Feestdag H. Edith Stein (Teresia Benedicta van het Kruis)

Kaart niet beschikbaar

vrijdag - 09 aug
Hele dag

Van


Edith (kloosternaam Teresia Benedicta van het Kruis) Stein ocd., Echt, Nederland / Auschwitz, Duitsland; † 1942.

Afbeelding van Edith Stein

1998, Deneer, portretschildering. Nederland, Echt, Karmelstichting.

http://www.heiligen.net/afb/08/09/08-09-1942-edith_6.jpg

Feest 9 augustus.

Edith Stein werd op 12 oktober 1891 als jongste van zeven kinderen te Breslau geboren, juist de dag dat haar joodse ouders Grote Verzoendag vierden. Haar vader, Siegfried Stein, dreef een verlopen houthandel. Edith was nog geen twee jaar oud, toen hij overleed. Moeder, Augusta Courant, nam de zaak over; omdat ze er niets van wist, moest ze zich eerst inwerken. Naast de zorg voor haar kinderen zag ze kans er met taai doorzettingsvermogen een goed lopende zaak van te maken. Ze nam haar joodse godsdienst uiterst serieus, leefde stipt alle wetten na, ging elke zaterdag naar de synagoge en vergat de armen niet: behoeftige klanten gaf ze soms hun geld terug; houtrestanten spaarde ze zuinig op om er ‘s winters van weg te kunnen geven.

Als puber zette Edith haar joodse geloof aan de kant. Ze noemde zich atheïst tot verdriet van haar moeder. Hoewel de tweede van de klas, had ze op haar veertiende plotseling geen zin meer in school; dat was Pasen 1906. Ten einde raad stuurde haar moeder haar naar Hamburg; daar was een zus van Edith getrouwd met een dokter. Ze werd er hulp in de huishouding; en dat, terwijl ze uitgesproken onhandig was. Zelf schrijft ze daarover: “Ik vond het helemaal niet moeilijk van huis weg te gaan. Ik verkeerde juist in de periode dat ik het geloof van mijn kindertijd achter me had gelaten; ik verlangde ernaar zelfstandig te zijn; en wilde me het liefst onttrekken aan de eeuwige zorg van mijn moeder en mijn zussen. In Hamburg koos ik ervoor niet meer te bidden. Over mijn toekomst dacht ik al helemaal niet na, maar leefde wel in de stille veronderstelling dat ik voor iets bijzonders was voorbestemd.”

Student
Na de grote vakantie pakte ze toch weer de studie op; ze deed op haar negentiende eindexamen, en slaagde met fantastische cijfers. Zoals gebruikelijk had de directeur voor ieder een persoonlijk woordje; bij Edith zei hij – met een woordspeling op haar naam: “Sla op deze Stein, en er springen vonken van wijsheid uit.” Nu besloot ze psychologie te studeren aan de universiteit van Breslau. Maar wie er in die dagen bij wilde horen ging naar Göttingen: daar doceerden de knappe koppen van die dagen. Ambitieus als Edith was schreef zij zich er in als student filosofie, psychologie, geschiedenis en Duitse literatuurwetenschap; dat was in 1913. Zij slaagde voor het afsluitende examen aan het eind van de eerste twee jaar met een tien. Intussen stortte zij zich in het studentenleven en mocht de beroemdste professoren tot haar persoonlijke kennissen rekenen, zoals de filosofen Edmund Husserl en Max Scheler. Tot haar vrienden behoorde ook het echtpaar Reinhard; evenals zij van oorsprong joodse mensen; maar zij dachten erover om christen te worden en toe te treden tot de protestantse kerk; daarnaast was zij nauw bevriend met het echtpaar Conrad en Hedwig Martius; zij zouden straks – zonder het zelf te weten – een beslissende rol spelen in Ediths leven.

Na haar examen onderbrak ze voor enige tijd haar studie om als vrijwilliger voor het Rode Kruis oorlogsslachtoffers te verplegen. Toen Husserl in 1916 naar de universiteit van Freiburg verhuisde nam hij haar mee als wetenschappelijk assisitente; daar maakte ze kennis met ze de filosoof Martin Heidegger. In 1917 promoveerde zij op een filosofisch onderwerp, en mocht zij zich dus voortaan ‘Frau Doktor’ noemen. In datzelfde jaar ontving Frau Reinach het bericht dat haar man, Adolf, op de slagvelden van België gesneuveld was. Zij deed aan Edith het verzoek zijn filosofische geschriften uit te zoeken. Daar ging Edith graag op in, maar zag nogal op tegen de eerste ontmoeting, want hoe moest zij een vertwijfelde en van verdriet gebroken weduwe troosten en ondersteunen? Maar de weduwe bleek in het geheel niet vertwijfeld of gebroken; integendeel, zij droeg haar lijden met grote waardigheid; zij liet zich daarbij – zo legde zij uit – inspireren door haar geloof in Jezus, die aan het kruis ook had moeten lijden. Het maakte diepe indruk op Edith; later zou zij schrijven: “Op dat moment stortte mijn wereld van ongeloof en godsontkenning volledig in.”

De waarheid
Intussen werd zij veel gevraagd om overal lezingen en voordrachten te houden over filosofische onderwerpen. Zij stond bekend als een echte wetenschapper, die niet bleef staan bij de buitenkant van de dingen, maar bleef vragen naar de betekenis ervan; met wetenschappelijke objectiviteit en uiterste precisie – zo benadrukken de mensen uit haar omgeving – was zij op zoek naar de waarheid.

In de maand augustus van het jaar 1921 was zij te gast bij Conrad en Hedwig Martius. Op een avond moesten zij weg en lieten Edith alleen achter. Frau Martius toonde haar de bibliotheek: “Kijk maar; het staat allemaal tot je beschikking.” Op goed geluk trok ze een boek uit de kast. Het was een levensbeschrijving van een kloosterzuster uit de 16e eeuw, een karmelietes: ‘Het leven van de heilige Teresa van Avila op basis van haar eigen geschriften’. Onmiddellijk was ze geboeid. Het begon alweer dag te worden toen ze het uit had: “Nu heb ik de waarheid gevonden.” Diezelfde ochtend kocht ze een boekje met uitleg over het Katholieke geloof en een gebedenboek om de mis in de kerk te kunnen volgen. Ze bestudeerde ze met grote aandacht. Toen ze ze uit had, ging ze voor het eerst naar de katholieke kerk, en herkende alles wat ze geleerd had. Na afloop sprak ze de oude priester aan: “Ik wil gedoopt worden.” “Maar mevrouw, dat gaat zomaar niet. Daar gaat een tijd van voorbereiding aan vooraf en er is iemand nodig die u begeleidt.” “Alstublieft eerwaarde”, zei Edith, “vraagt u maar om te zien of ik voldoende voorbereid ben.” Aan het eind van dat gesprek besloten ze dat ze op 1 januari van het volgende jaar, 1922, gedoopt zou worden.

Moeder
Ze zag er als een berg tegenop om dit aan haar joodse moeder te vertellen? Ze was bang dat de familie met haar zou breken. “Moeder, ik ben katholiek geworden…” Mevrouw Stein brak in tranen uit. Zo had Edith haar moeder nog nooit gezien: zij was immers altijd de sterke vrouw geweest, die in haar eentje zeven kinderen had grootgebracht en een houtbedrijf gerund. Een half jaar bleef Edith bij haar moeder thuis; ze deed mee met alle joodse praktijken van vasten en bidden, en begeleidde haar moeder naar de synagoge.

Ze verliet Freiburg en het universitaire milieu. Negen jaar lang, van 1922 tot 1931, was ze lerares wetenschappelijke opvoedkunde en Duits aan het Sint-Magdalena-Instituut van de zusters dominicanessen te Speyer (Spiers). Ze stelde hoge eisen aan de kwaliteit van het werk van haar leerlingen en kon er slecht tegen als zij ongemotiveerd bleken. Een studente herinnert zich nog hoe groot de intellectuele afstand was tussen haar docent en de klas: “Maar van de andere kant wist je je volkomen veilig bij haar. In je opstellen kon je de meest persoonlijke dingen aan haar kwijt; zij nam ze serieus en ging er altijd op in; haar uitstraling en die aantekeningen zijn de kostbaarste herinneringen die ik aan die jaren heb.”

Niemand wist hoeveel tijd ze in haar persoonlijk leven besteedde aan gebed. Na een kerstnachtdienst bleef zij nog even bidden bij het stalletje. De kosteres merkte haar niet op en sloot haar in. Zo trof zij de vrome vrouw de volgende ochtend nog steeds in gebed; zij had er de hele nacht gezeten. Geschrokken zei ze: “U zult intussen wel moe zijn.” “Moe? Bij Hem?”

Het verbaasde niemand meer, toen zij in 1932 te kennen gaf kloosterzuster te willen worden. Haar keuze was gevallen op de karmelietessen, de orde van Teresa van Avila, de zuster van het boek van elf jaar geleden. In augustus van dat jaar ging ze naar Breslau om het nieuws persoonlijk aan haar bejaarde moeder te gaan melden; deze was intussen 84 jaar oud. “Maar wat wil je dan gaan doen bij die zusters?” “Hun leven delen.” Moeder snapte er niets van en had er geen goed woord voor over. Edith bleef tot en met haar verjaardag, 12 oktober, de laatste dag van het joodse loofhuttenfeest; ze begeleidde haar moeder trouw naar de synagoge. In een poging moeder nog wat hoop te geven, zei Edith: “Het begint met een proeftijd.” Maar moeder antwoordde onmiddellijk: “Ik ken je: als jij aan een proeftijd begint, zul je zorgen dat je erdoor komt ook.” Op de terugweg naar huis zei moeder: “Vond je het niet een mooie preek van de rabbi?” “Jazeker, een heel mooie preek.” “Nou dan? Dan kun je toch ook op z’n joods vroom zijn?” “Ja, als je niet beter weet…” Wat een feestdag had moeten zijn, waren verschrikkelijke uren. De volgende dag nam ze afscheid en ging naar Keulen. Daar trad zij enige dagen later in bij de Karmelietessen, 15 oktober, feestdag van de heilige Teresa.

Karmelietes
Voor een 42-jarige vrouw die gewend was geweest om te gaan met beroemde mensen van haar tijd kon de overgang niet groter zijn. Van de ene dag op de andere was zijn van een hoge eisen stellende docente veranderd in de jongste, onopvallende novice, beginneling. Zij moest leren het gewone leven van de zusters te delen. Naast de uren van gebed, die zij heerlijk vond, betekende dat ook dat zij allerhande huishoudelijk werk moest verrichten, zoals wassen, koken en strijken. Haar novicemeesteres schrijft erover: “Zij was zo onhandig en onbeholpen dat je je schaamde als je ernaar keek.” Maar zijzelf noemde het een heel geschikte oefening in eenvoud en bescheidenheid.

Nazi’s
Op 15 juli 1934, bij haar inkleding, koos ze de naam van zuster Teresia Benedicta van het Kruis. Teresia naar de heilige schrijfster van het boek; ‘benedicta’ betekent ‘gezegend’; ‘a cruce’: ‘door het kruis’. Dat laatste was natuurlijk een verwijzing naar de weduwe van 1917… Tegelijk was het ook een profetische naam. Intussen waren in Duitsland de nazi’s de baas geworden in Duitsland. Dat betekende voor de joden niet veel goeds. Hoewel de jodin Edith intussen de katholieke zuster Benedicta geworden was, voelde zij zich verwant met haar joodse volksgenoten, en deelde zij in hun ongerustheid en verdriet. Ook in dat van haar moeder, die haar dochter niet kon volgen, daar veel pijn aan had, maar toch het contact niet verbrak; ze kwam zelfs een keer kijken, hoe ze daar achter die tralies leefde. En moest constateren dat haar dochter een gelukkige indruk maakte. Moeder stierf op 14 september 1935.

Zo leidde Zuster Benedicta haar verborgen leven van studie en gebed in de Keulse carmel. Op 9 november 1938 woedde de ‘Kristallnacht’ in Duitsland; de woede van de nazi’s ontlaadde zich over heel Duitsland tegen de joodse bezettingen. Zij schreef: “De schaduw van het kruis valt ook over mijn volk.” Ook voor zuster Benedicta werd het te gevaarlijk in Keulen. Op oudejaarsavond werd zij overgebracht naar de carmel in de Limburgse plaats Echt, vlak over de grens met Nederland. Anderhalf jaar later vielen de Duitsers Nederland binnen, zodat de dreiging weer onverminderd aanwezig was. In datzelfde jaar kwam Ediths zus Rosa naar de carmel. Ze was intussen ook katholiek geworden, maar wilde niet intreden. De zusters gaven haar de functie van portierster.

Intussen werden ook vanuit Nederland joden gedeporteerd naar Duitsland. Onder aanvoering van de bisschoppen stuurden de Nederlandse katholieken op 11 juli 1942 een telegram naar de Duitse Generaal Christiansen in Den Haag, waarin ze hun afschuw uitspraken over de jodenvervolging. De Duitse bezetters dreigden dat ze ook de katholieken van joodse oorsprong zouden arresteren en wegvoeren, als de bisschoppen doorgingen met hun acties tegen de jodendeportaties. In weerwil daarvan lieten de bisschoppen op zondag 26 juli in alle katholieke kerken van Nederland een brief voorlezen, waarin ze hun afkeuring met betrekking tot de jodenvervolging herhaalden. Op 2 augustus stonden er ‘s middags om vijf uur twee SS-officieren voor de deur van het carmelklooster in Echt met het bevel dat zuster Benedicta en haar zus Rosa binnen vijf minuten hun spullen gepakt moeste hebben en mee moesten. Moeder overste kwam toegesneld: “Dat gaat zomaar niet.” “Dan krijgt u tien minuten, maar geen minuut meer. Geef haar een deken, een lepel en voedsel voor drie dagen mee. Opschieten. We hebben haast.” Tegenstribbelen had verder geen enkele zin. Zuster Benedicta nam haar zus Rosa bij de arm: “Kom, laten we gaan voor ons volk.”

De laatste week
De volgende dag zaten ze in het concentratiekamp van Westerbork in Drente. Vandaar vertrokken de treinen naar de concentratie- en vernietigingskampen in Duitsland en Polen. Op 6 augustus heeft ze nog een kort briefje geschreven naar Echt: ze vraagt er om een paar kleine dingetje en voegt eraan toe: “Geloof het of niet, maar ik kan hier bidden in alle rust.” Ooggetuigen vertellen dat zij temidden van alle chaos de rust zelve was: “In het opvangkamp hoorde je overal huilen, en onder degenen die net aangekomen waren, heerste een onbeschrijflijke chaos. Zuster Benedicta hield zich bezig met de vrouwen: zij hielp en troostte, waar ze maar kon. Ze was een toonbeeld van kalmte, ze leek haast wel een engel. Vele moeders waren zo’n beetje de waanzin nabij, en zaten zo apathisch voor zich uit te staren dat ze zelfs hun kinderen vergaten. Zuster Benedicta ontfermde zich over die kleintjes, ze hielp ze bij het wassen en kamde hun haren; zorgde dat ze wat te eten kregen en dat er op hen gelet werd. De dagen dat ze in het kamp zat, zag je haar almaar bezig met zorgen en schoonmaken; de mensen stonden er versteld van.” Tot zover een overlevende. En dan te bedenken dat deze vrouw ooit de onhandigheid was in eigen persoon!

Op 7 augustus ‘ s morgens om half vier zette de trein zich in beweging naar het oosten. De gevangenen stonden samen geperst in veewagens. Twee dagen later kwam het transport aan in vernietigingskamp Auschwitz. Men weet dat de gevangenen meteen werden doorgestuurd naar de gaskamers. Onder hen zuster Teresia Benedicta a Cruce, Edith Stein, 50 jaar oud. In 1939 had zij geschreven dat zij met liefde offers van pijn, verdriet en lijden wilde brengen, als daarmee de wereldvrede kon worden bewaard.” De offers heeft zij gebracht…

Zij werd in 1987 door paus Johannes Paulus II zalig verklaard.

Wij willen onze website graag verbeteren

Daarvoor verzoeken wij u ons toe te staan gebruik te maken van cookies. Deze cookies betreffen geanonimiseerde gegevens voor Google-Analytics. Indien u deze cookies afwijst kunt u toch onze gehele website bekijken zonder dat enige data aan een derde partij wordt verzonden.