:45 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


13 nov - vrijdag

- Hele dag Gedenkdag H. Stanislas Kostka sr. Belijder

– Geen, -

Stanislas Kostka sj, Rome, Italië; belijder; † 1568.

Afbeelding Stanislas
> 1700. Schilderij.
Nederland, Delft, Stanislashuis. Stanislas ontvangt van een engel de communie.

http://www.heiligen.net/afb/11/13/11-13-1568-stanislas_3.jpg

Feest 13 november.

Stanislas was een jongen van Poolse adel, geboren op 28 oktober 1550 op slot Rostków. Vader wilde, dat hij en zijn oudere zoon Paul door de jezuïeten zouden worden gevormd. Daartoe zond hij ze naar het pas opgerichte jezuïetencollege te Wenen. Daar woonde Stanislas in hetzelfde huis als zijn broer, maar deze was een nogal heerszuchtig type, en bovendien moest hij eigenlijk niets van de jezuïeten hebben. Stanislas wel. Hij verlangde naar iets anders in zijn leven, maar besefte, dat hij met zulke idealen bij zijn broer niet hoefde aan te komen. Ook vader zou er vast niet mee ingenomen zijn. Dus brak hij met zijn milieu, kleedde zich als een zwerver en ging op weg: ver van zijn broer en nog verder weg van zijn ouderlijk huis in Polen. Hij begaf zich naar Augsburg 450 kilometer verderop! Daar meldde hij zich aan bij de jezuïeten.

Intussen had zijn broer ontdekt, dat hij weggelopen was. Hij was razend; en zocht met een aantal rauwe vrienden de hele omgeving van Wenen af om hem te vinden. Het verhaal zegt, dat die broer zelfs Stanislas achterop is gekomen, maar hem inderhaast niet herkende. Zelfs niet, toen hij hem in het voorbijgaan vroeg of hij niet iemand had gezien die geleek op… En daar volgde een hele beschrijving van Stanislas zelf. Deze wees met een vaag gebaar in de andere richting.
In Augsburg kreeg hij te horen, dat hij door moest reizen naar Dillingen (nog eens veertig kilometer). Daar woonde Petrus Canisius, één van de belangrijkste jezuïeten van dat moment in de Duits sprekende landen († 1597; feest 27 april). Die zou wel raad weten. Deze stuurde de jongen met twee jezuïetenstudenten door naar Rome: dat was nog eens duizend kilometer! Nu was hij ver genoeg weg van de invloedssfeer van thuis, en werd aangenomen als novice in de orde der jezuïeten.

Niet lang daarna stierf hij (aan een ziekte? van uitputting?) op 15 augustus 1568, nog geen 18 jaar oud.
Zijn lijfspreuk was ‘Ad maiora natus sum’: ‘Ik ben voor iets hogers geboren’.

Verering & Cultuur
Hij is patroon van Polen en van de Poolse steden Gniezno, Lublin, Lviv, Poznań en Warschau; daarnaast van jezuïetennovicen en van de studerende jeugd in het algemeen; van de stervenden (omdat hem op zijn sterfbed de Maagd Maria met het Kind Jezus op haar arm verschenen zou zijn. Hij had een grote liefde voor de Heilige Maagd).
Zijn voorspraak wordt ingeroepen bij geloofstwijfel; ook bij allerhande ziektes, vooral wanner men alle hoop op herstel heeft opgegeven, bij koorts, hartinfarcten, oogkwalen en botbreuken.
Hij wordt afgebeeld als jezuïet met lelie (reinheid) en reisstaf (vanwege de lange tochten naar Dillingen en Rome); met kruisbeeld en/of rozenkrans; met Jezuskind op de arm (verschijning); voor het Allerheiligste of voor een engel (soms de Heilige Maagd of Sint Barbara) die hem de communie brengt of met het visioen waarin de Maagd hem verschijnt met het Jezuskind of als jongen uit wiens hart de letters IHS opgloeien, het IHS-embleem dat aan de jezuïetenorde zeer dierbaar is.



13 nov - vrijdag

Sneek 19:00 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek


14 nov - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Eucharistieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger pastoor van der Weide

M.m.v. het Ceacilliakoor



22 nov - zondag

Blauwhuis 09:30 - 10:30 Woord- en Communieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger pastor Foekema

M.m.v. het Ceacilliakoor



28 nov - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Eucharistieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger pastoor van der Weide

M.m.v. het Ceacilliakoor


dec 2020

datum/tijd evenement

06 dec - zondag

Blauwhuis 09:30 - 10:30 Woord- en Communieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger pastor Foekema

M.m.v. het Ceacilliakoor



12 dec - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Woord- en Communieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger pastor Foekema

M.m.v. het Ceacilliakoor



19 dec - zaterdag

Blauwhuis 19:30 - 20:30 Eucharistieviering

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger pastoor van der Weide

M.m.v. het Ceacilliakoor



20 dec - zondag

Blauwhuis 15:00 - 16:30 Kerstconcert Fanfare Blauwhuis

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Jaarlijks kersconcert verzorgd door de fanfare van Blauwhuis.

Iedereen is welkom!



24 dec - donderdag

Blauwhuis 20:30 - 21:30 Kerstnacht

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger pastoor van der Weide



25 dec - vrijdag

Blauwhuis 09:30 - 10:30 Gezinsviering 1e Kerstdag

aanmelden Vituskerk Blauwhuis Sint Vituskerk – Blauwhuis, Blauwhuis

Voorganger pastor Foekema


Powered by Events Manager