Agenda - 27 sep 2020

datum/tijd evenement

27 sep - zondag

- Hele dag Feestdag H. Vincentius de Paul, priester

– Geen, -

Vincentius à Paolo, Parijs, Frankrijk; weldoener & kloosterstichter; † 1660.

Afbeelding Vincentius de Paul

ca 1820, Restout, schilderij. Frankrijk, Parijs, Ste Marguerite.

Bisschop Franciscus van Sales (met borstkruis) plaatst Vincentius a Paolo (links) aan het hoofd van de door hem gestichte Congregatie van de Visitandinen.

Feest 27 september.

Vincentius werd op 24 april 1581 als derde in het eenvoudige gezin Depaul geboren te Pouy bij Dax, dat sinds 1828 is omgedoopt in St-Vincent-de-Paul.

Soms vindt men als geboortejaar 1576. Persoonlijk vind ik dat geloofwaardiger, gezien het jaar waarin hij priester wordt gewijd: 1600. Het is onwaarschijnlijk dat hij al op amper 19-jarige leeftijd de priesterwijding zou hebben ontvangen.

Men weet te vertellen dat hij als kind al een goed hart had. Eens had hij meel gehaald op de molen voor thuis. Onderweg kwam hij een arme sloeber tegen. Hij opende de zak en gaf de man wat meel. Omdat hij een goed stel hersens had, wilde vader hem verder laten studeren. Om dat te kunnen bekostigen verkocht hij twee ossen. Zo verliet hij in 1595 het ouderlijk huis en ging inwonen bij mijnheer Comet, advocaat en rechter te Dax om te kunnen studeren op het college van de Cordeliers. In die tijd schaamde hij zich voor zijn afkomst. Later vertelde hij dat zijn vader hem eens op het college kwam opzoeken en naar hem vroeg. Zijn vader stonk naar de boerderij, zag er onverzorgd uit en liep een beetje mank. Hij wilde zijn vader dan ook niet ontmoeten, wat een grote zonde was, aldus Vincentius zelf. Twee jaar later schreef hij zich in aan de universiteit van Toulouse als student theologie. Na veel doorzettingsvermogen en intense studie werd hij op 23 september van het jaar 1600 tot priester gewijd door de bisschop van Périgueux. Omdat hij zich wilde oefenen in bescheidenheid deed hij zijn eerste mis in een afgelegen kapelletje in het bijzijn van twee geestelijken.

Tijdens een zeereis werd hij door Turkse zeerovers gevangengenomen, waarna hij twee jaar lang slaaf was in Tunis. Hij doet zelf verslag:

‘De wind was zo gunstig als het maar kon. Maar God stond toe dat drie Turkse brigantijnen ons aanvielen en beschoten. Zij stroopten de Golf van Lyon af om de boten te onderscheppen die van Beaucaire afkwamen. Daar werd een jaarmarkt gehouden waarvan men zegt dat het de allermooiste is van de hele christelijke wereld. Twee of drie man bij ons aan boord werden dodelijk getroffen en alle anderen liepen verwondingen op. Ook ik werd geraakt door een pijl; daar zou ik mijn levenlang last van blijven houden: dat litteken zou me voortaan van pas komen als tijdklok. We waren wel genoodzaakt om ons aan die verraders over te geven. [-] Ze ketenden ons vast en zetten hun tocht voort met wel duizend roverijen. [-] Na zo’n dag of zeven, acht, hadden ze ladingen koopwaar buitgemaakt. Toen zetten ze koers naar Barbarije [= Noord-Afrika], bakermat en roofhol van de gewetensloze bandieten in dienst van de Grote Turk.

Meteen na aankomst werden we uitgekleed en in de open lucht neergezet. Ze gaven elk van ons een onderbroek en een linnen bovenkleed. Ze dreven ons de hele stad Tunis door. Na zo’n vijf of zes rondjes door de stad met de ketting om de hals, werden we teruggebracht naar de boot. Daar konden kopers ons komen inspecteren wie van ons wel of niet goed at, en zich ervan verzekeren dat onze verwondingen niet dodelijk waren. Toen dat gebeurd was, voerden ze ons naar de plek waar kooplui ons kwamen keuren, precies zoals je een paard of rund koopt: ze openden ons de mond om onze tanden te inspecteren, betastten onze ledematen, controleerden onze verwondingen en lieten ons enkele passen heen en weer lopen, draven en rennen; ze lieten ons zware lasten optillen, en vervolgens lieten ze ons met elkaar worstelen om te zien hoe sterk ieder was, en nog duizend andere schaamteloosheden.

Ik werd gekocht door een visser. Maar die zag zich al gauw genoodzaakt mij van de hand te doen, want ik kon absoluut niet tegen de zee. Hij verkocht mij aan een oude heelmeester die zich bezighield met het analyseren van stoffen, maar het bleek dat hij heel menselijk en handelbaar was.

Hij had geen kinderen, en beloofde Vincentius tot zijn erfgenaam te maken, op voorwaarde dat hij moslim zou worden. Kort daarna stierf de heelmeester, en kwam Vincentius in het bezit van diens neef. Deze wilde van hem af en bood hem te koop aan.

Na een jaar werd ik gekocht door een afvallige katholiek die afkomstig was uit Nice in Savoye. Hij bracht me naar zijn Termat – zo noemt men daar een stuk grond dat men pacht van de grootgrondbezitter. Het lag in de bergen; het land is er kurkdroog en volkomen verlaten. Eén van de drie vrouwen die hij bezat, kwam uit Griekenland en was christen, maar schismatiek. Een andere was een Turkse. Zij zou een instrument blijken van Gods geweldige barmhartigheid, want door haar gaf haar man zijn afvalligheid op en ik werd uit mijn slavernij verlost. Zij toonde zich namelijk nieuwsgierig naar onze levenswijze. Zo kwam ze me elke dag op het land opzoeken waar ik aan het spitten was. En op een dag vroeg ze mij een lofzang te zingen op mijn God. Onmiddellijk schoten mij de woorden te binnen van de kinderen van Israël die in Babel gevangen zaten: ‘Quomodo cantabimus in terra aliena’ (= Hoe kunnen wij zingen op vreemde bodem…?) En zo zette ik met tranen in de ogen de psalm [137] in: ‘ Super flumina Babylonis…’ (= Aan Babels stromen zaten wij…); daarna nog een ‘Salve Regina’ (= Wij groeten U, o Koningin) en nog een paar andere dingen. Ik deed haar er zo’n plezier mee dat het wonderlijk was om te zien. Die avond begon zij er prompt over bij haar man: dat hij er volkomen verkeerd aan had gedaan zijn eigen godsdienst te verlaten, terwijl die in haar ogen juist zo buitengewoon mooi was…’

Na zijn ontsnapping was hij van 1609 tot 1617 in dienst van Philippe de Gondi, hertog van Joigny, als leermeester van diens kinderen en biechtvader van zijn vrouw. Intussen werkte hij sinds 1612 als pastoor in Clichy, Parijs en op het platteland te Gannes aan de Somme en later te Châtillon-les-Dombes. Daar leerde hij de ware armoede kennen, zowel materieel als geestelijk, en besloot zich het lot van de armen aan te trekken; in de maand augustus van 1617 stichtte hij zijn eerste Broederschap van de Liefde (‘Confrérie de la Charité’).

Dat kwam zo. Toen hij eens op het punt stond aan de mis te beginnen, kwam een dame hem zeggen dat ze even buiten het dorp een zieke had bezocht. Daarbij was gebleken dat die mensen straatarm waren. Ze vreesde voor het leven van die zieke, omdat de mensen van dat huis daar eenvoudig niets te eten hadden. Pater Vincentius was zo onder de indruk dat hij er in zijn preek op terugkwam. Die middag besloot hij zelf een kijkje te gaan nemen bij die zieke. Tot zijn verbazing kwam hij allerlei mensen tegen die uit de tegenovergestelde richting kwamen. Het bleek dat vele mensen eten en drinken naar die arme zieke en zijn gezin hadden gebracht: zoveel dat ze het niet opkonden en dat het eten nu stond te bederven! Hij bedacht hoe die goedwillende dorpelingen waren als schapen zonder herder en besloot de hulpverlening te organiseren in een Broederschap van Liefde…

Op 8 september 1619 werd hem opgedragen aalmoezenier te worden van de galeislaven in Parijs.

Vanaf 1620 preekte hij volksmissies op het platteland en stichtte geleidelijk aan steeds meer Broederschappen van de Liefde. Zo deed hij in 1621 de Bourgondische plaats Mâcon aan en stichtte er prompt een Broederschap van Saint-Charles ter ondersteuning van zieken en armen. Na twee weken verliet hij de stad weer, ongemerkt om alle loftuitingen te voorkomen. Maar zijn werk droeg vrucht, want lange tijd daarna verzamelde men elke zondag drie- à vierhonderd noodlijdenden in de plaatselijke St-Nizierkerk. Daar woonde men eerst de druk bezochte mis bij. Na afloop werden er onder de armen geld en goederen verdeeld.

Vincentius groeide intussen onder leiding van zijn ascetische leermeester kardinaal Pierre de Bérulle († 1629) en van Franciscus van Sales († 1622; feest 24 januari) uit tot een man van de naastenliefde.

Op 17 april 1625 stichtte hij met behulp van mevrouw De Gondi de Congregatie van de Missie (‘Congregatio Missionis’), waarvan de leden Lazaristen worden genoemd naar hun moederhuis St-Lazare te Parijs. Hun doel was ziekenverpleging en missie. Na een gepreekte retraite voor priesterkandidaten in 1628 te Beauvais begon hij zich ook uitdrukkelijk bezig te houden met de priesteropleiding.

Vanaf dat moment zal hij dan ook zeggen dat de Lazaristen drie belangrijke doelstellingen hebben: 1. Ze werken aan hun eigen zielenheil: dat doen ze door de dag te beginnen met een uur meditatie; door drie keer per dag een kwartiertje te besteden aan gewetensonderzoek; door preken en religieuze conferenties bij te wonen, en door één keer per jaar een achtdaagse retraite te doen. 2. Ze maken vooral werk van de bekering van zondaars: daartoe preken ze vaak volksmissies. 3. Ze dragen zorg dragen voor een goede priesteropleiding.

Uit één van de conferenties aan de priesters blijkt hoezeer hij, zelf van boerenafkomst – begaan was met het lot van de arme plattelandsbevolking:

“Elke dag matten zij zich af, blootgesteld als zij zijn aan de hitte van de zon en allerlei andere beproevingen van de buitenlucht. Arme landarbeiders en wijnbouwers zijn het die zich afbeulen en zich voor ons in het zweet werken. Zij mogen toch op z’n minst verwachten dat wij hen bij God aanbevelen. Helaas broeders, terwijl zij het zware werk opknappen om ons voedsel te verschaffen, kunnen wij de schaduw opzoeken en rust nemen. Ook wij priesters: want als wij op volksmissie gaan vinden wij in ieder geval nog de beschutting van de kerken, en hoeven wij niet op te tornen tegen weer en wind, en zon en regen. Wij mogen leven van het zweet van de armen: het erfdeel van Christus.

Als wij naar de eetzaal gaan, mogen wij ons best eens afvragen, of wij het voedsel dat wij daar tot ons nemen, wel verdiend hebben. Ik moet daar in ieder geval vaak aan denken, en het brengt me vaak in de war. Dan zeg ik tot mezelf: ‘Armzalig stuk mens dat je bent, heb jij dat brood wel verdiend dat  je zo meteen gaat eten; dat brood dat komt van de armen?’ Daarom broeders, juist waar wij het veel minder verdienen dan zij, laten wij hen dan in ieder geval bij God aanbevelen. Laat er geen dag voorbijgaan dat wij niet voor ze bidden, en vragen dat Hij ze een eerlijke beloning geeft voor alles wat ze hebben te doorstaan.

De afgelopen dagen zeiden we dat God vooral rekent op zijn priesters om zijn verontwaardiging af te wenden. Hij rekent erop dat zij net als Aaron met het wierookvat in de hand namens hen optreden voor de armen. Of dat zij net als Mozes hun bemiddelaars zijn bij God, en van Hem gedaan krijgen dat de kwade gevolgen van hun onwetendheid en hun zonden ophouden. Misschien zouden zij helemaal niet zoveel te lijden hebben, als ze een beetje onderricht hadden gekregen, en als men een beetje werk had gemaakt van hun bekering.

Aan die armen moeten wij dus onze werken van naastenliefde besteden, enerzijds voor de vorming van ons eigen karakter, anderzijds uit dankbaarheid voor al het goeds dat wij door hun inspanningen genieten. En terwijl zij zich afmatten en moeten vechten tegen hun lot en tegen alle narigheid die steeds weer hen afkomt, moeten wij als Mozes zijn: wij moeten elke dag voor hen onze handen ten hemel heffen. En als het waar is dat zij lijden onder de gevolgen van hun zonden en hun onwetendheid, moeten wij hun voorsprekers zijn bij Gods barmhartigheid. De naastenliefde verplicht ons ertoe hen de hand toe te steken om hen eruit te trekken. En als wij niet ons best doen, al kostte het ons leven, om hen onderricht te geven en hen te helpen zich geheel en al tot God te bekeren, dan zij wij om zo te zeggen zelf schuldig aan het leed dat zij moeten dragen.”

Op 29 november 1633 stichtte hij met Louise de Marillac († 1660; feest 15 maart) de Congregatie van de Filles de la Charité (‘Dochters van Liefde’), de grootste nonnencongregatie van de katholieke kerk,  bekend om hun uitzonderlijk wijd uitstaande kappen. Voordat er een officiële regel voor de zusters geschreven was, vatte Vincentius hun levenswijze als volgt samen:

‘Als klooster hebben zij de huizen waar mensen ziek liggen; als kapel: de parochiekerk; als slot: de straten van de stad en hun gehoorzaamheid; als tralies: de eerbied voor God; als sluier: de heilige ingetogenheid.’

In 1638 trok hij zich het lot aan van wezen en vondelingen en een jaar later stuurde hij zusters van de Congregatie naar het ziekenhuis van Angers alsmede naar Lotharingen dat op dat moment geteisterd werd door de oorlog. In 1640 wendde hij zich persoonlijk tot kardinaal Richelieu om hem tot vrede te bewegen. Zo komt het dat hij werd benoemd tot lid van de Raad van Geweten (‘Conseil de Conscience’) en dat hij koning Lodewijk XIII bijstond in zijn stervensuur († 1643).

In één van zijn conferenties aan priesters zegt hij: “Ik kom nog eens terug op de aanbevelingen die ik al zo vaak gedaan heb en die we niet genoeg kunnen herhalen: dat we God bidden om vrede en dat Hij zo goed is om de harten van de christenvorsten tot elkaar te brengen. Want helaas: overal om ons heen zien wij oorlog! Oorlog in Frankrijk, oorlog in Spanje, in Italië, in Duitsland, in Zweden, in Polen dat van drie kanten wordt aangevallen, in Ierland waar de armen van hun land worden gedeporteerd naar onvruchtbare gebieden, naar bergen en zo goed als ontoegankelijke en onherbergzame rotsgrond; in Schotland is het nauwelijks beter; en Engeland: ieder weet hoe erg het daar is. Kortom in alle koninkrijken oorlog en ellende alom.

In Frankrijk hebben zo veel mensen te lijden. O Verlosser, o Verlosser. Hoeveel zijn het er wel niet!? Vier maanden geleden hadden wij hier oorlog, en hoeveel ellende hebben wij niet gezien in het hart van Frankrijk, waar overal genoeg voedsel is. Om nog maar te zwijgen van die arme mensen in de grensgebieden? Zij hebben wel het allermeest te lijden onder al die ellende, en dat al meer dan twintig jaar.”

Gedachtig zijn gevangenneming van zo’n veertig jaar terug stuurde hij in 1646 missionarissen naar Tunis om zich het lot aan te trekken van christenslaven in dienst van moslims. Twee jaar later stuurde hij de eerste missionarissen naar Madagscar.

Intussen steeg het aantal vondelingen in Parijs zo snel dat het de dames die beloofd hadden voor ze te zorgen boven het hoofd dreigde te groeien. Bovendien liepen ook de kosten torenhoog op. Ze overlegden dus of ze dit werk wel konden volhouden. Bij die gelegenheid zou Vincentius hebben gezegd: “Luister dames. Uit medelijden en naastenliefde hebt u deze kleine schepseltjes als uw eigen kinderen aangenomen. U bent uit pure goedheid hun moeder geworden, omdat hun echte moeders hen aan hun lot hadden overgelaten. En nu wilt u hen nóg eens aan hun lot overlaten? U wilt niet langer hun moeder zijn, maar hun rechters. Want hun leven en hun dood ligt nu in uw handen. Welnu, ik zal er dus toe overgaan om de stemmen te tellen. Dan is nu het moment gekomen om een uitspraak te doen en te zien of u nog medelijden met hen wilt hebben. Zij zullen het er levend vanaf brengen, als u nog liefdevol voor ze wilt zorgen. Maar ze zullen onherroepelijk doodgaan, als u uw handen er nu van af trekt. U weet het uit eigen ervaring…!” Waarop de dames niet anders konden besluiten dan het werk voort te zetten en te vertrouwen op de Goddelijke Voorzienigheid, die – zo zou blijken – zich nooit onbetuigd liet..

In 1649 wendde hij zich andermaal tot de grote politieke leiders, nu koningin Anna van Oostenrijk († 1666) en haar minister-president Mazarin († 1661) om te pleiten voor vrede. In 1651 organiseerde hij grote hulpcampagnes in Picardië, Champagne en Ile-de-France, die alle ernstig onder de oorlog te lijden hadden gehad. In datzelfde jaar vestigde ‘zijn’ Congregatie zich in Polen. Was zijn rechterhand Louise de Marillac op 15 maart 1660 gestorven, hijzelf overleed in datzelfde jaar op 27 september.

Reeds tijdens zijn leven waren zijn erbarmen en betrokkenheid bij het lot van wezen, zieke kinderen, gevallen vrouwen, armen, blinden en geesteszieken legendarisch. Hij organiseerde liefdadigheidswerk, stichtte weeshuizen en zette in Parijs grote gaarkeukens op. Bij dat alles bleef hij een man van grote eenvoud. In het moederhuis bewoonde hijzelf  een uiterst klein kamertje (‘cel’); met daarin een kale houten tafel, twee rieten stoelen, een strozak als veldbed waar overheen een sleetse deken lag.

Mensen die hem gekend hebben zeggen dat hij was van gemiddelde lengte was, goed gebouwd met een krachtig voorkomen, een beetje grof, maar wel sympathiek. Hij had een breed, indrukwekkend voorhoofd, vriendelijke oogopslag en doordringende blik. Hij kon goed luisteren, was ernstig, maar welwillend: in één woord: edel, goed en hartelijk.

Wat betreft zijn dagindeling liet hij geen moment ongebruikt. Hij stond om vier uur ’s morgens op, maakte zijn bed op, en ging naar de kerk om zijn ochtendgebeden te verrichten en de mis op te dragen. De ochtend besteedde hij aan zaken van het huis. Aan de middagtafel werden altijd twee armen uitgenodigd, die hij persoonlijk bediende. ’s Middags ging hij de stad in met zijn rijtuig: dat had hij gekregen. Hij gebruikte het niet alleen voor de boodschappen, maar ook om er armen en zieken in te vervoeren. Zag hij iemand op straat die slecht ter been was of moeizaam vooruit kwam, dan noodde hij zulke mensen naast zich in het rijtuig en bracht ze naar de plaats van bestemming. Voor het avondeten was hij weer thuis, deed een half uur aanbidding, en nog wat geestelijke lezing voor tafel. De avond besteedde hij aan het schrijven van brieven. Twee uur later dan de anderen ging hij naar bed

Verering & Cultuur
‘Monsieur Vincent’ rust in het Moederhuis (‘Maison-Mère’) van de Lazaristen te Parijs. Ook de kapel aan de Rue du Bac aldaar, waar zijn hart wordt bewaard, is nog altijd een bedevaartsoord. Hij werd heilig verklaard in 1737. Op hem zijn de Vincentiusverenigingen van liefdadigheid geïnspireerd. Zie Frederico Ozanam († 1853; feest 8 september).

Patronaten
Hij is patroon van de Lazaristen en de vincenterinnen; van de clerus (geestelijken); van gevangenen, verwaarloosde jongeren (sinds 1885) en wezen; van de liefdadigheid, caritatieve verenigingen, ja van alle charitatieve en liefdadigheidsinstellingen en liefdewerken (vaak zijn ze naar hem genoemd: St-Vincentiusverenigingen), van weeshuizen en ziekenhuizen. Zijn voorspraak wordt ingeroepen voor spirituele hulp en het terugvinden van verloren voorwerpen.

Afgebeeld
Hij wordt afgebeeld omringd door kinderen, armen, hulpbehoevenden en/of gevangenen.



27 sep - zondag

Heeg 09:30 - 10:30 Eucharistieviering, Pastoor P. v.d. Weide

Sint Josephkerk – Heeg, Heeg

 voor Jitte en Tietsje Flapper-Jellesma;                                                             
voor Jelle en Marie Jellesma-Jongstra.



27 sep - zondag

Sneek 11:00 Eucharistieviering

Sint Martinuskerk aan de Singel, Sneek

M.m.v. Intermezzo o.l.v. F. Haaze



27 sep - zondag

Heeg 19:30 - 20:30 Vesper in de Hagha kerk, Pastor L. Foekema

Heeg – Haghakerk, Heeg

thema: De gedichten van Dietrich Bonhoeffer.


Powered by Events Manager